ARREST VAN HET GERECHT VOOR AMBTENARENZAKEN
(Tweede kamer)

8 februari 2011

Zaak F‑95/09

Carina Skareby

tegen

Europese Commissie

„Openbare dienst — Ambtenaren — Psychisch geweld door hiërarchieke meerdere — Artikelen 12 bis en 24 van Statuut — Verzoek om bijstand — Redelijke termijn — Aanvang — Duur”

Betreft: Beroep, ingesteld krachtens artikel 236 EG en artikel 152 EA, waarbij Skareby vraagt om, kort samengevat, nietigverklaring van het besluit van de Commissie van 4 maart 2009 houdende weigering om een administratief onderzoek in te stellen naar het gestelde psychisch geweld waaraan een van haar voormalige hiërarchieke meerderen zich schuldig zou hebben gemaakt.

Beslissing: Het besluit van de Commissie van 4 maart 2009 houdende weigering om een administratief onderzoek in te stellen naar het gestelde psychisch geweld waaraan een van verzoeksters voormalige hiërarchieke meerderen zich schuldig zou hebben gemaakt, wordt nietig verklaard. De Commissie zal alle kosten dragen.

Samenvatting

1.      Ambtenaren — Beroep — Procesbelang

(Ambtenarenstatuut, art. 91)

2.      Ambtenaren — Bijstandsverplichting van administratie — Uitvoering op gebied van psychisch geweld — Indiening van verzoek om bijstand — Inachtneming van redelijke termijn

(Ambtenarenstatuut, art. 12 bis, 24 en 90, lid 1)

3.      Ambtenaren — Bijstandsverplichting van administratie — Uitvoering op gebied van psychisch geweld — Indiening van verzoek om bijstand — Aanvang van in acht te nemen termijn

(Ambtenarenstatuut, art. 12 bis)

4.      Ambtenaren — Bijstandsverplichting van administratie — Uitvoering op gebied van psychisch geweld — Indiening van verzoek om bijstand — Inachtneming van redelijke termijn — Duur van termijn

(Statuut van het Hof van Justitie, art. 46; Ambtenarenstatuut, art. 24)

1.      Met betrekking tot een zo ernstige kwestie als psychisch geweld moet worden erkend dat de ambtenaar die stelt dat hij het slachtoffer van psychisch geweld is en die voor de rechter opkomt tegen de weigering van de instelling om een verzoek om bijstand inhoudelijk te onderzoeken, in beginsel het gerechtvaardigd belang behoudt dat in de rechtspraak als voorwaarde voor de ontvankelijkheid van een beroep wordt gesteld, ook al vraagt hij niet om vergoeding van de door het gestelde geweld veroorzaakte schade noch om de inleiding van een tuchtprocedure tegen de vermeende dader van het geweld en ook al zou het geweld sinds meerdere jaren zijn beëindigd.

Een dergelijke oplossing ligt op het eerste gezicht voor de hand wegens de ernst van het uitoefenen van psychisch geweld, dat extreem schadelijke gevolgen voor de gezondheid van een persoon kan hebben. Het vermeende slachtoffer van psychisch geweld behoudt zijn procesbelang, ongeacht de vraag of dat geweld voortduurt of dat de betrokken persoon andere vorderingen en met name schadevorderingen indient, dan wel het recht of de bedoeling heeft deze in te dienen in verband met het psychisch geweld. De eventuele erkenning door de administratie van het bestaan van psychisch geweld kan op zich een heilzame werking hebben voor de therapeutische behandeling van het slachtoffer van psychisch geweld.

(cf. punten 23, 25 en 26)

Referentie:

Gerecht voor ambtenarenzaken: 30 november 2009, Wenig/Commissie, F‑80/08, punt 35

2.      De eerbiediging van een termijn, die „redelijk” moet zijn, is vereist in alle gevallen waarin, bij ontbreken van een uitdrukkelijke bepaling, het rechtszekerheids‑ of het vertrouwensbeginsel zich ertegen verzet dat de instellingen van de Unie en natuurlijke of rechtspersonen handelen zonder aan termijnen gebonden te zijn, en aldus met name de stabiliteit van bestaande rechtssituaties in gevaar kunnen brengen.

Voor zover een verzoek om bijstand wegens vermeend psychisch geweld beoogt te doen vaststellen dat er sprake is van een onrechtmatige en foutieve gedraging van een ambtenaar of functionaris en het niet uitgesloten is dat die gedraging, wanneer deze plaatsvond in de uitoefening van de functie van de vermeende dader van het geweld, eventueel tot de aansprakelijkheid van de betrokken instelling kan leiden, vertoont het verzoek om bijstand waarin die gedraging aan de orde wordt gesteld een juridische verwantschap met het verzoek om schadevergoeding dat een ambtenaar op basis van artikel 90, lid 1, van het Statuut bij de administratie indient. Op het gebied van schadevorderingen vereist de rechtspraak echter de eerbiediging van een „redelijke” termijn. Erkend moet worden dat er ook een termijn bestaat waarbinnen de ambtenaar een verzoek om bijstand wegens psychisch geweld moet indienen.

(cf. punten 41, 43 en 44)

Referentie:

Gerecht van eerste aanleg: 6 juli 2004, Huygens/Commissie, T‑281/01, punten 42 en 46‑48; 5 oktober 2004, Eagle e.a./Commissie, T‑144/02, punten 57 en 66

Gerecht voor ambtenarenzaken: 11 mei 2010, Nanopoulos/Commissie, F‑30/08, punt 117, waartegen hogere voorziening is ingesteld bij het Gerecht van de Europese Unie, zaak T‑308/10 P; 9 juli 2010, Marcuccio/Commissie, F‑91/09, punt 32; waartegen hogere voorziening is ingesteld bij het Gerecht van de Europese Unie, zaak T‑450/10 P

3.      Volgens artikel 12 bis, lid 3, van het Statuut doet psychisch geweld zich gedurende lange tijd herhaaldelijk of systematisch voor. Psychisch geweld vormt dus een inbreuk die per definitie continu is, die noodzakelijkerwijs gedurende lange tijd plaatsvindt en het bestaan van herhaalde of systematische handelingen vereist, wil het worden geacht te hebben plaatsgevonden. Bovendien kunnen de symptomen pas bepaalde tijd na de eerste handelingen van psychisch geweld of de volledige bewustwording van het slachtoffer van de strekking van die handelingen blijken, daar het slachtoffer dikwijls tijd nodig heeft om te beseffen wat er met hem gebeurt en om zich te bevrijden uit de greep van de dader.

Gezien de specifieke kenmerken van psychisch geweld en het vereiste van rechtszekerheid, lijkt het dus juister om zich alleen te baseren op objectieve criteria en als aanvang van de termijn voor de indiening van een verzoek om bijstand wegens psychisch geweld de laatste handeling van de vermeende dader van het psychisch geweld te nemen, of in elk geval het tijdstip vanaf hetwelk de vermeende dader niet meer in staat is om zijn handelingen tegen het slachtoffer voort te zetten, en dit ongeacht de kennis van of de bewustwording door het slachtoffer van de verschillende handelingen van psychisch geweld alsook de handeling waardoor het foutieve gedrag van de vermeende dader van psychisch geweld voortaan het „duurzame” of „systematische” karakter krijgt dat voor de vaststelling van het bestaan van dat geweld vereist is.

(cf. punten 47 en 49)

4.      Gelet op de juridische verwantschap tussen het verzoek om schadevergoeding van ambtenaren en het verzoek om bijstand gebaseerd op het bestaan van psychisch geweld, en het ontbreken van elke relevante reden om geen rekening te houden met de genoemde vergelijking, moet ten eerste worden vastgesteld dat de termijn voor de indiening van een verzoek om bijstand redelijk moet zijn, ten tweede dat een duur van vijf jaar, in navolging van de termijn voorzien in artikel 46 van het Statuut van het Hof van Justitie, in beginsel redelijk moet worden geacht om met succes psychisch geweld bij de administratie te kunnen melden en haar bijstand te vragen, met name door om de instelling van een administratief onderzoek naar dat geweld te vragen. Die duur geeft immers de administratie de mogelijkheid om volledig te voldoen aan haar zorgplicht en aan haar verplichtingen voortvloeiende uit artikel 24 van het Statuut, door eventueel op eigen initiatief maatregelen te nemen. Tegelijkertijd beschikt de betrokkene hierdoor over een voldoende lange termijn om de instelling zijn vorderingen kenbaar te maken. Door deze termijn kan eveneens rekening worden gehouden met de bijzondere kenmerken van het begrip psychisch geweld, namelijk het feit dat de symptomen pas bepaalde tijd na de eerste handelingen van psychisch geweld of de volledige bewustwording door het slachtoffer van de strekking van die handelingen kunnen blijken, en het feit dat het slachtoffer dikwijls tijd nodig heeft om te beseffen wat er met hem gebeurt en om zich te bevrijden uit de greep van de dader.

Naar analogie van hetgeen op het gebied van beroepen tot schadevergoeding van ambtenaren is vastgesteld, kan de termijn van vijf jaar voor de indiening van een verzoek om bijstand wegens psychisch geweld echter niet als een strikte en onaantastbare regel worden beschouwd. Ook al is een verzoek om bijstand wegens psychisch geweld dat binnen de termijn van vijf jaar wordt ingediend in beginsel ontvankelijk, dit kan anders zijn in bijzondere omstandigheden, die moeten worden beoordeeld aan de hand van de belangen die op het spel staan, de ingewikkeldheid van de zaak en het gedrag van de betrokkene.

(cf. punten 53 en 54)

Referentie:

Gerecht voor ambtenarenzaken: 4 november 2008, Marcuccio/Commissie, F‑87/07, punt 30