Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Centrale Raad van Beroep (Nederland) op 24 december 2020 – Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, Y tegen X, Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank

(Zaak C-713/20)

Procestaal: Nederlands

Verwijzende rechter

Centrale Raad van Beroep

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekers: Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, Y

Verweerders: X, Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank

Prejudiciële vragen

Moet artikel 11, derde lid, onder a, van verordening 883/20041 aldus worden uitgelegd dat een werknemer die woont in een lidstaat, en op het grondgebied van een andere lidstaat werkt op basis van een uitzendovereenkomst, waarbij de dienstbetrekking eindigt zodra de uitzending eindigt en daarna weer wordt hervat, in de tussenliggende periodes onderworpen blijft aan de wetgeving van laatstbedoelde lidstaat zo lang hij deze arbeid niet tijdelijk heeft stopgezet?

Welke factoren zijn van belang om in dit soort gevallen te beoordelen of al dan niet sprake is van een tijdelijk stopzetten van de werkzaamheden?

Na welk tijdsverloop moet een werknemer die geen contractuele arbeidsverhouding meer heeft, worden geacht zijn werkzaamheden in het werkland tijdelijk te hebben stopgezet, behoudens concrete aanwijzingen voor het tegendeel?

____________

1     Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (PB 2004, L 166, blz. 1)