Hogere voorziening ingesteld op 26 februari 2021 door de International Skating Union tegen het arrest van het Gerecht (Vierde kamer – uitgebreid) van 16 december 2020 in zaak T-93/18, International Skating Union/Europese Commissie

(Zaak C-124/21 P)

Procestaal: Engels

Partijen

Rekwirante: International Skating Union (vertegenwoordiger: J.-F. Bellis, avocat)

Andere partijen in de procedure: Europese Commissie, Mark Jan Hendrik Tuitert, Niels Kerstholt, European Elite Athletes Association

Conclusies

het arrest van het Gerecht van de Europese Unie in zaak T-93/18, International Skating Union/Commissie, vernietigen voor zover het beroep van rekwirante daarbij is verworpen;

het besluit van de Commissie van 8 december 2017 in zaak AT. 40208 – Toelatingsregels van de Internationale Schaatsbond, nietig verklaren, en

de Commissie en interveniënten in eerste aanleg verwijzen in de kosten van deze procedure en van de procedure bij het Gerecht.

Middelen en voornaamste argumenten

Eerste middel: Het Gerecht heeft artikel 263 VWEU en de rechtspraak van het Hof van Justitie betreffende artikel 101 VWEU geschonden door te oordelen dat de toelatingsregels van de International Skating Union (internationale schaatsbond; hierna: „ISU”) een mededingingsbeperkende strekking hebben.

Onderdeel 1: Het Gerecht heeft nagelaten de argumenten van rekwirante te onderzoeken die waren gericht tegen de beoordeling door de Commissie van de feiten die in het besluit van de Commissie van 8 december 2017 in zaak AT. 40208 – Toelatingsregels van de Internationale Schaatsbond (hierna: „litigieus besluit”) waren aangevoerd ter rechtvaardiging van de vaststelling dat die regels een mededingingsbeperkende strekking hebben.

Alle argumenten van rekwirante ter betwisting van de beoordeling door de Commissie van de feiten op grond waarvan in artikel 1 van het litigieuze besluit is vastgesteld dat de ISU – door de toelatingsregels „vast te stellen en te handhaven” – artikel 101 VWEU had geschonden, zijn ten onrechte afgewezen of simpelweg genegeerd.

Onderdeel 2: Het Gerecht heeft, in strijd met zijn verplichting om zijn eigen beoordeling niet in de plaats te stellen van die van de Commissie, de in casu aan de orde zijnde beperking van de mededinging opnieuw gekwalificeerd en heeft, in strijd met de rechtspraak van het Hof van Justitie inzake artikel 101 VWEU, bepaalde door de Commissie in afdeling 8.5 van het bestreden besluit besproken elementen ten onrechte aangemerkt als relevant voor een vaststelling dat sprake is van een beperking van de mededinging naar strekking.

Het Gerecht heeft, in plaats van de vaststelling van een inbreuk te beoordelen zoals deze tot stand is gekomen in het bestreden besluit, een nieuwe beperking van de mededinging naar strekking geconstrueerd op grond van: 1) een abstracte lezing van de toelatingsregels van de ISU die losstaat van enige beoordeling van de wijze waarop zij in de praktijk werden toegepast, en 2) elementen die de Commissie heeft besproken in afdeling 8.5 van het bestreden besluit, welke afdeling geen deel uitmaakt van de vaststelling – in afdeling 8.3 van dat besluit – dat sprake is van een inbreuk naar strekking.

Onderdeel 3: Het Gerecht heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting bij zijn analyse van de vier elementen waarop de Commissie zich heeft gebaseerd voor de vaststelling dat de toelatingsregels van de ISU een mededingingsbeperkende strekking hebben.

De inhoud van de toelatingsregels: Uit het niveau van de sancties waarmee de toelatingsregels worden gehandhaafd kan geen conclusie worden getrokken met betrekking tot de vermeende mededingingsbeperkende strekking van die regels. Sancties hebben alleen een ongunstige invloed op de mededinging wanneer het besluit om geen toestemming te verlenen voor een evenement ongerechtvaardigd is. Het niveau van de sancties op zich zegt niets over de inhoud van de regels.

De doelstellingen van de toelatingsregels van de ISU: Het Gerecht had op grond van zijn erkenning dat het systeem van voorafgaande toestemming van de ISU een legitiem doel nastreeft tot de slotsom moeten komen dat de toelatingsregels van de ISU geen mededingingsbeperkende strekking kunnen hebben.

De juridische en economische context van de toelatingsregels van de ISU: het Gerecht heeft het arrest in de zaak C-67/13, CB/Commissie, onjuist uitgelegd door het feit dat de ISU toestemming had verleend voor alle door derden georganiseerde kunstschaatsevenementen, als irrelevant te beschouwen op grond dat er geen „interactie” bestond tussen de markt voor kunstschaatsen en de onderhavige markt voor hardrijden op de schaats.

Het oogmerk van de ISU om de mededinging te beperken: het feit dat voor de vaststelling van een beperking „naar strekking” geen sprake hoeft te zijn van een oogmerk, rechtvaardigt niet dat het Gerecht rekwirantes argumenten ter betwisting van de beoordeling van de feiten door de Commissie in de overwegingen 175-178 van het litigieuze besluit, op grond waarvan de Commissie heeft geoordeeld dat de ISU – door de toelatingsregels vast te stellen en te handhaven – artikel 101 VWEU had geschonden, heeft afgewezen als niet ter zake dienend.

Tweede middel: Het Gerecht heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door niet in te gaan op het vierde middel van rekwirantes verzoekschrift, volgens hetwelk het besluit van de ISU om geen toestemming te verlenen voor het Dubai Icederby evenement van 2014 buiten de werkingssfeer van artikel 101 VWEU valt omdat met dit besluit een legitiem doel werd nagestreefd in overeenstemming met de ethische gedragscode van de ISU, die iedere vorm van ondersteuning van weddenschappen verbiedt.

Het Gerecht heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door rekwirantes middel onjuist te karakteriseren als gepaard gaande met een abstracte discussie van de legitimiteit van de doelstelling om de integriteit van het hardrijden op de schaats te beschermen. Dit middel diende ter betwisting van de weigering van de Commissie om de geldigheid te erkennen van de ethische bezwaren van de ISU met betrekking tot het concept van wedstrijden hardrijden op de schaats gecombineerd met weddenschappen ter plekke, dat op het evenement in Dubai zou worden geëtaleerd. Het Gerecht gaat voorbij aan het door rekwirante aangedragen bewijs, in het bijzonder aan het rapport van het debat in het Koreaanse parlement waarbij dat concept werd afgewezen vanwege het hoge risico van manipulatie, hetgeen de geldigheid van de ethische bezwaren van de ISU bevestigt. De Dubai Icederby is het enige door derden georganiseerde evenement waarvoor geen toestemming is verleend volgens het systeem van voorafgaande toestemming van de ISU.

____________