ARREST VAN HET HOF (Vierde kamer)

19 september 2019 (*)

„Prejudiciële verwijzing – Sociale zekerheid van migrerende werknemers – Verordening (EEG) nr. 1408/71 – Artikel 13 – Toepasselijke wetgeving – Ingezetene van een lidstaat die binnen de werkingssfeer van verordening (EEG) nr. 1408/71 valt – Uitkeringen van het ouderdomspensioenstelsel of kinderbijslag – Woonlidstaat en werklidstaat – Weigering van toekenning”

In de gevoegde zaken C‑95/18 en C‑96/18,

betreffende twee verzoeken om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Hoge Raad der Nederlanden bij arresten van 2 februari 2018, ingekomen bij het Hof op 9 februari 2018, in de procedures

Sociale Verzekeringsbank

tegen

F. van den Berg (C‑95/18),

H. D. Giesen (C‑95/18),

C. E. Franzen (C‑96/18),

wijst

HET HOF (Vierde kamer),

samengesteld als volgt: M. Vilaras, kamerpresident, K. Jürimäe (rapporteur), D. Šváby, S. Rodin en N. Piçarra, rechters,

advocaat-generaal: E. Sharpston,

griffier: M. Ferreira, hoofdadministrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 23 januari 2019,

gelet op de opmerkingen van:

–        de Sociale Verzekeringsbank, vertegenwoordigd door H. van der Most en N. Abdoelbasier,

–        F. van den Berg, vertegenwoordigd door E. C. Spiering,

–        de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door M. K. Bulterman, M. H. S. Gijzen en M. L. Noort als gemachtigden,

–        de Tsjechische regering, vertegenwoordigd door M. Smolek, J. Pavliš en J. Vláčil als gemachtigden,

–        de Zweedse regering, vertegenwoordigd door A. Falk, C. Meyer-Seitz, H. Shev, L. Zettergren en A. Alriksson als gemachtigden,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door M. van Beek en D. Martin als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 26 maart 2019,

het navolgende

Arrest

1        De verzoeken om een prejudiciële beslissing betreffen de uitlegging van de artikelen 45 en 48 VWEU en van de artikelen 13 en 17 van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, in de versie zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EG) nr. 118/97 van de Raad van 2 december 1996 (PB 1997, L 28, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1992/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 (PB 2006, L 392, blz. 1) (hierna: „verordening nr. 1408/71”).

2        Deze verzoeken zijn ingediend in het kader van gedingen tussen de Sociale Verzekeringsbank (Nederland; hierna: „SVB”) enerzijds en F. van den Berg, H. D. Giesen en C. E. Franzen anderzijds over de besluiten van de SVB tot het toepassen van een korting op het aan Van den Berg toegekende ouderdomspensioen en op de aan Giesen toegekende partnertoeslag, en tot het weigeren van kinderbijslag aan Franzen.

 Toepasselijke bepalingen

 Unierecht

3        De eerste, de vierde tot en met de zesde en de achtste tot en met de elfde overweging van verordening nr. 1408/71 luiden als volgt:

„Overwegende dat de voorschriften ter coördinatie van de nationale wetgevingen inzake sociale zekerheid behoren tot de regelingen inzake het vrije verkeer van personen, en dat deze voorschriften derhalve moeten bijdragen tot de verhoging van de levensstandaard en de verbetering van de arbeidsomstandigheden;

[...]

Overwegende dat de eigen kenmerken van de nationale wetgevingen inzake sociale zekerheid moeten worden gerespecteerd en dat er enkel een coördinatiemethode moet worden uitgewerkt;

Overwegende dat er in het kader van deze coördinatie moet worden gegarandeerd dat binnen de [Unie] alle werknemers die onderdaan zijn van de lidstaten, alsmede hun rechthebbenden en nabestaanden, gelijke behandeling genieten ten opzichte van de verschillende nationale wetgevingen;

Overwegende dat de coördinatievoorschriften aan de werknemers die zich binnen de [Unie] verplaatsen, alsmede aan hun rechthebbenden en nabestaanden, de handhaving van de verworven en in wording zijnde rechten en voordelen moeten waarborgen;

[...]

Overwegende dat de werknemers en zelfstandigen die zich binnen de [Unie] verplaatsen aan de wetgeving van één enkele lidstaat onderworpen moeten zijn, om de samenloop van toepasbare nationale wetgevingen en de verwikkelingen die daaruit ontstaan, te vermijden;

Overwegende dat het aantal en de draagwijdte van de gevallen waarin een persoon, als uitzondering op de algemene regel, tegelijkertijd onderworpen is aan de wetgeving van twee lidstaten, zoveel mogelijk moeten worden beperkt;

Overwegende dat de gelijke behandeling van alle werknemers die op het grondgebied van een lidstaat werken het best gegarandeerd wordt door, als algemene regel, de wetgeving van de lidstaat op het grondgebied waarvan de persoon zijn beroepswerkzaamheden als loontrekkende of zelfstandige uitoefent als toepasbare wetgeving aan te wijzen;

Overwegende dat er in specifieke situaties die een ander aanknopingscriterium rechtvaardigen, van deze algemene regel kan worden afgeweken”.

4        Artikel 1 van verordening nr. 1408/71 bepaalt:

„Voor de toepassing van deze verordening:

a)      wordt onder ,werknemer’ en onder ,zelfstandige’ respectievelijk verstaan ieder:

i)      die verplicht of vrijwillig voortgezet verzekerd is tegen een of meer gebeurtenissen, behorende tot de takken van een stelsel van sociale zekerheid voor werknemers of zelfstandigen of tot een bijzonder stelsel voor ambtenaren;

ii)      die in het kader van een stelsel van sociale zekerheid dat voor alle ingezetenen of voor de gehele beroepsbevolking geldt, verplicht verzekerd is tegen één of meer gebeurtenissen behorende tot de takken van sociale zekerheid waarop deze verordening van toepassing is:

–        wanneer hij door de wijze van beheer of van financiering van dit stelsel als werknemer of zelfstandige kan worden onderkend, dan wel

–        indien dergelijke criteria niet aanwezig zijn, wanneer hij verplicht of vrijwillig voortgezet verzekerd is tegen een andere in bijlage I omschreven gebeurtenis, in het kader van een voor werknemers of zelfstandigen ingesteld stelsel of onder iii) bedoeld stelsel, dan wel, bij gebreke van zulk een stelsel in de betrokken lidstaat, wanneer hij beantwoordt aan de in bijlage I gegeven definitie;

[...]”

5        Artikel 2 van die verordening heeft als opschrift „Personele werkingssfeer” en bepaalt in lid 1:

„Deze verordening is van toepassing op werknemers of zelfstandigen en op studenten op wie de wetgeving van een of meer lidstaten van toepassing is of geweest is, en die onderdanen van een der lidstaten, dan wel op het grondgebied van een der lidstaten wonende staatlozen of vluchtelingen zijn, alsmede op hun gezinsleden en op hun nagelaten betrekkingen.”

6        Artikel 4, lid 1, van de verordening luidt:

„Deze verordening is van toepassing op alle wettelijke regelingen betreffende de volgende takken van sociale zekerheid:

a)      prestaties bij ziekte en moederschap;

b)      prestaties bij invaliditeit, met inbegrip van die tot instandhouding of verbetering van de verdiencapaciteit;

c)      uitkeringen bij ouderdom;

d)      uitkeringen aan nagelaten betrekkingen;

e)      prestaties bij arbeidsongevallen en beroepsziekten;

f)      uitkeringen bij overlijden;

g)      werkloosheidsuitkeringen;

h)      gezinsbijslagen.”

7        Titel II van verordening nr. 1408/71 draagt het opschrift „Vaststelling van de toe te passen wetgeving” en bevat artikel 13, waarin het volgende is bepaald:

„1.      Onder voorbehoud van de artikelen 14 quater en 14 septies zijn degenen op wie deze verordening van toepassing is, slechts aan de wetgeving van één enkele lidstaat onderworpen. De toe te passen wetgeving wordt overeenkomstig de bepalingen van deze titel vastgesteld.

2.      Onder voorbehoud van de artikelen 14 tot en met 17:

a)      is op degene die op het grondgebied van een lidstaat werkzaamheden in loondienst uitoefent, de wetgeving van die staat van toepassing zelfs indien hij op het grondgebied van een andere lidstaat woont of indien de zetel van de onderneming of het domicilie van de werkgever waarbij hij werkzaam is, zich bevindt op het grondgebied van een andere lidstaat;

[...]

f)      is op degene die ophoudt onderworpen te zijn aan de wettelijke regeling van een lidstaat zonder dat hij op grond van één van de in de voorgaande punten genoemde regels of van één van de in de artikelen 14 tot en met 17 bedoelde uitzonderingen of bijzondere regels aan de wettelijke regeling van een andere lidstaat wordt onderworpen, de wettelijke regeling van toepassing van de lidstaat op het grondgebied waarvan hij woont overeenkomstig de bepalingen van deze wettelijke regeling alleen.”

8        Artikel 17 van die verordening luidt:

„Twee of meer lidstaten, de bevoegde autoriteiten van deze staten of de door deze autoriteiten aangewezen instellingen kunnen in onderlinge overeenstemming, in het belang van bepaalde personen of groepen personen, uitzonderingen op de artikelen 13 tot en met 16 vaststellen.”

 Nederlands recht

 Algemene Ouderdomswet

9        Volgens artikel 2 van de Algemene Ouderdomswet van 31 mei 1956 (Stb. 1956, 281; hierna: „AOW”) is ingezetene in de zin van deze wet degene die in Nederland woont.

10      Artikel 3, lid 1, AOW bepaalt dat waar iemand woont, naar de omstandigheden wordt beoordeeld.

11      Krachtens artikel 6, lid 1, onder a), AOW is verzekerd overeenkomstig de bepalingen van deze wet degene die nog niet de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt en ingezetene is. Artikel 6, lid 3, bepaalt dat, in afwijking van de leden 1 en 2 van dat artikel, bij of krachtens algemene maatregel van bestuur uitbreiding dan wel beperking kan worden gegeven aan de kring der verzekerden.

12      Bij wet van 29 april 1998 (Stb. 1998, 267) is aan de AOW met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 1989 artikel 6a toegevoegd dat luidt:

„Zo nodig in afwijking van artikel 6 en de daarop berustende bepalingen:

a)      wordt als verzekerde aangemerkt de persoon van wie de verzekering op grond van deze wet voortvloeit uit de toepassing van bepalingen van een verdrag of van een besluit van een volkenrechtelijke organisatie;

b)      wordt niet als verzekerde aangemerkt de persoon op wie op grond van een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie de wetgeving van een andere mogendheid van toepassing is.”

13      Artikel 13, lid 1, onder a), AOW bepaalt dat op het ouderdomspensioen een korting van 2 % wordt toegepast voor elk kalenderjaar dat de pensioengerechtigde na het bereiken van de 15-jarige, doch vóór het bereiken van de 65-jarige leeftijd niet verzekerd is geweest.

14      Artikel 13, lid 2, onder a), van die wet bepaalt dat op de brutotoeslag een korting van 2 % wordt toegepast voor elk kalenderjaar dat de echtgenoot van de pensioengerechtigde na het bereiken van de 15‑jarige, doch vóór het bereiken van de 65-jarige leeftijd van de pensioengerechtigde niet verzekerd is geweest.

15      Ingevolge artikel 45, lid 1, eerste volzin, AOW, zoals deze bepaling luidde met ingang van 1 april 1985, waren de verzekerden en gewezen verzekerden, in de gevallen, onder de voorwaarden en overeenkomstig het tarief bij algemene maatregel van bestuur te bepalen, bevoegd tot premiebetaling over tijdvakken gelegen na het bereiken van de leeftijd van 15 jaar, maar vóór het bereiken van de leeftijd van 65 jaar, waarover zij niet verzekerd zijn of geweest zijn.

16      Ingevolge diezelfde bepaling, zoals die luidde met ingang van 1 januari 1990, konden de verzekerden en gewezen verzekerden, in de gevallen, onder de voorwaarden en overeenkomstig het tarief bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen, zich vrijwillig verzekeren over tijdvakken gelegen na het bereiken van de leeftijd van 15 jaar, maar vóór het bereiken van de leeftijd van 65 jaar, waarover zij niet verzekerd zijn of geweest zijn.

 Algemene Kinderbijslagwet

17      De inhoud van artikel 2 en artikel 3, lid 1, van de Algemene Kinderbijslagwet van 26 april 1962 (Stb. 1962, 160; hierna: „AKW”) is identiek aan die van artikel 2 en artikel 3, lid 1, AOW.

18      Krachtens artikel 6, lid 1, onder a), AKW is verzekerd overeenkomstig de bepalingen van deze wet degene die ingezetene is.

19      Artikel 6a, onder b), van de ten tijde van de feiten van de hoofdgedingen geldende versie van de AKW bepaalt dat zo nodig in afwijking van artikel 6 AKW en de daarop berustende bepalingen niet als verzekerde wordt aangemerkt de persoon op wie op grond van een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie de wetgeving van een andere mogendheid van toepassing is.

 Besluiten uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen

20      Tijdens de tijdvakken waarop de hoofdgedingen betrekking hebben, zijn krachtens artikel 6, lid 3, AOW en artikel 6, lid 3, AKW diverse opeenvolgende besluiten uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen vastgesteld. Aldus zijn op de omstandigheden die in de hoofdgedingen aan de orde zijn, achtereenvolgens het besluit van 19 oktober 1976 (Stb. 557; hierna: „BUB 1976”), het besluit van 3 mei 1989 (Stb. 164; hierna: „BUB 1989”) en het besluit van 24 december 1998 (Stb. 746; hierna: „BUB 1999”) van toepassing.

21      Volgens artikel 2, lid 1, onder a), BUB 1976 is niet verzekerd in de zin van, onder andere, de AOW, de ingezetene die buiten het Rijk in dienstbetrekking arbeid verricht en ter zake van die arbeid krachtens een in het land waar hij werkt geldende wettelijke regeling inzake uitkering wegens ouderdom en overlijden alsmede inzake kinderbijslag verzekerd is.

22      Het BUB 1976 is vervangen door het BUB 1989, waarvan artikel 10, lid 1, zoals dit gold van 1 juli 1989 tot 1 januari 1992, bepaalde dat „niet verzekerd is ingevolge de volksverzekeringen de ingezetene die uitsluitend buiten Nederland arbeid verricht”. Van 1 januari 1992 tot 1 januari 1997 was in datzelfde artikel van het BUB 1989 bepaald dat „niet verzekerd is ingevolge de volksverzekeringen de ingezetene die gedurende een aaneengesloten periode van ten minste drie maanden uitsluitend buiten Nederland arbeid verricht”. In de versie die gold van 1 januari 1997 tot 1 januari 1999 bepaalde artikel 10, lid 1, BUB 1989 dat „niet verzekerd is ingevolge de volksverzekeringen de ingezetene die gedurende een aaneengesloten periode van ten minste drie maanden uitsluitend buiten Nederland arbeid verricht, tenzij die arbeid wordt verricht uit hoofde van een dienstbetrekking met een in Nederland wonende of gevestigde werkgever”.

23      Op 1 januari 1999 is het BUB 1989 vervangen door het BUB 1999. Artikel 12 BUB 1999 bepaalt dat „niet verzekerd is op grond van de volksverzekeringen de persoon die in Nederland woont en die gedurende een aaneengesloten periode van ten minste drie maanden uitsluitend buiten Nederland arbeid verricht, tenzij die arbeid uitsluitend wordt verricht uit hoofde van een dienstbetrekking met een in Nederland wonende of gevestigde werkgever”.

24      Zowel in het BUB 1989 als in het BUB 1999 is sprake van een hardheidsclausule, respectievelijk in de artikelen 25 en 24, op grond waarvan de SVB in het kader van het BUB 1989 de bevoegdheid toekwam om in bepaalde gevallen af te wijken van de andere artikelen van het besluit, teneinde tegemoet te komen aan onbillijkheden van overwegende aard die uit de verzekeringsplicht of de uitsluiting daarvan krachtens het betrokken besluit konden voortvloeien, en in het kader van het BUB 1999 de bevoegdheid toekomt om artikelen van dit besluit buiten toepassing te laten of daarvan af te wijken voor zover toepassing gelet op het belang van de uitbreiding en beperking van de kring van verzekerden zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard die uitsluitend voortvloeit uit de verzekeringsplicht of de uitsluiting daarvan krachtens dit tweede besluit.

 Hoofdgedingen en prejudiciële vragen

25      Verweerders in de hoofdgedingen hebben allen de Nederlandse nationaliteit en wonen in Nederland.

 Zaak C95/18

26      De echtgenote van Giesen heeft in 1970 en opnieuw in het tijdvak van 19 mei 1988 tot en met 12 mei 1993 in Duitsland gewerkt als „geringfügig Beschäftigte”, dat wil zeggen als persoon met een beperkt dienstverband. Zij was onder meer verkoopster in een kledingwinkel op basis van een oproepcontract, gedurende een aantal uren per maand en niet meer dan twee of drie dagen per maand.

27      Op 22 september 2006 heeft Giesen een aanvraag ingediend voor een ouderdomspensioen en een partnertoeslag ingevolge de AOW. Deze aanvraag werd door de SVB bij besluit van 3 oktober 2007 ingewilligd. Op de partnertoeslag werd echter een korting van 16 % toegepast, omdat de echtgenote van Giesen gedurende de periode waarin zij in Duitsland werkte, niet verzekerd was geweest voor de volksverzekeringen in Nederland. Giesen heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit voor zover het de korting op die toeslag betreft. Bij besluit van 20 mei 2008 werd dit bezwaar ongegrond verklaard.

28      Bij uitspraak van 13 oktober 2008 heeft de Rechtbank Roermond (Nederland) het beroep van Giesen tegen het besluit van 20 mei 2008 ongegrond verklaard.

29      Van den Berg heeft gedurende korte perioden van 25 juni tot en met 24 juli 1972 en van 1 januari 1990 tot en met 31 december 1994 in Duitsland gewerkt. Daar zijn inkomsten te laag waren, kon hij in Duitsland niet als premieplichtig worden aangemerkt. Op 17 januari 2008 vroeg Van den Berg een ouderdomspensioen aan ingevolge de AOW. Bij besluit van 1 augustus 2008 heeft de SVB hem dat pensioen toegekend, echter met toepassing van een korting van 14 %, rekening gehouden met het feit dat Van den Berg in Nederland gedurende meer dan zeven jaar niet verzekerd was geweest. Bij besluit van 25 november 2008 is zijn bezwaar tegen genoemd besluit gedeeltelijk gegrond verklaard en is de korting vastgesteld op 10 %.

30      Bij uitspraak van 19 oktober 2009 heeft de Rechtbank Maastricht (Nederland) het beroep tegen het besluit van 25 november 2008 ongegrond verklaard.

 Zaak C96/18

31      Franzen ontving krachtens de AKW in Nederland kinderbijslag voor haar dochter, geboren in 1995, die zij alléén opvoedde. In november 2002 heeft zij de SVB meegedeeld dat zij sinds 1 januari 2001 in Duitsland als kapster werkzaam was voor 20 uur per week. Aangezien haar inkomsten uit deze arbeid gering waren, was zij slechts verplicht verzekerd ingevolge de Unfallversicherung (Duitse arbeidsongevallenverzekering), zonder enige toegang tot andere Duitse socialezekerheidsregelingen. Bij besluit van 25 februari 2003 heeft de SVB de kinderbijslag ingetrokken met ingang van 1 oktober 2002.

32      Bij brief van 21 september 2003 heeft Franzen verzocht om haar uitsluiting van de volksverzekeringen onder toepassing van artikel 24 BUB 1999 op te heffen. Bij besluit van 15 maart 2004 heeft de SVB dit verzoek afgewezen met als motivering dat Franzen noch krachtens het Unierecht, noch krachtens het Nederlandse recht was verzekerd. De SVB stelt evenwel bij de kennisgeving van dat besluit Franzen te hebben voorgesteld de Duitse bevoegde instantie te verzoeken haar onder toepassing van artikel 17 van verordening nr. 1408/71 uitsluitend aan de Nederlandse wettelijke regeling te onderwerpen. Franzen heeft daarop niet gereageerd.

33      Op 30 januari 2006 vroeg Franzen opnieuw kinderbijslag aan. Deze aanvraag werd bij besluit van 27 maart 2006 door de SVB ingewilligd met ingang van het eerste kwartaal van 2006.

34      Bij brief van 5 juni 2007 is namens Franzen verzocht haar de kinderbijslag toe te kennen vanaf het vierde kwartaal van 2002. De SVB stelde bij besluit van 5 juli 2007 vast dat Franzen met ingang van het eerste kwartaal van 2006 geen recht meer had op kinderbijslag, maar besloot het ten onrechte uitbetaalde bedrag niet terug te vorderen. Bij besluit van 16 november 2007 werd het bezwaar van Franzen tegen het besluit van 5 juli 2007 ongegrond verklaard en werd tevens haar verzoek om herziening van 5 juni 2007 afgewezen.

35      Hangende het beroep van Franzen tegen laatstgenoemd afwijzend besluit bij de Rechtbank Maastricht wijzigde de SVB bij besluit van 6 februari 2008 de motivering van het besluit van 16 november 2007 en vermeldde deze organisatie dat de aanvragen voor kinderbijslag waren afgewezen omdat krachtens artikel 13, lid 2, van verordening nr. 1408/71 op Franzen alleen de Duitse wetgeving van toepassing was en toepassing van de Nederlandse volksverzekeringen derhalve was uitgesloten.

36      Bij uitspraak van 5 augustus 2008 heeft de Rechtbank Maastricht het door Franzen ingestelde beroep tegen de besluiten van de SVB van 16 november 2007 en 6 februari 2008 ongegrond verklaard.

 Overwegingen betreffende de drie zaken tezamen

37      Van den Berg, Giesen en Franzen hebben tegen de hen betreffende uitspraak van respectievelijk de Rechtbank Maastricht en de Rechtbank Roermond hoger beroep ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep (Nederland). Deze rechterlijke instantie heeft de behandeling van de zaken geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 13 van verordening nr. 1408/71 en van de artikelen 45 en 48 VWEU, teneinde te vernemen of het Unierecht zich ertegen verzette dat Van den Berg, Giesen en Franzen waren uitgesloten van het Nederlandse stelsel van sociale verzekeringen in de in deze zaken aan de orde zijnde tijdvakken.

38      Bij arrest van 23 april 2015, Franzen e.a. (C‑382/13, EU:C:2015:261), heeft het Hof voor recht verklaard dat artikel 13, lid 2, onder a), van verordening nr. 1408/71 juncto lid 1 van dat artikel in die zin moest worden uitgelegd dat het zich er in omstandigheden als die van de hoofdgedingen niet tegen verzet dat een migrerende werknemer op wie de wetgeving van de werkstaat van toepassing is, krachtens een nationale wettelijke regeling van de woonstaat uitkeringen van het ouderdomspensioenstelsel en kinderbijslag van laatstbedoelde lidstaat ontvangt.

39      Op 6 juni 2016 heeft de Centrale Raad van Beroep twee uitspraken gewezen, de ene met betrekking tot Van den Berg en Giesen en de andere met betrekking tot Franzen, waarin deze rechterlijke instantie uit het arrest van 23 april 2015, Franzen e.a. (C‑382/13, EU:C:2015:261), heeft afgeleid dat in gevallen als die van Van den Berg, Giesen en Franzen kon worden afgeweken van het uit artikel 13 van verordening nr. 1408/71 voortvloeiende beginsel dat de socialezekerheidswetgeving van slechts één lidstaat van toepassing is. De Centrale Raad van Beroep heeft dan ook de in artikel 25 BUB 1989 en artikel 24 BUB 1999 vervatte hardheidsclausule toegepast en artikel 6a, onder b), AOW en artikel 6a, onder b), van de ten tijde van de feiten van de hoofdgedingen geldende versie van de AKW buiten toepassing gelaten. In beide uitspraken zijn de vorderingen van de toenmalige verzoekers derhalve toegewezen.

40      De SVB heeft bij de Hoge Raad der Nederlanden, de verwijzende rechter in de hoofdgedingen, twee beroepen in cassatie ingesteld tegen de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep.

41      Volgens de verwijzende rechter kan niet zonder redelijke twijfel op basis van het arrest van 23 april 2015, Franzen e.a. (C‑382/13, EU:C:2015:261), een antwoord worden gegeven op de vraag of het Unierecht in omstandigheden als die van de hoofdgedingen niet alleen toestaat, maar ook verplicht om het nationale recht buiten toepassing te laten volgens hetwelk een ingezetene van Nederland niet verzekerd is voor de volksverzekeringen van die lidstaat indien hij in een andere lidstaat werkt en op grond van artikel 13 van verordening nr. 1408/71 is onderworpen aan de socialezekerheidswetgeving van laatstbedoelde lidstaat.

42      Tegen deze achtergrond heeft de Hoge Raad der Nederlanden besloten de behandeling van beide bij deze rechter aanhangige zaken te schorsen en het Hof de volgende prejudiciële vragen voor te leggen:

–        In zaak C‑95/18:

„1)      a)      Moeten de artikelen 45 en 48 VWEU aldus worden uitgelegd dat die bepalingen in gevallen als de onderhavige in de weg staan aan een nationale regeling als artikel 6a, aanhef en letter b, van de AOW? Die regeling brengt mee dat een ingezetene van Nederland niet verzekerd is voor de volksverzekeringen van die woonstaat, indien deze ingezetene in een andere lidstaat werkt en op grond van artikel 13 van verordening nr. 1408/71 is onderworpen aan de socialezekerheidswetgeving van de werkstaat. De onderhavige gevallen kenmerken zich erdoor dat de betrokkenen op grond van de wettelijke regeling van de werkstaat niet voor een ouderdomspensioen in aanmerking komen vanwege de beperkte omvang van hun werkzaamheden aldaar.

b)      Is bij de beantwoording van vraag 1a van belang dat voor een ingezetene van een op grond van artikel 13 van verordening nr. 1408/71 niet-bevoegde woonstaat geen premieplicht bestaat voor de volksverzekeringen van die woonstaat? Voor de tijdvakken waarin die ingezetene in een andere lidstaat werkt valt hij immers op grond van artikel 13 van verordening nr. 1408/71 bij uitsluiting onder het sociale zekerheidsstelsel van de werkstaat, en ook de nationale Nederlandse wetgeving voorziet in een dergelijk geval niet in premieplicht.

2)      Is voor de beantwoording van vraag 1 van belang dat voor betrokkenen de mogelijkheid bestond een vrijwillige verzekering op grond van de AOW af te sluiten, dan wel dat voor hen de mogelijkheid bestond de SVB te verzoeken om een overeenkomst als bedoeld in artikel 17 van verordening nr. 1408/71 tot stand te brengen?

3)      Staat artikel 13 van verordening nr. 1408/71 eraan in de weg dat voor iemand als de echtgenote van Giesen, die vóór 1 januari 1989 enkel beoordeeld naar de nationale wetgeving in haar woonland Nederland verzekerd was voor de AOW, op basis van die verzekering recht op ouderdomsuitkeringen wordt opgebouwd, voor zover het gaat om tijdvakken waarin zij, op grond van die verordeningsbepaling wegens werkzaamheden in een andere lidstaat onderworpen was aan de wetgeving van die werkstaat? Of moet het recht op een uitkering op grond van de AOW worden aangemerkt als een recht op uitkering dat in de nationale wetgeving niet afhankelijk is gesteld van voorwaarden inzake werkzaamheden in loondienst of inzake verzekering zoals bedoeld in het [arrest van 20 mei 2008, Bosmann (C‑352/06, EU:C:2008:290)], zodat de gedachtegang van dat arrest in haar geval kan worden toegepast?”

–        In zaak C‑96/18:

„1)      Moeten de artikelen 45 en 48 VWEU aldus worden uitgelegd dat die bepalingen in een geval als het onderhavige in de weg staan aan een nationale regeling als artikel 6a, aanhef en letter b, van de AKW? Die regeling brengt mee dat een ingezetene van Nederland niet verzekerd is voor de volksverzekeringen van die woonstaat, indien deze ingezetene in een andere lidstaat werkt en op grond van artikel 13 van verordening nr. 1408/71 is onderworpen aan de socialezekerheidswetgeving van de werkstaat. Het onderhavig geval kenmerkt zich erdoor dat belanghebbende op grond van de wettelijke regeling van de werkstaat niet voor kinderbijslag in aanmerking komt vanwege de beperkte omvang van haar werkzaamheden aldaar.

2)      Is voor de beantwoording van de vorige vraag van belang dat voor belanghebbende de mogelijkheid bestond de SVB te verzoeken om een overeenkomst als bedoeld in artikel 17 van verordening nr. 1408/71 tot stand te brengen?”

43      Bij beslissing van de president van het Hof van 12 maart 2018 zijn de zaken C‑95/18 en C‑96/18 gevoegd voor de schriftelijke en de mondelinge behandeling en voor het arrest.

 Beantwoording van de prejudiciële vragen

 Ontvankelijkheid van het verzoek om een prejudiciële beslissing in zaak C95/18

44      In zijn schriftelijke opmerkingen betoogt Van den Berg dat het verzoek om een prejudiciële beslissing in zaak C‑95/18 niet-ontvankelijk is omdat cassatie bij de Hoge Raad der Nederlanden slechts in een limitatief omschreven aantal bepalingen kan worden ingesteld en artikel 6a AOW daar niet bij zit. De verwijzende rechter had de zaak dus niet inhoudelijk mogen behandelen en was derhalve niet bevoegd om vragen te stellen aan het Hof.

45      Dienaangaande moet in herinnering worden geroepen dat het uitsluitend een zaak is van de nationale rechter aan wie het geschil is voorgelegd en die de verantwoordelijkheid draagt voor de te geven rechterlijke beslissing, om, gelet op de bijzonderheden van het geval, zowel de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis als de relevantie van de vragen die hij aan het Hof stelt te beoordelen. Wanneer de gestelde vragen betrekking hebben op de uitlegging van een regel van Unierecht, is het Hof derhalve in beginsel verplicht daarop te antwoorden (arrest van 10 december 2018, Wightman e.a., C‑621/18, EU:C:2018:999, punt 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

46      Bijgevolg worden vragen die het Unierecht betreffen, vermoed relevant te zijn. Het Hof kan slechts weigeren op een door een nationale rechterlijke instantie gestelde prejudiciële vraag te antwoorden, wanneer de gevraagde uitlegging van een regel van Unierecht kennelijk geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, wanneer het vraagstuk van hypothetische aard is of wanneer het Hof niet beschikt over de feitelijke en juridische gegevens die noodzakelijk zijn om een zinvol antwoord te geven op de gestelde vragen (arrest van 10 december 2018, Wightman e.a., C‑621/18, EU:C:2018:999, punt 27 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

47      Uit vaste rechtspraak van het Hof volgt dat het in het kader van de procedure van artikel 267 VWEU niet aan het Hof staat om te toetsen of de beslissing waarbij het is aangezocht, in overeenstemming met de regels van nationaal recht betreffende de rechterlijke organisatie en de procesvoering is gegeven (arrest van 16 juni 2015, Gauweiler e.a., C‑62/14, EU:C:2015:400, punt 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

48      De argumenten van Van den Berg zijn dan ook niet voldoende om te leiden tot weerlegging van het in punt 46 van dit arrest genoemde vermoeden van relevantie. Hieruit volgt dat het verzoek om een prejudiciële beslissing in zaak C‑95/18 ontvankelijk is.

 Eerste en tweede vraag in de zaken C95/18 en C96/18

49      Met de eerste en de tweede vraag in de zaken C‑95/18 en C‑96/18, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of de artikelen 45 en 48 VWEU aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een wettelijke regeling van een lidstaat volgens welke een migrerende werknemer die in deze lidstaat woont en op grond van artikel 13 van verordening nr. 1408/71 is onderworpen aan de socialezekerheidswetgeving van de werklidstaat, niet verzekerd is voor de volksverzekeringen van die woonlidstaat, ook al komt die werknemer volgens het recht van de werklidstaat niet in aanmerking voor een ouderdomspensioen of kinderbijslag.

50      Ter beantwoording van deze vragen moet in herinnering worden gebracht dat, teneinde het vrije verkeer van werknemers en zelfstandigen binnen de Unie te verzekeren, met als beginsel hun gelijke behandeling ten aanzien van de verschillende nationale wetgevingen, bij verordening nr. 1408/71, in titel II, een coördinatiestelsel is ingesteld dat onder meer betrekking heeft op de vaststelling van de wetgeving(en) die moet(en) worden toegepast op werknemers en zelfstandigen die gebruikmaken van hun recht van vrij verkeer. De volledigheid van dit stelsel van conflictregels heeft tot gevolg dat de wetgever van elke afzonderlijke lidstaat in beginsel niet meer bevoegd is om de draagwijdte en de toepassingsvoorwaarden van zijn nationale wettelijke regeling naar eigen inzicht te bepalen met betrekking tot de personen die eraan onderworpen zijn en met betrekking tot het grondgebied waarbinnen de nationale bepalingen effect sorteren (arrest van 26 februari 2015, De Ruyter, C‑623/13, EU:C:2015:123, punten 34 en 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

51      Tegen deze achtergrond bepaalt artikel 13 van verordening nr. 1408/71, dat de algemene regels voor de vaststelling van de toe te passen wetgeving bevat, in lid 1 dat degenen op wie deze verordening van toepassing is, slechts aan de wetgeving van één enkele lidstaat onderworpen zijn, hetgeen, onder voorbehoud van de in de artikelen 14 quater en 14 septies voorziene gevallen, elke mogelijkheid van gelijktijdige toepassing van verschillende nationale wetgevingen over eenzelfde periode uitsluit (arrest van 26 februari 2015, De Ruyter, C‑623/13, EU:C:2015:123, punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

52      Artikel 13, lid 2, onder a), van verordening nr. 1408/71 vult het in artikel 13, lid 1, neergelegde beginsel dat de socialezekerheidswetgeving van slechts één lidstaat van toepassing is, verder in en bepaalt dat op degene die op het grondgebied van een lidstaat werkzaamheden in loondienst uitoefent, de wetgeving van die lidstaat van toepassing is zelfs indien hij op het grondgebied van een andere lidstaat woont.

53      Het beginsel dat de wetgeving van slechts één lidstaat van toepassing is heeft echter niet tot gevolg dat een lidstaat die krachtens de bepalingen van titel II van verordening nr. 1408/71 niet bevoegd is, de bevoegdheid kan worden ontzegd om onder bepaalde voorwaarden overeenkomstig zijn nationale recht aan een migrerende werknemer gezinsbijslagen of een ouderdomspensioen toe te kennen. Verordening nr. 1408/71 strekt er immers niet toe de lidstaat waar een persoon woont, te beletten deze persoon krachtens zijn wetgeving gezinsbijslagen of ouderdomsuitkeringen toe te kennen, ook al is deze persoon ingevolge artikel 13, lid 2, onder a), van die verordening onderworpen aan de wetgeving van de lidstaat waar hij werkzaamheden in loondienst uitoefent (zie in die zin arrest van 23 april 2015, Franzen e.a., C‑382/13, EU:C:2015:261, punten 58‑61 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

54      De verwijzende rechter wijst erop dat in de hoofdgedingen de toepasselijke Nederlandse wetgeving met zich meebrengt dat een persoon die ingezetene van Nederland is, niet verzekerd is voor het nationale stelsel van sociale verzekeringen indien hij in een andere lidstaat werkt. Deze wetgeving laat ook geen ruimte voor een andere uitkomst, aangezien in omstandigheden als die van de hoofdgedingen geen beroep kan worden gedaan op de hardheidsclausules van het BUB 1989 en het BUB 1999. Een persoon in een situatie als die waarop die zaken betrekking hebben, kan volgens de verwijzende rechter dus geen gebruik maken van de in de rechtspraak van het Hof ontwikkelde mogelijkheid om af te wijken van het beginsel dat de wetgeving van slechts één lidstaat van toepassing is.

55      Ook kenmerkend voor de geschetste situatie is dat de migrerende werknemers in casu geen recht hadden op uitkering ingevolge de wetgeving van de werklidstaat, die krachtens artikel 13 van verordening nr. 1408/71 bevoegd is.

56      Het is juist dat volgens vaste rechtspraak van het Hof de bepalingen van het VWEU inzake het vrije verkeer van personen in hun geheel beogen het de Unieburgers gemakkelijker te maken op het grondgebied van de Unie elk willekeurig beroep uit te oefenen en in de weg staan aan maatregelen die deze burgers zouden kunnen benadelen wanneer zij op het grondgebied van een andere lidstaat dan hun lidstaat van herkomst een activiteit willen verrichten. Het primaire recht van de Unie kan een werknemer evenwel niet waarborgen dat verplaatsing naar een andere lidstaat dan zijn lidstaat van herkomst op sociaal gebied neutraal is aangezien een dergelijke verplaatsing, rekening houdend met de verschillen tussen de regelingen en wetgevingen van de lidstaten, naargelang van het geval, op dat gebied meer of minder voordelig kan zijn voor de betrokken persoon (zie in die zin arrest van 18 juli 2017, Erzberger, C‑566/15, EU:C:2017:562, punten 33 en 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

57      Artikel 45 VWEU staat weliswaar in de weg aan nationale maatregelen die het gebruik van de in dat artikel neergelegde fundamentele vrijheid van verkeer door Unieburgers kunnen belemmeren of minder aantrekkelijk kunnen maken, maar deze bepaling geeft een werknemer die zich naar een andere lidstaat dan zijn lidstaat van herkomst verplaatst, niet het recht om zich in de gastlidstaat te beroepen op dezelfde sociale verzekeringen als die waarvoor hij in zijn lidstaat van herkomst in aanmerking kwam in overeenstemming met de wetgeving van die laatste staat (zie naar analogie arrest van 18 juli 2017, Erzberger, C‑566/15, EU:C:2017:562, punten 33 en 35).

58      Artikel 45 VWEU kan ook niet aldus worden uitgelegd dat het een migrerende werknemer het recht geeft om zich in zijn woonlidstaat te beroepen op dezelfde sociale verzekeringen als die waarvoor hij in aanmerking zou komen indien hij in die lidstaat zou werken, wanneer het zo is dat hij in een andere lidstaat werkt en ingevolge de bepalingen van de lidstaat die krachtens artikel 13 van verordening nr. 1408/71 bevoegd is, niet in aanmerking komt voor sociale verzekeringen.

59      Voorts raakt artikel 48 VWEU, dat in een regeling voor de coördinatie en niet in een harmonisatie van de wettelijke regelingen van de lidstaten voorziet, niet aan de materiële en formele verschillen tussen de stelsels van sociale zekerheid van de onderscheiden lidstaten en dus ook niet aan de verschillen in de rechten van de daarbij verzekerde personen. Iedere lidstaat blijft bevoegd om in zijn wetgeving met inachtneming van het Unierecht de voorwaarden voor toekenning van uitkeringen krachtens een stelsel van sociale zekerheid te bepalen (arrest van 12 juni 2012, Hudzinski en Wawrzyniak, C‑611/10 en C‑612/10, EU:C:2012:339, punt 42).

60      Wordt artikel 48 VWEU echter aldus uitgelegd dat een lidstaat die niet bevoegd is, verplicht is om sociale verzekeringen toe te kennen aan een migrerende werknemer die in een andere lidstaat arbeid in loondienst verricht, dan staat in omstandigheden als die van de hoofdgedingen de regeling voor de coördinatie van de socialezekerheidswetgevingen van de lidstaten ter discussie, welke regeling nadere invulling heeft gekregen in het in artikel 13 van verordening nr. 1408/71 neergelegde beginsel dat de wetgeving van slechts één lidstaat van toepassing is.

61      Die uitlegging dreigt namelijk het middels het VWEU ingestelde evenwicht te verstoren, aangezien een dergelijke verplichting in situaties als die in de hoofdgedingen ertoe kan leiden dat alleen de wet van de lidstaat met de gunstigste socialezekerheidsregeling wordt toegepast. Een dergelijk aanknopingscriterium is praktisch zeer moeilijk uitvoerbaar, gelet op de vele potentiële uitkeringen uit hoofde van de in artikel 4, lid 1, van verordening nr. 1408/71 genoemde verschillende takken van sociale zekerheid.

62      Bovendien kan door die oplossing het financiële evenwicht van het socialezekerheidsstelsel van de lidstaat met de gunstigste socialezekerheidsregeling verstoord raken.

63      Uit de gegevens die de verwijzende rechter in zijn verzoeken om een prejudiciële beslissing heeft verstrekt, blijkt dat de omstandigheid dat de migrerende werknemers die partij zijn in de hoofdgedingen niet verzekerd waren voor de sociale verzekeringen gedurende de tijdvakken dat zij buiten hun woonlidstaat hebben gewerkt, louter voortvloeit uit de toepassing van de wetgeving van de lidstaat die krachtens artikel 13 van verordening nr. 1408/71 bevoegd is. Opgemerkt moet worden dat er geen sprake is van harmonisatie van de inhoud van de nationale socialezekerheidswetgevingen, noch op grond van de bepalingen van het VWEU, noch op grond van verordening nr. 1408/71.

64      De artikelen 45 en 48 VWEU kunnen derhalve niet aldus worden uitgelegd dat zij in omstandigheden als die in de hoofdgedingen voor de woonlidstaat de verplichting behelzen om uitkering toe te kennen aan een migrerende werknemer wanneer deze werknemer volgens de wetgeving van de werklidstaat, die krachtens artikel 13 van verordening nr. 1408/71 bevoegd is, niet in aanmerking komt voor uitkering.

65      Overeenkomstig artikel 17 van verordening nr. 1408/71 kunnen twee lidstaten in onderlinge overeenstemming, in het belang van bepaalde personen of groepen personen, wel uitzonderingen vaststellen op het beginsel dat de wetgeving van slechts één lidstaat van toepassing is. Dit is met name zinvol wanneer, zoals bij partijen in de hoofdgedingen, de migrerende werknemer volgens de toepasselijke wetgeving van de werklidstaat niet in aanmerking komt voor een ouderdomspensioen of kinderbijslag en daarvoor wel in aanmerking zou zijn gekomen als hij in zijn woonlidstaat werkloos zou zijn gebleven.

66      Gelet op al het voorgaande moeten de artikelen 45 en 48 VWEU aldus worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een wettelijke regeling van een lidstaat volgens welke een migrerende werknemer die in deze lidstaat woont en op grond van artikel 13 van verordening nr. 1408/71 is onderworpen aan de socialezekerheidswetgeving van de werklidstaat, niet verzekerd is voor de volksverzekeringen van die woonlidstaat, ook al komt die werknemer volgens het recht van de werklidstaat niet in aanmerking voor een ouderdomspensioen of kinderbijslag.

 Derde vraag in zaak C95/18

67      Met de derde vraag in zaak C‑95/18 wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 13 van verordening nr. 1408/71 aldus moet worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat een lidstaat waar een migrerende werknemer woont en die krachtens dat artikel niet bevoegd is, het recht op een ouderdomspensioen voor die migrerende werknemer afhankelijk stelt van een verzekeringsplicht en daarmee van verplichte premiebetaling.

68      Dienaangaande moet in herinnering worden geroepen dat hoewel krachtens artikel 13, lid 2, onder a), van verordening nr. 1408/71 op degene die op het grondgebied van een lidstaat werkzaamheden in loondienst uitoefent, de wetgeving van die staat van toepassing is, zelfs indien hij op het grondgebied van een andere lidstaat woont, dit niet wegneemt dat deze verordening er niet toe strekt de woonstaat te beletten deze persoon krachtens zijn wetgeving een uitkering zoals een ouderdomspensioen toe te kennen (zie in die zin arrest van 20 mei 2008, Bosmann, C‑352/06, EU:C:2008:290, punt 31).

69      In het arrest van 20 mei 2008, Bosmann (C‑352/06, EU:C:2008:290, punt 32), heeft het Hof onder verwijzing naar de arresten van 12 juni 1986, Ten Holder (302/84, EU:C:1986:242), en 10 juli 1986, Luijten (60/85, EU:C:1986:307), aangegeven dat op basis van die arresten, bij lezing daarvan in hun specifieke contexten, welke van die van het hoofdgeding verschillen, niet kan worden uitgesloten dat een lidstaat die niet de bevoegde staat is en die het recht op een gezinsbijslag niet afhankelijk stelt van voorwaarden inzake werkzaamheden in loondienst en inzake verzekering, aan een persoon die op zijn grondgebied woont een dergelijke bijslag kan toekennen, wanneer dit naar zijn recht daadwerkelijk kan.

70      Met zijn oordeel dat de lidstaat die krachtens artikel 13 van verordening nr. 1408/71 niet bevoegd is, het recht op een gezinsbijslag niet afhankelijk kan stellen van een verzekeringsvoorwaarde, heeft het Hof enkel uitdrukking gegeven aan het voor migrerende werknemers geldende beginsel dat de wetgeving van slechts één lidstaat van toepassing is. Artikel 13, lid 2, onder a), van verordening nr. 1408/71 bepaalt immers dat op degene die op het grondgebied van een lidstaat werkzaamheden in loondienst uitoefent, de wetgeving van die staat van toepassing is zelfs indien hij op het grondgebied van een andere lidstaat woont. Gelet op het beginsel dat de wetgeving van slechts één lidstaat van toepassing is, kan de lidstaat waar de migrerende werknemer woont, dus aan die werknemer geen verzekeringsplicht opleggen zonder het coördinatiestelsel als bedoeld in artikel 48 VWEU ter discussie te stellen.

71      Een dergelijke verzekeringsplicht, met bijbehorende premiebetaling, die wordt opgelegd door een lidstaat die krachtens artikel 13 van verordening nr. 1408/71 niet bevoegd is, zou ertoe kunnen leiden dat een migrerende werknemer in twee verschillende lidstaten premies voor sociale verzekeringen moet betalen, hetgeen zich niet verdraagt met het door de Uniewetgever vastgelegde beginsel dat de wetgeving van slechts één lidstaat van toepassing is.

72      Dat de lidstaat die krachtens artikel 13 van verordening nr. 1408/71 niet bevoegd is, het recht op een gezinsbijslag niet afhankelijk kan stellen van een verzekeringsvoorwaarde, mag echter niet aldus worden opgevat dat een migrerende werknemer niet verzekerd kan zijn in die lidstaat. De woonlidstaat kan namelijk op basis van een ander aanknopingscriterium dan voorwaarden inzake werkzaamheden in loondienst of inzake verzekering, uitkeringen – en met name een ouderdomsuitkering – toekennen aan een ingezetene, wanneer dit naar zijn recht daadwerkelijk kan.

73      Uit het verzoek om een prejudiciële beslissing in zaak C‑95/18 blijkt dat de echtgenote van Giesen overeenkomstig het nationale recht dat van toepassing was tijdens de in het hoofdgeding aan de orde zijnde periode, in die periode voor de AOW verzekerd was als ingezetene van Nederland. Het in die wet gehanteerde aanknopingscriterium was dus waar de migrerende werknemer woont.

74      Ter terechtzitting heeft de Nederlandse regering er echter op gewezen dat premiebetaling nodig was om in aanmerking te komen voor ouderdomsuitkeringen en dat ten tijde van de feiten in het hoofdgeding in zaak C‑95/18 het wooncriterium alleen niet voldoende was voor toekenning van dergelijke uitkeringen. De verwijzende rechter dient dus na te gaan of de echtgenote van Giesen ten tijde van de feiten in zaak C‑95/18 recht had op een ouderdomsuitkering, ongeacht of zij premieplichtig was.

75      Opgemerkt moet nog worden dat uit de rechtspraak van het Hof volgt dat de artikelen 45 en 48 VWEU, alsmede de ter uitvoering daarvan vastgestelde verordening nr. 1408/71, met name tot doel hebben te voorkomen dat een werknemer die gebruik heeft gemaakt van zijn recht van vrij verkeer, zonder objectieve rechtvaardiging minder gunstig wordt behandeld dan een werknemer die al zijn arbeidsjaren in één lidstaat heeft vervuld (arrest van 12 juni 2012, Hudzinski en Wawrzyniak, C‑611/10 en C‑612/10, EU:C:2012:339, punt 80 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

76      Dit laatste zou echter het geval zijn indien de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling tot gevolg heeft dat de migrerende werknemer wordt benadeeld ten opzichte van degenen die al hun werkzaamheden verrichten in de lidstaat waar die regeling van toepassing is, en dat die werknemer premies moet betalen die geen recht geven op een uitkering, hetgeen ter beoordeling van de verwijzende rechter staat.

77      Gelet op een en ander moet artikel 13 van verordening nr. 1408/71 aldus worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat een lidstaat waar een migrerende werknemer woont en die krachtens dat artikel niet bevoegd is, het recht op een ouderdomspensioen voor die migrerende werknemer afhankelijk stelt van een verzekeringsplicht en daarmee van verplichte premiebetaling.

 Kosten

78      Ten aanzien van de partijen in de hoofdgedingen is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.


Het Hof (Vierde kamer) verklaart voor recht:

1)      De artikelen 45 en 48 VWEU moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een wettelijke regeling van een lidstaat volgens welke een migrerende werknemer die in deze lidstaat woont en op grond van artikel 13 van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, in de versie zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EG) nr. 118/97 van de Raad van 2 december 1996, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1992/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006, is onderworpen aan de socialezekerheidswetgeving van de werklidstaat, niet verzekerd is voor de volksverzekeringen van die woonlidstaat, ook al komt die werknemer volgens het recht van de werklidstaat niet in aanmerking voor een ouderdomspensioen of kinderbijslag.

2)      Artikel 13 van verordening nr. 1408/71, in de versie zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening nr. 118/97, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1992/2006, moet aldus worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat een lidstaat waar een migrerende werknemer woont en die krachtens dat artikel niet bevoegd is, het recht op een ouderdomspensioen voor die migrerende werknemer afhankelijk stelt van een verzekeringsplicht en daarmee van verplichte premiebetaling.

Vilaras

Jürimäe

Šváby

Rodin

 

Piçarra

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 19 september 2019.

De griffier

 

De president van de Vierde kamer

A. Calot Escobar

 

M. Vilaras


*      Procestaal: Nederlands.