ARREST VAN HET GERECHT VOOR AMBTENARENZAKEN
(Tweede kamer)

14 april 2011

Zaak F‑82/08

Nicole Clarke e.a.

tegen

Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM)

„Openbare dienst – Tijdelijk functionarissen – Artikel 8 RAP – Clausule om overeenkomst te beëindigen wanneer functionaris niet wordt geplaatst op reservelijst van vergelijkend onderzoek – Algemene vergelijkende onderzoeken BHIM/AD/02/07 en BHIM/AST/02/07 – Bezwarend besluit – Beginsel van uitvoering te goeder trouw van overeenkomsten – Zorgplicht – Beginsel van behoorlijk bestuur – Taalkundige vereisten – Onbevoegdheid van EPSO – Richtlijn 1999/70/EG – Arbeid voor bepaalde tijd”

Betreft: Beroep, ingesteld krachtens artikel 236 EG en artikel 152 EA, waarbij Clarke, Papathanasiou en Periañez-González, tijdelijk functionarissen van het BHIM, vragen om, enerzijds, nietigverklaring van de besluiten van het BHIM van 7 maart 2008 tot afwijzing van hun verzoeken om, kort samengevat, schrapping van de in hun arbeidsovereenkomsten opgenomen opzeggingsclausule, waarin het vereiste van een succesvolle deelname aan een algemeen vergelijkend onderzoek is opgenomen, en een verklaring van het BHIM dat hun arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd zal worden gehandhaafd en, anderzijds, veroordeling van het BHIM tot betaling van een schadevergoeding.

Beslissing: Het besluit van de directeur Personeelszaken van het BHIM van 19 december 2007 en de besluiten van het BHIM van 7 maart 2008, voor zover bij laatstgenoemde besluiten verzoeksters’ verzoeken om de in hun overeenkomst van tijdelijk functionaris opgenomen opzeggingsclausule niet toe te passen met betrekking tot de vergelijkende onderzoeken BHIM/AD/02/07 en BHIM/AST/02/07 zijn afgewezen, worden nietig verklaard. Het BHIM wordt veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van 2 000 EUR aan elke verzoekster. Het beroep wordt voor het overige verworpen. Het BHIM zal zijn eigen en verzoeksters’ kosten dragen.

Samenvatting

1.      Ambtenaren – Beroep – Beroep gericht tegen besluit houdende niet-toelating tot examens van vergelijkend onderzoek – Mogelijkheid om beroep te doen op onregelmatigheid van aankondiging van vergelijkend onderzoek

(Ambtenarenstatuut, art. 90, lid 2, en 91)

2.      Ambtenaren – Beroep – Voorwaarden voor ontvankelijkheid – Onderzoek aan de hand van in Statuut opgenomen voorwaarden

(Art. 230, vierde alinea, EG; art. 263, vierde alinea, VWEU; Ambtenarenstatuut, art. 90 en 91)

3.      Ambtenaren – Beroep – Bezwarend besluit – Begrip – Clausule in overeenkomst van tijdelijk functionaris die handhaving van arbeidsverhouding afhankelijk stelt van plaatsing van functionaris op reservelijst van algemeen vergelijkend onderzoek – Daaronder begrepen

(Ambtenarenstatuut, art. 90, lid 2)

4.      Ambtenaren – Organisatie van diensten – Toewijzing van dezelfde taken aan vaste en tijdelijke ambten – Toelaatbaarheid

(Regeling andere personeelsleden, art. 2, sub a en b)

5.      Ambtenaren – Tijdelijk functionarissen – Aanwerving – Wijziging van overeenkomst voor bepaalde tijd in overeenkomst voor onbepaalde tijd en invoeging van opzeggingsclausule voor geval functionaris niet op reservelijst van algemeen vergelijkend onderzoek wordt geplaatst – Wijziging die als verlenging van overeenkomst voor bepaalde tijd geldt

(Richtlijn 1999/70, bijlage, clausule 3, punt 1; regeling andere personeelsleden, art. 2, sub a, en 8, eerste alinea)

6.      Ambtenaren – Tijdelijk functionarissen – Overeenkomsten voor onbepaalde tijd met opzeggingsclausule die alleen geldt in geval van niet-plaatsing op reservelijst die na algemeen vergelijkend onderzoek is opgesteld – Aankondiging van vergelijkend onderzoek waarin aantal te vervullen ambten duidelijk lager is dan aantal overeenkomsten – Niet-toepasselijkheid van clausule

7.      Ambtenaren – Vergelijkend onderzoek – Toelatingsvoorwaarden – Gelijke behandeling – Vereiste van specifieke talenkennis – Toelaatbaarheid

8.      Ambtenaren – Vergelijkend onderzoek – Organisatie – Toelatingsvoorwaarden en modaliteiten – Beoordelingsvrijheid van tot aanstelling bevoegd gezag – Rechterlijke toetsing – Grenzen

(Ambtenarenstatuut, art. 27, eerste alinea)

9.      Europees Bureau voor personeelsselectie (EPSO) – Verloop van vergelijkende onderzoeken voor aanwerving van ambtenaren – Rol van EPSO – Verlenen van bijstand aan jury – Rol ondergeschikt aan die van jury – Bevoegdheid om personeel te selecteren – Ontbreken

1.      De administratieve klacht en het beroep in rechte moeten volgens artikel 90, lid 2, van het Statuut beide zijn gericht tegen een bezwarend besluit dat bindende rechtsgevolgen teweegbrengt die de belangen van de verzoeker rechtstreeks en onmiddellijk kunnen raken, omdat zij zijn rechtspositie aanmerkelijk wijzigen.

Wat aankondigingen van vergelijkende onderzoeken betreft mag een verzoeker, gelet op de bijzondere aard van de aanwervingsprocedure, die een ingewikkeld administratief proces is dat een aantal opeenvolgende, zeer nauw samenhangende besluiten omvat, een beroep doen op onregelmatigheden bij het verloop van het vergelijkend onderzoek, daaronder begrepen die welke hun oorzaak vinden in de tekst zelf van de aankondiging van het vergelijkend onderzoek, bij een beroep gericht tegen een later individueel besluit, zoals een besluit om niet tot de examens te worden toegelaten. Bij wijze van uitzondering kan tegen een aankondiging van vergelijkend onderzoek ook een beroep tot nietigverklaring worden ingesteld, wanneer zij, door voorwaarden te stellen waardoor verzoekers sollicitatie wordt uitgesloten, voor hem een bezwarend besluit vormt in de zin van de artikelen 90 en 91 van het Statuut.

(cf. punten 74 en 79)

Referentie:

Hof: 8 maart 1988, Sergio e.a./Commissie, 64/86, 71/86–73/86 en 78/86, punt 15; 11 augustus 1995, Commissie/Noonan, C‑448/93 P, punten 17‑19

Gerecht van eerste aanleg: 16 september 1993, Noonan/Commissie, T‑60/92, punt 21; 13 juli 2000, Hendrickx/Cedefop, T‑87/99, punt 37

Gerecht voor ambtenarenzaken: 2 juli 2009, Bennett e.a./BHIM, F‑19/08, punt 65, en de aangehaalde rechtspraak, en punt 66

2.      Om de ontvankelijkheid van het beroep van een ambtenaar te beoordelen mag de rechter geen toepassing geven aan noch zich laten inspireren door de voorwaarden van artikel 230, vierde alinea, EG (thans, na wijziging, artikel 263, vierde alinea, VWEU) en, met name, het vereiste dat de verzoeker door het bestreden besluit individueel moet worden geraakt, omdat deze voorwaarden in wezen de uitoefening begrenzen van het recht op beroep van natuurlijke en rechtspersonen tegen handelingen van algemene strekking, doordat zij rekening houden met verschillende omstandigheden die de verzoeker kunnen individualiseren. Overeenkomstig de autonomie van geschillen op het gebied van de openbare dienst van de Unie ten opzichte van geschillen van het gemene recht die strekken tot nietigverklaring en schadevergoeding, moet dus worden verwezen naar de in het Statuut opgenomen voorwaarden voor ontvankelijkheid.

(cf. punt 75)

Referentie:

Hof: 22 oktober 1975, Meyer-Burckhardt/Commissie, 9/75, punt 7; 17 februari 1977, Reinarz/Commissie en Raad, 48/76, punt 10; 7 oktober 1987, Schina/Commissie, 401/85, punt 9

3.      De invoeging in een overeenkomst van tijdelijk functionaris van een opzeggingsclausule die het behoud van de arbeidsverhouding afhankelijk stelt van de plaatsing van de naam van de betrokken tijdelijk functionaris op de reservelijst van een door het Europees Bureau voor personeelsselectie georganiseerd algemeen vergelijkend onderzoek, is voor die functionaris bezwarend, althans gelet op de onzekerheid voor hem om na afloop van dat vergelijkend onderzoek op de reservelijst te worden geplaatst. In deze omstandigheden is het besluit van de instelling houdende afwijzing van zijn verzoek om de in zijn overeenkomst opgenomen opzeggingsclausule als nietig te beschouwen of althans met betrekking tot een bepaald vergelijkend onderzoek niet op hem toe te passen, zodat hij niet verplicht is om aan dat vergelijkend onderzoek deel te nemen, een bezwarend besluit in de zin van artikel 90, lid 2, van het Statuut.

(cf. punt 76)

4.      In beginsel is het de administratie niet verboden om dezelfde taken toe te kennen aan een vast of aan een tijdelijk ambt opgenomen op de lijst van het aantal ambten.

Het kan de administratie dus niet worden verweten dat zij een overeenkomst heeft gesloten met een tijdelijk functionaris in de zin van artikel 2, sub b, van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden, deze vervolgens in gezamenlijk overleg heeft opgezegd en heeft vervangen door een overeenkomst in de zin van artikel 2, sub a, van die Regeling om de betrokkene de gelegenheid te geven een ambt te vervullen dat is opgenomen op de lijst van het aantal ambten en waaraan de begrotingsautoriteiten een tijdelijk karakter hebben verleend.

(cf. punten 113 en 115)

5.      Een instelling heeft niet de grenzen overschreden van artikel 8, eerste alinea, van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden door een overeenkomst van een tijdelijk functionaris in de zin van artikel 2, sub a, van die Regeling te wijzigen teneinde de bepaalde duur van de overeenkomst op te heffen en deze te vervangen door een zogenoemde onbepaalde duur, alsmede door daarin een opzeggingsclausule op te nemen voor het geval de functionaris niet op de reservelijst van een vergelijkend onderzoek wordt geplaatst. Aangezien de overeenkomst door de invoeging van de clausule niet als overeenkomst voor onbepaalde tijd kan worden aangemerkt, ongeacht de bewoordingen ervan, moet die wijziging immers worden uitgelegd als een eerste verlenging voor bepaalde tijd van een overeenkomst van tijdelijk functionaris voor bepaalde tijd in de zin van artikel 2, sub a, van die Regeling.

Bovendien volgt uit clausule 3, punt 1, van de raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, die is opgenomen als bijlage bij richtlijn 1999/70 betreffende de door het EVV, de UNICE en het CEEP gesloten raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, dat de duur van een overeenkomst niet alleen kan worden bepaald door het bereiken van een bepaald tijdstip, maar eveneens door het voltooien van een bepaalde taak of het intreden van een bepaalde gebeurtenis, zoals de opstelling van een reservelijst van een bepaald vergelijkend onderzoek.

(cf. punten 113, 116, 117 en 126)

6.      Door talrijke functionarissen die met succes hadden deelgenomen aan interne selectieprocedures een overeenkomst van tijdelijk functionaris voor onbepaalde tijd aan te bieden die een opzeggingsclausule bevat die uitsluitend geldt wanneer de betrokkenen niet worden geplaatst op een reservelijst die na een algemeen vergelijkend onderzoek is opgesteld, waardoor zij zich duidelijk verplicht om de betrokkenen permanent bij haar in dienst te houden op voorwaarde dat zij op die reservelijst voorkomen, en door vervolgens het aantal geslaagde kandidaten, geplaatst op de lijsten van geschikte kandidaten die worden opgesteld na twee, bovendien algemene vergelijkende onderzoeken, exact te beperken tot het aantal te vervullen ambten, vermindert de instelling radicaal en objectief de kansen van alle betrokkenen om te ontsnappen aan de toepassing van de opzeggingsclausule, waardoor zij de omvang van haar contractuele verplichtingen jegens haar tijdelijk personeel ten dele uitholt.

Gelet op de verplichting die de instelling jegens haar tijdelijk personeel is aangegaan, mag de opzeggingsclausule na afloop van een voor alle onderdanen van de lidstaten openstaand algemeen vergelijkend onderzoek niet worden toegepast, wanneer er sprake is van een dermate beperkte lijst van geschikte kandidaten dat de kansen van de betrokken functionarissen om aan de toepassing ervan te ontsnappen, onredelijk klein waren. Met andere woorden, alleen wanneer de contractuele verplichting van de administratie verkeerd wordt opgevat, valt die lijst van geschikte kandidaten onder de bepalingen van de opzeggingsclausule.

(cf. punten 161 en 162)

Referentie:

Gerecht voor ambtenarenzaken: Bennett e.a./BHIM, reeds aangehaald, punt 116

7.      Het dienstbelang kan rechtvaardigen dat van een kandidaat voor een vergelijkend onderzoek wordt verlangd dat hij over specifieke kennis van bepaalde talen van de Unie beschikt, daar het niveau van de taalkennis die in het kader van de aanwervingsprocedure kan worden verlangd in verhouding moet staan tot de werkelijke behoeften van de dienst.

In het kader van het interne functioneren van de instellingen zou een stelsel van integraal taalkundig pluralisme voor grote praktische problemen zorgen en economisch onhaalbaar zijn. De goede werking van de instellingen en de organen van de Unie, met name wanneer het betrokken orgaan over beperkte middelen beschikt, kan een beperkte keuze van de interne communicatietalen dus objectief rechtvaardigen.

(cf. punten 172 en 173)

Referentie:

Hof: 19 juni 1975, Küster/Parlement, 79/74, punten 16 en 20; 29 oktober 1975, Küster/Parlement, 22/75, punten 13 en 17; conclusies van advocaat-generaal Poiares Maduro bij Hof 15 maart 2005, Spanje/Eurojust, C‑160/03, punt 47

Gerecht van eerste aanleg: 5 april 2005, Hendrickx/Raad, T‑376/03, punt 26

Gerecht van de Europese Unie: 13 september 2010, Spanje/Commissie, T‑156/07 en T‑232/07, punt 75

Gerecht voor ambtenarenzaken: Bennett e.a./BHIM, reeds aangehaald, punt 137

8.      Het tot aanstelling bevoegd gezag beschikt over een ruime beoordelingsvrijheid om de criteria te bepalen van de capaciteiten die voor de te vervullen ambten vereist zijn en om op basis van die criteria en meer in het algemeen het belang van de dienst de voorwaarden van en de modaliteiten voor de organisatie van een vergelijkend onderzoek te bepalen, en dit in het licht van het doel van elk binnen de Unie georganiseerd vergelijkend onderzoek, namelijk, zoals uit artikel 27, eerste alinea, van het Statuut blijkt, de instelling, evenals elk orgaan, de medewerking te verzekeren van ambtenaren die uit een oogpunt van bekwaamheid, prestatievermogen en onkreukbaarheid aan de hoogte eisen voldoen. In deze omstandigheden mag de controle van de rechter van de Unie niet verder gaan dan de vraag of de organisatie van de examens niet kennelijk ongeschikt of onevenredig is geweest met betrekking tot het beoogde doel, alsmede of er geen sprake is geweest van een onjuiste rechtsopvatting en misbruik van bevoegdheid.

Bovendien beschikt de jury van een vergelijkend onderzoek of het selectiecomité in het kader van een interne procedure over een ruime beoordelingsvrijheid met betrekking tot de modaliteiten en de inhoudelijke details van de examens. De rechter van de Unie zal slechts kritiek op die inhoud kunnen uitoefenen wanneer die buiten het in de aankondiging van vergelijkend onderzoek geschetste kader valt of geen verband houdt met het doel van het examen van het vergelijkend onderzoek of de selectieprocedure.

(cf. punten 181 en 182)

Referentie:

Gerecht van eerste aanleg: 5 februari 1997, Petit‑Laurent/Commissie, T‑211/95, punt 54; 12 juni 1997, Carbajo Ferrero/Parlement, T‑237/95, punten 47 en 48

Gerecht voor ambtenarenzaken: 15 april 2010, Matos Martins/Commissie, F‑2/07, punt 161, en de aangehaalde rechtspraak

9.      De aan het Europees Bureau voor personeelsselectie (EPSO) toevertrouwde taken zijn weliswaar zodanig dat deze interinstitutionele dienst een belangrijke rol speelt bij de vaststelling en de uitvoering van het beleid van de Unie op het gebied van de selectie van personeel, doch wat het verloop van vergelijkende onderzoeken voor de aanwerving van ambtenaren betreft is zijn rol, ofschoon deze van betekenis is daar het de jury bijstaat, in elk geval ondergeschikt aan die van de jury, in wier plaats het EPSO zich overigens niet kan stellen.

Een vergelijkend onderzoek waarvan de voorbereidende fase uitsluitend onder toezicht van het EPSO heeft plaatsgevonden, is derhalve onwettig.

(cf. punten 199 en 204)

Referentie:

Gerecht voor ambtenarenzaken: 15 juni 2010, Pachtitis/Commissie, F‑35/08, punt 58, waartegen hogere voorziening is ingesteld bij het Gerecht van de Europese Unie, zaak T‑361/10 P