ARREST VAN HET GERECHT (Vijfde kamer)

20 september 2019 (*)

„REACH – Beoordeling van stoffen – Benpat – Persistentie – Besluit van ECHA waarbij om aanvullende informatie wordt verzocht – Artikel 51, lid 6, van verordening (EG) nr. 1907/2006 – Beroep ingesteld bij de kamer van beroep – Opdracht van de kamer van beroep – Procedure op tegenspraak – Aard van de toetsing – Toetsingsintensiteit – Bevoegdheden van de kamer van beroep – Artikel 93, lid 3, van verordening nr. 1907/2006 – Toedeling van bevoegdheden aan agentschappen van de Unie – Toedelingsbeginsel – Subsidiariteitsbeginsel – Evenredigheid – Motiveringsplicht”

In zaak T‑755/17,

Bondsrepubliek Duitsland, aanvankelijk vertegenwoordigd door T. Henze en D. Klebs, vervolgens door D. Klebs als gemachtigden,

verzoekster,

tegen

Europees Agentschap voor chemische stoffen (ECHA), aanvankelijk vertegenwoordigd door M. Heikkilä, W. Broere en C. Jacquet, vervolgens door W. Broere, C. Jacquet en L. Bolzonello als gemachtigden,

verweerder,

ondersteund door

Europese Commissie, vertegenwoordigd door M. Konstantinidis, R. Lindenthal en M. Noll-Ehlers als gemachtigden,

en door

Envigo Consulting Ltd, gevestigd te Huntingdon (Verenigd Koninkrijk),

Djchem Chemicals Poland S.A., gevestigd te Wołomin (Polen),

vertegenwoordigd door R. Cana, É. Mullier en H. Widemann, advocaten,

interveniëntes,

betreffende een verzoek krachtens artikel 263 VWEU tot gedeeltelijke nietigverklaring van beslissing A‑026‑2015 van de kamer van beroep van ECHA van 8 september 2017, voor zover zij het besluit van ECHA van 1 oktober 2015 tot uitvoering van aanvullende testen met betrekking tot de stof benpat (CAS 68953‑84‑4) gedeeltelijk nietig heeft verklaard,

wijst

HET GERECHT (Vijfde kamer),

samengesteld als volgt: D. Gratsias, president, I. Labucka en A. Dittrich (rapporteur), rechters,

griffier: E. Coulon,

het navolgende

Arrest

I.      Voorgeschiedenis van het geding en bestreden beslissing

1        Benpat (CAS 68953‑84‑4) is een meercomponentenstof die bestaat uit drie erg vergelijkbare chemische stoffen. Zij wordt gebruikt als stabilisator in industriële en consumptieproducten bestaande uit rubber, zoals banden en buizen. Zij vertraagt de veranderingen die plaatsgrijpen onder invloed van het licht en de atmosferische zuurstof in de fysische eigenschappen en het uiterlijk van producten op basis van rubber.

2        De interveniërende ondernemingen, Envigo Consulting Ltd en Djchem Chemicals Poland S.A., maken deel uit van een consortium dat in 2010 bij het Europees Agentschap voor chemische stoffen (ECHA) benpat heeft geregistreerd voor een tonnage tussen 1 000 en 10 000 ton per jaar.

3        Aangezien er redenen tot ongerustheid waren met betrekking tot de persistente, bioaccumulerende en toxische eigenschappen van benpat en aangezien de toepassingen ervan, met name door consumenten, erg dispersief waren, is benpat in 2013 opgenomen in het voortschrijdend communautair actieplan voor de beoordelingen in de zin van artikel 44 van verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen, houdende wijziging van richtlijn 1999/45/EG en houdende intrekking van verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad en verordening (EG) nr. 1488/94 van de Commissie alsmede richtlijn 76/769/EEG van de Raad en de richtlijnen 91/155/EEG, 93/67/EEG, 93/105/EG en 2000/21/EG van de Commissie (PB 2006, L 396, blz. 1, met rectificatie in PB 2007, L 136, blz. 3).

4        Krachtens artikel 45 van verordening nr. 1907/2006 is de bevoegde instantie van de Bondsrepubliek Duitsland (hierna: „aangewezen instantie”) aangewezen om benpat te beoordelen.

5        Overeenkomstig artikel 46, lid 1, van verordening nr. 1907/2006 heeft de aangewezen instantie een ontwerpbesluit opgesteld dat voorzag in verzoeken om aanvullende informatie over benpat. Dat ontwerp is op 20 juni 2014 toegezonden aan ECHA.

6        Op 28 augustus 2014 zijn de registranten, waaronder de interveniërende ondernemingen, krachtens artikel 50, lid 1, van verordening nr. 1907/2006 op de hoogte gesteld van het ontwerpbesluit.

7        Op 6 oktober 2014 hebben de registranten hun opmerkingen over het ontwerpbesluit ingediend.

8        De aangewezen instantie heeft met die opmerkingen rekening gehouden en op 5 maart 2015 een herzien ontwerpbesluit meegedeeld aan de bevoegde instanties van de andere lidstaten en ECHA.

9        Drie bevoegde instanties van andere lidstaten en ECHA hebben wijzigingsvoorstellen ingediend krachtens artikel 51, lid 2, van verordening nr. 1907/2006, dat van overeenkomstige toepassing is op grond van artikel 52, lid 2, van die verordening. 

10      De aangewezen instantie heeft die voorstellen onderzocht en het ontwerpbesluit gewijzigd. Op 20 april 2015 is het herziene ontwerpbesluit aan het Comité lidstaten toegezonden.

11      Op 8 mei 2015 zijn de registranten gehoord over de voorstellen van de lidstaten.

12      Tijdens zijn vergadering van 8 tot en met 11 juni 2015 heeft het Comité lidstaten met eenparigheid van stemmen overeenstemming bereikt in de zin van artikel 51, lid 6, van verordening nr. 1907/2006, dat op grond van artikel 52, lid 2, van deze verordening van overeenkomstige toepassing is op een herzien ontwerpbesluit.

13      Op 1 oktober 2015 heeft ECHA op basis van artikel 51, lid 6, van verordening nr. 1907/2006, dat van overeenkomstige toepassing is op grond van artikel 52, lid 2, van deze verordening, een besluit vastgesteld inzake de beoordeling van benpat (hierna: „besluit van ECHA”).

14      Bij zijn besluit heeft ECHA de registranten verzocht met name de volgende informatie over te leggen:

–        een simulatietest met betrekking tot de uiteindelijke afbraak in oppervlaktewater (testmethode: aerobe mineralisatie in oppervlaktewater – simulatietest voor biologische afbraak, UE C.25/OCDE 309; hierna: „methode nr. 309”), zoals gespecificeerd in punt III.3 van dat besluit, met gebruikmaking van component R-898 in plaats van benpat;

–        ingeval op grond van de test overeenkomstig methode nr. 309 niet kan worden vastgesteld of benpat persistent of zeer persistent is overeenkomstig de punten 1.1.1 en 1.2.1 van bijlage XIII bij verordening nr. 1907/2006, een aanvullende simulatietest met betrekking tot de biologische afbreekbaarheid in sediment (testmethode: aerobe en anaerobe omzetting in watersedimentsystemen, UE C.24/OCDE 308; hierna: „methode nr. 308”), zoals gespecificeerd in punt III.4 van dat besluit met gebruikmaking van component R-898 in plaats van benpat.

15      In het besluit van ECHA is de uiterste datum voor het verstrekken van de gevraagde informatie vastgesteld op 8 april 2018.

16      Op 23 december 2015 hebben de interveniërende ondernemingen krachtens artikel 51, lid 8, van verordening nr. 1907/2006, dat van overeenkomstige toepassing is op grond van artikel 52, lid 2, van die verordening, en artikel 91, lid 1, van die verordening tegen het besluit van ECHA beroep ingesteld bij de kamer van beroep van dat agentschap.

17      Overeenkomstig artikel 91, lid 2, van verordening nr. 1907/2006 had het beroep tegen het besluit van ECHA schorsende werking.

18      Op 8 maart 2016 heeft ECHA zijn verweerschrift bij de kamer van beroep ingediend.

19      Op 13 april 2016 heeft de aangewezen instantie toelating gekregen om bij de kamer van beroep te interveniëren aan de zijde van ECHA.

20      Op 2 juni 2016 hebben de interveniërende ondernemingen hun memorie van repliek bij de kamer van beroep ingediend. Op 8 juli 2016 heeft ECHA opmerkingen over die memorie ingediend.

21      Op 20 juni 2016 heeft de aangewezen instantie haar memorie in interventie bij de kamer van beroep ingediend. Op 31 oktober 2016 hebben ECHA en de interveniërende ondernemingen hun opmerkingen over deze memorie ingediend.

22      Op 27 april 2017 heeft een terechtzitting voor de kamer van beroep plaatsgevonden.

23      Voor de kamer van beroep hebben de interveniërende ondernemingen de kamer van beroep met name verzocht het besluit van ECHA nietig te verklaren voor zover daarin werd verzocht een test overeenkomstig methode nr. 309 en een test overeenkomstig methode nr. 308 uit te voeren, en voor zover in de motivering ervan was vastgesteld dat benpat bioaccumulerend was in de zin van bijlage XIII bij verordening nr. 1907/2006.

24      ECHA van zijn kant, daarin ondersteund door de aangewezen instantie, heeft voor de kamer van beroep geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

25      Op 8 september 2017 heeft de kamer van beroep beslissing A-026‑2015 (hierna: „bestreden beslissing”) gegeven. Met die beslissing heeft zij:

–        het besluit van ECHA nietig verklaard voor zover daarbij de registranten werd gevraagd:

–        de metabolieten van benpat te identificeren in het kader van de overeenkomstig methode nr. 309 uitgevoerde test;

–        de test uit te voeren overeenkomstig methode nr. 308;

–        beslist dat de verklaring inzake bioaccumulatie in de motivering van dat besluit moest worden geschrapt;

–        het beroep verworpen voor het overige, en

–        de termijn voor de overlegging van de resterende informatie voortvloeiend uit de test overeenkomstig de bij dat besluit verlangde methode nr. 309, vastgesteld op 15 maart 2020.

II.    Procedure bij het Gerecht en conclusies van partijen

26      Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 20 november 2017, heeft de Bondsrepubliek Duitsland het onderhavige beroep ingesteld.

27      Op 8 maart 2018 heeft ECHA zijn verweerschrift ingediend.

28      Bij akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 21 maart 2018, heeft de Europese Commissie verzocht om in de onderhavige procedure te mogen interveniëren aan de zijde van ECHA. Bij beschikking van de kamerpresident van 23 april 2018 is zij toegelaten tot interventie.

29      Bij akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 21 maart 2018, hebben de interveniërende ondernemingen verzocht om in de onderhavige procedure te mogen interveniëren aan de zijde van ECHA. Bij beschikking van de kamerpresident van 7 mei 2018 zijn zij toegelaten tot interventie.

30      Op 24 april 2018 heeft de Bondsrepubliek Duitsland haar repliek ingediend.

31      Op 18 juni 2018 heeft ECHA zijn dupliek ingediend.

32      Op 9 juli 2018 heeft de Commissie haar memorie in interventie neergelegd. Op 10 juli 2018 hebben de interveniërende ondernemingen hun memorie in interventie neergelegd. Op 31 oktober 2018 hebben de Bondsrepubliek Duitsland en ECHA hun opmerkingen over deze memories in interventie ingediend.

33      Gelet op de omstandigheid dat geen van de hoofdpartijen binnen drie weken na de betekening van de sluiting van de schriftelijke behandeling om vaststelling van een pleitzitting had verzocht, heeft het Gerecht (Vijfde kamer), aangezien het zich voldoende voorgelicht achtte door de stukken in het procesdossier, krachtens artikel 106, lid 3, van zijn Reglement voor de procesvoering beslist uitspraak te doen zonder mondelinge behandeling.

34      De Bondsrepubliek Duitsland verzoekt het Gerecht:

–        de bestreden beslissing nietig te verklaren, voor zover de kamer van beroep

–        het besluit van ECHA gedeeltelijk nietig heeft verklaard, en

–        heeft beslist dat de verklaring inzake bioaccumulatie uit de motivering van dit besluit moest worden geschrapt;

–        ECHA te verwijzen in de kosten;

35      ECHA, de Commissie en de interveniërende ondernemingen verzoeken het Gerecht:

–        het beroep te verwerpen;

–        de Bondsrepubliek Duitsland te verwijzen in de kosten.

III. In rechte

36      Ter ondersteuning van haar beroep voert de Bondsrepubliek Duitsland zes middelen aan. Met het eerste middel wordt aangevoerd dat de kamer van beroep de grenzen van haar bevoegdheden heeft overschreden door middelen te onderzoeken die betrekking hebben op inhoudelijke kwesties inzake de beoordeling van benpat. In het kader van het tweede middel voert zij aan dat de kamer van beroep zodoende de rechtspraak niet in acht heeft genomen (arresten van 13 juni 1958, Meroni/Hoge Autoriteit, 9/56, EU:C:1958:7, en 13 juni 1958, Meroni/Hoge Autoriteit, 10/56, EU:C:1958:8). Met het derde middel voert zij aan dat, aangezien het recht van de Europese Unie geen rechtsgrondslag bevat op grond waarvan die kamer een dergelijk onderzoek kan verrichten, die kamer afbreuk heeft gedaan aan de rechten van de lidstaten, die zijn geïnstitutionaliseerd door de beslissingsbevoegdheid van deze lidstaten in het Comité lidstaten van ECHA, en bijgevolg het subsidiariteitsbeginsel en het beginsel van bevoegdheidstoedeling heeft geschonden. Het vierde middel is ontleend aan schending van de bepalingen van verordening nr. 1907/2006 en bestaat uit twee onderdelen. Met het eerste onderdeel wordt beoogd aan te tonen dat de kamer van beroep niet bevoegd was om de voor haar aangevoerde middelen met betrekking tot inhoudelijke aspecten van de beoordeling van benpat te onderzoeken en met het tweede dat de kamer van beroep in het kader van het onderzoek van deze middelen fouten heeft gemaakt. In het kader van het vijfde middel voert de Bondsrepubliek Duitsland aan dat die kamer haar motiveringsplicht niet is nagekomen door na te laten haar vermeende toetsingsbevoegdheid aan te tonen. In het kader van het zesde middel stelt zij dat de opvattingen van de betrokken kamer onjuist zijn.

37      Allereerst dienen het eerste tot en met het derde middel alsmede het eerste onderdeel van het vierde middel te worden onderzocht, waarmee wordt beoogd aan te tonen dat de kamer van beroep niet bevoegd was om de voor haar opgeworpen middelen met betrekking tot inhoudelijke aspecten van de beoordeling van benpat te onderzoeken.

38      Vervolgens zal het vijfde middel worden onderzocht, waarmee wordt aangevoerd dat de kamer van beroep haar motiveringsplicht niet is nagekomen door na te laten haar toetsingsbevoegdheid aan te tonen.

39      Ten slotte zullen het tweede onderdeel van het vierde middel en het zesde middel worden onderzocht, waarmee de Bondsrepubliek Duitsland aanvoert dat de kamer van beroep fouten heeft gemaakt bij het onderzoek van de middelen met betrekking tot inhoudelijke aspecten van de beoordeling van benpat.

A.      Eerste tot en met derde middel, alsmede eerste onderdeel van het vierde middel: de kamer van beroep was niet bevoegd om de voor haar opgeworpen middelen met betrekking tot inhoudelijke aspecten van de beoordeling van benpat te onderzoeken

40      In het kader van het eerste tot en met het derde middel en het eerste onderdeel van het vierde middel stelt de Bondsrepubliek Duitsland dat de kamer van beroep het bij haar ingestelde beroep niet-ontvankelijk had moeten verklaren, voor zover de interveniërende ondernemingen middelen hadden aangevoerd om het besluit van ECHA te laten toetsen ter zake van inhoudelijke aspecten van de beoordeling van benpat. Volgens haar was die kamer niet bevoegd om over die middelen uitspraak te doen en mocht zij alleen maar toetsen of sprake was van formele fouten in dat besluit.

41      ECHA, de Commissie en de interveniërende ondernemingen betwisten die argumenten. Zij voeren aan dat de kamer van beroep bevoegd is om de voor haar opgeworpen middelen waarmee de gegrondheid van een besluit in het kader van de beoordeling van stoffen (hierna: „stoffenbeoordelingsbesluit”) wordt betwist, te onderzoeken. Dit onderzoek vormt evenwel geen nieuwe beoordeling van de betrokken stof.

42      In de eerste plaats dienen de argumenten van de Bondsrepubliek Duitsland inzake de respectieve rol van het Comité lidstaten, ECHA en de kamer van beroep te worden onderzocht. In de tweede plaats zullen de overige argumenten van de Bondsrepubliek Duitsland worden onderzocht.

1.      Argumenten van de Bondsrepubliek Duitsland inzake de respectieve rol van het Comité lidstaten, ECHA en de kamer van beroep

43      In het kader van het eerste middel en het eerste onderdeel van het vierde middel voert de Bondsrepubliek Duitsland aan dat de lidstaten of het Comité lidstaten overeenkomstig artikel 51, lid 3 of 6, van verordening nr. 1907/2006, zoals van overeenkomstige toepassing op grond van artikel 52, lid 2, van deze verordening, verantwoordelijk zijn voor de inhoudelijke aspecten van een stoffenbeoordelingsbesluit. De stoffenbeoordelingsprocedure wordt met name gekenmerkt door de belangrijke rol die de lidstaten en dat comité binnen ECHA vervullen. De lidstaten oefenen in het kader van de besluitvormingsprocedure van ECHA eigen bevoegdheden uit. Dat comité vormt een echte groep van deskundigen. Ook al gaat het functioneel gezien om een orgaan van ECHA, het is niettemin onafhankelijk van dat agentschap. De lidstaten wijzen de leden van het betrokken comité rechtstreeks aan en elke lidstaat kan instructies geven aan het door hem aangewezen lid. Dat comité dient om de lidstaten bij de Unie te betrekken door de bevoegdheden van de lidstaten en de Unie samen te brengen. De vertegenwoordigers van ECHA en van de Commissie kunnen de vergaderingen van het betrokken comité bijwonen, maar alleen als waarnemers. Het belang van een dergelijk comité blijkt uit artikel 76, lid 1, onder e), van die verordening. Het belang van overeenstemming in dat comité blijkt uit overweging 67 van die verordening. Dat comité mag dan ook niet worden beschouwd als een van de lidstaten losstaand beslissingsorgaan dat de plaats van die lidstaten kan innemen, maar moet worden beschouwd als een instrument ter bevordering van de consensus tussen die lidstaten.

44      Krachtens artikel 51, lid 6, van verordening nr. 1907/2006, zoals van overeenkomstige toepassing op grond van artikel 52, lid 2, van deze verordening, is de rol van ECHA beperkt tot het verzekeren van de coördinatie van de procedure en van de voorbereiding en de opvolging van de besluitvorming en het formeel vaststellen van het besluit waarvan de inhoud door het Comité lidstaten wordt bepaald. Die rol is beperkt tot het toezicht op de eerbiediging van de procedureregels. Dat agentschap is gebonden door de consensus van de lidstaten en heeft dienaangaande geen beslissingsmarge. Wanneer tussen de lidstaten of in het Comité lidstaten geen overeenstemming met eenparigheid van stemmen wordt bereikt, verliest ECHA elke beslissingsmacht en wordt de besluitvormingsbevoegdheid aan de Commissie overgedragen.

45      Volgens de Bondsrepubliek Duitsland mag in het kader van de beroepsprocedure niet worden voorbijgegaan aan de bijzondere rol die de lidstaten en het Comité lidstaten binnen ECHA in het kader van de stoffenbeoordelingsprocedure vervullen. In het kader van een beroep tegen een stoffenbeoordelingsbesluit beschikt de kamer van beroep niet over meer bevoegdheden dan ECHA. Zij beschikken over parallelle bevoegdheden. Die kamer, die deel uitmaakt van dat agentschap, is eveneens gebonden door de consensus van de lidstaten en heeft enkel de bevoegdheid om een beslissing te geven overeenkomstig de door de lidstaten gevonden consensus. Zij beschikt met betrekking tot stoffenbeoordelingsbesluiten niet over een autonome legitimiteit die identiek – of zelfs maar gelijkwaardig – is aan de legitimiteit die ECHA als geheel geniet doordat de lidstaten aan de totstandkoming van de overeenstemming deelnemen. Zij kan niet voorbijgaan aan een consensus tussen alle lidstaten. Zij is dus uitsluitend bevoegd om andere dan inhoudelijke aspecten van de beoordeling van stoffen te toetsen, te weten inzonderheid eventuele schendingen van procedureregels. Zij is niet bevoegd om in het kader van de behandeling van een beroep tegen een stoffenbeoordelingsbesluit een beslissing te nemen over de gegrondheid van dat besluit. Aan die uitlegging wordt niet afgedaan gedaan door artikel 93, lid 3, van verordening nr. 1907/2006. Die bepaling dient te worden gelezen in samenhang met artikel 51 van die verordening, dat voorziet in een „dualisme” tussen ECHA en de lidstaten (buiten of binnen het Comité lidstaten).

46      Voorts zet de Bondsrepubliek Duitsland uiteen dat volgens de door haar verdedigde benadering een effectieve rechterlijke bescherming wordt gewaarborgd. Er bestaat een verband tussen de beslissing van de kamer van beroep en het stoffenbeoordelingsbesluit. Dus ook al kan de gegrondheid van dat laatste besluit niet door de kamer van beroep worden getoetst, de Unierechter kan in het kader van een tegen een beslissing van de kamer van beroep ingesteld beroep de op die beoordeling gerichte middelen toetsen, doordat een beslissing van die kamer waarbij een stoffenbeoordelingsbesluit wordt gehandhaafd, de inhoudelijke overwegingen van dat besluit overneemt.

47      ECHA, de Commissie en de interveniërende ondernemingen betwisten die argumenten.

48      Om te beginnen dient eraan te worden herinnerd dat de stoffenbeoordelingsbesluiten van ECHA krachtens artikel 51, lid 8, van verordening nr. 1907/2006, dat van overeenkomstige toepassing is op grond van artikel 52, lid 2, van die verordening, en krachtens artikel 91, lid 1, van die verordening vatbaar zijn voor beroep voor de kamer van beroep.

49      Voorts is noch in de bepalingen van verordening (EG) nr. 1907/2006, noch in die van verordening nr. 771/2008 van de Commissie van 1 augustus 2008 tot vaststelling van de regels inzake de organisatie en de procesvoering van de kamer van beroep van ECHA (PB 2008, L 206, blz. 5), een uitdrukkelijke regel opgenomen volgens welke die kamer niet bevoegd is middelen te onderzoeken waarmee wordt beoogd het bestaan aan te tonen van materiële fouten in een besluit van ECHA.

50      Integendeel, gelet op de in de punten 51 tot en met 63 hieronder onderzochte elementen dient te worden vastgesteld dat de kamer van beroep bevoegd is om de middelen te onderzoeken waarmee wordt beoogd het bestaan van materiële fouten aan te tonen in een besluit van ECHA.

51      In de eerste plaats zij immers eraan herinnerd dat volgens artikel 89, lid 3, eerste alinea, tweede volzin, van verordening nr. 1907/2006 de voorzitter van de kamer van beroep, de andere leden en de plaatsvervangende leden ervan worden benoemd op grond van hun relevante ervaring en deskundigheid op het gebied van de veiligheid van chemische stoffen, natuurwetenschappen of wettelijke en gerechtelijke procedures. Bovendien is op grond van artikel 1, lid 1, tweede alinea, van verordening nr. 771/2008 ten minste één lid van die kamer juridisch en ten minste één lid technisch gekwalificeerd overeenkomstig verordening (EG) nr. 1238/2007 van de Commissie van 23 oktober 2007 tot vaststelling van regels voor de kwalificatie van de leden van de kamer van beroep van ECHA (PB 2007, L 280, blz. 10). Op grond van artikel 1, lid 2, van die laatste verordening zijn de technisch gekwalificeerde leden in het bezit van een universitair diploma of een daarmee gelijkgesteld getuigschrift en hebben zij ruime beroepservaring op het gebied van risico‑ en blootstellingsbeoordeling of risicobeheersing met betrekking tot de gevaren van chemische stoffen voor de gezondheid van de mens en voor het milieu, of op aanverwante gebieden. Die kamer beschikt dus over de nodige deskundigheid om zelf wetenschappelijke gegevens te beoordelen.

52      Zoals met name blijkt uit overweging 3 van verordening nr. 771/2008, dient de deskundigheid van de kamer van beroep te verzekeren dat de juridische en technische aspecten op een evenwichtige manier door die kamer kunnen worden beoordeeld.

53      In de tweede plaats dient te worden opgemerkt dat, voor zover de argumenten van de Bondsrepubliek Duitsland zijn gebaseerd op de bijzonderheden van de procedure tot vaststelling van stoffenbeoordelingsbesluiten, noch verordening nr. 1907/2006 noch verordening nr. 771/2008 bijzondere regels vaststelt voor de beroepen die tegen die besluiten worden ingesteld.

54      In de derde plaats pleiten de doelstellingen van de mogelijkheid die wordt geboden om tegen een besluit van ECHA op te komen bij de kamer van beroep, voor een benadering waarbij die kamer bevoegd is om middelen te onderzoeken die ertoe strekken aan te tonen dat dit besluit materiële fouten bevat.

55      Zoals uit overweging 3 van verordening nr. 771/2008 blijkt, is immers een van de doelstellingen van de mogelijkheid die wordt geboden om beroep in te stellen tegen de besluiten van ECHA, met name die welke in het kader van de beoordeling van stoffen zijn vastgesteld, de adressaten van een dergelijke besluit in staat stellen dat besluit te laten toetsen, niet alleen uit juridisch maar tevens uit technische oogpunt. Wat die technische aspecten betreft, is de intensiteit van de toetsing door de kamer van beroep vanwege de deskundigheid van haar leden immers hoger dan de intensiteit van de toetsing door de Unierechter.

56      Daarnaast zou de door de Bondsrepubliek Duitsland bedoelde beperking van de bevoegdheden van de kamer van beroep tot gevolg hebben dat die kamer haar taken, namelijk geschillen voor de Unierechter beperken en tegelijkertijd een recht op een doeltreffende voorziening in rechte waarborgen, niet optimaal kan vervullen. In die context dient tevens te worden opgemerkt dat, zoals blijkt uit overweging 4 van verordening (EU, Euratom) 2019/629 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2019 tot wijziging van Protocol nr. 3 betreffende het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie (PB 2019, L 111, blz. 1), de invoering van regels voor het toestaan van hogere voorzieningen in zaken die reeds tweemaal zijn onderzocht, is gebaseerd op de overweging dat zaken waarin de kamer van beroep van ECHA uitspraak heeft gedaan, tweemaal kunnen worden onderzocht, te weten eerst door die kamer en vervolgens door het Gerecht.

57      In de vierde plaats dient te worden geconstateerd dat met een benadering waarbij de kamer van beroep niet bevoegd is middelen te onderzoeken die ertoe strekken aan te tonen dat een besluit van ECHA materiële fouten bevat, geen doeltreffende voorziening in rechte kan worden gewaarborgd in de zin van artikel 47, eerste alinea, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.

58      In herinnering dient immers te worden gebracht dat volgens artikel 263, vijfde alinea, VWEU de handelingen tot oprichting van organen en instanties van de Unie kunnen voorzien in bijzondere voorwaarden en bepalingen inzake de beroepen welke door natuurlijke of rechtspersonen worden ingesteld tegen handelingen van deze organen of instanties waarmee rechtsgevolgen ten aanzien van hen worden beoogd. In artikel 94, lid 1, van verordening nr. 1907/2006 wordt bepaald dat wanneer sprake is van een recht op beroep voor de kamer van beroep, bij de Unierechter uitsluitend een beroep tot nietigverklaring kan worden ingesteld tegen de beslissing van die kamer.

59      Een beroep tot nietigverklaring van een beslissing van de kamer van beroep heeft dus betrekking op de wettigheid van een dergelijke beslissing.

60      In het kader van een beroep dat wordt ingesteld tegen een besluit van ECHA waarbij om aanvullende informatie wordt verzocht in het kader van de beoordeling van een stof, onderzoekt de kamer van beroep in een procedure op tegenspraak evenwel uitsluitend of op grond van de voor haar aangevoerde argumenten het bestaan van een fout in dat besluit kan worden aangetoond (zie in die zin arrest van heden, BASF Grenzach/ECHA, T‑125/17, punten 59‑86).

61      Anders dan de Bondsrepubliek Duitsland stelt, kan dus niet worden geoordeeld dat de overwegingen in het besluit van ECHA, voor zover de kamer van beroep zich er niet over heeft uitgesproken, integrerend deel uitmaken van de beslissing van die kamer en dienovereenkomstig kunnen worden getoetst in het kader van een beroep dat bij de Unierechter tegen die beslissing wordt ingesteld.

62      Hieruit volgt dat wanneer zou worden aangenomen dat de kamer van beroep niet bevoegd is om middelen te toetsen die ertoe strekken aan te tonen dat een besluit van ECHA materiële fouten bevat, die middelen niet met succes zouden kunnen worden ingeroepen in het kader van een beroep dat bij het Gerecht tegen een beslissing van die kamer wordt ingesteld. Voor het Gerecht zou die kamer van beroep immers niet op goede gronden kunnen worden verweten, de middelen niet te hebben onderzocht voor het onderzoek waarvan zij niet bevoegd was. Daarnaast zou de wettigheid van de beslissing van de betrokken kamer, zelfs indien wordt aangenomen dat het besluit van ECHA een materiële fout bevat, door een dergelijke fout niet ter discussie kunnen worden gesteld.

63      Zelfs indien ervan wordt uitgegaan dat, zoals de Bondsrepubliek Duitsland stelt, overwegingen in een besluit van ECHA waarover de kamer van beroep zich niet heeft uitgesproken, integrerend deel zouden uitmaken van de beslissing van die kamer, zou de benadering die deze lidstaat voorstaat ertoe kunnen leiden dat onnodige beroepen bij die kamer moeten worden ingesteld. Immers, zoals blijkt uit artikel 263, vijfde alinea, VWEU en artikel 94, lid 1, van verordening nr. 1907/2006, is een bij het Gerecht ingesteld beroep tegen een besluit van ECHA niet-ontvankelijk wanneer tegen dat besluit beroep kan worden ingesteld bij de kamer van beroep. Wanneer een verzoekende partij aldus uitsluitend om redenen die verband houden met materiële fouten in dat besluit dat besluit nietig verklaard wenst te zien, zou zij dus geen andere keuze hebben dan beroep in te stellen bij de kamer van beroep, terwijl een dergelijk beroep in dat geval noodzakelijkerwijs zou moeten worden verworpen.

64      In het licht van de voorgaande overwegingen dient te worden vastgesteld dat de kamer van beroep, anders dan de Bondsrepubliek Duitsland stelt, in casu bevoegd was om de middelen te onderzoeken die ertoe strekten aan te tonen dat het besluit van ECHA materiële fouten bevatte.

2.      Overige argumenten van de Bondsrepubliek Duitsland

65      De overige argumenten van de Bondsrepubliek Duitsland dienen te worden onderzocht met inachtneming van de overwegingen in de punten 48 tot en met 64 hierboven.

66      In de eerste plaats betoogt de Bondsrepubliek Duitsland in het kader van het eerste onderdeel van het vierde middel dat de lidstaten of het Comité lidstaten een cruciale rol spelen in de procedure tot vaststelling van een stoffenbeoordelingsbesluit. De rol van ECHA is daarentegen beperkt. In die context beperkt ECHA zich tot het beantwoorden van eenvoudige juridische of wetenschappelijke vragen. Aangezien ECHA gebonden is door de consensus tussen de lidstaten of in het Comité lidstaten, is de kamer van beroep niet bevoegd om die consensus te toetsen, maar moet zij die eerbiedigen. In het andere geval zou de bijzondere rol van de lidstaten of het Comité lidstaten binnen ECHA in het kader van de stoffenbeoordelingsprocedure worden omzeild.

67      ECHA, de Commissie en de interveniërende ondernemingen betwisten die argumenten.

68      In die context dient ten eerste in herinnering te worden gebracht dat wanneer de aangewezen instantie van mening is dat aanvullende informatie nodig is, zij overeenkomstig artikel 46, lid 1, van verordening nr. 1907/2006 voor de stoffen die dat jaar zullen worden beoordeeld een ontwerpbesluit opstelt binnen twaalf maanden na de publicatie van het communautaire voortschrijdende actieplan op de website van ECHA. Het besluit wordt vervolgens aangenomen volgens de in de artikelen 50 en 52 van die verordening vastgestelde procedure.

69      Artikel 50 van verordening nr. 1907/2006 regelt de rechten van registranten en downstreamgebruikers. Lid 1 van dat artikel bepaalt dat ECHA de betrokken registranten of downstreamgebruikers op de hoogte stelt van het ontwerpbesluit. Indien de betrokken registranten of downstreamgebruikers opmerkingen wensen te maken, dienen zij hun opmerkingen binnen 30 dagen na ontvangst bij ECHA in. Dit agentschap stelt vervolgens de aangewezen instantie onverwijld op de hoogte van de indiening van de opmerkingen. Die instantie neemt alle ontvangen opmerkingen in aanmerking en kan het ontwerpbesluit dienovereenkomstig wijzigen.

70      Op grond van artikel 52, lid 1, van verordening nr. 1907/2006 zendt de aangewezen instantie haar ontwerpbesluit met de eventuele opmerkingen van de registrant of downstreamgebruiker toe aan ECHA en de bevoegde instanties van de overige lidstaten.

71      Volgens artikel 52, lid 2, van verordening nr. 1907/2006 zijn de bepalingen van artikel 51, leden 2 tot en met 8, van die verordening, die het besluitvormingsproces voor de dossierbeoordeling betreffen, van overeenkomstige toepassing op de vaststelling van stoffenbeoordelingsbesluiten.

72      Overeenkomstig artikel 51, lid 2, van verordening nr. 1907/2006 kunnen de lidstaten binnen 30 dagen na de mededeling wijzigingen op het ontwerpbesluit voorstellen. Overeenkomstig artikel 51, lid 3, van die verordening, zoals dat van toepassing is op grond van artikel 52, lid 2, van die verordening, neemt ECHA, indien aan de aangewezen instantie geen enkel wijzigingsvoorstel wordt toegezonden, het besluit zoals dit is meegedeeld.

73      Wanneer de aangewezen instantie wijzigingsvoorstellen ontvangt, kan zij het ontwerpbesluit wijzigen krachtens artikel 51, lid 4, eerste volzin, van verordening nr. 1907/2006, zoals dat van toepassing is op grond van artikel 52, lid 2, van die verordening. Binnen vijftien dagen na het verstrijken van de termijn van 30 dagen voor de indiening van opmerkingen legt die instantie een ontwerpbesluit, alsmede de eventueel voorgestelde wijzigingen, aan het Comité lidstaten en ECHA voor overeenkomstig artikel 51, lid 4, tweede volzin, van die verordening, zoals dat van toepassing is op grond van artikel 52, lid 2, van die verordening. Overeenkomstig artikel 51, lid 5, van de betrokken verordening, zoals dat van toepassing is op grond van artikel 52, lid 2, van die verordening, stuurt zij dit ontwerpbesluit ook toe aan de betrokken registranten en downstreamgebruikers, die hun opmerkingen kunnen maken. Indien het Comité lidstaten binnen 60 dagen na de voorlegging met eenparigheid van stemmen overeenstemming over het ontwerpbesluit bereikt, neemt ECHA dienovereenkomstig zijn besluit krachtens artikel 51, lid 6, van de betrokken verordening, zoals dat van toepassing is op grond van artikel 52, lid 2, van die verordening.

74      Indien het Comité lidstaten daarentegen niet met eenparigheid van stemmen tot overeenstemming komt, stelt de Commissie krachtens artikel 51, lid 7, van verordening nr. 1907/2006, zoals dat van toepassing is op grond van artikel 52, lid 2, van die verordening, een ontwerpbesluit op dat volgens de in artikel 133, lid 3, van die verordening bedoelde procedure wordt aangenomen.

75      De Bondsrepubliek Duitsland voert dus terecht aan dat de lidstaten en het Comité lidstaten een belangrijke rol spelen in de procedure tot vaststelling van een stoffenbeoordelingsbesluit.

76      Hoewel de lidstaten en het Comité lidstaten in de procedure tot vaststelling van een stoffenbeoordelingsbesluit interveniëren, dient te worden geconstateerd dat dit besluit evenwel door ECHA wordt vastgesteld. Een dergelijk besluit, dat is vastgesteld krachtens artikel 51, lid 3 of lid 6, van verordening nr. 1907/2006, dat van overeenkomstige toepassing is op grond van artikel 52, lid 2, van die verordening, vormt dus noch een besluit van de lidstaten, noch een besluit van het Comité lidstaten.

77      Ten tweede dient te worden opgemerkt dat het voorwerp van een beroep voor de kamer van beroep een besluit van ECHA is en niet alleen de maatregelen die door de directeur van ECHA of zijn secretariaat worden getroffen in de procedure die tot de vaststelling van dat besluit heeft geleid.

78      In het kader van een beroep tegen een besluit van ECHA heeft de toetsing door de kamer van beroep derhalve niet alleen betrekking op de door de directeur van ECHA of door zijn secretariaat getroffen maatregelen, maar kan het daarentegen betrekking hebben op alle onderdelen van dat besluit.

79      Ingeval tegen een stoffenbeoordelingsbesluit beroep wordt ingesteld, verzet – anders dan de Bondsrepubliek Duitsland stelt – zich dan ook niets ertegen dat de kamer van beroep middelen onderzoekt waarmee wordt beoogd de overwegingen in dat besluit ter discussie te stellen ten aanzien waarvan met eenparigheid van stemmen in het Comité lidstaten overeenstemming is bereikt en die ingevolge artikel 51, lid 6, van verordening nr. 1907/2006, dat van overeenkomstige toepassing is op grond van artikel 52, lid 2, van die verordening, de materiële grondslag van dat besluit vormen. Zoals blijkt uit artikel 76, lid 1, onder e), van die verordening, treedt het Comité lidstaten immers op als orgaan van ECHA.

80      Aan die overwegingen wordt niet afgedaan door de argumenten van de Bondsrepubliek Duitsland die betrekking hebben op de verhouding tussen de lidstaten en hun lid in het Comité lidstaten, en zijn ontleend aan het belang van dit comité en aan het feit dat dit comité op grond van artikel 76, lid 1, onder e), van verordening nr. 1907/2006 verantwoordelijk is voor het oplossen van potentiële meningsverschillen over krachtens titel VI van die verordening voorgestelde ontwerpbesluiten.

81      In het licht van het voorgaande dient dienen de argumenten van de Bondsrepubliek Duitsland inzake de belangrijke rol die de lidstaten en het Comité lidstaten spelen in de procedure tot vaststelling van een stoffenbeoordelingsbesluit te worden afgewezen.

82      Ten derde dienen de argumenten van de Bondsrepubliek Duitsland te worden onderzocht waarmee wordt aangevoerd dat de procedure tot vaststelling van stoffenbeoordelingsbesluiten, waarin de lidstaten een belangrijke rol wordt toegekend buiten of binnen het Comité lidstaten, kan worden omzeild indien de kamer van beroep bevoegd is om de overwegingen in een besluit van ECHA te toetsen die zijn gebaseerd op overeenstemming met eenparigheid van stemmen in de zin van artikel 51, lid 3 of lid 6, van verordening nr. 1907/2006, dat van overeenkomstige toepassing is op grond van artikel 52, lid 2, van die verordening.

83      In die context stelt de Bondsrepubliek Duitsland dat artikel 93, lid 3, van verordening nr. 1907/2006 niet kan afdoen aan het functionele „dualisme” tussen ECHA enerzijds en de lidstaten of het Comité lidstaten anderzijds, en evenmin aan de materiële beperking van de besluitvormingsbevoegdheden van ECHA op het gebied van de beoordelingsprocedure. Zij stelt dat aangezien ECHA niet bevoegd is om een besluit vast te stellen waarover de lidstaten geen consensus hebben bereikt of dat daarmee in strijd is, de kamer van beroep dat evenmin is. Dienaangaande is een vergelijking met de andere agentschappen van de Unie niet relevant, aangezien geen enkel ander agentschap soortgelijke procedureregels kent of beschikt over een soortgelijk comité lidstaten dat de lidstaten zo verregaand bij het besluitvormingsproces betrekt, door de besluitvormingsbevoegdheid zelf van de wil van die lidstaten te laten afhangen.

84      Ten eerste dient het argument te worden afgewezen waarmee de Bondsrepubliek Duitsland aanvoert dat wanneer de kamer van beroep de gegrondheid kon toetsen van middelen die ertoe strekken aan te tonen dat een besluit van ECHA materiële fouten bevat, afbreuk kan worden gedaan aan de rol die de lidstaten of het Comité lidstaten spelen in de procedure tot vaststelling van stoffenbeoordelingsbesluiten.

85      In die context zij er immers aan herinnerd dat de kamer van beroep, wanneer bij haar beroep is ingesteld tegen een stoffenbeoordelingsbesluit, zelf niet overgaat tot de beoordeling van die stof, maar uitsluitend nagaat of dat besluit een fout bevat.

86      Bij de toetsing van een besluit van ECHA is het onderzoek dat de kamer van beroep verricht bovendien niet vergelijkbaar met het onderzoek dat de bevoegde organen van dat agentschap verrichten in de loop van de procedure tot vaststelling van dat besluit, en zijn de procedureregels die zij toepast niet dezelfde als die welke gelden wanneer ECHA in eerste aanleg beslist, maar onderzoekt de kamer van beroep in het kader van een procedure op tegenspraak uitsluitend of dat besluit een fout bevat (zie in die zin arrest van heden, BASF Grenzach/ECHA, T‑125/17, punten 59‑86).

87      Om de in de punten 48 tot en met 64 hierboven uiteengezette redenen kan uit de relevante bepalingen daarentegen niet worden afgeleid dat het de bedoeling van de Uniewetgever was dat de kamer van beroep niet bevoegd zou zijn om de gegrondheid te toetsen van middelen die ertoe strekken aan te tonen dat een besluit van ECHA materiële fouten bevat.

88      Ten tweede zij eraan herinnerd dat het juist is dat de kamer van beroep, wanneer het bij haar ingestelde beroep gegrond is, krachtens artikel 93, lid 3, van verordening nr. 1907/2006 elke binnen de competentie van het agentschap vallende bevoegdheid kan uitoefenen of de zaak voor verdere behandeling naar het bevoegde orgaan van het agentschap kan doorverwijzen.

89      Artikel 93, lid 3, van verordening nr. 1907/2006 kent de kamer van beroep evenwel een beoordelingsbevoegdheid toe (arrest van heden, BASF Grenzach/ECHA, T‑125/17, punt 119). In het kader van de uitoefening van die beoordelingsbevoegdheid moet die kamer niet alleen nagaan of zij na het onderzoek van het beroep over de nodige gegevens beschikt om haar eigen beslissing te geven, maar moet zij tevens rekening houden met de procedureregels die voor het door ECHA vast te stellen besluit gelden wanneer dat agentschap in eerste aanleg uitspraak doet. Indien in het kader van die procedure een belangrijke rol wordt toegekend aan bepaalde actoren, zoals dat het geval is voor de lidstaten en het Comité lidstaten in de procedure voor de vaststelling van besluiten op grond van dossierbeoordelingen en in het kader van de beoordeling van stoffen (zie punten 68‑74 hierboven), moet de kamer van beroep zich aldus afvragen of het geven van een definitieve beslissing op haar niveau in overeenstemming is met de doelstellingen van verordening nr. 1907/2006 en of de zaak niet moet worden verwezen naar het bevoegde orgaan van ECHA, zodat de regels die van toepassing zijn op de procedure die voor dat agentschap wordt gevoerd wanneer het in eerste aanleg uitspraak doet, en de met die regels nagestreefde doelstellingen, kunnen worden geëerbiedigd. In die context moet zij tevens rekening houden met overweging 67 van die verordening, waaruit blijkt dat de stoffen‑ en dossierbeoordelingsprocedure berusten op het beginsel dat overeenstemming tussen lidstaten of in het Comité lidstaten over de ontwerpbesluiten de basis is voor een efficiënt systeem dat strookt met het subsidiariteitsbeginsel (zie in die zin arrest van heden, BASF Grenzach/ECHA, T‑125/17, punten 115‑120).

90      Hieruit volgt dat, anders dan de Bondsrepubliek Duitsland stelt, een benadering waarbij de kamer van beroep bevoegd is tot toetsing van de overwegingen in een besluit van ECHA in eerste aanleg die zijn gebaseerd op overeenstemming met eenparigheid van stemmen in de zin van artikel 51, lid 3 of lid 6, van verordening nr. 1907/2006, dat van overeenkomstige toepassing is op grond van artikel 52, lid 2, van die verordening, geen afbreuk kan doen aan de belangrijke rol die in die bepalingen aan de lidstaten of aan het Comité lidstaten wordt toegekend voor de vaststelling van stoffenbeoordelingsbesluiten.

91      In de tweede plaats betoogt de Bondsrepubliek Duitsland in het kader van het eerste middel dat elke wijziging van een stoffenbeoordelingsbesluit neerkomt op een nieuwe versie van dat besluit aangezien zelfs een wijziging van bepaalde onderdelen van dat besluit, laat staan een opheffing ervan, tot een wijziging van de „globale strategie” voor de beoordeling leidt. Voor elke wijziging van dat besluit moeten de lidstaten derhalve een beslissing nemen, aangezien het Comité lidstaten op grond van artikel 76, lid 1, onder e), van verordening nr. 1907/2006 verantwoordelijk is voor het oplossen van meningsverschillen die tijdens de procedure tussen lidstaten zouden ontstaan. De kamer van beroep kan de door de lidstaten of het Comité lidstaten beoogde „teststrategie” niet wijzigen.

92      ECHA, de Commissie en de interveniërende ondernemingen betwisten die argumenten.

93      Dienaangaande dient er ten eerste aan te worden herinnerd dat de kamer van beroep, zoals in de punten 84 tot en met 87 hierboven is uiteengezet, in het kader van een beroep tegen een stoffenbeoordelingsbesluit de betrokken stof niet beoordeelt, maar uitsluitend nagaat of dat besluit een fout bevat.

94      Ten tweede kan, gelet op de overwegingen in de punten 48 tot en met 64 hierboven, niet worden geoordeeld dat het de wil van de Uniewetgever was dat de kamer van beroep geen middelen zou kunnen toetsen die betrekking hebben op inhoudelijke fouten in een stoffenbeoordelingsbesluit. Hieruit volgt dat die kamer het recht heeft een dergelijk besluit, voor zover het zulke fouten bevat, nietig te verklaren, ook al wordt daardoor gedeeltelijk of volledig afgedaan aan de algemene strategie die het Comité lidstaten in het kader van die beoordeling nastreeft. Voorts staat niets eraan in de weg dat die kamer de omvang van de nietigverklaring van een dergelijk besluit beperkt wanneer een van de verzoeken om informatie in dat besluit los kan worden gezien van het andere. Dit geldt eveneens voor onderdelen van een verzoek om aanvullende informatie waarvan de nietigverklaring de kern van dat verzoek niet wijzigt.

95      Ten derde, wat de gevolgen betreft van de nietigverklaring van een stoffenbeoordelingsbesluit, staat het, wanneer de kamer van beroep de zaak krachtens artikel 93, lid 3, van verordening nr. 1907/2006 voor verdere behandeling naar het bevoegde orgaan van ECHA doorverwijst, aan dat laatste orgaan om te beslissen of een nieuw besluit moet worden vastgesteld. In dat geval wordt dan ook niet afgedaan aan de in artikel 51, lid 3 of lid 6, van die verordening vastgestelde rol van de lidstaten of het Comité lidstaten voor zover de in artikel 18 van verordening nr. 771/2008 opgenomen verplichting wordt nagekomen dat dit orgaan door de motivering van de beslissing van die kamer is gebonden tenzij zich nieuwe omstandigheden voordoen. Deze verplichting is echter louter een gevolg van de bevoegdheid van de kamer van beroep om middelen te onderzoeken waarmee wordt aangevoerd dat een stoffenbeoordelingsbesluit inhoudelijke fouten bevat.

96      Wat daarnaast de in artikel 93, lid 3, van verordening nr. 1907/2006 opgenomen mogelijkheid van de kamer van beroep betreft om zelf een definitief besluit vast te stellen door de bevoegdheden uit te oefenen die binnen de competentie van ECHA vallen, dient eraan te worden herinnerd dat, zoals in punt 89 hierboven is uiteengezet, de kamer van beroep in de uitoefening van de haar bij artikel 93, lid 3, van die verordening toegedeelde beoordelingsbevoegdheid, rekening moet houden met de procedureregels die ECHA voor de vaststelling van een besluit toepast wanneer het in eerste aanleg uitspraak doet, met de rol die in deze procedure aan de verschillende organen wordt toegekend en met overweging 67 van die verordening, waaruit blijkt dat de stoffen‑ en de dossierbeoordelingsprocedure berusten op het beginsel dat overeenstemming tussen lidstaten of in het Comité lidstaten over ontwerpbesluiten de basis is voor een efficiënt systeem dat strookt met het subsidiariteitsbeginsel.

97      In het licht van die overwegingen dient het argument van de Bondsrepubliek Duitsland waarmee zij aanvoert dat elke wijziging van een stoffenbeoordelingsbesluit neerkomt op een nieuwe versie van dat besluit en dat dit niet strookt met de bepalingen van verordening nr. 1907/2006, te worden afgewezen.

98      In de derde plaats betoogt de Bondsrepubliek Duitsland in het kader van het eerste onderdeel van het vierde middel dat het quorum dat bij de kamer van beroep dient te worden gehaald, veel lager is dan het vereiste quorum om stoffenbeoordelingsbesluiten vast te stellen krachtens artikel 51, lid 3 of lid 6, van verordening nr. 1907/2006. Zij voegt daaraan toe dat de beslissing van die kamer volgens artikel 20, tweede alinea, van verordening nr. 771/2008 wordt genomen met een gewone meerderheid van haar leden. Die kamer dient voor haar beslissing dus een veel minder hoog quorum te halen dan het quorum dat is vastgelegd om een stoffenbeoordelingsbesluit te kunnen vaststellen. Voorts is het zorgwekkend dat twee beslissingsbevoegde personen die over geen enkele technische kwalificatie beschikken, hun beslissing zonder kennis van zaken in de plaats kunnen stellen van het in het Comité lidstaten uitgebrachte standpunt van deskundigen.

99      ECHA, de Commissie en de interveniërende ondernemingen betwisten die argumenten.

100    Dienaangaande zij eraan herinnerd dat de beslissingen van de kamer van beroep ingevolge artikel 20, tweede alinea, van verordening nr. 771/2008 met een meerderheid van stemmen worden genomen.

101    Anders dan de Bondsrepubliek Duitsland stelt, kan het feit dat een stoffenbeoordelingsbesluit op het niveau van ECHA slechts kan worden vastgesteld indien sprake is van overeenstemming met eenparigheid van stemmen in de zin van artikel 51, lid 3 of lid 6, van verordening nr. 1907/2006 terwijl door de kamer van beroep met meerderheid van stemmen wordt beslist, evenwel geen rechtvaardiging vormen voor het beperken van de bevoegdheid van die kamer inzake middelen waarmee wordt aangevoerd dat het besluit inhoudelijke fouten bevat.

102    Om de in de punten 82 tot en met 89 hierboven uiteengezette redenen kan immers niet worden geoordeeld dat aan de rol van de lidstaten in de procedure tot vaststelling van een stoffenbeoordelingsbesluit afbreuk kan worden gedaan in het kader van een beroep voor de kamer van beroep.

103    In het licht van die overwegingen dient het argument inzake het verschil in quorum dat in een procedure voor ECHA en in een procedure voor de kamer van beroep moet worden gehaald, te worden afgewezen.

104    In de vierde plaats stelt de Bondsrepubliek Duitsland in het kader van het eerste onderdeel van het vierde middel dat het aantal leden van de kamer van beroep beperkt is en dat slechts een enkel lid van die kamer technisch gekwalificeerd is. Overeenkomstig artikel 89 van verordening nr. 1907/2006 en artikel 1, lid 1, van verordening nr. 771/2008 bestaat die kamer uit drie leden, waarvan ten minste één lid juridisch en ten minste één lid technisch gekwalificeerd is.

105    ECHA, de Commissie en de interveniërende ondernemingen betwisten die argumenten.

106    Dienaangaande dient ten eerste eraan te worden herinnerd dat wanneer beroep wordt ingesteld tegen een stoffenbeoordelingsbesluit, het niet aan de kamer van beroep staat om die stof opnieuw te beoordelen. Eveneens zij eraan herinnerd dat het niet aan die kamer staat om in het kader van haar eigen beoordeling zelf te onderzoeken of om aanvullende informatie met betrekking tot die stof moet worden verzocht. In het kader van dat beroep beperkt die kamer zich immers ertoe te onderzoeken of argumenten van de verzoekende partij het bestaan van een fout in dat besluit kunnen aantonen.

107    De werklast van de kamer van beroep kan dus niet worden vergeleken met die van de nationale instantie die in het kader van de beoordeling van een stof is aangewezen.

108    Ten tweede zij eraan herinnerd dat, gelet op de overwegingen in de punten 48 tot en met 64 hierboven, uit de op het beroep voor de kamer van beroep toepasselijke bepalingen niet kan worden afgeleid dat de Uniewetgever de bedoeling had de bevoegdheid van die kamer te beperken met betrekking tot middelen waarmee wordt aangevoerd dat een stoffenbeoordelingsbesluit inhoudelijke fouten bevat. Integendeel, hoewel die kamer volgens artikel 89, lid 1, van verordening nr. 1907/2006 in beginsel uit drie leden bestaat, uit lid 3, tweede alinea, van dit artikel blijkt dat de raad van bestuur van ECHA op aanbeveling van de uitvoerend directeur extra leden en plaatsvervangers kan benoemen indien zulks noodzakelijk is om te waarborgen dat de beroepen in een bevredigend tempo kunnen worden behandeld. Bovendien staat niets eraan in de weg dat meerdere kamers van beroep worden ingesteld, zoals dat het geval is voor andere agentschappen van de Unie.

109    Bijgevolg dient tot de slotsom te worden gekomen dat het argument inzake het beperkte aantal leden van de kamer van beroep niet kan afdoen aan het feit dat die kamer bevoegd is om middelen te onderzoeken waarmee wordt aangevoerd dat sprake is van inhoudelijke fouten in een stoffenbeoordelingsbesluit. Derhalve dient ook dat argument van de Bondsrepubliek Duitsland te worden afgewezen.

110    In de vijfde plaats betoogt de Bondsrepubliek Duitsland in het kader van het eerste onderdeel van het vierde middel dat een bij de kamer van beroep ingesteld beroep krachtens artikel 91, lid 2, van verordening nr. 1907/2006 schorsende werking heeft. Een benadering waarbij die kamer, voorafgaand aan de toetsing door de rechter, een verregaande toetsing kan verrichten ten aanzien van de in het besluit van ECHA opgenomen beoordelingen, brengt dus onnodige vertragingen en disfuncties teweeg, wat niet strookt met de op grond van artikel 1, lid 1, van die verordening nagestreefde doelstellingen van bescherming van de gezondheid van de mens en het milieu en evenmin met het in artikel 1, lid 3, van die verordening genoemde voorzorgsbeginsel. De mogelijkheid voor ECHA om stoffenbeoordelingsbesluiten vast te stellen, heeft tot doel het besluitvormingsproces te versoepelen en te bespoedigen. Die besluiten vormen slechts een eerste stap. Zou die kamer een besluit van ECHA inhoudelijk mogen toetsen, dan zou die doelstelling in gevaar komen aangezien de termijn dan langer is dan in een geval waarin het betrokken besluit door de Commissie wordt vastgesteld. Ook artikel 3, lid 1, van het Handvest van de grondrechten en artikel 41, lid 1, ervan verzetten zich tegen een buitensporig lange beroepsprocedure.

111    ECHA, de Commissie en de interveniërende ondernemingen betwisten die argumenten.

112    Dienaangaande dient ten eerste eraan te worden herinnerd dat, gelet op de overwegingen in de punten 48 tot en met 64 hierboven, niet kan worden geoordeeld dat het de bedoeling van de Uniewetgever was dat de kamer van beroep niet zou kunnen vaststellen dat een stoffenbeoordelingsbesluit inhoudelijke fouten bevat.

113    Wat ten tweede de doelstellingen van verordening nr. 1907/2006 betreft, dient te worden opgemerkt dat deze verordening, zoals met name uit artikel 1, lid 1, ervan blijkt, tot doel heeft een hoog niveau van bescherming van de gezondheid van de mens en het milieu te waarborgen. Dit zijn evenwel niet de enige doelstellingen die met die verordening worden nagestreefd. Zij beoogt immers tevens alternatieve methoden voor de beoordeling van de gevaren van stoffen te bevorderen, het vrije verkeer van stoffen op de interne markt te waarborgen en tegelijkertijd het concurrentievermogen en de innovatie te vergroten. Zoals met name uit overweging 47 van die verordening kan worden afgeleid, streeft die verordening daarnaast ernaar dierproeven te vermijden. Bovendien heeft de mogelijkheid om bij de kamer van beroep tegen bepaalde besluiten van ECHA met schorsende werking beroep in te stellen, ook tot doel om elke met onjuiste besluiten verband houdende belemmering van de vrijheid van ondernemerschap in de zin van artikel 16 van het Handvest van de grondrechten te vermijden. Wat meer specifiek stoffenbeoordelingsbesluiten betreft waarin om aanvullende informatie wordt verzocht, heeft die schorsende werking dan ook tot doel te vermijden dat studies worden uitgevoerd die kosten voor registranten meebrengen en dierproeven kunnen impliceren, terwijl ECHA niet het recht had erom te verzoeken.

114    Wat ten derde het argument van de Bondsrepubliek Duitsland betreft dat de aan ECHA geboden mogelijkheid om stoffenbeoordelingsbesluiten vast te stellen tot doel had de besluitvorming te versoepelen en te bespoedigen, dient te worden opgemerkt dat uit artikel 94, lid 1, van verordening nr. 1907/2006 blijkt dat tegen bepaalde handelingen van ECHA niet bij de kamer van beroep kan worden opgekomen. Zo wordt in de procedure die is vastgesteld ter identificatie van de op grond van de artikelen 57 en 59 van die verordening in aanmerking komende stoffen tevens bepaald dat een dergelijk besluit in geval van overeenstemming tussen de lidstaten of in het Comité lidstaten kan worden vastgesteld door ECHA en dat het in het andere geval wordt vastgesteld door de Commissie. Anders dan het geval is voor stoffenbeoordelingsbesluiten, kan tegen een dergelijke handeling evenwel geen beroep met automatische schorsende werking worden ingesteld bij de kamer van beroep. Integendeel, volgens artikel 94, lid 1, van die verordening kan tegen dergelijke handelingen beroep worden ingesteld bij het Gerecht, en een bij het Gerecht ingesteld beroep heeft geen automatische schorsende werking.

115    Derhalve dient tot de slotsom te worden gekomen dat de Uniewetgever bewust heeft voorzien in de mogelijkheid om bij de kamer van beroep beroep met automatische schorsende werking in te stellen tegen bepaalde handelingen van ECHA en niet tegen andere handelingen.

116    Ten vierde zij in die context tevens eraan herinnerd dat volgens artikel 89, lid 3, tweede alinea, van verordening nr. 1907/2006 extra leden kunnen worden benoemd door de kamer van beroep indien zulks noodzakelijk is om te waarborgen dat de beroepen in een bevredigend tempo kunnen worden behandeld (zie punt 108 hierboven).

117    Bijgevolg moet worden vastgesteld dat het argument dat de automatische schorsende werking van de bij de kamer van beroep ingestelde beroepen mogelijk tot vertragingen leidt, niet kan afdoen aan het feit dat die kamer bevoegd is om middelen te onderzoeken waarmee wordt aangevoerd dat een stoffenbeoordelingsbesluit inhoudelijke fouten bevat. Derhalve dient ook dit argument van de Bondsrepubliek Duitsland te worden afgewezen.

118    In de zesde plaats betoogt de Bondsrepubliek Duitsland in het kader van het eerste onderdeel van het vierde middel dat de mogelijkheid voor de kamer van beroep om de inhoudelijke beoordelingen van ECHA te toetsen, leidt tot incoherenties in de toetsing die de Unierechter verricht. Wanneer de kamer van beroep een besluit van ECHA toetst, is de rechterlijke bescherming beperkt. ECHA kan noch door een hogere voorziening in te stellen noch op een andere manier een beslissing betwisten. De lidstaten van hun kant moeten genoegen nemen met de toetsing van het bestaan van eventuele beoordelingsfouten die door die kamer wordt verricht. Wanneer de Commissie een besluit vaststelt, wordt de toetsing daarentegen verricht door het Gerecht.

119    ECHA, de Commissie en de interveniërende ondernemingen betwisten die argumenten.

120    Dienaangaande dient ten eerste te worden opgemerkt dat de intensiteit van de toetsing die de Unierechter verricht ten aanzien van een beslissing van de kamer van beroep betreffende een stoffenbeoordelingsbesluit, niet verschilt van de intensiteit van de toetsing die hij verricht ten aanzien van een besluit dat de Commissie in het kader van de beoordeling van een stof heeft vastgesteld. Het gaat immers om een wettigheidstoetsing. Volgens de rechtspraak is deze toetsing beperkt wanneer het gaat om de beoordeling van zeer ingewikkelde wetenschappelijke en technische feiten. Met betrekking tot die beoordelingen blijft de toetsing door de rechter immers beperkt tot de vraag of er bij de uitoefening van die bevoegdheid sprake is geweest van een kennelijke dwaling of misbruik van bevoegdheid, dan wel of de instantie die de beslissing heeft gegeven, de grenzen van haar beoordelingsbevoegdheid klaarblijkelijk heeft overschreden (zie arrest van 21 juli 2011, Etimine, C‑15/10, EU:C:2011:504, punt 60 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

121    Ten tweede vormt de toetsing die het Gerecht verricht ten aanzien van een stoffenbeoordelingsbesluit van de Commissie inderdaad een rechtstreekse toetsing, terwijl de toetsing die het verricht in het kader van een tegen de beslissing van de kamer van beroep ingesteld beroep beperkt is tot de toetsing van de beslissing van die kamer van beroep. Zoals in de punten 60 tot en met 62 hierboven is uiteengezet, heeft de toetsing door het Gerecht in die context dan ook betrekking op de door die kamer verrichte toetsing.

122    Zoals blijkt uit artikel 91, lid 1, en artikel 94, lid 1, van verordening nr. 1907/2006 is dat evenwel het gevolg van een bewuste keuze van de Uniewetgever. Zoals hierboven in de punten 114 en 115 is uiteengezet, kan tegen bepaalde handelingen van ECHA immers rechtstreeks worden opgekomen bij de Unierechter. Anders dan de Bondsrepubliek Duitsland stelt, kan een dergelijke bewuste keuze evenwel niet worden beschouwd als een incoherentie die kan rechtvaardigen dat de bevoegdheid van de kamer van beroep om middelen te toetsen waarmee wordt aangevoerd dat een stoffenbeoordelingsbesluit inhoudelijke fouten bevat, wordt beperkt.

123    Gelet op die overwegingen dienen ook die argumenten te worden afgewezen.

124    In de zevende plaats dient het argument te worden afgewezen waarmee de Bondsrepubliek Duitsland in het kader van het eerste onderdeel van het vierde middel aanvoert dat het nagaan of sprake is van eventuele beoordelingsfouten een aan de rechter voorbehouden taak is. Zoals hierboven in de punten 54 tot en met 56 is uiteengezet, heeft de Uniewetgever immers bepaald dat voor bepaalde besluiten van ECHA, zoals die in het kader van de beoordeling van stoffen, beroep kan worden ingesteld bij de kamer van beroep, in het kader waarvan die kamer onderzoekt of met de door de verzoekende partij aangevoerde argumenten kan worden aangetoond dat sprake is van een fout in het besluit in eerste aanleg van dat agentschap. Daarnaast dient te worden vastgesteld dat geen enkel argument van de Bondsrepubliek Duitsland haar stelling kan schragen dat het nagaan of sprake is van beoordelingsfouten dient te worden voorbehouden aan de rechterlijke instanties.

125    In de achtste plaats betoogt de Bondsrepubliek Duitsland in het kader van het derde middel dat overeenkomstig overweging 67 van verordening nr. 1907/2006 een stoffenbeoordelingsbesluit is gebaseerd op het feit dat er tussen de lidstaten of in het Comité lidstaten overeenstemming bestaat over hun ontwerpbesluiten. De rol van ECHA is beperkt tot het coördineren en ondersteunen van het besluitvormingsproces van de lidstaten. Door in plaats van ECHA een autonome beslissing met betrekking tot de inhoudelijke beoordeling te geven, heeft de kamer van beroep het subsidiariteitsbeginsel en het beginsel van bevoegdheidstoedeling geschonden. Wat in het bijzonder dat laatste beginsel betreft, betoogt de Bondsrepubliek Duitsland om te beginnen dat indien de Uniewetgever deze bevoegdheid aan ECHA had willen toekennen, hij de verantwoordelijkheid uitdrukkelijk aan dat agentschap had overgedragen, zoals hij dat met name heeft gedaan voor de definitieve afwijzing van een registratie. Voorts worden de bevoegdheden van ECHA vastgesteld in artikel 51, leden 3 en 6, van verordening nr. 1907/2006. Ten slotte kan uit de bewoordingen van artikel 93, lid 3, van die verordening evenmin worden afgeleid dat de kamer van beroep over een ruimere bevoegdheid beschikt. Voor zover de kamer van beroep op grond van dat artikel elke bevoegdheid kan uitoefenen die binnen de competentie van ECHA valt, gaat het om de beperkte bevoegdheden bedoeld in artikel 51 van die verordening. Die kamer heeft ook de keuze om een zaak voor verdere behandeling naar het bevoegde orgaan van dat agentschap door te verwijzen.

126    ECHA, de Commissie en de interveniërende ondernemingen betwisten die argumenten.

127    Ten eerste dient het argument te worden afgewezen waarmee de Bondsrepubliek Duitsland schending aanvoert van het beginsel van bevoegdheidstoedeling in de zin van artikel 5, leden 1 en 2, VEU, krachtens hetwelk de Unie uitsluitend binnen de grenzen van de bevoegdheden handelt die haar door de lidstaten in de Verdragen zijn toegedeeld om de daarin bepaalde doelstellingen te verwezenlijken, en volgens hetwelk elke in de Verdragen niet toegedeelde bevoegdheid toebehoort aan de lidstaten.

128    Verordening nr. 1907/2006 is met name vastgesteld op grond van artikel 95 EG (artikel 114 VWEU) en verordening nr. 771/2008 op grond van artikel 93, lid 4, van verordening nr. 1907/2006 en artikel 132 van deze laatste verordening.

129    Zoals hierboven in de punten 48 tot en met 124 is uiteengezet, heeft de Bondsrepubliek Duitsland geen argumenten aangevoerd waaruit blijkt dat de kamer van beroep, door middelen te onderzoeken waarmee wordt gesteld dat een stoffenbeoordelingsbesluit inhoudelijke fouten bevat, heeft gehandeld buiten de bevoegdheden die haar bij verordening nr. 1907/2006 en verordening nr. 771/2008 zijn toegedeeld.

130    Bijgevolg dient het argument inzake het beginsel van bevoegdheidstoedeling eveneens te worden afgewezen.

131    Ten tweede dient het argument van de Bondsrepubliek Duitsland te worden afgewezen waarmee zij aanvoert dat de kamer van beroep het subsidiariteitsbeginsel heeft geschonden.

132    Voor zover dit argument betrekking heeft op overweging 67 van verordening nr. 1907/2006, dient eraan te worden herinnerd dat de Uniewetgever blijkens die overweging ervan is uitgegaan dat het door die verordening ingevoerde stelsel, volgens hetwelk de in het kader van de beoordeling van stoffen genomen en op het niveau van ECHA vastgestelde besluiten zijn gebaseerd op overeenstemming in het Comité lidstaten, strookte met het subsidiariteitsbeginsel.

133    Zoals met name in de punten 82 tot en met 103 hierboven is uiteengezet, strookt de bevoegdheid van de kamer van beroep om middelen te onderzoeken waarmee de inhoud van het beoordelingsbesluit ter discussie wordt gesteld, met overweging 67 van verordening nr. 1907/2006. Derhalve moet dat argument worden verworpen voor zover het op die overweging is gebaseerd.

134    Voor zover het argument van de Bondsrepubliek Duitsland betrekking heeft op het subsidiariteitsbeginsel in de zin van artikel 5, leden 1 en 3, VEU, dient eraan te worden herinnerd dat de Unie krachtens dat beginsel op de gebieden die niet onder haar exclusieve bevoegdheid vallen, slechts optreedt indien en voor zover de doelstellingen van het overwogen optreden niet voldoende door de lidstaten op centraal, regionaal of lokaal niveau kunnen worden verwezenlijkt, maar vanwege de omvang of de gevolgen van het overwogen optreden beter door de Unie kunnen worden bereikt.

135    Evenwel dient te worden geconstateerd dat de Bondsrepubliek Duitsland geen omstandig argument aandraagt waarmee kan worden aangetoond dat het subsidiariteitsbeginsel in de zin van artikel 5, leden 1 en 3, VEU niet in acht is genomen. Het aan dat beginsel ontleende argument en bijgevolg alle argumenten ontleend aan schending van het subsidiariteitsbeginsel dienen dan ook te worden afgewezen.

136    In de negende plaats betoogt de Bondsrepubliek Duitsland in het kader van het tweede middel dat de kamer van beroep de beginselen heeft geschonden die het Hof heeft ontwikkeld in het kader van de rechtspraak volgens welke de Commissie geen discretionaire beslissingsbevoegdheden aan de agentschappen van de Unie kan overdragen (arresten van 13 juni 1958, Meroni/Hoge Autoriteit, 9/56, EU:C:1958:7, en 13 juni 1958, Meroni/Hoge Autoriteit, 10/56, EU:C:1958:8). Volgens die rechtspraak dient elke overdracht van bevoegdheden van de Commissie aan de agentschappen te worden afgebakend en te voldoen aan objectieve criteria. Bij de toepassing van verordening nr. 1907/2006 moet met deze rechtspraak rekening worden gehouden wanneer bevoegdheden van de Commissie met betrekking tot beoordelingsbesluiten worden overgedragen aan ECHA. Die bevoegdheidsoverdracht heeft niet alleen betrekking op technische kwesties, maar ook op kwesties inzake beoordelingsvrijheid in de zin van de betrokken rechtspraak. De Uniewetgever heeft in die verordening rekening gehouden met het overdrachtsverbod en het ontbreken van een voorafgaande indeling van stoffenbeoordelingsbesluiten door te bepalen dat de stoffenbeoordelingsbesluiten die op het niveau van ECHA worden aangenomen, gebaseerd dienen te zijn op een overeenstemming met eenparigheid van stemmen tussen de bevoegde deskundigen van de lidstaten over de noodzaak om een bepaalde beoordeling van een stof te verrichten. Van een consensus kan immers slechts sprake zijn in twee gevallen, namelijk bij gebonden besluiten, waarbij de beslissing gelet op de betrokken situatie voor de hand ligt, en bij discretionaire besluiten, wanneer de wetenschappelijke en technische situatie iets minder duidelijk is, maar het in het licht van technische overwegingen van politieke, economische en sociale aard duidelijk is hoe de situatie kan worden opgelost. In dat geval waarborgt de formele consensus tussen de lidstaten dat het besluit inhoudelijk juist is en verleent hij tegelijkertijd ECHA een grote legitimiteit via de vertegenwoordigers van de lidstaten die gebonden zijn door instructies en democratisch gelegitimeerd zijn. Het feit dat sprake is van overeenstemming met eenparigheid van stemmen wettigt tevens de veronderstelling dat in het kader van de comitologieprocedure ook de Commissie dat besluit met medewerking van de lidstaten snel en zonder problemen had kunnen vaststellen. De tussenkomst van de Commissie vormt dan slechts een formaliteit. Bij gebreke van een dergelijke consensus wordt ECHA zijn besluitvormingsbevoegdheid ontnomen en is overeenkomstig artikel 51, lid 7, en artikel 133, lid 3, van die verordening de gebruikelijke besluitvormingsprocedure van de Commissie van toepassing. Indien de kamer van beroep een discretionair besluit dat op overeenstemming met eenparigheid van stemmen in het Comité lidstaten is gebaseerd, door haar eigen besluit zou kunnen vervangen, zou zij het ingewikkelde institutionele evenwicht verstoren dat tussen de lidstaten, ECHA en de Commissie bestaat. In dat geval zou in strijd met de hierboven vermelde rechtspraak door een agentschap op autonome wijze en met uitsluiting van alle formele waarborgen een discretionair besluit worden vastgesteld.

137    ECHA, de Commissie en de interveniërende ondernemingen betwisten die argumenten.

138    In de eerste plaats dient, voor zover de Bondsrepubliek Duitsland verwijst naar de arresten van 13 juni 1958, Meroni/Hoge Autoriteit (9/56, EU:C:1958:7), en 13 juni 1958, Meroni/Hoge Autoriteit (10/56, EU:C:1958:8), eraan te worden herinnerd dat die arresten betrekking hebben op een geval waarin de Commissie haar bevoegdheden had overgedragen. Die rechtspraak kan in casu dan ook niet rechtstreeks worden toegepast. De in casu aan de orde zijnde bevoegdheden van ECHA en zijn kamer van beroep zijn hun immers niet toegedeeld via een bevoegdheidsoverdracht door de Commissie. Het gaat om bevoegdheden die de Uniewetgever heeft toegedeeld in het kader van verordening nr. 1907/2006. Daarnaast is ECHA geen privaatrechtelijk lichaam, maar een Unierechtelijke instantie die door de Uniewetgever is opgericht.

139    In de tweede plaats zij eraan herinnerd dat door de rechtspraak is verduidelijkt dat de toedeling van bevoegdheden aan een Unierechtelijke instantie die door de Uniewetgever is opgericht, met de eisen van de Verdragen verenigbaar is indien het niet gaat om normatieve besluiten en indien de toegedeelde bevoegdheden nauwkeurig zijn omkaderd en door de rechter kunnen worden getoetst (zie in die zin arrest van 22 januari 2014, Verenigd Koninkrijk/Parlement en Raad, C‑270/12, EU:C:2014:18, punten 41‑55 en 63‑68).

140    In die context dient te worden geconstateerd dat de Bondsrepubliek Duitsland geen argumenten aanvoert die ertoe strekken aan te tonen dat de aan ECHA toegedeelde bevoegdheid om onder de voorwaarden van artikel 51, lid 3 of lid 6, van verordening nr. 1907/2006 stoffenbeoordelingsbesluiten vast te stellen niet met die beginselen in overeenstemming zou zijn. De Bondsrepubliek Duitsland beperkt zich immers tot de stelling dat de kamer van beroep, door de middelen ontleend aan inhoudelijke fouten in de beoordeling van benpat te onderzoeken, de hierboven genoemde beginselen heeft geschonden.

141    Voor zover de argumenten van de Bondsrepubliek Duitsland betrekking hebben op de kamer van beroep, dient bovendien eraan te worden herinnerd dat zowel het Comité lidstaten als de kamer van beroep deel uitmaakt van ECHA. Anders dan de Bondsrepubliek Duitsland aanvoert, overschrijdt de kamer van beroep, wanneer zij een besluit van ECHA wegens inhoudelijke fouten nietig verklaart, dus niet de aan ECHA als agentschap toegedeelde bevoegdheden.

142    In die context dient tevens te worden opgemerkt dat de beslissingen van de kamer van beroep, zoals blijkt uit artikel 94, lid 1, van verordening nr. 1907/2006, vatbaar zijn voor rechterlijke toetsing door het Gerecht.

143    Voor zover in de derde plaats de Bondsrepubliek Duitsland met haar argumenten beoogt aan te tonen dat de kamer van beroep zich heeft ingelaten met de bevoegdheden van het Comité lidstaten, dient ten eerste eraan te worden herinnerd dat, zoals hierboven in de punten 85 en 86 is uiteengezet, de kamer van beroep zich in het kader van het onderzoek van de gegrondheid van een bij haar ingesteld beroep beperkt tot het onderzoek of het haar overgelegde litigieuze besluit een fout bevat. Zij gaat dus na of ECHA een fout heeft gemaakt bij de toepassing van de bepalingen die de vaststelling van stoffenbeoordelingsbesluiten regelen.

144    Wat ten tweede de bevoegdheden betreft waarover de kamer van beroep op grond van artikel 93, lid 3, van verordening nr. 1907/2006 beschikt wanneer een bij haar ingesteld beroep gegrond is, kan om te beginnen niet worden aangenomen dat die kamer, ingeval zij de zaak doorverwijst naar het bevoegde orgaan van ECHA, haar bevoegdheid heeft misbruikt.

145    Voorts zij eraan herinnerd, zoals hierboven in punt 89 is uiteengezet, dat de kamer van beroep, wanneer zij krachtens artikel 93, lid 3, van verordening nr. 1907/2006 beslist zelf elke binnen de competentie van ECHA vallende bevoegdheid uit te oefenen, in het kader van de uitoefening van de haar door die bepaling toegedeelde beoordelingsbevoegdheid rekening moet houden met de procedureregels voor de vaststelling van een besluit van ECHA wanneer dat agentschap in eerste aanleg uitspraak doet, met de rol die deze procedure aan de verschillende organen toekent en met overweging 67 van die verordening, waaruit blijkt dat de stoffen‑ en de dossierbeoordelingsprocedure berusten op het beginsel dat overeenstemming tussen de lidstaten of in het Comité lidstaten over ontwerpbesluiten de basis is voor een efficiënt systeem dat strookt met het subsidiariteitsbeginsel.

146    Ten slotte, voor zover de Bondsrepubliek Duitsland met haar argumenten wederom aanvoert dat het onderzoek van middelen betreffende de inhoud van een stoffenbeoordelingsbesluit niet strookt met overweging 67 van verordening nr. 1907/2006, met het beginsel van bevoegdheidstoedeling of met het subsidiariteitsbeginsel, dienen die argumenten te worden afgewezen om dezelfde redenen als die welke in de punten 89 en 125 tot en met 135 hierboven zijn vermeld.

147    Derhalve dienen die argumenten van de Bondsrepubliek Duitsland eveneens te worden afgewezen.

148    Gelet op bovenstaande overwegingen dienen alle argumenten die de Bondsrepubliek Duitsland in het kader van het eerste tot en met het derde middel en het eerste onderdeel van het vierde middel heeft uiteengezet, te worden afgewezen.

B.      Vijfde middel: schending van de motiveringsplicht

149    De Bondsrepubliek Duitsland betoogt dat de kamer van beroep in de bestreden beslissing haar motiveringsplicht niet is nagekomen. Volgens haar had die kamer, gelet op de onduidelijke verdeling van de bevoegdheden tussen de verschillende organen van ECHA en de vrees dat het in het stelsel van verordening nr. 1907/2006 voorgeschreven evenwicht zou worden verstoord, haar toetsingsbevoegdheden met betrekking tot de inhoud van de stoffenbeoordelingsbesluiten gedetailleerd moeten toelichten. Die motiveringsplicht kan niet worden nagekomen door te verwijzen naar beslissingen die de rechterlijke instanties van de Unie met betrekking tot hun eigen bevoegdheden hebben gegeven in andere situaties.

150    ECHA, de Commissie en de interveniërende ondernemingen betwisten die argumenten.

151    Ingevolge artikel 296, tweede alinea, VWEU worden rechtshandelingen met redenen omkleed en verwijzen zij naar de voorstellen, initiatieven, aanbevelingen, verzoeken of adviezen waarin de Verdragen voorzien. Wat meer specifiek de krachtens verordening nr. 1907/2006 vastgestelde besluiten betreft, bepaalt artikel 130 ervan dat deze moeten worden gemotiveerd.

152    Volgens de rechtspraak dient de door artikel 296 VWEU vereiste motivering te beantwoorden aan de aard van de betrokken handeling en de redenering van de instelling die de handeling heeft verricht duidelijk en ondubbelzinnig tot uitdrukking te doen komen, zodat de belanghebbenden kunnen weten wat de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel zijn en de bevoegde rechter zijn toezicht erop kan uitoefenen. Het is evenwel niet noodzakelijk dat alle feitelijk of rechtens relevante gegevens in de motivering worden gespecificeerd. Het is immers vaste rechtspraak dat bij de vraag of de motivering van een besluit aan de vereisten van artikel 296 VWEU voldoet, niet alleen acht moet worden geslagen op de bewoordingen ervan, doch ook op de context en op het geheel van rechtsregels die de betrokken materie beheersen (zie arrest van 15 september 2016, Crosfield Italia/ECHA, T‑587/14, EU:T:2016:475, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

153    Wat de motivering van de bestreden beslissing betreft, dient ten eerste te worden geconstateerd dat daaruit duidelijk blijkt dat de kamer van beroep van oordeel was dat zij bevoegd was om de middelen ontleend aan inhoudelijke fouten in de beoordeling van benpat in het kader van het bij haar ingestelde beroep te onderzoeken. Ten tweede blijken de redenen waarom die kamer over een dergelijke bevoegdheid beschikt, gelet op de hierboven in de punten 43 tot en met 148 vermelde bepalingen, duidelijk uit de op haar toepasselijke bepalingen van verordening nr. 1907/2006 en verordening nr. 771/2008. Ten derde dient te worden vastgesteld dat de Bondsrepubliek Duitsland niet aanvoert dat de kamer van beroep in de loop van de voor haar gevoerde procedure geen toereikend antwoord op sommige argumenten met betrekking tot haar bevoegdheid heeft geformuleerd.

154    Bijgevolg dient te worden vastgesteld dat op grond van de motivering van de bestreden beslissing de Bondsrepubliek Duitsland kon weten wat de rechtvaardigingsgronden ervan waren en het Gerecht zijn toezicht erop kan uitoefenen, en dat die beslissing derhalve toereikend was gemotiveerd.

155    Derhalve dient het vijfde middel te worden afgewezen.

C.      Tweede onderdeel van het vierde middel en zesde middel: de kamer van beroep heeft fouten gemaakt bij het onderzoek van de voor haar aangevoerde middelen

156    In het kader van het tweede onderdeel van het vierde middel en het zesde middel voert de Bondsrepubliek Duitsland aan dat de kamer van beroep bij het onderzoek van middelen met betrekking tot inhoudelijke vragen over de beoordelingsprocedure fouten heeft gemaakt.

157    In het bijzonder beroept de Bondsrepubliek Duitsland zich op fouten die in de overwegingen van de kamer van beroep zijn gemaakt bij het onderzoek van het eerste tot en met het derde middel van het bij die kamer ingestelde beroep en in punt 3 van het dispositief van de bestreden beslissing.

158    Om te beginnen dienen de argumenten te worden onderzocht die gericht zijn op het onderzoek van het eerste middel van het bij de kamer van beroep ingestelde beroep, daarna de argumenten die betrekking hebben op het onderzoek van het tweede middel van dat beroep en ten slotte de argumenten die betrekking hebben op het onderzoek van het derde middel van dat beroep en punt 3 van het dispositief van de bestreden beslissing.

1.      Argumenten betreffende het onderzoek van het eerste middel van het beroep voor  de kamer van beroep

159    In de punten 24 tot en met 155 van de bestreden beslissing heeft de kamer van beroep het eerste voor haar opgeworpen middel van beroep onderzocht, waarmee werd aangevoerd dat de verzoeken tot het uitvoeren van testen overeenkomstig methode nr. 309 en methode nr. 308 niet in overeenstemming waren met het evenredigheidsbeginsel.

160    Het eerste middel van het bij de kamer van beroep ingestelde beroep bestond uit vier onderdelen. Met het eerste onderdeel werd aangevoerd dat het niet nodig was aanvullende testen met betrekking tot de persistentie van benpat uit te voeren, met het tweede dat de overeenkomstig methode nr. 309 uit te voeren test niet geschikt was om het nagestreefde doel te bereiken, met het derde dat de test overeenkomstig methode nr. 308 niet geschikt was om het nagestreefde doel te bereiken en met het vierde dat die testen noch de meest geschikte, noch de goedkoopste optie vormden.

161    In het kader van het tweede onderdeel van het vierde middel en het zesde middel van het onderhavige beroep voert de Bondsrepubliek Duitsland argumenten aan waarmee wordt beoogd de overwegingen ter discussie te stellen die de kamer van beroep heeft ontwikkeld in het kader van het onderzoek van de eerste drie onderdelen van het eerste middel van het bij de kamer van beroep ingestelde beroep.

a)      Argumenten betreffende  het onderzoek van het eerste onderdeel van het eerste middel van het beroep voor  de kamer van beroep

162    In de punten 39 tot en met 88 van de bestreden beslissing heeft de kamer van beroep het eerste onderdeel van het eerste voor haar opgeworpen middel van beroep onderzocht en afgewezen. Met dat onderdeel werd aangevoerd dat het uitvoeren van aanvullende testen met betrekking tot de persistentie van benpat niet noodzakelijk was. Na het onderzoek van de argumenten die door de interveniërende ondernemingen ter zake waren aangevoerd, is zij tot de slotsom gekomen dat met die argumenten niet kon worden aangetoond dat ECHA onterecht tot het besluit was gekomen dat de verzoeken om aanvullende informatie over de persistentie van benpat, gelet op het potentiële risico van deze stof voor de gezondheid van de mens en het milieu, gerechtvaardigd waren.

163    In het kader van het tweede onderdeel van het vierde middel van het onderhavige beroep voert de Bondsrepubliek Duitsland aan dat de kamer van beroep in punt 41 van de bestreden beslissing een fout heeft gemaakt door een te intensieve toetsing te verrichten. Volgens haar had die kamer zich moeten beperken tot de toetsing van de wetenschappelijke grenzen van de overwegingen in het besluit van ECHA. Die kamer heeft zich evenwel ingelaten met de rol van het Comité lidstaten en aldus de grenzen van haar toetsingsbevoegdheid overschreden.

164    ECHA, de Commissie en de interveniërende ondernemingen betwisten die argumenten.

165    Die argumenten moeten als niet ter zake dienend worden afgewezen. Zoals uit punt 34 hierboven blijkt, verzoekt de Bondsrepubliek Duitsland immers om nietigverklaring van de bestreden beslissing voor zover de kamer van beroep het besluit van ECHA gedeeltelijk nietig heeft verklaard. Punt 41 van de bestreden beslissing valt evenwel binnen het deel van die beslissing waarin die kamer het eerste onderdeel van het eerste voor haar aangevoerde middel heeft afgewezen.

166    Derhalve dienen alle argumenten van de Bondsrepubliek Duitsland betreffende het onderzoek van het eerste onderdeel van het eerste middel voor de kamer van beroep te worden afgewezen.

b)      Argumenten betreffende  het onderzoek van het tweede en het derde onderdeel van het eerste middel van het beroep voor  de kamer van beroep

167    In het kader van het tweede onderdeel van het vierde middel en in het kader van het zesde middel van het onderhavige beroep voert de Bondsrepubliek Duitsland argumenten aan waarmee vraagtekens worden geplaatst bij het onderzoek door de kamer van beroep van het tweede en het derde onderdeel van het eerste middel van het bij die kamer ingestelde beroep.

168    Om te beginnen zullen de argumenten van de Bondsrepubliek Duitsland betreffende het onderzoek van het tweede onderdeel van het eerste middel van het bij de kamer van beroep ingestelde beroep worden onderzocht en vervolgens haar argumenten betreffende het onderzoek van het derde onderdeel van het eerste middel van dat beroep.

1)      Argumenten betreffende het onderzoek van het tweede onderdeel van het eerste middel van het beroep voor de kamer van beroep

169    In zijn besluit heeft ECHA de registranten verzocht om met betrekking tot de uiteindelijke afbraak in oppervlaktewater een simulatietest overeenkomstig methode nr. 309 uit te voeren met gebruikmaking van component R-898 van benpat, zoals gespecificeerd in afdeling III.3 van de motivering van dat besluit. In het kader van die motivering heeft het op de bladzijden 8 tot en met 10 van dat besluit gepreciseerd dat het bij de uitvoering van die test belangrijk was om de metabolieten te identificeren ten bewijze dat de afbraak in het testsysteem was waargenomen. Daartoe moest volgens dat agentschap aan bepaalde voorwaarden worden voldaan. Een van die voorwaarden was dat de metabolieten die een cruciale fase in de omzettingsroutes vormen (sleutelmetabolieten), moesten worden gedetecteerd en geïdentificeerd met behulp van „kwantitatieve structuuractiviteitrelaties” en dat standaardoplossingen moesten garanderen dat het detecteren en kwantificeren van die sleutelmetabolieten mogelijk was.

170    In het kader van het tweede onderdeel van het eerste middel van het beroep voor de kamer van beroep hebben de interveniërende ondernemingen aangevoerd dat de overeenkomstig methode nr. 309 uit te voeren test niet geschikt was om de nagestreefde resultaten te bereiken. In het kader van de derde grief van dit onderdeel hebben zij met name aangevoerd dat een dergelijke test als gevolg van de slechte wateroplosbaarheid van benpat zulke kleine hoeveelheden metabolieten zou opleveren dat zij niet zouden kunnen worden geïdentificeerd.

171    In de punten 118 tot en met 125 van de bestreden beslissing heeft de kamer van beroep die grief onderzocht.

172    In punt 119 van de bestreden beslissing heeft de kamer van beroep opgemerkt dat ECHA in zijn besluit niet alleen had geëist dat voor de bepaling van de halveringstijd van benpat in pelagisch water een test overeenkomstig methode nr. 309 zou worden uitgevoerd, maar ook dat met die test de uit benpat gevormde metabolieten zouden worden geïdentificeerd.

173    In punt 121 van de bestreden beslissing heeft de kamer van beroep geconstateerd dat uit de door de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) vastgestelde richtsnoeren 309 voor het testen van chemische stoffen blijkt dat het vanwege analytische grenswaarden dikwijls onmogelijk is de teststofconcentratie met de vereiste nauwkeurigheid te meten indien met een teststofconcentratie wordt gewerkt die lager is dan of gelijk is aan 100 μg/l. Uit die richtsnoeren blijkt tevens dat hogere teststofconcentraties (hoger dan 100 μg/l en soms dan 1 mg/l) kunnen worden gebruikt voor de identificatie en kwantificatie van de voornaamste omzettingsproducten of wanneer geen enkele specifieke analysemethode met een lage aantoonbaarheidsgrens beschikbaar was. Volgens die richtsnoeren kunnen de resultaten bij het testen van hoge teststofconcentraties mogelijkerwijs niet worden gebruikt voor het schatten van de eersteordeafbraakconstante en de halveringstijd, daar de afbraak waarschijnlijk niet volgens eersteordekinetiek verloopt.

174    In punt 122 van de bestreden beslissing heeft de kamer van beroep onderzocht of het realistisch was om de metabolieten te identificeren tijdens de test overeenkomstig methode nr. 309. Zij was van oordeel dat het niet realistisch was te verwachten dat de metabolieten van de stof met die test konden worden geïdentificeerd aangezien de maximale oplosbaarheid van die stof 45 μg/l bedraagt, terwijl de vereiste concentratie voor de identificatie van de voornaamste omzettingsproducten meer dan 100 μg/l bedraagt en soms meer dan 1 mg/l. Voorts heeft zij in dat punt aangegeven dat noch ECHA noch de interveniërende ondernemingen een aangepaste methode hebben kunnen aanwijzen ter identificatie van de voornaamste omzettingsproducten die waarschijnlijk zouden zijn ontstaan tijdens de overeenkomstig die methode uitgevoerde test.

175    In punt 123 van de bestreden beslissing heeft de kamer van beroep opgemerkt dat ECHA en de aangewezen instantie hadden aangevoerd dat de interveniërende ondernemingen moesten proberen de in het kader van het onderzoek gevormde metabolieten te identificeren, hoewel het niet zeker was dat zij daarin zouden slagen. Zij heeft erop gewezen dat met die argumenten niet wordt aangetoond dat de vereiste methode nr. 309 geschikt was om de metabolieten van benpat te identificeren, en dat zij erop gericht waren de verantwoordelijkheid voor het opzetten en beoordelen van het onderzoek ter identificatie van de metabolieten over te dragen aan die interveniënten.

176    In punt 124 van de bestreden beslissing is de kamer van beroep tot de slotsom gekomen dat ECHA, voor zover het de interveniërende ondernemingen had verplicht de metabolieten van benpat te identificeren in het kader van die test, niet voldoende had aangetoond dat zijn doelstelling met een overeenkomstig methode nr. 309 uit te voeren test kon worden bereikt. Op basis van die slotsom heeft zij de derde grief van het tweede onderdeel van het eerste middel van het bij haar ingestelde beroep aanvaard en het besluit van ECHA nietig verklaard voor zover dat agentschap die ondernemingen had verzocht om de metabolieten van benpat te identificeren tijdens de overeenkomstig die methode uitgevoerde test.

177    In het kader van het tweede onderdeel van het vierde middel en in het kader van het eerste onderdeel van het zesde middel van het onderhavige beroep voert de Bondsrepubliek Duitsland aan dat die overwegingen van de kamer van beroep onjuist zijn.

178    Ten eerste dienen de argumenten te worden onderzocht waarmee de Bondsrepubliek Duitsland beoogt aan te tonen dat de kamer van beroep niet had mogen vaststellen dat er sprake was van een autonoom en onafhankelijk besluit met betrekking tot de identificatie van de metabolieten, ten tweede haar argumenten inzake de bevoegdheid van die kamer, ten derde haar argumenten waarmee zij aanvoert dat die kamer de grenzen van haar toetsingsbevoegdheid heeft overschreden, ten vierde haar argumenten die ertoe strekken aan te tonen dat die kamer ten onrechte tot de slotsom was gekomen dat, anders dan ECHA had vastgesteld, het niet onmogelijk was de metabolieten van benpat te identificeren, ten vijfde haar argumenten waarmee zij aanvoert dat de identificatie van de metabolieten een van de onderdelen van methode nr. 309 vormt, ten zesde haar argument dat die methode nader kan worden gepreciseerd, ten zevende haar argument dat de bestreden beslissing tegenstrijdig is, ten achtste haar argument dat de motiveringsplicht geschonden is, en ten negende ten slotte haar argument dat de kamer van beroep is voorbijgegaan aan het relevante criterium inzake het evenredigheidsbeginsel.

i)      Argumenten waarmee wordt beoogd aan te tonen dat de kamer van beroep niet had mogen vaststellen dat er sprake was van een autonoom en onafhankelijk besluit met betrekking tot de identificatie van de metabolieten

179    In het kader van het eerste onderdeel van het zesde middel voert de Bondsrepubliek Duitsland aan dat, anders dan de kamer van beroep in punt 119 van de bestreden beslissing heeft vastgesteld, de specificaties in het besluit van ECHA betreffende de identificatie van de metabolieten geen autonoom besluit vormen dat losstaat van het verzoek tot uitvoering van de test overeenkomstig methode nr. 309. In de stoffenbeoordelingsbesluiten wordt in de regel niet alleen aangegeven welke testen dienen te worden uitgevoerd, maar eveneens meer in het bijzonder hoe dat dient te gebeuren, teneinde te waarborgen dat van de resultaten op een optimale manier gebruik wordt gemaakt met het oog op de nagestreefde informatiedoelstelling. Reeds uit de omstandigheid dat de verschillende stappen om tot het vooropgezette resultaat te komen, stonden beschreven, kan worden afgeleid dat enkel werd verlangd dat al het mogelijke werd gedaan om die stappen te volgen. Met de door de OESO vastgestelde richtsnoeren 309 voor het testen van chemische stoffen worden dus de inspanningen geconcretiseerd die ter identificatie van de omzettingsproducten moeten worden geleverd. Uit het besluit van ECHA vloeit geen enkele resultaatsverplichting voort. Indien ECHA daadwerkelijk een resultaatsverplichting had willen opleggen, was het volgens de Bondsrepubliek Duitsland totaal zinloos geweest die stappen voor te schrijven aangezien de registranten in dat geval alle soorten maatregelen hadden moeten treffen. Uit de bewoordingen in het besluit van ECHA, volgens welke de metabolieten van benpat moeten worden gedetecteerd en geïdentificeerd, kan evenmin een resultaatsverplichting worden afgeleid. Alleen onbewerkte gegevens dienden te worden overgelegd, wat betekent dat niet alleen de eventuele resultaten met betrekking tot de metabolieten moesten worden overgelegd, maar ook de beschikbare gegevens om die resultaten te bereiken. Die informatie is ruimschoots vatbaar voor interpretatie en kan, zelfs als de test mislukt, een onontbeerlijke basis voor de identificatie van benpat als persistente stof vormen, aangezien de gegevens dan kunnen worden gebruikt om de uitvoering van andere testen te vragen of om andere informatie aan te vullen.

180    ECHA, de Commissie en de interveniërende ondernemingen betwisten die argumenten.

181    Dienaangaande dient er in de eerste plaats op te worden gewezen dat de kamer van beroep in punt 119 van de bestreden beslissing niet heeft vastgesteld dat de identificatie van de metabolieten een autonoom besluit vormt dat losstaat van het verzoek tot uitvoering van de test overeenkomstig methode nr. 309, maar slechts heeft opgemerkt dat ECHA in zijn besluit niet alleen had geëist dat die test zou worden uitgevoerd voor de bepaling van de halveringstijd van benpat in pelagisch water, maar ook dat in het kader van die test de uit benpat gevormde metabolieten zouden worden geïdentificeerd.

182    Voor zover in de tweede plaats met de argumenten van de Bondsrepubliek Duitsland wordt beoogd aan te tonen dat de adressaten van het besluit van ECHA door dat besluit niet werden verplicht de uit benpat gevormde metabolieten te identificeren, dient ten eerste te worden opgemerkt dat de adressaten van dat besluit volgens het dispositief ervan verplicht waren om met betrekking tot de uiteindelijke afbraak in oppervlaktewater een simulatietest uit te voeren volgens de specificaties in punt III.3 van dat besluit.

183    Ten tweede moesten de metabolieten die een cruciale fase in de omzettingsroutes vormen (sleutelmetabolieten), zoals blijkt uit punt III.3 van het besluit van ECHA, in het kader van de betrokken test worden geïdentificeerd met behulp van „kwantitatieve structuuractiviteitrelaties”. In dat punt was voorts aangegeven dat wat benpat betreft „ervoor [moest] worden gezorgd dat de metabolieten [werden] gedetecteerd en geïdentificeerd”.

184    Gelet op de bewoordingen van het besluit van ECHA kan de kamer van beroep niet worden verweten te hebben geoordeeld dat dit agentschap in dat besluit niet alleen had aangegeven op welke wijze de overeenkomstig methode nr. 309 te verrichten test moest worden uitgevoerd, maar de adressaten tevens de verplichting had opgelegd de uit benpat gevormde metabolieten te identificeren.

185    Derhalve dienen de argumenten te worden afgewezen waarmee de Bondsrepubliek Duitsland beoogt aan te tonen dat de kamer van beroep in punt 119 van de bestreden beslissing ten onrechte zou hebben geoordeeld dat ECHA in zijn besluit had geëist dat de uit benpat gevormde metabolieten werden geïdentificeerd in het kader van die overeenkomstig methode nr. 309 uit te voeren test.

ii)    Argumenten inzake de bevoegdheid van de kamer van beroep

186    In het kader van het eerste onderdeel van het vierde middel voert de Bondsrepubliek Duitsland aan dat de vraag of een concentratie van 45 μg/l benpat lager is dan de aantoonbaarheidsgrens, die 100 μg/l zou bedragen, een technische kwestie uitmaakt die behoort tot het domein van de chemie en niet valt binnen de competentie van de kamer van beroep. Het Comité lidstaten was ervan overtuigd dat het identificeren van metabolieten volgens de voorgeschreven testmethode mogelijk was en de beste kansen bood om doorslaggevende resultaten te boeken. Het was niet de taak van die kamer om die vaststelling te toetsen.

187    Die argumenten dienen te worden afgewezen om dezelfde redenen als de hierboven in de punten 40 tot en met 148 vermelde redenen.

iii) Argumenten waarmee wordt beoogd aan te tonen dat de kamer van beroep de grenzen van haar toetsingsbevoegdheid heeft overschreden

188    In het kader van het tweede onderdeel van het vierde middel en het eerste onderdeel van het zesde middel van het onderhavige beroep voert de Bondsrepubliek Duitsland aan dat de kamer van beroep in punt 122 van de bestreden beslissing de grenzen van haar toetsingsbevoegdheid heeft overschreden. Volgens haar heeft die kamer in dat punt beslist de deskundigen van de lidstaten tegen te spreken met betrekking tot de vraag of de identificatie van de metabolieten mogelijk was. Aan het Comité lidstaten moet echter een ruime beoordelingsbevoegdheid worden toegedeeld, rekening houdend met de rol die het heeft als comité van deskundigen en met het feit dat het is samengesteld uit leden die gebonden zijn aan de instructies van hun lidstaten. Die kamer beschikt dan ook slechts over een beperkte toetsingsbevoegdheid, waarvan de intensiteit vergelijkbaar is met de toetsing die rechters ten aanzien van discretionaire beslissingen verrichten.

189    ECHA, de Commissie en de interveniërende ondernemingen betwisten die argumenten.

190    Dienaangaande dient in de eerste plaats te worden opgemerkt dat de kamer van beroep in het kader van het onderzoek van het tweede onderdeel van het eerste voor haar opgeworpen middel van beroep geen beoordeling van benpat heeft verricht, en evenmin zelf heeft onderzocht welke aanvullende informatie moest worden gevraagd om de beoordeling van benpat af te ronden met betrekking tot het eventuele risico dat die stof persistent zou zijn. Zij heeft zich beperkt tot het onderzoek of de door de interveniërende ondernemingen aangevoerde argumenten konden aantonen dat het besluit van ECHA een fout bevatte.

191    In de tweede plaats dienen de argumenten te worden afgewezen waarmee de Bondsrepubliek Duitsland aanvoert dat de intensiteit van de door de kamer van beroep verrichte toetsing buitensporig was en die kamer zich ertoe had moeten beperken na te gaan of de overwegingen van ECHA op een kennelijk onjuiste beoordeling berustten.

192    In die context zij eraan herinnerd dat de toetsing die de Unierechter in het kader van een beroep tot nietigverklaring krachtens artikel 263 VWEU verricht, inderdaad beperkt is wanneer zeer ingewikkelde wetenschappelijke en technische feiten dienen te worden beoordeeld. Bij dat soort beoordelingen blijft de toetsing door de Unierechter met name beperkt tot de vraag of sprake is geweest van een kennelijke dwaling of misbruik van bevoegdheid, dan wel of de instantie die de beslissing heeft gegeven de grenzen van haar beoordelingsbevoegdheid klaarblijkelijk heeft overschreden (zie arrest van 21 juli 2011, Etimine, C‑15/10, EU:C:2011:504, punt 60 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

193    Deze rechtspraak is evenwel niet van toepassing op de door de kamer van beroep van ECHA verrichte toetsing. Dienaangaande zij er met betrekking tot de leden van dat orgaan aan herinnerd dat volgens artikel 1, lid 1, tweede alinea, van verordening nr. 771/2008 ten minste één lid juridisch en ten minste één lid technisch gekwalificeerd is overeenkomstig verordening nr. 1238/2007. Overeenkomstig artikel 1, lid 2, van die laatste verordening moeten de technisch gekwalificeerde leden in het bezit zijn van een universitair diploma of een daarmee gelijkgesteld getuigschrift en ruime beroepservaring hebben op het gebied van risico‑ en blootstellingsbeoordeling of risicobeheersing met betrekking tot de gevaren van chemische stoffen voor de gezondheid van de mens en voor het milieu, of op aanverwante gebieden. Uit deze bepalingen dient te worden afgeleid dat de wetgever de kamer van beroep van ECHA heeft willen voorzien van de nodige deskundigheid zodat zij zelf zeer ingewikkelde wetenschappelijke feiten zou kunnen beoordelen.

194    Derhalve is de toetsing door de kamer van beroep ten aanzien van de wetenschappelijke beoordelingen in een besluit van ECHA niet beperkt tot de vraag of sprake is van kennelijke dwalingen. Integendeel, de kamer van beroep dient in dat verband op basis van de juridische en wetenschappelijke competenties van haar leden verplicht na te gaan of met de door de verzoekende partij aangevoerde argumenten kan worden aangetoond dat de overwegingen waarop dat besluit is gebaseerd, fouten bevatten.

195    Hieruit volgt dat de kamer van beroep in punt 122 van de bestreden beslissing de grenzen van haar toetsingsbevoegdheid niet heeft overschreden.

196    Aan deze conclusie kan niet worden afgedaan door de andere argumenten die de Bondsrepubliek Duitsland heeft aangevoerd in het kader van het tweede onderdeel van het vierde middel en het eerste onderdeel van het zesde middel.

197    Ten eerste voert de Bondsrepubliek Duitsland in het tweede onderdeel van het vierde middel aan dat de materiële beperkingen van de besluitvormingsbevoegdheid van ECHA voortvloeien uit artikel 51 van verordening nr. 1907/2006 en dat de intensiteit van de toetsing door de kamer van beroep niet kan zijn gewijzigd door verordening nr. 771/2008, die is vastgesteld op grond van artikel 93, lid 4, van verordening nr. 1907/2006.

198    Vooraf zij opgemerkt dat dit argument is gebaseerd op de premisse dat uit de bepalingen van verordening nr. 1907/2006 blijkt dat de toetsing die de kamer van beroep ten aanzien van stoffenbeoordelingsbesluiten verricht, beperkt is tot kennelijke dwalingen.

199    Dienaangaande dient te worden vastgesteld dat de bepalingen van verordening nr. 1907/2006 die betrekking hebben op de procedure voor de kamer van beroep, geen beperkingen stellen aan de intensiteit van de door de kamer van beroep verrichte toetsing.

200    Daarnaast kan, voor zover de Bondsrepubliek Duitsland aanvoert dat de toetsing door de kamer van beroep beperkt is met betrekking tot de op grond van artikel 51 van verordening nr. 1907/2006 vastgestelde besluiten, worden volstaan met eraan te herinneren dat de bepalingen die de beroepsprocedure voor de kamer van beroep regelen niet voorzien in specifieke voorschriften voor de besluiten die in het kader van de dossier‑ of de stoffenbeoordeling worden vastgesteld (zie punt 53 hierboven).

201    Derhalve dient te worden geconstateerd dat de premisse van de Bondsrepubliek Duitsland – dat uit de bepalingen van verordening nr. 1907/2006 zou blijken dat de toetsing die de kamer van beroep ten aanzien van stoffenbeoordelingsbesluiten verricht, beperkt is tot kennelijke dwalingen – onjuist is.

202    Derhalve is het argument dat door verordening nr. 771/2008 geen wijzigingen kunnen worden aangebracht aan de beperkte intensiteit van de toetsing door de kamer van beroep, zoals vastgesteld in verordening nr. 1907/2006, op die onjuiste premisse gebaseerd en dient het dan ook te worden afgewezen.

203    Ten tweede voert de Bondsrepubliek Duitsland in het kader van het tweede onderdeel van het vierde middel en het eerste onderdeel van het zesde middel aan dat de kamers van beroep slechts uit drie leden bestaan en dat in de regel slechts één van die leden over technische deskundigheid beschikt. Een aldus samengestelde kamer van beroep kan geen onderzoek waarborgen dat gelijkwaardig is aan het onderzoek dat wordt verricht in de loop van de procedure tot vaststelling van een stoffenbeoordelingsbesluit. De beroepsprocedure is niet geschikt voor besluiten die zijn vastgesteld in het kader van de dossier‑ of stoffenbeoordeling. De detectiemogelijkheden hangen af van een veelheid van factoren die van geval tot geval moeten worden beoordeeld en zorgvuldig onderzocht. Eén enkel gekwalificeerd lid van die kamer is niet in staat om duizenden bladzijden van een studie te bestuderen en te beoordelen. Die kamer beschikt noch over de vereiste wetenschappelijke kennis, noch over het personeel dat in staat is om op ingewikkelde technische vragen te antwoorden. Daarnaast beschikt zij niet over alle wetenschappelijke gegevens, zoals informatie uit het registratiedossier en andere inlichtingen van ECHA en de voor een stof bevoegde instanties.

204    Dienaangaande dient allereerst te worden verwezen naar de overwegingen in de punten 104 tot en met 109 hierboven, die zich verzetten tegen de benadering waarbij de intensiteit van de toetsing die de kamer van beroep verricht ten aanzien van middelen ontleend aan inhoudelijke fouten in de beoordeling van benpat, had moeten worden beperkt tot de vraag of sprake was van een kennelijke fout.

205    Vervolgens zij eraan herinnerd dat de kamer van beroep in het kader van een bij haar ingesteld beroep niet zelf de betrokken stof hoeft te beoordelen op een manier die vergelijkbaar is met de beoordeling door de aangewezen instantie, en evenmin hoeft te beslissen welke aanvullende informatie noodzakelijk is om een dergelijke beoordeling te kunnen afronden. In het kader van een dergelijk beroep beperkt zij zich immers tot het onderzoek of met de door de verzoekende partij aangevoerde argumenten kan worden aangetoond dat een stoffenbeoordelingsbesluit een fout bevat.

206    Bovendien dient te worden geconstateerd dat de Bondsrepubliek Duitsland zich beperkt tot de stelling dat het lid of de leden van de kamer van beroep die over technische deskundigheid beschikken niet in staat zijn te toetsen of een stoffenbeoordelingsbesluit van ECHA gegrond is, maar geen enkel omstandig argument aanvoert waaruit blijkt dat die leden ondanks de deskundigheid waarover zij krachtens artikel 89, lid 3, eerste alinea, tweede volzin, van verordening nr. 1907/2006, artikel 1, lid 1, tweede alinea, van verordening nr. 771/2008 en artikel 1, lid 2, van verordening nr. 1238/2007 dienen te beschikken, niet in staat zouden zijn om in het kader van een procedure op tegenspraak de technische overwegingen in een besluit van ECHA te toetsen.

207    De Bondsrepubliek Duitsland zet met name niet uiteen waarom de leden van de kamer van beroep die de bestreden beslissing heeft gegeven, niet over de nodige technische deskundigheid zouden beschikken om de fouten in het besluit van ECHA te identificeren die zij in de bestreden beslissing hebben geïdentificeerd.

208    Bovendien zij eraan herinnerd dat krachtens artikel 89, lid 3, tweede alinea, van verordening nr. 1907/2006 extra leden van de kamer van beroep kunnen worden benoemd indien zulks noodzakelijk is om te waarborgen dat de beroepen in een bevredigend tempo kunnen worden behandeld.

209    Ten slotte dient te worden geconstateerd dat de door de Bondsrepubliek Duitsland voorgestelde benadering niet strookt met overweging 3 van verordening nr. 771/2008, waaruit blijkt dat met de deskundigheid waarover de kamer van beroep beschikt, dient te worden verzekerd dat zowel de juridische als de technische aspecten op een evenwichtige manier door die kamer kunnen worden beoordeeld.

210    Bijgevolg dienen de door de Bondsrepubliek Duitsland aangevoerde argumenten inzake de samenstelling van de kamer van beroep te worden afgewezen.

211    Ten derde dient, voor zover de Bondsrepubliek Duitsland aanvoert dat een verdergaande toetsing tot vertragingen in de procedure kan leiden, dit argument te worden afgewezen om dezelfde redenen als die welke in de punten 110 tot en met 117 hierboven zijn vermeld.

212    Ten vierde dient het argument van de Bondsrepubliek Duitsland dat een dergelijke toetsingsintensiteit tot gevolg heeft dat de stoffenbeoordelingsbesluiten op verschillende wijze worden getoetst naargelang zij door ECHA of door de Commissie zijn vastgesteld, te worden afgewezen om dezelfde als de hierboven in de punten 118 tot en met 122 vermelde redenen.

213    Ten vijfde voert de Bondsrepubliek Duitsland aan dat de intensiteit van de door de kamer van beroep verrichte toetsing niet mag afhangen van de door de verzoekende partij aangevoerde middelen, argumenten en bewijzen. Er kan niet worden aanvaard dat de verzoekende partij de intensiteit van die toetsing kan bepalen.

214    Dienaangaande dient te worden opgemerkt dat aangezien de kamer van beroep zich in het kader van een voor haar gevoerde procedure beperkt tot het onderzoek of met de door de verzoekende partij aangevoerde argumenten een fout in een besluit van ECHA kan worden aangetoond, de omvang van de door haar verrichte toetsing afhangt van de argumenten die de verzoekende partij in het kader van het beroep aanvoert.

215    Evenwel dient een onderscheid te worden gemaakt tussen de omvang van de door de kamer van beroep verrichte toetsing enerzijds en de intensiteit van die toetsing anderzijds. Anders dan de Bondsrepubliek Duitsland stelt, kan de intensiteit van de toetsing niet worden bepaald door de middelen, argumenten en bewijzen die de verzoekende partij aanvoert.

216    Derhalve dienen het argument dat de intensiteit van de toetsing niet van de door de verzoekende partij aangevoerde elementen mag afhangen, en bijgevolg alle argumenten waarmee de Bondsrepubliek Duitsland beoogt aan te tonen dat de kamer van beroep in punt 122 van de bestreden beslissing de grenzen van haar toetsingsbevoegdheid heeft overschreden, te worden afgewezen.

iv)    Argumenten waarmee wordt aangevoerd dat, anders dan de kamer van beroep heeft vastgesteld, het niet onmogelijk was om de metabolieten van benpat te identificeren

217    De Bondsrepubliek Duitsland voert aan dat de kamer van beroep ten onrechte heeft vastgesteld dat het identificeren van de metabolieten onmogelijk was. In de eerste plaats is deze vaststelling gebaseerd op de richtsnoeren 309 van de OESO voor het testen van chemische stoffen. Die richtsnoeren bepalen evenwel alleen dat in het algemeen concentraties van 100 μg/l moeten worden gebruikt om de aanwezigheid van metabolieten te kunnen detecteren. Zij sluiten evenwel niet uit dat de metabolieten kunnen worden gedetecteerd bij een lager concentratieniveau. In de tweede plaats heeft de kamer van beroep uit het oog verloren dat die methode is vastgesteld in 2004 en dat de detectiemogelijkheden van de analysemethoden sindsdien voortdurend zijn verbeterd. In de derde plaats bevat het besluit van ECHA voorschriften inzake het aanpassen van de testen die er juist toe strekken de metabolieten van een moeilijk oplosbare stof met grote waarschijnlijkheid te kunnen identificeren. In de vierde plaats hadden de „testmethoden van 2004” kunnen worden toegepast met een tweemaal kleinere hoeveelheid van de stof, te weten een oplosbaarheid van 45 μg/l in plaats van 100 μg/l. Met de huidige meetmethoden is dat zeker het geval.

218    ECHA, de Commissie en de interveniërende ondernemingen betwisten die argumenten.

219    Dienaangaande dient in de eerste plaats te worden opgemerkt dat de kamer van beroep in de bestreden beslissing niet heeft uitgesloten dat met de overeenkomstig methode nr. 309 uit te voeren test metabolieten van benpat zouden kunnen worden geïdentificeerd. Zoals blijkt uit punt 123 van die beslissing heeft die kamer immers alleen vastgesteld dat het niet zeker was dat de adressaten van het besluit van ECHA in het kader van de uitvoering van de betrokken test erin kunnen slagen de uit benpat gevormde metabolieten te identificeren. Derhalve heeft die kamer, anders dan de Bondsrepubliek Duitsland stelt, in de bestreden beslissing niet vastgesteld dat het onmogelijk was om metabolieten te identificeren bij een concentratie van minder dan 100 μg/l.

220    In de tweede plaats heeft de kamer van beroep in de bestreden beslissing geen vraagtekens geplaatst bij de op de adressaten van het besluit van ECHA rustende verplichting om, in het geval dat in het kader van de overeenkomstig methode nr. 309 uit te voeren test metabolieten kunnen worden geïdentificeerd, met de metabolieten van benpat rekening te houden. Integendeel, zoals blijkt uit punt 125 van de bestreden beslissing heeft zij geoordeeld dat die adressaten volgens richtsnoeren 309 van de OESO voor het testen van chemische stoffen in beginsel verplicht waren alle redelijke inspanningen te leveren om de voornaamste omzettingsproducten via die test te identificeren en te kwantificeren, en die inspanningen dienovereenkomstig in het onderzoeksrapport te vermelden. Zij heeft zich dus ertoe beperkt de resultaatsverplichting ter discussie te stellen met betrekking tot de identificatie van de metabolieten van benpat in het kader van die test.

221    In de derde plaats voert de Bondsrepubliek Duitsland aan dat de kamer van beroep zich heeft vergist, aangezien richtsnoeren 309 van de OESO voor het testen van chemische stoffen niet uitsluiten dat het detecteren van de aanwezigheid van metabolieten mogelijk is bij een lager concentratieniveau dan 100 μg/l.

222    Dienaangaande zij eraan herinnerd dat de kamer van beroep in de bestreden beslissing niet heeft vastgesteld dat de identificatie van de aanwezigheid van metabolieten bij een lagere concentratie dan 100 μg/l onmogelijk was. Integendeel, zij heeft het besluit van ECHA gehandhaafd voor zover de adressaten van dat besluit verplicht werden alle redelijke inspanningen te leveren om de voornaamste omzettingsproducten tijdens de overeenkomstig methode nr. 309 uit te voeren test te identificeren en te kwantificeren, en die inspanningen dienovereenkomstig in het onderzoeksrapport te vermelden.

223    Daarentegen was de kamer van beroep van oordeel dat een resultaatsverplichting met betrekking tot de identificatie van de metabolieten niet gerechtvaardigd was, aangezien het niet zeker was dat die identificatie van de metabolieten mogelijk was. Het feit dat het identificeren van metabolieten bij een concentratie van 45 μg/l mogelijk is, kan niet afdoen aan de gegrondheid van die overweging.

224    Derhalve dient dat argument van de Bondsrepubliek Duitsland te worden afgewezen.

225    Voor zover in de vierde plaats de Bondsrepubliek Duitsland met haar argumenten wenst aan te voeren dat de kamer van beroep zich kennelijk heeft vergist met haar vaststelling dat het niet zeker was dat de metabolieten van benpat zouden kunnen worden geïdentificeerd in het kader van een overeenkomstig methode nr. 309 uit te voeren test, dienen ook deze argumenten te worden afgewezen.

226    In die context zij eraan herinnerd dat de kamer van beroep in de punten 121 tot en met 123 van de bestreden beslissing in wezen heeft vastgesteld dat uit richtsnoeren 309 van de OESO voor het testen van chemische stoffen was gebleken dat indien de teststof werd toegepast bij een concentratie van 100 μg/l, het vanwege analytische grenswaarden niet realistisch was om te verwachten dat de metabolieten van die stof konden worden geïdentificeerd met een test, aangezien deze een maximale oplosbaarheid vertoonde van 45 μg/l en ECHA noch de interveniërende ondernemingen in staat waren geweest een methode te bepalen die geschikt was om de voornaamste omzettingsproducten te identificeren die waarschijnlijk zouden zijn ontstaan tijdens de uitvoering van die test.

227    Eveneens zij eraan herinnerd dat de toetsing door de Unierechter in het kader van een beroep tot nietigverklaring krachtens artikel 263 VWEU beperkt is wanneer zeer ingewikkelde wetenschappelijke en technische feiten worden beoordeeld. Bij dat soort beoordelingen blijft de toetsing door de Unierechter met name beperkt tot de vraag of sprake is geweest van een kennelijke dwaling of misbruik van bevoegdheid, dan wel of de instantie die de beslissing heeft gegeven de grenzen van haar beoordelingsbevoegdheid klaarblijkelijk heeft overschreden (zie arrest van 21 juli 2011, Etimine, C‑15/10, EU:C:2011:504, punt 60 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

228    Het is dus nodig te onderzoeken of met de argumenten van de Bondsrepubliek Duitsland kan worden aangetoond dat de kamer van beroep bij de beoordeling in kwestie een kennelijke fout of misbruik van bevoegdheid heeft gemaakt, dan wel of zij de grenzen van haar beoordelingsbevoegdheid klaarblijkelijk heeft overschreden.

229    Ten eerste voert de Bondsrepubliek Duitsland aan dat methode nr. 309 is vastgesteld in 2004 en dat de detectiemogelijkheden van de analysemethoden sindsdien voortdurend zijn verbeterd.

230    Dienaangaande dient te worden opgemerkt dat de kamer van beroep in de punten 121 tot en met 123 van de bestreden beslissing niet alleen heeft uiteengezet waarom het niet zeker was dat de metabolieten van benpat in het kader van een overeenkomstig methode nr. 309 te verrichten test konden worden geïdentificeerd, maar tevens heeft vastgesteld dat noch de interveniërende ondernemingen, noch ECHA, noch de aangewezen instantie in staat waren geweest een methode te bepalen die geschikt was om de voornaamste omzettingsproducten te identificeren die waarschijnlijk zouden zijn ontstaan tijdens de uitvoering van die test.

231    In die omstandigheden kan met de weinig gedetailleerde argumentatie van de Bondsrepubliek Duitsland inzake de voortdurende verbetering van de detectiemogelijkheden van de analysemethoden niet worden aangetoond dat de betrokken beoordeling van de kamer van beroep kennelijk onjuist is.

232    Ten tweede voert de Bondsrepubliek Duitsland aan dat in het besluit van ECHA preciseringen over testaanpassingen zijn opgenomen die er juist op gericht zijn de metabolieten van een moeilijk oplosbare stof met grote waarschijnlijkheid te kunnen identificeren.

233    Dienaangaande dient te worden geconstateerd dat de Bondsrepubliek Duitsland zich ertoe beperkt, te verwijzen naar de preciseringen in het besluit van ECHA, zonder aan te geven om welke preciseringen het gaat of toe te lichten waarom met die preciseringen kan worden aangetoond dat de in punt 226 hierboven opgenomen beoordeling door de kamer van beroep kennelijk onjuist is.

234    Hoe dan ook dient te worden vastgesteld dat de Bondsrepubliek Duitsland alleen maar stelt dat de preciseringen in het besluit van ECHA erop gericht waren de metabolieten van een moeilijk oplosbare stof met grote waarschijnlijkheid te kunnen identificeren, maar niet aantoont dat aan de hand van die preciseringen de metabolieten van benpat met zekerheid zouden kunnen worden geïdentificeerd in het kader van een overeenkomstig methode nr. 309 uitgevoerde test.

235    Derhalve kan dit argument niet aantonen dat de betrokken beoordeling van de kamer van beroep kennelijk onjuist is.

236    Ten derde voert de Bondsrepubliek Duitsland aan dat haar wetenschappelijk personeel veronderstelt dat de „testmethoden van 2004” hadden kunnen worden toegepast met een tweemaal kleinere hoeveelheid van de stof, namelijk een oplossing van 45 μg/l in plaats van 100 μg/l.

237    Dienaangaande kan worden volstaan met de opmerking dat de Bondsrepubliek Duitsland slechts een veronderstelling naar voren schuift. Uit de aard zelf van een veronderstelling volgt evenwel dat daarmee niet kan worden aangetoond dat de betrokken beoordeling van de kamer van beroep kennelijk onjuist is.

238    In elk geval dient erop te worden gewezen dat de Bondsrepubliek Duitsland niet omstandig uiteenzet op welke elementen die veronderstelling is gebaseerd.

239    Ten vierde voert de Bondsrepubliek Duitsland aan dat het besluit van ECHA niet voorschrijft dat de registranten al de gevormde metabolieten dienen te identificeren, maar uitsluitend de voornaamste metabolieten, te weten de voornaamste afbraakproducten. Evenwel kan met dat argument op zich evenmin worden aangetoond dat sprake is van een kennelijke fout in de betrokken beoordeling van de kamer van beroep.

240    Derhalve dienen de argumenten waarmee de Bondsrepubliek Duitsland aanvoert dat, anders dan de kamer van beroep heeft vastgesteld, het niet onmogelijk was om de metabolieten van benpat te identificeren, in hun geheel te worden afgewezen.

v)      Argumenten waarmee wordt aangevoerd dat de identificatie van de metabolieten een van de onderdelen van methode nr. 309 vormt

241    De Bondsrepubliek Duitsland voert aan dat de identificatie van de metabolieten een van de onderdelen van methode nr. 309 vormt dat normaliter wordt voorgeschreven door richtsnoeren 309 van de OESO voor het testen van chemische stoffen, evenals door de overeenkomstige omzetting in verordening (EG) nr. 440/2008 van de Commissie van 30 mei 2008 houdende vaststelling van testmethoden uit hoofde van verordening nr. 1907/2006 (PB 2008, L 142, blz. 1), zoals gewijzigd, met het oog op de aanpassing ervan aan de technische vooruitgang, bij verordening (EG) nr. 761/2009 van de Commissie van 23 juli 2009 (PB 2009, L 220, blz. 1). Het is inherent aan die methode dat het niet zeker is dat de betrokken metabolieten met de test daadwerkelijk kunnen worden geïdentificeerd en dat de zorg voor het gedetailleerd beheer van de metabolieten op de registrant rust. Het is niet mogelijk om het resultaat of het verloop van de test volgens deze methode duidelijk te voorspellen, en het komt voor dat de voor de beoordeling verantwoordelijke persoon tijdens een dergelijke test moet overgaan tot het nemen en toepassen van andere beslissingen om zo goed mogelijk aan de doelstellingen van die beoordeling te voldoen. De specificaties met betrekking tot de overeenkomstig die methode uitgevoerde test kunnen dan ook niet als onevenredig worden aangemerkt. 

242    ECHA, de Commissie en de interveniërende ondernemingen betwisten die argumenten.

243    Dienaangaande dient eraan te worden herinnerd dat in punt 219 hierboven is uiteengezet dat de kamer van beroep in de bestreden beslissing het besluit van ECHA niet nietig heeft verklaard voor zover dat besluit voorzag in de verplichting voor de adressaten om een test overeenkomstig methode nr. 309 uit te voeren, maar slechts voor zover dat besluit voorzag in een resultaatsverplichting met betrekking tot de identificatie van de metabolieten in het kader van de uitvoering van die test.

244    Afgezien van de resultaatsverplichting met betrekking tot de identificatie van de metabolieten van benpat heeft de kamer van beroep de specificaties betreffende het verloop van de overeenkomstig methode nr. 309 uit te voeren test dan ook niet ter discussie gesteld.

245    De argumenten waarmee de Bondsrepubliek Duitsland aanvoert dat de identificatie van de metabolieten een van de onderdelen van methode nr. 309 vormt, dienen te worden afgewezen.

vi)    Argumenten waarmee wordt aangevoerd dat methode nr. 309 nader kan worden gepreciseerd

246    De Bondsrepubliek Duitsland betoogt dat het mogelijk is methode nr. 309 nader te specificeren. In het kader van de beoordeling van een stof kunnen de in de regelgeving vastgestelde testmethoden nader worden gespecificeerd of zelfs gedeeltelijk worden gewijzigd, zodat de resultaten in bepaalde gevallen kunnen worden geoptimaliseerd door gerichte aanpassingen. De identificatie van de metabolieten in het kader van een overeenkomstig methode nr. 309 uitgevoerde test is eveneens nuttig ter voorbereiding van een eventuele test overeenkomstig methode nr. 308. In die context voert de Bondsrepubliek Duitsland tevens aan dat de kamer van beroep het verzoek tot uitvoering van de test overeenkomstig methode nr. 309 niet los had mogen zien van de identificatie van de metabolieten. Het schrappen van de specificaties voor de identificatie van de metabolieten brengt kunstmatige vertragingen met zich mee waardoor de identificatie onnodig meer tijd in beslag neemt en er extra kosten voor het verzamelen van de nodige gegevens moeten worden gemaakt. Daarnaast wordt de latere uitvoering en de kans op slagen van een overeenkomstig methode nr. 308 uitgevoerde test daardoor moeilijker gemaakt.

247    ECHA, de Commissie en de interveniërende ondernemingen betwisten die argumenten.

248    De argumenten waarmee de Bondsrepubliek Duitsland aanvoert dat methode nr. 309 nader kan worden gepreciseerd, moeten worden afgewezen. Zij kunnen niet afdoen aan de overwegingen van de kamer van beroep.

249    Zoals in de punten 243 en 244 hierboven is uiteengezet, heeft de kamer van beroep in de bestreden beslissing immers geen vraagtekens geplaatst bij het gebruik van methode nr. 309 en evenmin bij de mogelijkheid om deze methode te wijzigen. Zij heeft zich ertoe beperkt het besluit van ECHA nietig te verklaren voor zover het voorzag in een resultaatsverplichting met betrekking tot de identificatie van de metabolieten, aangezien het niet zeker was dat de adressaten van dat besluit de metabolieten van benpat overeenkomstig die methode zouden kunnen identificeren.

vii) Argument dat de bestreden beslissing tegenstrijdig is

250    De Bondsrepubliek Duitsland stelt dat de bestreden beslissing tegenstrijdig is. Enerzijds heeft de kamer van beroep de verplichting tot identificatie van de metabolieten nietig verklaard in punt 1 van die beslissing. Anderzijds heeft zij in de motivering van die beslissing toegegeven niet te kunnen uitsluiten dat geen enkel bruikbaar resultaat met betrekking tot de metabolieten zou worden verkregen, en heeft zij aangegeven dat de adressaten van het besluit van ECHA al het mogelijke moesten doen om de voornaamste omzettingsproducten te kwantificeren tijdens de uitvoering van de test overeenkomstig methode nr. 309, en die inspanningen moesten detailleren in het betrokken onderzoeksrapport.

251    ECHA, daarin ondersteund door de Commissie, en de interveniërende ondernemingen betwisten die argumenten.

252    Het argument van de Bondsrepubliek Duitsland dat de bestreden beslissing tegenstrijdig is, dient te worden afgewezen.

253    Zoals hierboven in de punten 243 en 244 is uiteengezet, heeft de kamer van beroep het besluit van ECHA immers nietig verklaard voor zover dat besluit voorzag in een resultaatsverplichting met betrekking tot de identificatie van de metabolieten. In die context heeft zij zich niet gebaseerd op de overweging dat die identificatie onmogelijk was, maar uitsluitend op de overweging dat het niet zeker was dat die identificatie mogelijk was met betrekking tot de metabolieten van benpat.

254    Derhalve kan, anders dan de Bondsrepubliek Duitsland stelt, de vaststelling van de kamer van beroep in punt 125 van de bestreden beslissing dat de adressaten van die beslissing ertoe gehouden waren, in het kader van de uitvoering van de test overeenkomstig richtsnoeren 309 van de OESO voor het testen van chemische stoffen, alle redelijke inspanningen te leveren om de voornaamste omzettingsproducten te identificeren en te kwantificeren, en die inspanningen in het onderzoeksrapport dienovereenkomstig te vermelden, niet worden geacht in tegenspraak te zijn met het feit dat de kamer van beroep het besluit van ECHA nietig heeft verklaard voor zover dat besluit voorzag in een resultaatsverplichting met betrekking tot de identificatie van de metabolieten.

viii) Argument inzake de niet-nakoming van de motiveringsplicht

255    De Bondsrepubliek Duitsland betoogt dat de kamer van beroep haar motiveringsplicht niet is nagekomen. De in de bestreden beslissing aangegeven redenen rechtvaardigen niet dat het vereiste om de metabolieten te identificeren wordt nietig verklaard maar veeleer dat dit vereiste blijft behouden.

256    ECHA, daarin ondersteund door de Commissie, en de interveniërende ondernemingen betwisten dat argument.

257    Dienaangaande zij eraan herinnerd dat de motiveringsplicht een wezenlijk vormvoorschrift is dat moet worden onderscheiden van de vraag naar de gegrondheid van de motivering, die de inhoudelijke wettigheid van de omstreden handeling betreft (arrest van 22 maart 2001, Frankrijk/Commissie, C‑17/99, EU:C:2001:178, punt 35). Derhalve dient het betoog waarmee de Bondsrepubliek Duitsland de gegrondheid van de overwegingen van de kamer van beroep ter discussie stelt, te worden afgewezen voor zover zij dat betoog voert tot staving van het argument inzake de niet-nakoming van de motiveringsplicht.

258    Voor zover de Bondsrepubliek Duitsland met haar betoog in wezen aanvoert dat zij ten gevolge van de vermeende tegenstrijdigheid in de redenering van de kamer van beroep niet kan achterhalen of de bestreden beslissing gegrond was of eventueel een fout bevatte, kan daarnaast onder verwijzing naar de punten 252 tot en met 254 hierboven worden volstaan met eraan te herinneren dat de overwegingen van de kamer van beroep in de punten 118 tot en met 125 van de bestreden beslissing niet tegenstrijdig zijn.

259    Hieruit volgt dat het argument van de Bondsrepubliek Duitsland ontleend aan de niet-nakoming van de motiveringsplicht eveneens dient te worden afgewezen.

ix)    Argument waarmee wordt aangevoerd dat de kamer van beroep een feitelijk onnauwkeurig en niet-gekwantificeerd waarschijnlijkheidsniveau heeft ingevoerd

260    De Bondsrepubliek Duitsland voert aan dat de kamer van beroep met haar benadering is voorbijgegaan aan het relevante criterium inzake het evenredigheidsbeginsel. De relevante vraag is of het volgens de stand van de regelgevende toxicologie verstandig en opportuun is om een test uit te voeren. Met andere woorden dient te worden nagegaan of met die test een risico kan worden geïdentificeerd, ook al is de bruikbaarheid ervan in het concrete geval niet zeker. In de bestreden beslissing heeft die kamer evenwel een feitelijk onnauwkeurig en niet-gekwantificeerd waarschijnlijkheidsniveau ingevoerd.

261    ECHA, daarin ondersteund door de Commissie, en de interveniërende ondernemingen betwisten dat argument.

262    Dienaangaande dient in de eerste plaats in herinnering te worden gebracht dat de kamer van beroep weliswaar van oordeel was dat ECHA niet had mogen voorzien in de verplichting om de metabolieten van benpat te identificeren ingeval niet zeker was dat die metabolieten konden worden geïdentificeerd met een overeenkomstig methode nr. 309 uit te voeren test. De kamer van beroep kan evenwel niet worden verweten te hebben geoordeeld dat ECHA de adressaten van zijn besluit geen resultaatsverplichting had mogen opleggen, aangezien het niet zeker was dat de metabolieten van benpat konden worden geïdentificeerd overeenkomstig die methode.

263    Wat in de tweede plaats de verplichting betreft om een test overeenkomstig methode nr. 309 uit te voeren, hoeft er slechts aan te worden herinnerd dat de kamer van beroep die verplichting in de bestreden beslissing niet ter discussie heeft gesteld. In die beslissing heeft die kamer dan ook het waarschijnlijkheidsniveau niet gewijzigd dat ter rechtvaardiging van de uitvoering van die test moet worden bereikt. Integendeel, zoals blijkt uit punt 125 van die beslissing was die kamer van oordeel dat de adressaten van het besluit van ECHA volgens richtsnoeren 309 van de OESO voor het testen van chemische stoffen ertoe gehouden waren alle redelijke inspanningen te leveren om de voornaamste omzettingsproducten in het kader van de uitvoering van die test te identificeren en te kwantificeren, en die inspanningen dienovereenkomstig in het onderzoeksrapport te vermelden.

264    Derhalve dienen het argument van de Bondsrepubliek Duitsland dat de kamer van beroep een feitelijk onnauwkeurig en niet-gekwantificeerd waarschijnlijkheidsniveau heeft ingevoerd, en daarmee alle argumenten inzake het onderzoek van het tweede onderdeel van het eerste middel van het beroep voor de kamer van beroep, te worden afgewezen.

2)      Argumenten inzake het onderzoek van het derde onderdeel van het eerste middel voor de kamer van beroep

265    In zijn besluit heeft ECHA een verzoek om aanvullende informatie opgenomen voor het geval met de overeenkomstig methode nr. 309 uitgevoerde test niet zou kunnen worden opgemaakt of benpat persistent of zeer persistent was in de zin van de punten 1.1.1 en 1.2.1, van bijlage XIII bij verordening nr. 1907/2006. In dat geval diende een sediment-simulatietest overeenkomstig methode nr. 308 te worden uitgevoerd, met gebruikmaking van component R-898 in plaats van benpat.

266    In het kader van punt III.4 van de motivering van zijn besluit heeft ECHA gepreciseerd dat sediment eveneens een zorgwekkend milieucompartiment is. Benpat is sterk adsorberend en wordt dan ook snel en in hoge mate in sediment geadsorbeerd. Volgens dat agentschap was het eveneens waarschijnlijk dat er in het kader van de overeenkomstig methode nr. 308 uitgevoerde test in hoge mate niet-extraheerbare residuen zouden worden geproduceerd en zou het waarschijnlijk moeilijk zijn om de afbraak van de dissipatieprocessen te scheiden. Om de interpretatie van de gegevens te vergemakkelijken, moet aan bepaalde voorwaarden worden voldaan. Ter beoordeling van de persistentie van benpat moet een onderscheid worden gemaakt tussen eenvoudige eliminatie en afbraak. Daartoe zijn de detectie en identificatie van de metabolieten fundamentele vereisten. In vergelijking met lagere temperaturen bevordert een hoge temperatuur de vitaliteit van het entmateriaal, vergroot zij de waarschijnlijkheid dat metabolieten worden gevormd evenals de kansen dat ze worden geïdentificeerd. Bijgevolg moet de test bij 20 °C worden uitgevoerd, maar dient die temperatuur tot 12 °C te worden verlaagd wanneer van de Arrhenius-vergelijking gebruik wordt gemaakt. R-898 moet in plaats van benpat worden gebruikt.

267    In het kader van het derde onderdeel van het eerste middel van het beroep voor de kamer van beroep hebben de interveniërende ondernemingen in wezen aangevoerd dat een test overeenkomstig methode nr. 308 vanwege de eigenschappen van benpat niet geschikt was om de persistentie van deze stof te onderzoeken.

268    In de punten 133 tot en met 142 van de bestreden beslissing heeft de kamer van beroep die argumenten onderzocht.

269    In punt 136 van de bestreden beslissing heeft de kamer van beroep geconstateerd dat benpat bij de uitvoering van een test overeenkomstig methode nr. 308 bijzondere moeilijkheden oplevert. Niet alleen kan Benpat van de waterige fase naar de vaste fase van het testsysteem overgaan, maar zij kan in de vaste fase ook niet-extraheerbare residuen vormen. Zoals beide partijen tijdens de hoorzitting voor haar hebben bevestigd, is het thans niet zeker of de niet-extraheerbare residuen die door die stof worden gevormd, in het kader van een overeenkomstig die methode uitgevoerde test kunnen worden geïdentificeerd en gekwantificeerd. Volgens die kamer was het niet zeker dat met die test in de praktijk de adsorptie of de afbraak van de betrokken stof zou kunnen worden gemeten.

270    In punt 137 van de bestreden beslissing heeft de kamer van beroep opgemerkt dat in een rapport met betrekking tot het project „Long-Range Research Initiative” (initiatief voor langetermijnonderzoek) van de Conseil européen des fédérations de l’industrie chimique (CEFIC; Europese raad voor de chemische industrie) een aantal vragen was gerezen over de deugdelijkheid van methode nr. 308 voor de beoordeling van stoffen als benpat. Zij heeft tevens de aandacht erop gevestigd dat de aangewezen instantie en ECHA tijdens de hoorzitting voor haar hadden bevestigd dat er thans geen algemeen aanvaarde aanpak bestond om de niet-extraheerbare residuen in de milieubeoordeling van een stof te verwerken.

271    In punt 138 van de bestreden beslissing is de kamer van beroep tot de slotsom gekomen dat er op basis van de voor haar aangevoerde bewijselementen en argumenten op dat moment geen wetenschappelijke consensus bestond over de wijze waarop de resultaten van een overeenkomstig methode nr. 308 gevoerde test moesten worden beoordeeld met betrekking tot de identiteit en de eigenschappen van de niet-extraheerbare residuen.

272    In punt 139 van de bestreden beslissing heeft de kamer van beroep opgemerkt dat in het besluit van ECHA een overeenkomstig methode nr. 308 uitgevoerde test slechts wordt vereist indien de persistentie van benpat met de overeenkomstig methode nr. 309 uitgevoerde test, inclusief de identificatie van de metabolieten, niet kan worden aangetoond. Aangezien de verplichting om de in het kader van die laatste test gevormde metabolieten te meten nietig was verklaard, was die identificatie onzeker. Zij heeft er ook op gewezen dat nieuwe informatie over de metabolieten moest worden beoordeeld zodra zij beschikbaar was en dat de uitvoering van een studie overeenkomstig methode nr. 308 in voorkomend geval kon worden geëist.

273    In punt 140 van de bestreden beslissing is de kamer van beroep tot de slotsom gekomen dat ECHA niet had aangetoond dat een overeenkomstig methode nr. 308 uit te voeren test geschikt was om de persistentie van benpat te bepalen.

274    In punt 141 van de bestreden beslissing heeft de kamer van beroep niet uitgesloten dat de persistentie van benpat eventueel zou kunnen worden bepaald op grond van een overeenkomstig methode nr. 308 uitgevoerde test. Zij heeft immers opgemerkt dat ECHA mogelijkerwijze op een later tijdstip kan aantonen dat een overeenkomstig deze methode uitgevoerde studie geschikt is om de persistentie van benpat te onderzoeken, daaronder begrepen een methode die voorziet in een onderzoek naar de identiteit en de eigenschappen van de metabolieten van benpat. Volgens haar dient ECHA ter rechtvaardiging van een dergelijke studie evenwel rekening te houden met alle andere relevante en nieuwe informatie, zoals de resultaten van de overeenkomstig methode nr. 309 uit te voeren test.

275    In punt 142 van de bestreden beslissing is de kamer van beroep tot de slotsom gekomen dat het derde onderdeel van het eerste middel van het bij haar ingestelde beroep om die redenen dient te worden aanvaard en dat het besluit van ECHA nietig dient te worden verklaard voor zover in dat besluit de uitvoering van de test overeenkomstig methode nr. 308 wordt gevraagd.

276    In het kader van het tweede onderdeel van het vierde middel en het tweede onderdeel van het zesde middel van het onderhavige beroep stelt de Bondsrepubliek Duitsland dat die overwegingen van de kamer van beroep onjuist zijn.

277    Allereerst dient te worden ingegaan op het argument van de Bondsrepubliek Duitsland dat de kamer van beroep de grenzen van haar toetsingsbevoegdheid heeft overschreden. Vervolgens zullen de argumenten worden onderzocht waarmee wordt beoogd de gegrondheid van de overwegingen van die kamer ter discussie te stellen.

i)      Argumenten die ertoe strekken aan te tonen dat de kamer van beroep de grenzen van haar toetsingsbevoegdheid heeft overschreden

278    In het kader van het tweede onderdeel van het vierde middel en het tweede onderdeel van het zesde middel van het bij het Gerecht ingestelde beroep, stelt de Bondsrepubliek Duitsland dat de kamer van beroep in punt 136 van de bestreden beslissing de grenzen van haar toetsingsbevoegdheid heeft overschreden. Volgens haar heeft die kamer in dat punt de deskundigen van de lidstaten weersproken met betrekking tot de vraag of de overeenkomstig methode nr. 308 uit te voeren test geschikt was. Aan het Comité lidstaten moet echter een ruime beoordelingsbevoegdheid worden toegekend, rekening houdend met de rol die het heeft als comité van deskundigen en met het feit dat het is samengesteld uit leden die gebonden zijn aan de instructies van hun lidstaten. Derhalve beschikt die kamer slechts over een beperkte toetsingsbevoegdheid, waarvan de intensiteit vergelijkbaar is met de toetsing die rechters ten aanzien van discretionaire beslissingen verrichten.

279    ECHA, de Commissie en de interveniërende ondernemingen betwisten die argumenten.

280    De argumenten van de Bondsrepubliek Duitsland die ertoe strekken aan te tonen dat de kamer van beroep de grenzen van haar toetsingsbevoegdheid heeft overschreden, dienen te worden afgewezen om dezelfde redenen als die welke in de punten 190 tot en met 216 hierboven zijn uiteengezet.

ii)    Argumenten waarmee wordt beoogd de gegrondheid van de overwegingen van de kamer van beroep ter discussie te stellen

281    In het kader van het tweede onderdeel van het zesde middel voert de Bondsrepubliek Duitsland argumenten aan waarmee zij de gegrondheid ter discussie stelt van de overwegingen waarop de kamer van beroep haar vaststelling heeft gebaseerd dat niet was aangetoond dat de overeenkomstig methode nr. 308 uit te voeren en door ECHA in zijn besluit opgelegde sediment-simulatietest niet geschikt was. Zij erkent dat een deel van benpat op onomkeerbare wijze aan milieucompartimenten is verbonden en dus niet in die compartimenten kan worden gedetecteerd, hetgeen moeilijkheden met zich mee kan brengen bij de experimentele beoordeling van de verdeling van de stof in het testsysteem en het aan te geven afbraakpercentage. Volgens haar heeft het Comité lidstaten evenwel terecht geoordeeld dat er een reële mogelijkheid bestond dat de overeenkomstig methode nr. 308 uitgevoerde test ondanks de problemen met de niet-extraheerbare residuen tot realistische en bruikbare resultaten zou leiden.

282    In de eerste plaats voert de Bondsrepubliek Duitsland aan dat de benadering van de kamer van beroep voorbijgaat aan het relevante criterium inzake het evenredigheidsbeginsel. De relevante vraag is of het volgens de stand van de regelgevende toxicologie verstandig en opportuun is om een test uit te voeren. Met andere woorden dient te worden nagegaan of met die test een risico kan worden geïdentificeerd, ook al is de bruikbaarheid ervan in het concrete geval niet zeker. De verzoeken om aanvullende informatie hebben geen rechtstreekse gevolgen voor de commerciële waarde van benpat, maar vormen slechts een tussenstap vooraleer eventuele risicobeheersmaatregelen worden getroffen. Gelet op de doelstelling van verordening nr. 1907/2006 om een hoog niveau van bescherming van de gezondheid van de mens en het milieu te waarborgen, en op het voorzorgsbeginsel, had de identificatie van de risico’s bijzonder gemakkelijk en zeer wel mogelijk moeten zijn. Een te grote waarschijnlijkheid dat met de testen een bepaalde eigenschap wordt geïdentificeerd, mag dan ook niet worden verlangd aangezien anders alleen de testen met relatief voorspelbare resultaten zouden worden toegelaten. Slechts zeer uitzonderlijk kan vóór de uitvoering van een test worden voorspeld of met die test de verlangde informatie daadwerkelijk zal kunnen worden verstrekt of dat andere testen zullen moeten worden uitgevoerd om het bestaande risico te kunnen identificeren. Volgens de Bondsrepubliek Duitsland had de kamer van beroep alleen mogen nagaan of de maatregel het beoogde doel nastreefde en geschikt was om dit doel te bereiken, door te onderzoeken of de overwegingen van het Comité lidstaten kennelijk onjuist waren.

283    De in het besluit van ECHA vastgestelde teststrategie voldoet aan dat criterium. Zoals zij is gewijzigd door de kamer van beroep, voldoet die strategie echter niet aan dat criterium. De door die kamer aangebrachte wijzigingen zijn gebaseerd op de gedachte dat een test slechts kan worden verlangd indien met voldoende zekerheid kan worden verwacht dat daarmee doorslaggevende resultaten met betrekking tot de bestudeerde eigenschap kunnen worden geboekt. Door aldus te werk te gaan, heeft de kamer van beroep een feitelijk onnauwkeurig en niet-gekwantificeerd waarschijnlijkheidsniveau ingevoerd. Het is moeilijk te voorspellen in welke mate met een test uiteindelijk kan worden beoordeeld of de onderzochte eigenschap al dan niet aanwezig is. Die drempel vermindert aanzienlijk de mogelijkheden om door middel van verordening nr. 1907/2006 informatie te verkrijgen. Een dergelijke benadering strookt niet met de door die verordening nagestreefde doelstellingen. Zij strookt met name niet met het voorzorgsbeginsel, volgens hetwelk alle gegevens met betrekking tot de risico’s moeten worden verzameld. De testvereisten die na de bestreden beslissing overblijven, zijn minder geschikt om het persistentiecriterium vast te stellen dan het besluit van ECHA. Uiteindelijk heeft dat tot gevolg gehad dat de teststrategie, zoals gewijzigd in de bestreden beslissing, de doelstelling bemoeilijkt om een en ander te verduidelijken. 

284    ECHA, de Commissie en de interveniërende ondernemingen betwisten die argumenten.

285    Dienaangaande zij eraan herinnerd dat verordening nr. 1907/2006 volgens artikel 1, lid 1, ervan inderdaad een hoog niveau van bescherming van de gezondheid van de mens en het milieu beoogt te waarborgen, en dat de bepalingen van die verordening volgens artikel 1, lid 3, tweede volzin, ervan berusten op het voorzorgsbeginsel.

286    Verordening nr. 1907/2006 kan evenwel niet uitsluitend worden uitgelegd in het licht van het doel een hoog niveau van bescherming van de gezondheid van de mens en het milieu te waarborgen, en in het licht van het voorzorgsbeginsel. Volgens artikel 1, lid 1, van die verordening beoogt die verordening immers ook de bevordering van alternatieve beoordelingsmethoden voor gevaren van stoffen, alsmede het vrije verkeer van stoffen op de interne markt te waarborgen en tegelijkertijd het concurrentievermogen en de innovatie te vergroten. Voorts moet ook rekening worden gehouden met de vrijheid van ondernemerschap in de zin van artikel 16 van het Handvest van de grondrechten en, in voorkomend geval, met de doelstelling om dierproeven te voorkomen, die met name blijkt uit overweging 47 van die verordening.

287    Het relevante criterium inzake het evenredigheidsbeginsel is het resultaat van de afweging tussen de verschillende doelstellingen van verordening nr. 1907/2006 en de toepassing van het voorzorgsbeginsel. Ter rechtvaardiging van een testvereiste moet ECHA overeenkomstig dat criterium niet alleen aantonen dat er sprake is van een mogelijk risico voor de gezondheid van de mens of het milieu en dat dit risico moet worden verduidelijkt, maar ook dat er een reële mogelijkheid bestaat dat op basis van de gevraagde informatie verbeterde risicobeheersmaatregelen kunnen worden getroffen.

288    Bijgevolg kan de kamer van beroep dus niet worden verweten te hebben geoordeeld dat een testvereiste in een stoffenbeoordelingsbesluit gepast was wanneer er een reële mogelijkheid bestond dat met die test voor die beoordeling relevante resultaten zouden worden geboekt.

289    De kamer van beroep kan dus niet worden verweten te hebben geoordeeld dat, wanneer er vanwege de bijzondere eigenschappen van een stof gegronde twijfel bestond over de vraag of met de door ECHA bedoelde testmethode relevante resultaten voor de beoordeling van een stof zouden kunnen worden geboekt, het de taak was van ECHA om aan te tonen dat er ondanks die twijfel een reële mogelijkheid bestond dat met die methode relevante resultaten zouden kunnen worden geboekt.

290    Derhalve dienen de argumenten te worden afgewezen waarmee de Bondsrepubliek Duitsland aanvoert dat de kamer van beroep, door een te hoog waarschijnlijkheidsniveau in te voeren, is voorbijgegaan aan het relevante criterium inzake het evenredigheidsbeginsel.

291    In de tweede plaats voert de Bondsrepubliek Duitsland argumenten aan die ertoe strekken aan te tonen dat de kamer van beroep ten onrechte heeft geoordeeld dat ECHA niet had aangetoond dat er een reële mogelijkheid bestond dat met de overeenkomstig methode nr. 308 uit te voeren test relevante resultaten voor de beoordeling van benpat zouden worden geboekt.

292    In die context dient te worden opgemerkt dat de betrokken beoordeling is gebaseerd op de beoordeling van zeer ingewikkelde wetenschappelijke en technische feiten, en zij eraan te herinnerd dat, gelet op de grenzen van de toetsing door de Unierechter ter zake, moet worden onderzocht of met de argumenten van de Bondsrepubliek Duitsland kan worden aangetoond dat de kamer van beroep met betrekking tot die beoordeling een kennelijke fout of misbruik van haar bevoegdheden heeft gemaakt, dan wel of zij de grenzen van haar beoordelingsbevoegdheid klaarblijkelijk heeft overschreden (zie punt 227 hierboven).

293    Ten eerste dient het argument te worden afgewezen waarmee de Bondsrepubliek Duitsland aanvoert dat alle lidstaten in het Comité lidstaten van oordeel waren dat er een reële mogelijkheid bestond dat de overeenkomstig methode nr. 308 uit te voeren test, ondanks de problemen met de niet-extraheerbare residuen van benpat, realistische en bruikbare resultaten zou opleveren. Als zodanig kan met dat argument immers niet worden aangetoond dat de betrokken beoordeling kennelijk onjuist was.

294    Ten tweede voert de Bondsrepubliek Duitsland aan dat het in het besluit van ECHA opgenomen verzoek tot uitvoering van de test overeenkomstig methode nr. 308 beantwoordt aan de stand van de regelgevende toxicologie op het gebied van de procedure voor de beoordeling van het persistentiecriterium, zoals vastgelegd in richtsnoeren 308 van de OESO voor het testen van chemische stoffen. In de overwegingen van de kamer van beroep wordt die methode als zodanig ter discussie gesteld, waardoor die overwegingen niet stroken met verordening nr. 440/2008.

295    Dienaangaande dient te worden opgemerkt dat de kamer van beroep, anders dan de Bondsrepubliek Duitsland stelt, methode nr. 308 als zodanig niet ter discussie heeft gesteld in de bestreden beslissing. Integendeel, zoals blijkt uit punt 141 van die beslissing was die kamer van oordeel dat een overeenkomstig die methode uitgevoerde test mogelijk geschikt was, voor zover ECHA kon aantonen dat een dergelijke test, ondanks de problemen met de niet-extraheerbare residuen van benpat, resultaten kon opleveren die relevant waren voor de beoordeling van de persistentie van benpat in het sedimentencompartiment.

296    Daarnaast kan de kamer van beroep, in het licht van de overwegingen in de punten 285 tot en met 290 hierboven, niet worden verweten dat zij niet alleen op abstracte wijze heeft onderzocht of methode nr. 308 geschikt was om de persistentie van stoffen in het sedimentencompartiment te beoordelen, maar die kwestie meer in concreto met betrekking tot benpat heeft onderzocht, daarbij rekening houdend met de bijzondere eigenschappen van die stof.

297    Derhalve dient het argument te worden afgewezen waarmee de Bondsrepubliek Duitsland aanvoert dat methode nr. 308 in de overwegingen van de kamer van beroep als zodanig ter discussie wordt gesteld, en dat die overwegingen dus niet stroken met verordening nr. 440/2008.

298    Ten derde voert de Bondsrepubliek Duitsland aan dat de kamer van beroep niet ter discussie stelt dat met toepassing van methode nr. 308 doorslaggevende resultaten kunnen worden geboekt. 

299    Dienaangaande dient te worden opgemerkt dat de kamer van beroep in punt 141 van de bestreden beslissing inderdaad niet heeft uitgesloten dat met methode nr. 308, ondanks de problemen met de niet-extraheerbare residuen, realistische en bruikbare resultaten zouden kunnen worden geboekt. In dat punt heeft die kamer evenwel uiteengezet dat om te kunnen vaststellen of er een reële mogelijkheid bestond dat een volgens deze methode uitgevoerde test relevante resultaten voor de beoordeling van benpat zou opleveren, het aan ECHA stond om aan te tonen dat er ondanks die problemen een dergelijke reële mogelijkheid bestond.

300    Hoewel de kamer van beroep niet heeft uitgesloten dat kan worden aangetoond dat er een reële mogelijkheid bestaat dat met een overeenkomstig methode nr. 308 uitgevoerde test, ondanks de problemen met de vorming van niet-extraheerbare residuen, resultaten zouden kunnen worden geboekt die relevant zijn voor de beoordeling van benpat, heeft zij geoordeeld dat ECHA dat tot dan toe niet had aangetoond.

301    Derhalve dient het argument te worden afgewezen waarmee de Bondsrepubliek Duitsland aanvoert dat de kamer van beroep niet ter discussie heeft gesteld dat het mogelijk was om met methode nr. 308 doorslaggevende resultaten te boeken.

302    Ten vierde voert de Bondsrepubliek Duitsland aan dat de door de kamer van beroep in de bestreden beslissing gevolgde redenering een cirkelredenering is, doordat die kamer het ontbreken van kansen op succes van een overeenkomstig methode nr. 308 uitgevoerde test rechtvaardigt met het feit dat zij de specificaties heeft geschrapt met betrekking tot de identificatie van de metabolieten in het kader van de overeenkomstig methode nr. 309 uit te voeren test. De toegepaste teststrategie had juist tot doel ervoor te zorgen dat de informatie over de metabolieten die reeds is verkregen, in voorkomend geval met de overeenkomstig methode nr. 309 uitgevoerde test, kan worden gebruikt in het kader van de test overeenkomstig methode nr. 308, die in dat opzicht moeilijkheden oplevert. Hieruit blijkt dus heel duidelijk in hoeverre de verklaringen met betrekking tot een zo ruim mogelijke identificatie van de metabolieten in het kader van een overeenkomstig methode nr. 309 uitgevoerde test van wezenlijk belang zijn voor het welslagen van de strategieën inzake de vaststelling van het persistentiecriterium.

303    Dienaangaande dient allereerst in herinnering te worden gebracht dat de kamer van beroep de resultaatsverplichting met betrekking tot de identificatie van metabolieten in het kader van de overeenkomstig methode nr. 309 uitgevoerde test, inderdaad nietig heeft verklaard omdat het niet zeker was dat een dergelijke identificatie mogelijk was. Zoals in de punten 169 tot en met 264 hierboven is uiteengezet, kan evenwel geen enkel van de door de Bondsrepubliek Duitsland aangevoerde argumenten afdoen aan de overwegingen van de kamer van beroep die de betrokken beslissing rechtvaardigen.

304    Vervolgens zij eraan herinnerd dat, zoals de kamer van beroep in punt 125 van de bestreden beslissing heeft aangegeven, de nietigverklaring van de resultaatsverplichting met betrekking tot de identificatie van metabolieten in het kader van een overeenkomstig methode nr. 309 uit te voeren test, niet afdoet aan de verplichting van de interveniërende ondernemingen om alle redelijke inspanningen te leveren teneinde de voornaamste omzettingsproducten in het kader van de uitvoering van die test te identificeren en te kwantificeren, en die inspanningen dienovereenkomstig in het onderzoeksrapport te vermelden. Derhalve kan niet worden geoordeeld dat die kamer die test ten onrechte zou hebben beperkt en kan haar dus evenmin worden verweten dat zij de kans op slagen van de overeenkomstig methode nr. 308 uitgevoerde test ten onrechte zou hebben verminderd.

305    Ten slotte dient te worden opgemerkt dat de reden waarom de kamer van beroep het verzoek van ECHA tot uitvoering van de test overeenkomstig methode nr. 308 nietig heeft verklaard, was dat dit agentschap niet had aangetoond dat er ondanks de problemen met het feit dat benpat niet-extraheerbare residuen produceert, een reële mogelijkheid bestond dat de overeenkomstig die methode uitgevoerde test resultaten zou opleveren die relevant waren voor de beoordeling van die stof.

306    Derhalve dient het argument van de Bondsrepubliek Duitsland dat de kamer van beroep in de bestreden beslissing een cirkelredenering heeft gemaakt, te worden afgewezen.

307    Ten vijfde voert de Bondsrepubliek Duitsland aan dat noch het feit dat een overeenkomstig methode nr. 308 te verrichten test moeilijk uit te voeren is, noch het feit dat het niet zeker is dat met die test voldoende informatie over de niet-extraheerbare residuen en metabolieten kan worden verkregen, eraan in de weg staat dat de uitvoering van die test wordt gevraagd. Anders zouden stoffen die moeilijk te bestuderen zijn, aan geen enkele test kunnen worden onderworpen.

308    Dienaangaande dient erop te worden gewezen dat de kamer van beroep zich niet heeft gebaseerd op de overweging dat het moeilijk was om een test overeenkomstig methode nr. 308 uit te voeren, maar op de overweging dat ECHA niet had aangetoond dat er een reële mogelijkheid bestond dat die test resultaten zou opleveren die relevant waren voor de beoordeling van benpat.

309    Daarnaast dient te worden opgemerkt dat de kamer van beroep zich in de punten 136 en 138 van de bestreden beslissing evenmin heeft gebaseerd op de onzekerheid die inherent is aan elk experimenteel onderzoek. Integendeel, met betrekking tot benpat heeft zij opgemerkt dat er zich bij de toepassing van methode nr. 308 een bijzonder probleem voordoet doordat die stof niet alleen van de waterige fase naar de vaste fase van het testsysteem kan overgaan, maar in de vaste fase ook niet-extraheerbare residuen kan vormen. Voorts heeft zij in wezen uiteengezet dat ECHA tijdens de procedure voor haar niet had kunnen aantonen dat ondanks dat probleem de adsorptie en afbraak van die stof konden worden gemeten aan de hand van een overeenkomstig die methode uitgevoerde test. In die beslissing heeft zij zich derhalve gebaseerd op de overweging dat sprake was van gegronde twijfel over de vraag of er vanwege de bijzondere eigenschappen van die stof een reële mogelijkheid bestond dat aan de hand van een overeenkomstig methode nr. 308 uitgevoerde test conclusies zouden kunnen worden getrokken met betrekking tot de persistentie van die stof in het sedimentencompartiment. In het licht van de overwegingen in de punten 282 tot en met 290 hierboven kan een dergelijke benadering evenwel niet als kennelijk onjuist worden beschouwd.

310    Hieruit volgt dat het argument dient te worden afgewezen waarmee de Bondsrepubliek Duitsland aanvoert dat noch het feit dat een overeenkomstig methode nr. 308 uit te voeren test moeilijk uitvoerbaar is, noch het feit dat het niet zeker is dat aan de hand van die test voldoende informatie over de niet-extraheerbare residuen en de metabolieten kan worden verkregen, eraan in de weg stond dat om uitvoering van die test was verzocht.

311    Derhalve dienen alle argumenten waarmee de gegrondheid van de overwegingen van de kamer van beroep wordt betwist, en dus alle argumenten gericht op het onderzoek van het derde onderdeel van het eerste middel van het bij de kamer van beroep ingestelde beroep, te worden afgewezen.

2.      Argumenten gericht op het onderzoek van het tweede middel van het beroep voor de kamer van beroep

312    In de punten 156 tot en met 161 van de bestreden beslissing heeft de kamer van beroep het tweede middel van het bij haar ingestelde beroep onderzocht en afgewezen.

313    In het kader van het tweede onderdeel van het vierde middel van het onderhavige beroep voert de Bondsrepubliek Duitsland aan dat de kamer van beroep in dat deel van de bestreden beslissing een fout heeft gemaakt. Volgens haar heeft die kamer in punt 159 van die beslissing een buitensporige toetsing verricht en zich ingelaten met de rol van het Comité lidstaten.

314    ECHA, de Commissie en de interveniërende ondernemingen betwisten die argumenten.

315    De argumenten van de Bondsrepubliek Duitsland ontleend aan een fout in de punten 156 tot en met 161 van de bestreden beslissing dienen als niet ter zake dienend te worden afgewezen. Zoals uit punt 34 hierboven blijkt, verzoekt de Bondsrepubliek Duitsland immers om nietigverklaring van die beslissing voor zover de kamer van beroep het besluit van ECHA gedeeltelijk nietig heeft verklaard. Punt 159 van de bestreden beslissing behoort evenwel tot het deel van die beslissing waarin die kamer het tweede voor haar opgeworpen middel heeft afgewezen.

316    Derhalve dienen de argumenten van de Bondsrepubliek Duitsland die zijn gericht op het onderzoek van het tweede middel van het bij de kamer van beroep ingestelde beroep, te worden afgewezen.

3.      Argumenten gericht op het derde middel van het bij de kamer van beroep ingestelde beroep en punt 3 van het dispositief van de bestreden beslissing

317    Op bladzijde 7 van zijn besluit heeft ECHA vastgesteld dat er bewijskrachtige gegevens zijn waaruit blijkt dat benpat bioaccumulerend en toxisch is en dat, aangezien aan de criteria voor bioaccumulatie en toxiciteit is voldaan, het persistentiecriterium dient te worden getoetst.

318    In het kader van het derde middel van het beroep voor de kamer van beroep hebben de interveniërende ondernemingen aangevoerd dat de overwegingen van ECHA inzake de bioaccumulerende eigenschappen van benpat onjuist waren.

319    In de punten 166 tot en met 171 van de bestreden beslissing heeft de kamer van beroep die argumenten onderzocht.

320    In punt 166 van de bestreden beslissing heeft de kamer van beroep opgemerkt dat die overwegingen van ECHA zijn opgenomen in het deel van zijn besluit waarin dat agentschap uiteenzet waarom de verzoeken om aanvullende informatie over de persistentie van benpat gerechtvaardigd waren. Volgens haar was in die context de informatie over de bioaccumulerende eigenschappen van die stof niet relevant.

321    In de punten 167 tot en met 169 van de bestreden beslissing heeft de kamer van beroep geconstateerd dat de vaststelling van ECHA dat benpat bioaccumulerend was, niet had mogen voorkomen in dat besluit. Ten eerste waren de interveniërende ondernemingen op dit punt niet gehoord, omdat die vaststelling was opgenomen in het ontwerpbesluit dat was gewijzigd na de commentaren van die ondernemingen op het ontwerpbesluit en er geen voorstel tot wijziging op dat punt was ingediend. Ten tweede was de betrokken vaststelling niet relevant in het kader van de redenering die ECHA had ontwikkeld ter rechtvaardiging van zijn verzoek om aanvullende informatie inzake het eventuele risico dat benpat persistent zou zijn.

322    In de punten 169 tot en met 171 van de bestreden beslissing heeft de kamer van beroep uiteengezet dat de betrokken vaststelling van ECHA uit zijn besluit diende te worden geschrapt. Volgens haar had deze vergissing evenwel geen weerslag op het dispositief van het besluit van ECHA, was zij niet ter zake dienend en kon zij derhalve niet rechtvaardigen dat dit besluit nietig zou worden verklaard.

323    In punt 3 van het dispositief van de bestreden beslissing heeft de kamer van beroep „beslist” dat de verklaring inzake bioaccumulatie in de motivering van het besluit van ECHA uit dat besluit moest worden geschrapt.

324    In het kader van het derde onderdeel van het zesde middel voert de Bondsrepubliek Duitsland aan dat de kamer van beroep in punt 3 van het dispositief van de bestreden beslissing niet had mogen beslissen dat de vaststelling inzake bioaccumulatie in de motivering van het besluit van ECHA moest worden geschrapt. Die kamer had daarentegen het derde middel van het bij haar ingestelde beroep moeten afwijzen. In de eerste plaats dient een onderscheid te worden gemaakt tussen de motivering van dat besluit, waarin het standpunt van de instanties van de lidstaten wordt weergegeven, en het dispositief van dat besluit. Op zich doet die motivering geen afbreuk aan een procedure op grond van artikel 59 van verordening nr. 1907/2006, waarin de persistente, bioaccumulerende en toxische eigenschappen van de stof worden beoordeeld en de registranten opnieuw worden gehoord en betrokken. De verklaring van ECHA inzake bioaccumulatie was niet bindend. Een juridisch bindende vaststelling met betrekking tot de bioaccumulerende eigenschappen van benpat is slechts mogelijk in het kader van een andere procedure, zoals een procedure op grond van artikel 59 van die verordening. Die verklaring kon door de adressaten van het besluit van ECHA niet verkeerd zijn begrepen. Overigens is ECHA juridisch helemaal niet verplicht om de motivering van zijn besluiten tot het strikt noodzakelijke te beperken. In de tweede plaats blijft de bestreden beslissing onduidelijk. In het betrokken dispositief wordt niet voorzien in de nietigverklaring van het besluit van ECHA maar wordt ervoor gepleit een deel van de motivering ervan te schrappen, zonder dat daarin duidelijk wordt aangegeven hoe of door wie dat dient te gebeuren. In de derde plaats is de overweging van de kamer van beroep ongegrond dat de opheffing van de vaststelling van ECHA inzake de bioaccumulerende eigenschappen van benpat werd gerechtvaardigd doordat de interveniërende ondernemingen op dat punt niet waren gehoord. In het kader van de procedure voor ECHA hebben die ondernemingen aangevoerd dat de verzoeken om aanvullende informatie betreffende het persistentiecriterium onevenredig waren omdat het bioaccumulatiecriterium nog niet met zekerheid was vastgesteld. Met de betrokken vaststelling is op dat argument geantwoord.

325    ECHA, daarin ondersteund door de Commissie, betwist die argumenten. Het voert aan dat de verklaring dat benpat bioaccumulerend is, niet thuishoort in het besluit van ECHA en dat het risico bestaat dat in een andere context, zoals in nationale procedures of in latere procedures tot vaststelling van zeer zorgwekkende stoffen in de zin van titel VII van verordening nr. 1907/2006, naar die verklaring zou worden verwezen. De interveniërende ondernemingen hadden dan ook de mogelijkheid moeten hebben om die verklaring te betwisten. Indien de betrokken verklaring geen enkel gevolg zou hebben voor de rest van het besluit van ECHA, zoals de Bondsrepubliek Duitsland stelt, zou de nietigverklaring van de bestreden beslissing op dat punt door het Gerecht trouwens evenmin gevolgen hebben voor de rest van dat besluit.

326    De interveniërende ondernemingen betogen in de eerste plaats dat de verklaring van ECHA dat benpat bioaccumulerend is, op beoordelingsfouten berust. In de tweede plaats stellen zij dat het gerechtvaardigd was om de betrokken verklaring te schrappen. Zij stellen dat zij het recht hadden om nietigverklaring van dat gedeelte van het besluit van ECHA te vorderen. Zij wijzen erop dat zij zonder die schrapping niet in de gelegenheid zouden zijn geweest om naar behoren hun standpunt kenbaar te maken ten aanzien van het bioaccumulatiecriterium, dat in dat besluit niet thuishoort. In de derde plaats stellen zij dat in de veronderstelling dat de verklaring inzake bioaccumulatie in het oorspronkelijke besluit niet definitief was, de nietigverklaring ervan geen enkel gevolg teweegbrengt. De Bondsrepubliek Duitsland heeft dus geen enkel belang bij de nietigverklaring van dat gedeelte van de bestreden beslissing.

327    In de eerste plaats dient te worden opgemerkt dat de Bondsrepubliek Duitsland geen enkel argument aanvoert waarmee kan worden aangetoond dat de kamer van beroep in punt 169 van de bestreden beslissing ten onrechte heeft vastgesteld dat de verklaring dat benpat bioaccumulerend is, niet had mogen worden vermeld op bladzijde 7 van het besluit van ECHA.

328    De argumenten van de Bondsrepubliek Duitsland kunnen immers niet afdoen aan de in punt 166 van de bestreden beslissing opgenomen overweging van de kamer van beroep dat de verklaring inzake de bioaccumulerende eigenschappen van benpat niet thuishoorde in het gedeelte van de motivering van het besluit van ECHA waarin dat agentschap de redenen had uiteengezet waarom een verzoek om aanvullende informatie met betrekking tot de persistentie van benpat gerechtvaardigd was.

329    Evenmin kunnen de argumenten van de Bondsrepubliek Duitsland afdoen aan de overweging van de kamer van beroep in punt 168 van de bestreden beslissing dat voor de vaststelling van een stoffenbeoordelingsbesluit geen definitieve conclusie hoeft te worden getrokken met betrekking tot de bioaccumulerende eigenschappen van die stof. Hoewel ter identificatie van een stof als een stof die krachtens de artikelen 57 en 59 van verordening nr. 1907/2006 moet worden opgenomen in bijlage XIV een definitieve conclusie dient te worden getrokken met betrekking tot het criterium voor de opname in die bijlage, zoals de persistente, bioaccumulerende, toxische, zeer bioaccumulerende of zeer toxische eigenschappen van die stof, is dat in het kader van de beoordeling van een stof immers niet nodig ter rechtvaardiging van een verzoek om aanvullende informatie met betrekking tot die stof. In die context volstaat de vaststelling dat sprake is van een mogelijk risico.

330    In de tweede plaats dient te worden opgemerkt dat de kamer van beroep zich er in de bestreden beslissing niet toe heeft beperkt in het kader van de motivering uiteen te zetten dat ECHA in zijn besluit niet had mogen verklaren dat benpat bioaccumulerend was. Zoals blijkt uit de bewoordingen van punt 3 van het dispositief van die beslissing, heeft de kamer van beroep immers „beslist” dat de verklaring inzake bioaccumulatie moest worden geschrapt uit het besluit van ECHA. In die context moet tevens worden opgemerkt dat de kamer van beroep in de andere punten van het dispositief het besluit van ECHA gedeeltelijk nietig heeft verklaard, het beroep heeft verworpen voor het overige, de datum vastgesteld waarop de gevraagde informatie moest zijn verstrekt en heeft beslist over de kosten.

331    Ten eerste kan punt 3 van de bestreden beslissing, gelet op de bewoordingen en de context ervan, niet worden beschouwd als een onderdeel van de motivering van die beslissing, maar moet het worden beschouwd als een onderdeel van het dispositief van die beslissing.

332    Ten tweede kan niet worden geoordeeld dat de eventuele aanvaarding van de argumenten waarmee de Bondsrepubliek Duitsland aanvoert dat de kamer van beroep in punt 3 van het dispositief van de bestreden beslissing niet had mogen beslissen dat de in de motivering van het besluit van ECHA opgenomen vaststelling inzake bioaccumulatie moest worden geschrapt, geen gevolgen teweegbrengt. Aangezien dat punt deel uitmaakt van het dispositief van de bestreden beslissing, dient de bestreden beslissing, indien die argumenten worden aanvaard, immers gedeeltelijk nietig te worden verklaard.

333    Ten derde dient het argument van de interveniërende ondernemingen te worden afgewezen dat de Bondsrepubliek Duitsland geen procesbelang heeft bij de gedeeltelijke nietigverklaring van de bestreden beslissing.

334    Dienaangaande kan worden volstaan met eraan te herinneren dat artikel 263 VWEU een onderscheid maakt tussen enerzijds het recht van beroep tot nietigverklaring waarover de instellingen van de Unie en de lidstaten beschikken en anderzijds dat waarover natuurlijke en rechtspersonen beschikken, waarbij op grond van de tweede alinea van dat artikel aan de lidstaten met name het recht wordt verleend met een beroep tot nietigverklaring de wettigheid van een besluit van een agentschap van de Unie te bestrijden, zonder dat voor de uitoefening van dat recht een procesbelang behoeft te worden aangetoond. Een lidstaat hoeft dus voor de ontvankelijkheid van zijn beroep niet aan te tonen dat de handeling van een agentschap waartegen hij opkomt, rechtsgevolgen voor hem heeft (zie in die zin arrest van 10 april 2008, Nederland/Commissie, T‑233/04, EU:T:2008:102, punt 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

335    Ten vierde dienen de argumenten te worden aanvaard waarmee de Bondsrepubliek Duitsland aanvoert dat de kamer van beroep in punt 3 van het dispositief van de bestreden beslissing niet had mogen beslissen dat de vaststelling inzake bioaccumulatie in de motivering van het besluit van ECHA moest worden geschrapt. Zoals die kamer in punt 170 van de bestreden beslissing heeft uiteengezet, konden de fouten die zij in de punten 166 tot en met 169 van het besluit van ECHA had vastgesteld, immers geen afbreuk doen aan het dispositief van dat besluit en is het derde middel van het bij haar ingestelde beroep dan ook niet ter zake dienend. In die omstandigheden had die kamer zich in het dispositief van de bestreden beslissing moeten beperken tot de afwijzing van dat middel.

336    Aan deze conclusie wordt niet afgedaan door het argument van ECHA dat de interveniërende ondernemingen de mogelijkheid hadden moeten hebben de verklaring van dat agentschap inzake bioaccumulatie te betwisten, gelet op het risico dat in andere procedures ernaar zou worden verwezen.

337    Om te beginnen had het besluit van ECHA immers uitsluitend betrekking op de verzoeken om aanvullende informatie die volgens dat agentschap noodzakelijk waren om de beoordeling van benpat met betrekking tot het eventuele persistentierisico van die stof af te ronden, zodat de verklaring inzake de bioaccumulerende eigenschappen van benpat geen grond vormde waarop het dispositief van dat besluit was gebaseerd. In die omstandigheden stond niets eraan in de weg dat die grond in het kader van een latere procedure ter discussie zou worden gesteld. In de veronderstelling dat ECHA of de Commissie zich in een dergelijke procedure op de litigieuze verklaring zou baseren, zoals in een procedure ter identificatie van benpat als bioaccumulerende stof overeenkomstig de artikelen 57 en 59 van verordening nr. 1907/2006, zou aldus niets eraan in de weg staan dat de interveniërende ondernemingen die verklaring zouden betwisten in het kader van die procedure of, in voorkomend geval, in het kader van een beroep voor de kamer van beroep of voor de Unierechter. Dat zou eveneens het geval zijn in procedures die voor de nationale instanties worden gevoerd.

338    Voorts dient te worden opgemerkt dat niets zich ertegen verzet dat de kamer van beroep bij de motivering van een beslissing uitspraak doet op de argumenten die voor haar worden aangevoerd. Wanneer die argumenten niet ter zake dienend zijn, kan dat evenwel geen gevolgen hebben voor het dispositief van haar beslissing.

339    Hieruit volgt dat het derde onderdeel van het zesde middel dient te worden aanvaard, zonder dat uitspraak hoeft te worden gedaan op de argumenten van de Bondsrepubliek Duitsland die ertoe strekken aan te tonen dat de kamer van beroep in punt 167 van de bestreden beslissing niet had mogen vaststellen dat de rechten van verdediging van de interveniërende ondernemingen waren geschonden.

340    Derhalve dient punt 3 van het dispositief van de bestreden beslissing nietig te worden verklaard en dient het beroep te worden verworpen voor het overige.

 Kosten

341    Volgens artikel 134, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dat is gevorderd.

342    In casu dient punt 3 van het dispositief van de bestreden beslissing nietig te worden verklaard om de hierboven in de punten 330 tot en met 340 uiteengezette redenen. Evenwel had de kamer van beroep het recht, zoals hierboven in de punten 327 tot en met 329 is uiteengezet, om in de motivering van die beslissing vast te stellen dat ECHA niet had mogen verklaren dat benpat bioaccumulerend was. In die omstandigheden kan de nietigverklaring van punt 3 van dat dispositief niet als wezenlijk worden beschouwd met het oog op de verdeling van de kosten. Aangezien de Bondsrepubliek Duitsland op de voornaamste punten in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig de vordering van ECHA en de interveniërende ondernemingen te worden verwezen in de kosten van ECHA en de interveniërende ondernemingen.

343    Volgens artikel 138, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering dragen de instellingen die in het geding hebben geïntervenieerd, hun eigen kosten. Derhalve draagt de Commissie haar eigen kosten.

HET GERECHT (Vijfde kamer),

rechtdoende, verklaart:

1)      Beslissing A-0262015 van de kamer van beroep van het Europees Agentschap voor chemische stoffen (ECHA) van 8 september 2017 wordt nietig verklaard voor zover de kamer van beroep in punt 3 van het dispositief van die beslissing heeft beslist dat de verklaring inzake bioaccumulatie in de motivering van het besluit van ECHA van 1 oktober 2015 waarbij met betrekking tot de stof benpat (CAS 68953844) aanvullende testen worden verlangd, dient te worden geschrapt.

2)      Het beroep wordt verworpen voor het overige.

3)      De Bondsrepubliek Duitsland zal haar eigen kosten dragen, alsook de kosten van ECHA en de kosten van Envigo Consulting Ltd en Djchem Chemicals Poland S.A.

4)      De Commissie zal haar eigen kosten dragen.

Gratsias

Labucka

Dittrich

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 20 september 2019.

ondertekeningen


Inhoud


I. Voorgeschiedenis van het geding en bestreden beslissing

II. Procedure voor het Gerecht en conclusies van partijen

III. In rechte

A. Eerste tot en met derde middel, alsmede eerste onderdeel van het vierde middel: de kamer van beroep was niet bevoegd om de voor haar opgeworpen middelen met betrekking tot inhoudelijke aspecten van de beoordeling van benpat te onderzoeken

1. Argumenten van de Bondsrepubliek Duitsland inzake de respectieve rol van het Comité lidstaten, ECHA en de kamer van beroep

2. Overige argumenten van de Bondsrepubliek Duitsland

B. Vijfde middel: schending van de motiveringsplicht

C. Tweede onderdeel van het vierde middel en zesde middel: de kamer van beroep heeft fouten gemaakt bij het onderzoek van de voor haar aangevoerde middelen

1. Argumenten betreffende het onderzoek van het eerste middel van het beroep voor de kamer van beroep

a) Argumenten betreffende het onderzoek van het eerste onderdeel van het eerste middel van het beroep voor de kamer van beroep

b) Argumenten betreffende het onderzoek van het tweede en het derde onderdeel van het eerste middel van het beroep voor de kamer van beroep

1) Argumenten betreffende het onderzoek van het tweede onderdeel van het eerste middel van het beroep voor de kamer van beroep

i) Argumenten waarmee wordt beoogd aan te tonen dat de kamer van beroep niet had mogen vaststellen dat er sprake was van een autonoom en onafhankelijk besluit met betrekking tot de identificatie van de metabolieten

ii) Argumenten inzake de bevoegdheid van de kamer van beroep

iii) Argumenten waarmee wordt beoogd aan te tonen dat de kamer van beroep de grenzen van haar toetsingsbevoegdheid heeft overschreden

iv) Argumenten waarmee wordt aangevoerd dat, anders dan de kamer van beroep heeft vastgesteld, het niet onmogelijk was om de metabolieten van benpat te identificeren

v) Argumenten waarmee wordt aangevoerd dat de identificatie van de metabolieten een van de onderdelen van methode nr. 309 vormt

vi) Argumenten waarmee wordt aangevoerd dat methode nr. 309 nader kan worden gepreciseerd

vii) Argument dat de bestreden beslissing tegenstrijdig is

viii) Argument inzake de niet-nakoming van de motiveringsplicht

ix) Argument waarmee wordt aangevoerd dat de kamer van beroep een feitelijk onnauwkeurig en niet-gekwantificeerd waarschijnlijkheidsniveau heeft ingevoerd

2) Argumenten inzake het onderzoek van het derde onderdeel van het eerste middel voor de kamer van beroep

i) Argumenten die ertoe strekken aan te tonen dat de kamer van beroep de grenzen van haar toetsingsbevoegdheid heeft overschreden

ii) Argumenten waarmee wordt beoogd de gegrondheid van de overwegingen van de kamer van beroep ter discussie te stellen

2. Argumenten gericht op het onderzoek van het tweede middel van het beroep voor de kamer van beroep

3. Argumenten gericht op het derde middel van het bij de kamer van beroep ingestelde beroep en punt 3 van het dispositief van de bestreden beslissing

Kosten



*      Procestaal: Duits.