Hogere voorziening ingesteld op 25 februari 2021 door de Europese Commissie tegen het arrest van het Gerecht (Zevende kamer) van 16 december 2020 in zaak T-442/17 RENV, RN / Commissie

(Zaak C-118/21 P)

Procestaal: Frans

Partijen

Rekwirante: Europese Commissie (vertegenwoordiger: B. Schima, B. Mongin, G. Gattinara, gemachtigden)

Andere partijen in de procedure: RN, Europees Parlement

Conclusies

het arrest van 16 december 2020, RN/Commissie (T-442/17 RENV) vernietigen;

het beroep in eerste aanleg verwerpen;

verweerster in hogere voorziening verwijzen de in de kosten van de zaak in eerste aanleg;

verweerster in hogere voorziening verwijzen in de kosten van de zaak in hogere voorziening.

Middelen en voornaamste argumenten

Eerste middel: onjuiste rechtsopvatting waarvan het Gerecht blijk heeft gegeven doordat het zijn uitspraak niet heeft beperkt tot het voorwerp van het geding na terugverwijzing zoals dit was afgebakend door de rechter in hogere voorziening (punten 41-46 van het bestreden arrest). De Commissie voert het volgende aan:

- de omvang van de terugverwijzing wordt niet overgelaten aan de beoordeling van de rechter waarnaar de zaak wordt terugverwezen;

- de rechter in hogere voorziening heeft geoordeeld dat de artikelen 18 en 20 van bijlage VIII bij het Statuut van de ambtenaren (hierna: „Statuut”) betrekking hadden op verschillende situaties. Door deze situaties verschillend te behandelen, heeft hij derhalve impliciet maar noodzakelijkerwijze geoordeeld dat er geen sprake was van een schending van het beginsel van gelijke behandeling;

- het door het Gerecht na terugverwijzing gewezen arrest is in tegenspraak met het arrest in hogere voorziening wat de vraag betreft of er sprake is van discriminatie, hoewel daarover definitief uitspraak was gedaan.

Tweede middel: onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot de criteria voor de toetsing van de wettigheid van de door de wetgever gemaakte keuzes en schending van de motiveringsplicht (punten 68-71 en punt 79 van het bestreden arrest). De Commissie betoogt het volgende:

- het Gerecht is afgeweken van het beginsel dat de toetsing van de wettigheid van een handeling van de Unie aan de grondrechten niet kan worden gebaseerd op beweringen inzake de gevolgen van die handeling in een concreet geval;

- de onwettigheid van een bepaling van het Statuut kan niet worden gebaseerd op de „onredelijkheid” van de door de wetgever gemaakte keuze;

- het Gerecht heeft, in strijd met de in het arrest HK/Commissie (C-460/18 P) ontwikkelde beginselen, geen rekening gehouden met alle aspecten die de twee te vergelijken situaties kenmerken.

Derde middel: onjuiste rechtsopvatting bij de uitlegging van het non-discriminatiebeginsel, doordat het Gerecht heeft geoordeeld dat de in de artikelen 18 en 20 van bijlage VIII bij het Statuut bedoelde situaties vergelijkbaar zijn (punten 72-85 van het bestreden arrest). De Commissie stelt wat volgt:

- de huwelijksdatum is niet het enige criterium dat de artikelen 18 en 20 van bijlage VIII bij het Statuut van elkaar onderscheidt. Dit onderscheid berust op een aantal factoren waarmee het Gerecht geen rekening heeft willen houden;

- het Gerecht had het doel van de minimumduur van het huwelijk in de twee litigieuze bepalingen in aanmerking moeten nemen, waardoor de verschillen duidelijk zouden zijn geworden;

- er is niet aangetoond dat sprake is van discriminatie op grond van leeftijd.

Vierde middel: onjuiste rechtsopvatting bij de uitlegging van artikel 52, lid 1, van het Handvest van de grondrechten, en meerdere schendingen van de motiveringsplicht (punten 87-88 en 90-113 van het bestreden arrest):

het eerste onderdeel van dit middel betreft een onjuiste rechtsopvatting bij de uitlegging van artikel 52, lid 1, van het Handvest van de grondrechten, door de weigering om met betrekking tot de gevolgen van het overlijden van de ambtenaar voor de overlevende echtgenoot een onderscheid te maken naargelang het huwelijk is gesloten vóór dan wel ná het dienstverband (punten 87-88 van het bestreden arrest);

het tweede onderdeel van dit middel is gebaseerd op een onjuiste rechtsopvatting bij de uitlegging van de doelstelling van voorkoming van fraude en op schending van de motiveringsplicht (punten 90-105 van het bestreden arrest);

het derde onderdeel van dit middel is gebaseerd op een onjuiste rechtsopvatting bij de uitlegging van de doelstelling van het behoud van het financiële evenwicht van de pensioenregeling van de Unie (punten 106-113 van het bestreden arrest).

____________