ARREST VAN HET HOF

17 september 2002 (1)

„Executieverdrag - Artikel 5, sub 1 en 3 - Bijzondere bevoegdheden - Precontractuele aansprakelijkheid”

In zaak C-334/00,

betreffende een verzoek aan het Hof krachtens het Protocol van 3 juni 1971 betreffende de uitlegging door het Hof van Justitie van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, van de Corte suprema di cassazione (Italië), in het aldaar aanhangige geding tussen

Fonderie Officine Meccaniche Tacconi SpA

en

Heinrich Wagner Sinto Maschinenfabrik GmbH (HWS),

om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 5, sub 1 en 3, van voormeld Verdrag van 27 september 1968 (PB 1972, L 299, blz. 32), zoals gewijzigd bij het Verdrag van 9 oktober 1978 inzake de toetreding van het Koninkrijk Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland (PB L 304, blz. 1, en - gewijzigde tekst - blz. 77), bij het Verdrag van 25 oktober 1982 betreffende de toetreding van de Helleense Republiek (PB L 388, blz. 1) en bij het Verdrag van 26 mei 1989 betreffende de toetreding van het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek (PB L 285, blz. 1),

wijst

HET HOF VAN JUSTITIE,

samengesteld als volgt : G. C. Rodríguez Iglesias, president, N. Colneric en S. von Bahr, kamerpresidenten, C. Gulmann, D. A. O. Edward, A. La Pergola, J.-P. Puissochet, M. Wathelet, R. Schintgen, J. N. Cunha Rodrigues (rapporteur) en C. W. A. Timmermans, rechters,

advocaat-generaal: L. A. Geelhoed,


griffier: R. Grass,

gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:

-    Fonderie Officine Meccaniche Tacconi SpA, vertegenwoordigd door F. Franchi, avvocato,

-    Heinrich Wagner Sinto Maschinenfabrik GmbH (HWS), vertegenwoordigd door M. P. Ginelli, avvocato, en R. Rudek, Rechtsanwalt,

-    de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door A.-M. Rouchaud en G. Bisogni als gemachtigden,

gezien het rapport van de rechter-rapporteur,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 31 januari 2002,

het navolgende

Arrest

1.
    Bij arrest van 9 juni 2000, ingekomen bij het Hof op 11 september daaraanvolgend, heeft de Corte suprema di cassazione krachtens het Protocol van 3 juni 1971 betreffende de uitlegging door het Hof van Justitie van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, drie prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van artikel 5, sub 1 en 3, van voormeld Verdrag (PB 1972, L 299, blz. 32), zoals gewijzigd bij het Verdrag van 9 oktober 1978 inzake de toetreding van het Koninkrijk Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland (PB L 304, blz. 1, en - gewijzigde tekst - blz. 77), bij het Verdrag van 25 oktober 1982 inzake de toetreding van de Helleense Republiek (PB L 388, blz. 1) en bij het Verdrag van 26 mei 1989 inzake de toetreding van het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek (PB L 285, blz. 1; hierna: „Executieverdrag”).

2.
    Deze vragen zijn gerezen in een geding tussen de vennootschap naar Italiaans recht Fonderie Officine Meccaniche Tacconi SpA (hierna: „Tacconi”), gevestigd te Perugia (Italië), en de vennootschap naar Duits recht Heinrich Wagner Sinto Maschinenfabrik GmbH (hierna: „HWS”), gevestigd in de Bondsrepubliek Duitsland, ter zake van een door Tacconi tegen HWS ingediende vordering tot vergoeding van de schade die eerstgenoemde verklaart te hebben geleden doordat laatstgenoemde niet heeft voldaan aan de verplichting, zich bij de onderhandelingen met het oog op de sluiting van een overeenkomst loyaal en te goeder trouw te gedragen.

Toepasselijke bepalingen

Het Executieverdrag

3.
    Artikel 2, eerste alinea, van het Executieverdrag bepaalt:

„Onverminderd de bepalingen van dit Verdrag worden zij die woonplaats hebben op het grondgebied van een verdragsluitende Staat, ongeacht hun nationaliteit, opgeroepen voor de gerechten van die Staat.”

4.
    Artikel 5, sub 1 en 3, van het Executieverdrag bepaalt:

„De verweerder die woonplaats heeft op het grondgebied van een verdragsluitende Staat, kan in een andere verdragsluitende Staat voor de navolgende gerechten worden opgeroepen:

1)    ten aanzien van verbintenissen uit overeenkomst: voor het gerecht van de plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd; [...]

[...]

3)    ten aanzien van verbintenissen uit onrechtmatige daad: voor het gerecht van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan.”

Het nationale recht

5.
    Artikel 1337 Codice civile (hierna: „Italiaans burgerlijk wetboek”) bepaalt dat partijen zich tijdens de onderhandelingen over een overeenkomst en bij de sluiting daarvan te goeder trouw moeten gedragen.

Het hoofdgeding en de prejudiciële vragen

6.
    Op 23 januari 1996 daagde Tacconi HWS voor het Tribunale di Perugia om te doen vaststellen dat tussen HWS en de leaseonderneming B. N. Commercio e Finanza SpA (hierna: „BN”) geen overeenkomst inzake de verkoop van een gietinstallatie was gesloten, ofschoon BN en Tacconi met instemming van HWS reeds een leaseovereenkomst betreffende deze installatie hadden gesloten. Volgens Tacconi was de overeenkomst tussen HWS en BN niet tot stand gekomen wegens de ongegronde weigering van HWS om te verkopen, waardoor laatstgenoemde onderneming niet had voldaan aan de op haar rustende verplichting zich loyaal en te goeder trouw te gedragen. HWS had aldus het gewettigd vertrouwen van Tacconi geschonden, die op de sluiting van de verkoopovereenkomst had gerekend. Tacconi vorderde dan ook veroordeling van HWS tot vergoeding van alle aan haar berokkende schade, waarvan het bedrag op 3 000 000 000 ITL werd geraamd.

7.
    In haar verweer voerde HWS aan dat de Italiaanse rechter wegens het bestaan van een arbitragebeding en, subsidiair, op grond van artikel 5, sub 1, van het Executieverdrag onbevoegd was. Ten gronde vorderde zij afwijzing van de vordering van Tacconi en „strikt subsidiair, in reconventie” veroordeling van Tacconi tot betaling van 450 248,36 DEM.

8.
    Bij op 16 maart 1999 betekend verzoekschrift verzocht Tacconi de Corte suprema di cassazione op basis van artikel 41 van het Italiaanse wetboek van burgerlijk procesrecht, betreffende prejudiciële beslissingen inzake bevoegdheid, om een verklaring dat de Italiaanse rechter bevoegd was om het hoofdgeding te beslechten. Volgens Tacconi is tussen HWS en haarzelf geen overeenkomst gesloten omdat op geen voorstel een passend antwoord volgde. Tacconi beriep zich op de precontractuele aansprakelijkheid van HWS uit hoofde van artikel 1337 van het Italiaanse burgerlijk wetboek en stelde dat overeenkomstig artikel 5, sub 3, van het Executieverdrag onder „de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan” mede dient te worden verstaan de plaats waar zich de vermogensschade heeft voorgedaan van de persoon die stelt gelaedeerd te zijn. Bijgevolg heeft de in geding zijnde schade zich voorgedaan in Perugia, de plaats waar Tacconi is gevestigd.

9.
    In zijn verwijzingsarrest oordeelt de nationale rechter dat de bijzondere bevoegdheid uit hoofde van artikel 5, sub 1, van het Executieverdrag niet geldt voor vorderingen uit precontractuele aansprakelijkheid, aangezien deze laatste niet voortvloeit uit de niet-uitvoering van een contractuele verplichting. Nu in casu geen overeenkomst is gesloten, ontbreekt een contractuele verplichting.

10.
    Van oordeel dat voor de beslechting van dit bevoegdheidsvraagstuk uitlegging van het Executieverdrag nodig is, heeft de Corte suprema di cassazione besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof te verzoeken om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

„1)    Is de vordering ter zake van de precontractuele aansprakelijkheid van een verweerder een vordering uit onrechtmatige daad (artikel 5, sub 3, van het Executieverdrag)?

2)    Zo nee, is deze vordering dan een vordering uit overeenkomst (artikel 5, sub 1, van het Executieverdrag), en zo ja, wat is dan .de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt’?

3)    Zo nee, geldt voor deze vordering dan enkel de algemene regel van de woonplaats van de verweerder?”

De eerste vraag

11.
    Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of de vordering waarmee de precontractuele aansprakelijkheid van de verweerder wordt ingeroepen, een vordering uit onrechtmatige daad is in de zin van artikel 5, sub 3, van het Executieverdrag.

Bij het Hof ingediende opmerkingen

12.
    Met een beroep op de rechtspraak van het Hof (arresten van 27 september 1988, Kalfelis, 189/87, Jurispr. blz. 5565; 26 maart 1992, Reichert en Kockler, C-261/90, Jurispr. blz. I-2149, en 17 juni 1992, Handte, C-26/91, Jurispr. blz. I-3967) betogen Tacconi en de Commissie dat de precontractuele aansprakelijkheid tot de verbintenissen uit onrechtmatige daad behoort, aangezien zij niet voortvloeit uit door partijen vrijwillig jegens elkaar aangegane verbintenissen.

13.
    Volgens Tacconi ligt het voor de hand dat er in de precontractuele fase geen contractuele band bestaat die partijen wederzijds bindt, aangezien een dergelijke band niet kan ontstaan zolang de overeenkomst niet is gesloten.

14.
    De Commissie stelt dat op basis van de rechtspraak van het Hof een algemeen beginsel kan worden geformuleerd volgens hetwelk op alle onder het Executieverdrag vallende vorderingen die ertoe strekken de aansprakelijkheid van een verweerder te doen vaststellen, in elk geval een van de twee regels van bijzondere bevoegdheid van artikel 5, sub 1 en 3, van dit Verdrag moet worden toegepast.

15.
    De Commissie concludeert dat geschillen inzake precontractuele aansprakelijkheid binnen de werkingssfeer van artikel 5, sub 3, van het Executieverdrag vallen. In de eerste plaats immers is de vordering waarbij de precontractuele aansprakelijkheid van de verweerder wordt ingeroepen, per definitie een vordering die ertoe strekt de aansprakelijkheid van de verweerder te doen vaststellen, en in de tweede plaats is deze aansprakelijkheid niet gebaseerd op door de verweerder jegens de verzoeker vrijwillig aangegane verbintenissen, maar op gedragsverplichtingen die in min of meer specifieke bewoordingen voortvloeien uit een bron buiten de partijen bij de precontractuele betrekking.

    

16.
    HWS betoogt daarentegen dat de precontractuele aansprakelijkheid verschilt van de aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad. Laatstgenoemde vorm van aansprakelijkheid geldt voor elke persoon die inbreuk maakt op het algemene verbod om een ander schade toe te brengen en zogenoemde „absolute” rechten schendt.

17.
    De precontractuele aansprakelijkheid kan echter enkel rusten op een persoon die met de benadeelde persoon een bijzondere band heeft, welke voortkomt uit de onderhandelingen over een overeenkomst. Anders dan het geval is met de beginselen die voor verbintenissen uit onrechtmatige daad gelden, kan de precontractuele aansprakelijkheid dan ook niet worden beoordeeld zonder rekening te houden met de inhoud van de onderhandelingen.

18.
    Met haar betoog dat in het hoofdgeding evenmin artikel 5, sub 1, van het Executieverdrag kan worden toegepast omdat het verzoek van Tacconi uitgaat van de hypothese dat er geen overeenkomst is gesloten, verklaart HWS bovendien dat de precontractuele aansprakelijkheid noch een aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad noch een aansprakelijkheid uit overeenkomst is en dat bijgevolg de Duitse rechterlijke instanties bevoegd zijn om overeenkomstig de algemene regel van artikel 2 van dit Verdrag kennis te nemen van de zaak.

Beoordeling door het Hof

19.
    Vooraf zij eraan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak (zie arrest van 22 maart 1983, Peters, 34/82, Jurispr. blz. 987, punten 9 en 10, en reeds aangehaalde arresten Reichert en Kockler, punt 15, en Handte, punt 10) aan de begrippen „verbintenissen uit overeenkomst” en „verbintenissen uit onrechtmatige daad” in de zin van artikel 5, sub 1 en 3, van het Executieverdrag een autonome uitlegging moet worden gegeven, waarbij hoofdzakelijk aansluiting moet worden gezocht bij het stelsel en de doelstellingen van dit Verdrag. Deze begrippen mogen derhalve niet worden geacht louter te verwijzen naar het nationale recht van een van de betrokken verdragsluitende staten.

20.
    Enkel een dergelijke uitlegging waarborgt immers de uniforme toepassing van het Executieverdrag, dat met name tot doel heeft de regels inzake de bevoegdheid van de gerechten van de verdragsluitende staten een te maken en de rechtsbescherming van de in de Gemeenschap gevestigde personen te versterken door de eiser in staat te stellen om gemakkelijk te bepalen, welk gerecht hij kan aanzoeken, alsmede de verweerder om redelijkerwijs te voorzien, voor welk gerecht hij kan worden opgeroepen (zie arresten van 20 maart 1997, Farrell, C-295/95, Jurispr. blz. I-1683, punt 13, en 19 februari 2002, Besix, C-256/00, Jurispr. blz. I-1737, punten 25 en 26).

21.
    Zoals het Hof heeft geoordeeld, omvat het begrip „verbintenissen uit onrechtmatige daad” in de zin van artikel 5, sub 3, van het Executieverdrag elke vordering die ertoe strekt een verweerder aansprakelijk te stellen en die geen verband houdt met een „verbintenis uit overeenkomst” in de zin van artikel 5, sub 1 (reeds aangehaalde arresten Kalfelis, punt 18, en Reichert en Kockler, punt 16, en arrest van 27 oktober 1998, Réunion européenne e.a., C-51/97, Jurispr. blz. I-6511, punt 22).

22.
    Bovendien zij opgemerkt dat, hoewel artikel 5, sub 1, van het Executieverdrag niet vereist dat een overeenkomst is gesloten, er wel een verbintenis moet zijn, aangezien de bevoegdheid van het nationale gerecht ten aanzien van verbintenissen uit overeenkomst wordt bepaald door de plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd.

23.
    Voorts zij eraan herinnerd, dat volgens de rechtspraak van het Hof het begrip „verbintenissen uit overeenkomst” in de zin van artikel 5, sub 1, van het Executieverdrag niet aldus mag worden uitgelegd, dat het ziet op een situatie waarin geen sprake is van een door een partij jegens een andere vrijwillig aangegane verbintenis (reeds aangehaalde arresten Handte, punt 15, en Réunion européenne e.a., punt 17).

24.
    Uit het dossier blijkt evenwel niet, dat HWS vrijwillig enigerlei verbintenis jegens Tacconi is aangegaan.

25.
    Rekening houdend met de omstandigheden van de onderhavige zaak kan de aansprakelijkheid voor de schade die beweerdelijk het gevolg is van de ongerechtvaardigde verbreking van de onderhandelingen, slechts voortvloeien uit de schending van rechtsregels, met name de regel op grond waarvan partijen bij de onderhandelingen met het oog op het sluiten van een overeenkomst te goeder trouw dienen te handelen.

26.
    In deze omstandigheden dient te worden vastgesteld, dat de aansprakelijkheid die in voorkomend geval voortvloeit uit het niet sluiten van de litigieuze overeenkomst, niet van contractuele aard kan zijn.

27.
    Gelet op een en ander moet op de eerste prejudiciële vraag worden geantwoord dat in omstandigheden als die van het hoofdgeding, waarin geen sprake is van bij onderhandelingen met het oog op het sluiten van een overeenkomst door een partij jegens een andere vrijwillig aangegane verbintenissen en waarin eventueel rechtsregels zijn geschonden, met name de regel op grond waarvan partijen in het kader van deze onderhandelingen te goeder trouw dienen te handelen, de vordering waarmee de precontractuele aansprakelijkheid van de verweerder wordt ingeroepen, een vordering uit onrechtmatige daad is in de zin van artikel 5, sub 3, van het Executieverdrag.

De tweede en derde vraag

28.
    Aangezien de eerste vraag bevestigend is beantwoord, hoeven de andere vragen van de verwijzende rechter niet meer te worden beantwoord.

Kosten

29.
    De kosten door de Commissie wegens indiening van haar opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.

HET HOF VAN JUSTITIE,

uitspraak doende op de door de Corte suprema di cassazione bij arrest van 9 juni 2000 gestelde vragen, verklaart voor recht:

In omstandigheden als die van het hoofdgeding, waarin geen sprake is van bij onderhandelingen met het oog op het sluiten van een overeenkomst door een partij jegens een andere vrijwillig aangegane verbintenissen en waarin eventueel rechtsregels zijn geschonden, met name de regel op grond waarvan partijen in het kader van deze onderhandelingen te goeder trouw dienen te handelen, is de vordering waarmee de precontractuele aansprakelijkheid van de verweerder wordt ingeroepen, een vordering uit onrechtmatige daad in de zin van artikel 5, sub 3, van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, zoals gewijzigd bij het Verdrag van 9 oktober 1978 inzake de toetreding van het Koninkrijk Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, bij het Verdrag van 25 oktober 1982 betreffende de toetreding van de Helleense Republiek en bij het Verdrag van 26 mei 1989 betreffende de toetreding van het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek.

Rodríguez Iglesias

Colneric
von Bahr

Gulmann         Edward             La Pergola

Puissochet

Wathelet        Schintgen            Cunha Rodrigues

Timmermans

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 17 september 2002.

De griffier

De president

R. Grass

G. C. Rodríguez Iglesias


1: Procestaal: Italiaans.