Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Administratīvā apgabaltiesa (Letland) op 21 mei 2021 – SIA STOCKHOLM SCHOOL OF ECONOMICS IN RIGA / Latvijas Zinātnes padome

(Zaak C-318/21)

Procestaal: Lets

Verwijzende rechter

Administratīvā apgabaltiesa

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: SIA STOCKHOLM SCHOOL OF ECONOMICS IN RIGA

Verwerende partij: Latvijas Zinātnes padome

Prejudiciële vragen

Moet artikel 2, punt 83, van verordening (EU) nr. 651/20141 , van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie verenigbaar met de interne markt worden verklaard, aldus worden uitgelegd dat een entiteit (zoals een universiteit of onderzoeksinstelling, een agentschap voor technologieoverdracht, een innovatie-intermediair of een entiteit voor fysieke of virtuele onderzoeksgerichte samenwerking) die zich onder meer bezighoudt met het onafhankelijk verrichten van fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling en met het breed verspreiden van de resultaten van die activiteiten door middel van onderwijs, publicaties of kennisoverdracht, maar waarvan de eigen financiering voor het merendeel bestaat uit inkomsten uit economische activiteiten, kan worden beschouwd als een organisatie voor onderzoek en kennisverspreiding?

Is het gerechtvaardigd om de voorwaarde betreffende het aandeel van de financiering (inkomsten en uitgaven) van de economische respectievelijk de niet-economische activiteiten toe te passen om te bepalen of de entiteit voldoet aan het vereiste van artikel 2, punt 83, van verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met de interne markt verenigbaar worden verklaard, namelijk dat de entiteit zich in hoofdzaak bezighoudt met het onafhankelijk verrichten van fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling en met het breed verspreiden van de resultaten van die activiteiten door middel van onderwijs, publicaties of kennisoverdracht?

Indien de tweede prejudiciële vraag bevestigend wordt beantwoord, wat moet dan de verhouding zijn tussen de financiering van de economische activiteiten en die van de niet-economische activiteiten om te bepalen of het hoofddoel van de entiteit bestaat uit het onafhankelijk verrichten van fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling en met het breed verspreiden van de resultaten van die activiteiten door middel van onderwijs, publicaties of kennisoverdracht?

Moet het voorschrift dat is vervat in artikel 2, punt 83, van verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met de interne markt verenigbaar worden verklaard, en dat inhoudt dat ondernemingen die een beslissende invloed over de entiteit kunnen uitoefenen in hun hoedanigheid van bijvoorbeeld aandeelhouder of lid van de organisatie, geen preferente toegang tot de onderzoekscapaciteit van deze entiteit of tot de door haar verkregen onderzoeksresultaten mogen genieten, aldus worden uitgelegd dat de leden of aandeelhouders van die entiteit ofwel natuurlijke of rechtspersonen met een winstoogmerk (die bijvoorbeeld tegen betaling onderwijsdiensten verrichten), ofwel personen zonder winstoogmerk (zoals verenigingen of stichtingen) kunnen zijn?

____________

1 PB 2014, L 187, blz. 1.