CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL

H. SAUGMANDSGAARD ØE

van 21 april 2016 (1)

Zaak C‑15/15

New Valmar BVBA

tegen

Global Pharmacies Partner Health Srl

[verzoek van de rechtbank van koophandel Gent (België) om een prejudiciële beslissing]

„Prejudiciële verwijzing – Vrij verkeer van goederen – Artikel 35 VWEU – Verbod van maatregelen van gelijke werking als kwantitatieve uitvoerbeperkingen – In het Nederlandse taalgebied van het Koninkrijk België gevestigde onderneming – Regeling op grond waarvan facturen verplicht in het Nederlands moeten worden opgesteld op straffe van absolute nietigheid – Overeenkomst met grensoverschrijdend karakter – Beperking – Rechtvaardiging – Evenredigheid”





I –    Inleiding

1.        Volgens de bewoordingen van de prejudiciële vraag heeft het verzoek om een prejudiciële beslissing van de rechtbank van koophandel Gent (België) betrekking op de uitlegging van artikel 45 VWEU, inzake het vrije verkeer van werknemers.

2.        Uit de verwijzingsbeslissing blijkt echter dat het hoofdgeding en derhalve het voorwerp van dit verzoek in feite betrekking hebben op het vrije verkeer van goederen en meer bepaald op het in artikel 35 VWEU geformuleerde verbod van maatregelen van gelijke werking als kwantitatieve uitvoerbeperkingen tussen de lidstaten.

3.        Dit verzoek is immers ingediend in het kader van een geding tussen een in het Nederlandse taalgebied van het Koninkrijk België gevestigde vennootschap en een in Italië gevestigde vennootschap over een aantal facturen die laatstgenoemde vennootschap, die met de Belgische vennootschap een concessieovereenkomst had gesloten, niet had betaald. De betrokken facturen waren opgesteld in het Italiaans, terwijl zij volgens de verwijzende rechter overeenkomstig de op deze facturen toepasselijke Belgische regeling uitsluitend in het Nederlands hadden mogen worden opgesteld, op straffe van door de rechter ambtshalve aan te voeren nietigheid.

4.        Tegen de achtergrond van het arrest Las(2), waarin het Hof vergelijkbare bepalingen in diezelfde regeling met betrekking tot arbeidsovereenkomsten onverenigbaar met het Unierecht heeft verklaard, vraagt de verwijzende rechter zich af of deze regeling ook een afschrikkende werking kan hebben voor het grensoverschrijdende handelsverkeer waarbij in het Vlaamse Gewest gevestigde Belgische ondernemingen betrokken zijn, en bijgevolg een verboden beperking van het vrije verkeer vormt. Is dat het geval, dan rijst volgens de verwijzende rechter vervolgens de vraag of deze mogelijk beperkende maatregelen kunnen worden gerechtvaardigd door een of meerdere doelstellingen van algemeen belang en zo ja, of zij evenredig zijn met de beoogde doelstellingen.

II – Toepasselijke nationale bepalingen

5.        Artikel 4 van de Belgische Grondwet(3) bepaalt dat „België [...] vier taalgebieden [omvat]: het Nederlandse taalgebied, het Franse taalgebied, het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad en het Duitse taalgebied”.

6.        Artikel 129, § 1, punt 3, van de Grondwet bepaalt: „De Parlementen van de Vlaamse en de Franse Gemeenschap regelen, bij uitsluiting van de federale wetgever, elk voor zich, bij decreet, het gebruik van de talen voor: [...] de sociale betrekkingen tussen de werkgevers en hun personeel, alsmede de door de wet en de verordeningen voorgeschreven akten en bescheiden van de ondernemingen”. De genoemde Gemeenschappen zijn gefedereerde eenheden van de Belgische Staat.

7.        Artikel 52, § 1, van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken(4) bepaalt: „Voor de akten en bescheiden, die voorgeschreven zijn bij de wetten en reglementen [...] gebruiken de private nijverheids-, handels- of financiebedrijven de taal van het gebied waar hun exploitatiezetel of onderscheiden exploitatiezetels gevestigd zijn.”

8.        In 1973 heeft het Parlement van de Vlaamse Gemeenschap op basis van artikel 129, § 1, punt 3, van de Grondwet het Vlaamse Taaldecreet(5) vastgesteld.

9.        Volgens artikel 1 van dit decreet in de versie die gold ten tijde van de feiten van het hoofdgeding, is dit instrument „van toepassing op de natuurlijke personen en rechtspersonen die een exploitatiezetel in het Nederlandse taalgebied hebben” en „regelt [het] het taalgebruik van de sociale betrekkingen tussen de werkgevers en de werknemers, alsmede voor de wettelijk voorgeschreven akten en bescheiden van de ondernemingen”.

10.      Artikel 2 van dit decreet bepaalt dat „[d]e te gebruiken taal voor de sociale betrekkingen tussen de werkgevers en de werknemers, alsmede voor de wettelijk voorgeschreven akten en bescheiden van de ondernemingen, [...] het Nederlands [is]”. Artikel 5, eerste alinea, voegt daaraan toe dat „door de werkgever in het Nederlands [worden] gesteld: alle wettelijk voorgeschreven akten en bescheiden van de werkgevers [...]”.

11.      Artikel 10, eerste alinea, van dit decreet voorziet in de volgende sanctie: „De stukken of handelingen, die in strijd zijn met de bepalingen van dit decreet, zijn nietig. De nietigheid wordt ambtshalve door de rechter vastgesteld.” De tweede en de derde alinea van dit artikel bepalen dat „[h]et vonnis [...] ambtshalve de vervanging van de betrokken stukken [beveelt]” en dat „[d]e opheffing van de nietigheid [...] slechts uitwerking [heeft] vanaf de dag van de vervanging: voor geschreven stukken vanaf de dag van de indiening van de vervangende stukken bij de griffie van de arbeidsrechtbank”.

12.      Naar aanleiding van het arrest Las(6) is een aantal bepalingen van dit decreet gewijzigd, maar pas met ingang van 2 mei 2014(7), dus na de feiten aan de orde in het hoofdgeding, en uitsluitend wat betreft de sociale betrekkingen tussen werkgevers en werknemers, die in dit geding niet aan de orde zijn.

III – Hoofdgeding, prejudiciële vraag en procedure bij het Hof

13.      Op 12 november 2010 sloten New Valmar BVBA, met maatschappelijke zetel in het Nederlandse taalgebied van het Koninkrijk België, en de in Italië gevestigde vennootschap Global Pharmacies Partner Health Srl (hierna: „GPPH”) een overeenkomst van bepaalde duur tot en met 31 december 2014 waarbij laatstgenoemde werd aangesteld als de exclusieve concessiehouder van New Valmar op Italiaans grondgebied.

14.      Overeenkomstig artikel 18 van deze concessieovereenkomst werd deze beheerst door het Italiaanse recht en waren de rechtbanken van Gent bevoegd om kennis te nemen van eventuele betwistingen tussen de partijen.

15.      New Valmar heeft bij aangetekend schrijven van 29 december 2011 deze overeenkomst voortijdig beëindigd, met ingang van 1 juni 2012.

16.      Bij dagvaarding van 30 maart 2012 heeft New Valmar de rechtbank van koophandel Gent verzocht GPPH te veroordelen tot betaling van een bedrag van ongeveer 234 192 EUR ter voldoening van een aantal onbetaalde facturen.

17.      GPPH heeft met een tegeneis verzocht om New Valmar te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding van 1 467 448 EUR ingevolge de foutieve beëindiging van hun concessieovereenkomst.

18.      Als verweer tegen de hoofdeis heeft GPPH de nietigheid van de betrokken facturen aangevoerd, op grond dat deze facturen „akten en bescheiden, die voorgeschreven zijn bij de wetten en reglementen”, zijn in de zin van de gecoördineerde wetten en het Vlaamse Taaldecreet en in strijd waren met de in die regeling neergelegde voorschriften van openbare orde.

19.      Uit de verwijzingsbeslissing blijkt voorts dat, behoudens de identiteitsgegevens van New Valmar en de btw- en bankgegevens, alle standaardvermeldingen en algemene voorwaarden op die facturen in een andere taal dan het Nederlands waren opgesteld, namelijk het Italiaans, ofschoon New Valmar in het Nederlandse taalgebied van het Koninkrijk België is gevestigd.

20.      Op 14 januari 2014, dus tijdens de procedure, heeft New Valmar aan GPPH een vertaling van de betrokken facturen in het Nederlands verstrekt. De verwijzende rechter verduidelijkt dat een dergelijke vertaling niet geldt als de door de Vlaamse taalregeling opgelegde „vervanging” en dat de litigieuze facturen naar Belgisch recht volstrekt nietig zijn en blijven.

21.      New Valmar betwist niet dat de betrokken facturen in strijd zijn met die regeling. Zij stelt evenwel dat deze regeling onder meer indruist tegen het Unierecht, inzonderheid tegen artikel 26, lid 2, en de artikelen 34 en 35 VWEU inzake het vrije verkeer van goederen.

22.      In die omstandigheden heeft de Rechtbank van Koophandel te Gent, bij beslissing van 18 december 2014, ingekomen bij het Hof op 16 januari 2015, de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:

„Moet artikel 45 VWEU aldus worden uitgelegd dat deze bepaling in de weg staat aan een regeling van een gefedereerde eenheid van een lidstaat, zoals in casu de Vlaamse Gemeenschap in de Federale Staat België, die elke onderneming die zijn exploitatiezetel heeft op het grondgebied van deze eenheid, krachtens artikel 52 [van de gecoördineerde wetten] juncto artikel 10 van het [Vlaamse Taaldecreet] de verplichting oplegt om facturen met een grensoverschrijdend karakter uitsluitend op te stellen in de officiële taal van deze gefedereerde eenheid, op straffe van door de rechter ambtshalve aan te voeren nietigheid van deze facturen?”

23.      Bij het Hof zijn schriftelijke opmerkingen ingediend door New Valmar, de Belgische en de Litouwse regering alsmede de Europese Commissie. Ter terechtzitting van 26 januari 2016 waren New Valmar, de Belgische regering en de Commissie vertegenwoordigd.

IV – Analyse

A –    Strekking van de prejudiciële vraag

24.      Alvorens ten gronde in te gaan op het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing, moet de gegrondheid van de prejudiciële vraag in meerdere opzichten worden onderzocht, gelet op de twijfels die zijn geformuleerd in de bij het Hof ingediende opmerkingen.

1.      Op het hoofdgeding toepasselijke recht

25.      Het hoofdgeding vertoont een grensoverschrijdend aspect, zodat om te beginnen moet worden uitgemaakt of de bepalingen van Belgisch recht die de verwijzende rechter aanhaalt, daadwerkelijk van toepassing zijn op het hoofdgeding, zoals die rechter veronderstelt. De Commissie verwijst op goede gronden naar de collisieproblematiek, hoewel het Hof hierover niet rechtstreeks een vraag wordt gesteld, want uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat de door partijen bij dit geding gesloten concessieovereenkomst uitdrukkelijk bepaalde dat deze overeenkomst werd beheerst door het Italiaanse recht en niet door het Belgische recht, waarop de prejudiciële vraag betrekking heeft.

26.      Inzake verbintenissen uit overeenkomst moet volgens artikel 3 van verordening (EG) nr. 593/2008(8) de rechter in beginsel de rechtskeuze van de partijen respecteren. Het fundamentele beginsel van wilsautonomie(9) kent evenwel beperkingen, onder meer op grond van een mogelijke tussenkomst van internationaal dwingende bepalingen, de zogenoemde „bepalingen van bijzonder dwingend recht”, onder de strikte voorwaarden van artikel 9 van die verordening, waarbij een beroep op een dergelijke afwijking enkel mogelijk is in „uitzonderlijke omstandigheden”(10).

27.      In casu is het mogelijk dat de Vlaamse taalregeling van toepassing is in het hoofdgeding ondanks de keuze van contractpartijen voor het Italiaanse recht, en is het verzoek om een prejudiciële beslissing dus niet kennelijk hypothetisch(11), voor zover de verwijzende rechter de Vlaamse taalregeling die hij van plan is toe te passen beschouwt als „bepalingen van bijzonder dwingend recht” van het land van de rechter in de zin van artikel 9 van de Rome I-verordening(12), wat aan deze rechter staat om in concreto vast te stellen.

28.      Dienaangaande zij eraan herinnerd dat artikel 9, lid 1, het begrip bepalingen van bijzonder dwingend recht definieert als „bepalingen aan de inachtneming waarvan een land [zeer veel] belang hecht voor de handhaving van zijn openbare belangen zoals zijn politieke, sociale of economische organisatie”. Aangezien aan de hand van die definitie op zich niet kan worden vastgesteld op welke nationale regels – binnen het geheel van regels van dwingende aard – dit begrip daadwerkelijk betrekking heeft, moeten de rechters van de lidstaten verduidelijken waarom in een concreet geval de relevante bepalingen van de betrokken wettelijke regeling moeten worden toegepast in plaats van het recht van een ander land.(13) Voor die kwalificatie moeten zij rekening houden met een hele reeks objectieve criteria, zoals het Hof heeft geoordeeld met betrekking tot een instrument waarvan de Rome I-verordening is afgeleid.(14)

2.      Inhoud van de betrokken taalregeling

29.      Gesteld dat de Vlaamse taalregeling van toepassing is in het hoofdgeding, dient vervolgens te worden onderzocht wat de strekking van de in casu toepasselijke bepalingen is, gelet op de verschillen die kunnen worden vastgesteld tussen de weergave van het nationale rechtskader in de verwijzingsbeslissing en die in de schriftelijke en mondelinge opmerkingen van de Belgische regering.

30.      Die regering stelt immers dat de Vlaamse taalregeling, anders dan de verwijzende rechter lijkt aan te nemen, geen wettelijke verplichting bevat om de factuur- of verkoopvoorwaarden op de factuur te vermelden, noch om die vermeldingen in het Nederlands op de factuur op te nemen. Volgens haar moeten enkel de door de btw-wetgeving(15) voorgeschreven vermeldingen verplicht in het Nederlands worden opgenomen, op grond van artikel 2 van het Vlaamse Taaldecreet.(16) Zij stelt dat de klant deze gegevens, die voornamelijk uit cijfers bestaan, gemakkelijk kan begrijpen of, indien nodig, een vertaling van deze verplichte vermeldingen in alle talen van de Europese Unie kan raadplegen, aangezien zij overeenkomen met de geharmoniseerde vermeldingen die worden opgesomd in artikel 226 van richtlijn 2006/112/EG(17).

31.      Volgens vaste rechtspraak moet het Hof, wanneer een van de partijen bij de prejudiciële procedure de inhoud van de verwijzingsbeslissing betwist, zijn onderzoek in beginsel beperken tot de elementen die de verwijzende rechter hem ter beoordeling voorlegt, in het bijzonder wat betreft de toepassingsvoorschriften van de relevante nationale regeling die deze rechter als vaststaand beschouwt, aangezien het uitsluitend aan de rechters van de lidstaten staat de nationale bepalingen uit te leggen.(18) Derhalve moet het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing, ongeacht de kritiek van de Belgische regering op de uitlegging van het nationale recht door de verwijzende rechter, worden onderzocht tegen de achtergrond van de uitlegging die deze rechter van dit recht heeft gegeven.(19)

32.      Het Hof kan echter in zijn prejudiciële beslissing indien nodig preciseringen geven die voor de nationale rechter als leidraad kunnen dienen bij zijn uitlegging van een nationale regeling en bij zijn beoordeling van de verenigbaarheid daarvan met het Unierecht.(20) In casu staat het volgens mij aan de verwijzende rechter om nader te onderzoeken in hoeverre de betrokken taalregeling een onderneming met zetel in het Vlaamse Gewest werkelijk verplicht om alle gegevens op haar facturen uitsluitend in het Nederlands te vermelden.

3.      Herformulering van de prejudiciële vraag

a)      Noodzaak van herformulering

33.      Volgens de bewoordingen van de prejudiciële vraag verzoekt de verwijzende rechter het Hof om uitlegging van artikel 45 VWEU, waarin het vrije verkeer van werknemers binnen de Unie is neergelegd. Het lijkt mij echter duidelijk dat hier sprake is van een materiële vergissing, die mogelijk samenhangt met het feit dat het arrest Las(21) – een precedent waaraan in de verwijzingsbeslissing ruime aandacht wordt besteed – dit artikel betrof.

34.      Hoe dan ook lijdt het geen twijfel dat het hoofdgeding niet binnen de werkingssfeer van deze bepaling valt, aangezien het betrekking heeft op handelsbetrekkingen tussen een Belgische en een Italiaanse vennootschap, en het dossier geen aanknopingspunten met het vrije verkeer van werknemers bevat.

35.      De aldus vastgestelde incorrecte verwijzing kan echter, anders dan de Belgische regering primair stelt, niet tot de niet-ontvankelijkheid van het verzoek om een prejudiciële beslissing leiden. Volgens vaste rechtspraak heeft het Hof in het kader van de bij artikel 267 VWEU ingestelde procedure van samenwerking tussen de nationale rechterlijke instanties en het Hof immers de mogelijkheid om de voorgelegde vragen te herformuleren om de verwijzende rechter een antwoord te geven dat nuttig is voor de oplossing van het bij hem aanhangige geding.(22)

36.      Het staat in dit verband aan het Hof om uit alle door de nationale rechter verschafte gegevens, met name uit de motivering van de verwijzingsbeslissing, de elementen van het Unierecht te putten die, gelet op het voorwerp van het geschil, uitlegging behoeven.(23) Uit de motivering van de verwijzingsbeslissing blijkt dat verzoekster in het hoofdgeding, New Valmar, primair de onverenigbaarheid van de betrokken nationale regeling met artikel 26, lid 2, en de artikelen 34 en 35 VWEU heeft aangevoerd en subsidiair de verwijzende rechter heeft verzocht het Hof een prejudiciële vraag te stellen over met name die bepalingen van primair recht inzake het vrije verkeer van goederen.

37.      Net als alle betrokkenen die opmerkingen hebben ingediend, te weten New Valmar, de Belgische regering (subsidiair), de Litouwse regering en de Commissie, ben ik dus van mening – om de redenen die ik verder uiteenzet – dat de prejudiciële vraag in die zin moet worden geherformuleerd dat het verzoek om een prejudiciële beslissing in feite betrekking heeft op de uitlegging van de bepalingen van het VWEU inzake het vrije verkeer van goederen en meer bepaald van artikel 35 van dit Verdrag.

b)      Uit te leggen Unierechtelijke bepalingen

i)      Identificatie van de relevante bepalingen van het VWEU

38.      New Valmar beroept zich weliswaar zowel op artikel 26, lid 2, als op de artikelen 34 als 35 VWEU, maar volgens mij heeft enkel laatstbedoelde bepaling rechtstreeks betrekking op het voorwerp van het hoofdgeding en is het dus enkel deze bepaling die moet worden uitgelegd in het kader van deze zaak.

39.      Uit de verwijzingsbeslissing blijkt immers dat dit geding, over de betaling van facturen die zijn opgesteld in het Italiaans en niet in het Nederlands, is ontstaan in het kader van de levering van goederen door een in België gevestigde concessiegever aan een in Italië gevestigde concessiehouder. De aan het Hof voorgelegde vraag betreft dus in wezen de kwestie of de taalvereisten die voortvloeien uit de door de verwijzende rechter bedoelde nationale regeling een belemmering kunnen vormen voor die intracommunautaire uitvoer van uit België afkomstige goederen.

40.      Artikel 26, lid 2, VWEU formuleert enkel in het algemeen het beginsel van het vrije verkeer van goederen, personen, diensten en kapitaal binnen de interne markt. Artikel 34 VWEU heeft betrekking op maatregelen van gelijke werking als kwantitatieve invoerbeperkingen en niet op maatregelen van gelijke werking als kwantitatieve uitvoerbeperkingen tussen lidstaten, die verboden worden door artikel 35 VWEU. Derhalve moet een nationale regeling zoals die in het hoofdgeding meer bepaald aan het laatstbedoelde artikel worden getoetst, zoals de Commissie bepleit.

ii)    Mogelijke invloed van de bepalingen van richtlijn 2006/112

41.      De Belgische regering meent als enige dat de verenigbaarheid van de betrokken nationale bepalingen met het Unierecht uitsluitend moet worden beoordeeld in het licht van de regels van afgeleid recht die gelden inzake btw en meer bepaald richtlijn 2006/112, op grond dat de inhoud van facturen volledig is geharmoniseerd, zodat de regels van primair recht niet als toetsingsnorm kunnen dienen.(24)

42.      Zij betoogt dat de lidstaten op grond van artikel 248 bis van deze richtlijn(25) in hun nationale regeling mogen voorschrijven dat facturen in een grensoverschrijdende context worden opgesteld in een andere taal dan de taal van de ontvanger. Volgens deze regering impliceren de bepalingen van richtlijn 2006/112 zelfs dat de factuur in de regel wordt opgesteld in de taal van de lidstaat waar de onderneming die de factuur uitreikt, is gevestigd, want indien dit niet het geval zou zijn, zou de mogelijkheid van artikel 248 bis om een vertaling te vragen in de officiële taal van de lidstaat van bestemming van de goederen, diensten of factuur, zinloos zijn.(26)

43.      Net als de andere betrokkenen die ter terechtzitting opmerkingen hebben gemaakt, namelijk New Valmar en de Commissie, deel ik deze analyse van de Belgische regering echter niet, om de hierna genoemde redenen.

44.      Om te beginnen herinner ik eraan dat de geleidelijke harmonisatie(27) door de achtereenvolgende richtlijnen inzake btw niet volledig is, maar in deze fase slechts gedeeltelijk, zoals het Hof herhaaldelijk heeft vastgesteld.(28)

45.      Wat meer bepaald de inhoud betreft van de facturen die richtlijn 2006/112 voor btw-doeleinden vereist, bevat afdeling 4, met het opschrift „Inhoud van de facturen” en opgenomen onder hoofdstuk 3, „Facturering”, weliswaar bepalingen die op dit vlak een harmonisatie tot stand brengen, meer bepaald door een reeks verplichte vermeldingen op te sommen en door de lidstaten de mogelijkheid te ontzeggen het ondertekenen van facturen te verplichten(29), maar die harmonisatie heeft enkel betrekking op de inhoud van de facturen en niet op de praktische voorwaarden voor de opstelling ervan(30). Inzonderheid is in de bepalingen van afdeling 4 nergens dwingend neergelegd welke taal in dit verband moet worden gebruikt. Daarnaast bevat richtlijn 2006/112 geen andere bepalingen die geharmoniseerde taalvereisten inzake facturering bevatten.

46.      In dit verband zij benadrukt dat de strekking van artikel 248 bis van richtlijn 2006/112 veel beperkter is dan die welke de Belgische regering eraan wil geven. Uit de bewoordingen van deze bepaling blijkt immers dat zij er geenszins toe strekt de lidstaten de mogelijkheid te bieden op algemene wijze het gebruik van een bepaalde taal bij de opstelling van facturen te eisen, en zeker niet noodzakelijkerwijze de taal van de lidstaat waar de factuur wordt uitgereikt, zoals de Belgische regering stelt.

47.      Artikel 248 bis bevat slechts een mogelijkheid – geen verplichting – voor de lidstaat van bestemming om een eenvoudige vertaling in zijn officiële taal te eisen, en niet de opstelling van de factuur zelf in die taal(31), en dit enkel indien hij dit voor facturen die elektronisch worden bewaard in een andere lidstaat nodig acht „voor controledoeleinden”, niet op systematische wijze(32). Dit artikel sluit zelfs uitdrukkelijk uit dat de lidstaat van bestemming op algemene wijze verplicht om de facturen met het oog daarop te vertalen(33), aangezien de verplichte vertaling van facturen „een niet geringe extra last voor ondernemingen [vormt]”, zoals terecht is opgemerkt tijdens de wetgevende procedure die heeft geleid tot de opname van dat artikel in richtlijn 2006/112.(34)

48.      Deze bepaling wijkt af van de algemene strekking van richtlijn 2006/112, zodat zij strikt moet worden toegepast, aangezien het beginsel is en moet blijven dat de partijen bij de economische betrekking die aanleiding geeft tot een grensoverschrijdende factuur, de taal ervan vrij kiezen, zoals de Commissie ter terechtzitting heeft benadrukt.(35)

49.      Bijgevolg moet de prejudiciële vraag volgens mij, bij ontbreken van volledige harmonisatie door bepalingen van afgeleid Unierecht op het gebied dat het voorwerp van het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing vormt, te weten de taalregeling die in acht moet worden genomen bij de opstelling van grensoverschrijdende facturen, aldus worden geherformuleerd dat zij betrekking heeft op artikel 35 VWEU.(36)

B –    Verenigbaarheid van een nationale regeling zoals die in het hoofdgeding met artikel 35 VWEU

50.      Met de prejudiciële vraag, zoals geherformuleerd, wordt het Hof in wezen verzocht om te onderzoeken of nationale maatregelen zoals de betrokken maatregelen het handelsverkeer tussen de lidstaten aldus beperken dat zij maatregelen van gelijke werking als een kwantitatieve uitvoerbeperking in de zin van artikel 35 VWEU zijn, en zo ja, of dergelijke maatregelen niettemin kunnen worden geacht in overeenstemming te zijn met het Unierecht omdat zij hun rechtvaardiging vinden in doelstellingen van algemeen belang en evenredig zijn met die doelstellingen.

51.      De verwijzende rechter wenst in het bijzonder te vernemen of het oordeel van het Hof in het arrest Las(37) dat de bepalingen inzake sociale betrekkingen in dezelfde taalregeling als die welke in casu aan de orde is, niet verenigbaar waren met het vrije verkeer van werknemers(38), kan worden betrokken op de context van de onderhavige zaak, waarin die regeling deze keer wordt getoetst aan het vrije verkeer van goederen.

1.      Bestaan van maatregelen van gelijke werking als een kwantitatieve uitvoerbeperking in de zin van artikel 35 VWEU

a)      Gevolgtrekkingen uit het arrest Las

52.      Net als de zaak die heeft geleid tot het arrest Las(39) betreft de onderhavige zaak in wezen de mogelijke onverenigbaarheid met het Unierecht van een in een lidstaat geldende regeling waarin is bepaald dat ondernemingen die hun zetel hebben op het grondgebied van een gefedereerde eenheid van die lidstaat, in casu het Vlaamse Gewest in het Koninkrijk België, bij het opstellen van bepaalde documenten, op straffe van door de rechter ambtshalve aan te voeren nietigheid, de officiële taal van die eenheid moeten gebruiken, te weten het Nederlands, zelfs wanneer deze documenten worden opgesteld in het kader van grensoverschrijdend handelsverkeer en de betrokken partijen elkaar beter zouden begrijpen in een andere taal.

53.      In het arrest Las heeft het Hof om te oordelen dat een dergelijke regeling een afschrikkende werking kon hebben voor uit andere lidstaten afkomstige niet-Nederlandstalige werknemers en werkgevers en dus een beperking in strijd met artikel 45 VWEU vormde, met name vastgesteld dat een dergelijke maatregel, zelfs wanneer hij zonder discriminatie op grond van nationaliteit van toepassing was, het gebruik van het vrije verkeer van werknemers minder aantrekkelijk kon maken, aangezien in het Vlaamse Gewest gevestigde werkgevers hun arbeidsovereenkomsten met een grensoverschrijdend karakter enkel rechtsgeldig in het Nederlands konden opstellen.(40)

54.      Die redenering kan niet automatisch worden overgenomen in de onderhavige zaak, aangezien het onderzoek door het Hof van de verenigbaarheid met artikel 45 VWEU niet volledig identiek is aan een toetsing aan artikel 35 VWEU, dat maatregelen van gelijke werking als kwantitatieve uitvoerbeperkingen verbiedt, die dus worden gekwalificeerd aan de hand van criteria in de rechtspraak die enigszins verschillen van de criteria die gelden voor het vrije verkeer van werknemers.

55.      Volgens de rechtspraak van het Hof zijn de op grond van artikel 35 VWEU verboden maatregelen immers de maatregelen „die een specifieke beperking van het uitgaande goederenverkeer tot doel of tot gevolg hebben en aldus tot een ongelijke behandeling van de binnenlandse handel en de uitvoerhandel van een lidstaat leiden, waardoor aan de nationale productie of de binnenlandse markt van de betrokken lidstaat ten koste van de productie of de handel van andere lidstaten een bijzonder voordeel wordt verzekerd”.(41)

56.      Het Hof heeft deze benadering evenwel versoepeld in een context vergelijkbaar met die van de onderhavige zaak, door daaraan toe te voegen dat een nationale regeling, „ook al is [zij] van toepassing op alle op het nationale grondgebied handelende marktdeelnemers”, kan worden gekwalificeerd als een maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve uitvoerbeperking voor zover wordt vastgesteld dat deze regeling „niettemin nadeliger is voor de uitvoer van producten van de markt van de uitvoerende lidstaat dan voor de handel in producten op de nationale markt van die lidstaat”.(42)

57.      In casu moet aan de hand van deze criteria worden nagegaan of de betrokken taalregeling een door artikel 35 VWEU verboden beperkende maatregel kan vormen.

b)      Kenmerken van de beperkende maatregelen in de onderhavige zaak

58.      In zijn verzoek om een prejudiciële beslissing noemt de verwijzende rechter verschillende elementen op grond waarvan kan worden aangenomen dat de Vlaamse taalregeling de uitoefening van de in het Verdrag neergelegde vrijheden van verkeer kan beperken. Anders dan de Belgische regering voeren ook New Valmar en de Commissie een aantal argumenten aan voor deze kritische benadering.(43) Om de hierna genoemde redenen geef ik het Hof in overweging deze benadering te volgen.

59.      De regeling die in het hoofdgeding aan de orde is, is weliswaar zonder onderscheid van toepassing, ongeacht de nationaliteit van de betrokken partijen of de oorsprong of bestemming van de goederen, aangezien zij dwingend is voor alle ondernemingen met zetel in het Nederlandse taalgebied van het Koninkrijk België. Op zich volstaat het evenwel niet dat er geen sprake is van directe discriminatie, gelet op de reeds aangehaalde rechtspraak van het Hof, waarin wordt erkend dat de toepassingsvoorwaarden van artikel 35 VWEU soms vervuld kunnen zijn ondanks die vaststelling.(44) Op grond van de uit die rechtspraak voortvloeiende criteria is een taalregeling zoals de regeling in het hoofdgeding naar mijn mening nadeliger voor de uitvoer van de betrokken lidstaat dan voor de handel in de producten op zijn nationale markt.

60.      Ik meen dat de omstandigheid dat facturen in het Nederlands moeten worden opgesteld hier namelijk aanzienlijk meer praktische problemen doet rijzen voor de grensoverschrijdende handel dan voor de interne handel. Het grootste nadeel van een verbod om een andere authentieke – en dus bindende – versie op te stellen, in een vrij door de betrokken partijen gekozen taal, is dat deze partijen wordt belet te kiezen voor een taal die zij beiden beheersen en in het bijzonder een meer gangbare taal in het internationale handelsverkeer.

61.      Zoals de verwijzende rechter terecht opmerkt, zal de ontvanger van een dergelijke factuur moeilijkheden ondervinden om deze snel te begrijpen, tenzij hij Nederlandstalig is, wat uiteraard minder waarschijnlijk is indien de betrokkene in een andere lidstaat(45) is gevestigd dan wanneer hij in België verblijft, waar het Nederlands een van de officiële talen is.(46)

62.      De Belgische regering brengt daartegen in dat een koper die een factuur in het Nederlands niet begrijpt, meteen een vertaling kan eisen, en daarnaast bij twijfel die factuur kan betwisten. Ik meen evenwel dat de belasting die beide stappen inhouden, een gemiddelde koper kan ontmoedigen om een overeenkomst te sluiten met een in het Vlaamse Gewest gevestigde onderneming, indien hij dit probleem detecteert vóór de contractsluiting, of minstens om opnieuw een handelstransactie met die onderneming aan te gaan, indien hij zich hiervan pas bewust wordt na afloop van de transactie.

63.      Zoals de Commissie op goede gronden opmerkt, stelt de onderneming die een factuur in een opgelegde taal uitreikt, zich in deze context bloot aan een verhoogd risico op wanbetaling, aangezien de buitenlandse wederpartij – al dan niet naar waarheid – zou kunnen aanvoeren dat zij de factuur niet begrijpt, zoals de Belgische regering overigens lijkt te erkennen. Juist dit was in casu het geval, aangezien de Italiaanse vennootschap die mogelijk de debiteur van de litigieuze facturen is, zich beroept op de Vlaamse taalregeling volgens een in mijn ogen paradoxaal(47) procedé, dat niettemin kan leiden tot een voor haar gunstige uitkomst in de door New Valmar ingeleide procedure.

64.      De Belgische regering stelt dat de verwijzende rechter ten onrechte verwijst naar de verloren tijd en de kosten voor de vertaling van de facturen van het Nederlands naar een taal die de ontvanger ervan begrijpt, op grond dat dit in het internationale handelsverkeer nagenoeg niet te vermijden is en dat de Vlaamse ondernemingen de vertaalkosten moeten dragen indien zij hun facturen in de vreemde taal van hun keuze mochten opstellen. Dit is evenwel niet het geval voor exporteurs die de interne middelen hebben om direct, dus zonder vertaalkosten, een taal te gebruiken die zij specifiek beheersen.(48) Door het gebruik van het Nederlands op te leggen, veroorzaakt de aan de orde zijnde regeling voor de betrokken ondernemingen die in het buitenland willen verkopen dus vertaalkosten die anders niet noodzakelijk waren geweest.

65.      Zelfs indien zou blijken dat de vereisten die voortvloeien uit de betrokken regeling geen volledige eentaligheid opleggen, maar enkel betrekking hebben op de verplichte vermeldingen inzake btw, zoals de Belgische regering stelt, zou een mogelijk verplicht gebruik van twee talen naar mijn mening hoe dan ook reeds een te zware materiële verplichting vormen, inzonderheid in het kader van het internationale handelsverkeer. De verplichting om de facturen in voorkomend geval in twee talen op te stellen, namelijk het Nederlands voor bepaalde verplichte vermeldingen – volgens de opmerkingen van die regering – en een andere, door partijen gekozen taal voor de andere vermeldingen, is voor de exporterende Belgische ondernemingen immers nauwelijks werkbaar in de praktijk, vooral wanneer zij op grote schaal uitvoeren en dus veel facturen opstellen voor verschillende buitenlandse partners.

66.      Deze regeling heeft bijgevolg een afschrikkende werking voor het intracommunautaire handelsverkeer, niet alleen voor ondernemingen met zetel in het Vlaamse Gewest die hun goederen naar andere lidstaten willen uitvoeren, zoals New Valmar aanvoert, maar ook voor buitenlandse ondernemingen die transacties met die ondernemingen willen aangaan maar mogelijk worden tegengehouden door de onzekerheid met betrekking tot de levering door de verplichte opstelling van de facturen in het Nederlands. Ik voeg daaraan toe dat uit die nationale maatregelen voor beide partijen ook aanzienlijke rechtsonzekerheid voortvloeit gezien de radicale sancties(49) die daarin zijn neergelegd. Deze onzekerheid is volgens mij in het bijzonder merkbaar wanneer de partijen ervoor hebben gekozen hun overeenkomst aan de wetgeving van een andere lidstaat te onderwerpen, zoals in het hoofdgeding het geval is.

67.      Als tegenargument voor deze analyse voert de Belgische regering ook aan dat een onderscheid moet worden gemaakt tussen de onderhavige zaak en de zaak die heeft geleid tot het arrest Las(50), hoewel zij dezelfde taalregeling betreffen, omdat het hoofdgeding in casu geen rechtstreeks verband heeft met het sluiten van de door partijen ondertekende overeenkomst, aangezien het betrekking heeft op facturen en de betrokken regeling geen afbreuk heeft gedaan aan hun vrije keuze van de taal waarin zij hun overeenkomst hebben opgesteld.

68.      De verwijzende rechter merkt echter terecht op dat de litigieuze facturen een bevestiging vormen van schuldvorderingen uit een eerdere overeenkomst(51) en dat een dergelijke regeling kan verhinderen dat contractanten elkaar spontaan en correct begrijpen met betrekking tot de in het kader van de uitvoering van hun overeenkomst geformuleerde betalingsaanspraken. In casu bestaat er dus een nauw verband tussen die facturen en de uitvoering van de overeenkomst waaruit zij voortvloeien. Bovendien kunnen uit de facturen zelf ook verbintenissen rechtens ontstaan, naast de verbintenissen uit die overeenkomst.(52) Daarnaast krijgen handelsbetrekkingen vaak een concrete vorm door het opstellen van een factuur, zonder dat deze wordt voorafgegaan door een schriftelijke overeenkomst. In de twee laatstgenoemde gevallen bepaalt de betrokken regeling zonder twijfel de taal van de wilsovereenstemming. Tot slot zij benadrukt dat ondanks de omstandigheid dat deze regeling niet tot doel heeft de redactie van de overeenkomsten zelf te regelen, zij daadwerkelijk tot gevolg kan hebben dat het sluiten of voortzetten van handelstransacties met in een andere lidstaat gevestigde personen wordt belemmerd, zoals ik heb uiteengezet(53).

69.      Gelet op een en ander ben ik van mening dat dergelijke nationale maatregelen wel degelijk een rechtstreekse invloed hebben op intracommunautaire transacties. Volgens mij valt het onderhavige geval dan ook niet onder de rechtspraak waarin het Hof een nationale regeling niet strijdig met het Unierecht verklaart wanneer „[d]e beperkende werking die [deze] op het vrije verkeer van goederen zou kunnen hebben, [...] zo onzeker en indirect [is], dat men van deze [regeling] niet kan zeggen dat zij de handel tussen de lidstaten belemmert”.(54) In dit verband zij in de eerste plaats opgemerkt dat de beperkende werking in casu niet afhangt van een toekomstige en onzekere gebeurtenis, maar van een gewone uitoefening van het recht op vrij verkeer van goederen, en in de tweede plaats dat de omvang van die werking in de praktijk niet relevant is, aangezien elke beperking van die vrijheid, hoe klein ook, verboden is.(55)

70.      Ik meen derhalve dat een taalregeling zoals in het hoofdgeding aan de orde, waarbij alle ondernemingen die zijn gevestigd in een gefedereerde eenheid van de betrokken lidstaat, worden verplicht hun facturen in een bepaalde officiële taal op te stellen, een maatregel van gelijke werking als kwantitatieve uitvoerbeperkingen in de zin van artikel 35 VWEU vormt. Thans moet nog worden onderzocht of een dergelijke regeling niettemin kan worden gerechtvaardigd uit het oogpunt van het Unierecht.(56)

2.      Mogelijke rechtvaardiging van beperkende maatregelen zoals in casu aan de orde

71.      Volgens de rechtspraak van het Hof kan een nationale maatregel die de uitoefening van een in het Verdrag neergelegde vrijheid van verkeer beperkt maar een doel van algemeen belang nastreeft, verenigbaar met het Unierecht worden verklaard op de dubbele voorwaarde dat hij geschikt is om de verwezenlijking van dat doel te waarborgen en niet verder gaat dan noodzakelijk is om dat doel te bereiken.(57)

a)      Aangevoerde doelstellingen van algemeen belang

72.      Een nationale maatregel die, hoewel van toepassing ongeacht de nationaliteit van de betrokkenen of de oorsprong van de producten, wordt beschouwd als een belemmering van het vrije verkeer van goederen, kan niettemin verenigbaar met het Unierecht worden verklaard, hetzij omdat hij zijn rechtvaardiging vindt in een van de in artikel 36 VWEU omschreven gronden van algemeen belang en voldoet aan de daarin neergelegde vereisten(58), hetzij omdat hij beantwoordt aan in de rechtspraak van het Hof erkende dwingende vereisten van algemeen belang en geschikt is om het gestelde doel te bereiken en daarmee evenredig is(59).

73.      Wat de eerste categorie van uitzonderingen betreft, stelt de Commissie weliswaar voor om artikel 36 VWEU in aanmerking te nemen voor het antwoord op de prejudiciële vraag, maar geen van de in die bepaling opgesomde rechtvaardigingsgronden is uitdrukkelijk aangevoerd of lijkt mij overigens wezenlijk relevant in de onderhavige zaak.

74.      Wat de tweede categorie van uitzonderingen betreft, gaat enkel de Commissie in op de mogelijkheid om de rechtvaardiging van beperkende maatregelen zoals hier aan de orde te stoelen op de bescherming van de consument.(60) Zij meent echter zelf terecht dat deze doelstelling van algemeen belang in casu niet kan worden toegepast als rechtvaardigingsgrond voor de beperking van het vrije verkeer van goederen, aangezien het hoofdgeding de verhouding tussen twee professionele contractanten betreft, zonder enige directe invloed op de consument.

75.      Dientengevolge gaat het er voornamelijk om te bepalen of, en in voorkomend geval in hoeverre, de rechtvaardigingsgronden die het Hof heeft aanvaard in het arrest Las(61) met betrekking tot de bepalingen van de Vlaamse taalregeling die op dat ogenblik golden voor de sociale betrekkingen, kunnen worden uitgebreid naar de onderhavige zaak. In dat arrest heeft het Hof geoordeeld dat de drie door de Belgische regering aangevoerde doelstellingen – het gebruik van een van de officiële talen van het Koninkrijk België bevorderen en stimuleren, de sociale bescherming van de werknemers verzekeren en de desbetreffende administratieve controles vergemakkelijken – dwingende vereisten van algemeen belang vormen die een beperking van de uitoefening van de in het Verdrag erkende fundamentele vrijheden kunnen rechtvaardigen.

76.      De eerste van die drie gronden wordt ook in de onderhavige zaak aangevoerd door de Belgische regering, die betoogt dat de betrokken regeling tegemoetkomt aan de noodzaak om het gebruik van de officiële taal van het Vlaamse Gewest te beschermen. Uit de rechtspraak volgt inderdaad dat de aanmoediging en bevordering van het gebruik van (een van) de officiële talen van een lidstaat een legitieme doelstelling is die in beginsel een beperking van de door het Unierecht opgelegde verplichtingen kan rechtvaardigen.(62) Dit geldt in het bijzonder voor het verbod van maatregelen van gelijke werking als kwantitatieve uitvoerbeperkingen zoals neergelegd in artikel 35 VWEU. Gelet op de specifieke functies die officiële documenten zoals facturen niet enkel in de commerciële maar ook in de publiekrechtelijke sfeer vervullen(63), kan een maatregel zoals de maatregel die in het hoofdgeding aan de orde is, volgens mij geschikt zijn om het algemene gebruik van een dergelijke taal in die verschillende domeinen te vrijwaren, zoals de Litouwse regering benadrukt(64).

77.      Voorts stelt de Belgische regering dat de wettelijke verplichting om het Nederlands te gebruiken voor het opstellen van die documenten de snelheid en de doeltreffendheid van de controle inzake btw door de bevoegde diensten waarborgt. In tegenstelling tot de Litouwse regering betwist New Valmar deze stelling. Ik herinner eraan dat het Hof herhaaldelijk heeft geoordeeld dat de doelstelling om administratieve of fiscale controles te vergemakkelijken en dus te versterken een rechtvaardiging kan vormen voor beperkingen van de in het Verdrag neergelegde fundamentele vrijheden.(65) Een taalregeling zoals die in casu aan de orde kan op zichzelf beschouwd behulpzaam zijn voor de autoriteiten die belast zijn met de controles van de bescheiden van ondernemingen(66), en aldus de naleving van de bepalingen van intern recht en Unierecht waarborgen, in het bijzonder op het gebied van indirecte belastingen.(67)

78.      De Belgische regering voert volgens mij deze twee dwingende vereisten van algemeen belang terecht aan als mogelijke rechtvaardiging voor de belemmering van het vrije verkeer van goederen die volgens mij vast is komen te staan, maar er dient alsnog te worden nagegaan of een regeling zoals aan de orde in het hoofdgeding evenredig is met deze doelstellingen, met name in het licht van de daarin neergelegde sancties. Ik ben van mening dat in de onderhavige zaak niet is voldaan aan dit evenredigheidscriterium.

b)      Onevenredigheid van de aangewende middelen

i)      Gevolgtrekkingen uit het arrest Las

79.      De verwijzende rechter wenst te vernemen of het ontkennende antwoord op grond van onevenredigheid dat in het arrest Las(68) is gegeven met betrekking tot de bepalingen van de betrokken taalregeling die golden voor sociale betrekkingen, kan worden overgenomen in het onderhavige geding, met name gelet op de omstandigheid dat de sanctie in geval van schending van deze regeling, te weten absolute nietigheid die ambtshalve door de rechter moet worden vastgesteld(69), ook geldt voor de litigieuze facturen.

80.      De Commissie stelt dat in casu dezelfde gronden van kritiek betreffende de evenredigheidstoets die het Hof in aanmerking nam in het arrest Las(70), mutatis mutandis van toepassing zijn. Ik wens hierover enkele opmerkingen te maken, gezien de verschillen tussen de zaak die heeft geleid tot dat arrest en de onderhavige zaak.

81.      Het eerste punt van kritiek van het Hof had immers betrekking op de omstandigheid dat de vorming van een vrije en geïnformeerde wilsovereenstemming tussen de partijen vereist dat zij hun overeenkomst kunnen opstellen in een andere taal dan de officiële taal van die lidstaat wanneer zij laatstbedoelde taal niet beheersen. De vraag rijst of deze beoordelingsfactor niet minder belangrijk is in het hoofdgeding, dat geen betrekking heeft op het sluiten van een overeenkomst als dusdanig(71), maar op het opstellen van facturen, die door de wet voorgeschreven documenten zijn en dus niet louter op wilsovereenstemming zijn gebaseerd, ook al spelen zij een rol in het handelsverkeer. Niettemin kunnen facturen, los van de oorspronkelijke overeenkomst waarvan zij de uitvoering verzekeren, zelf rechtsgevolgen doen ontstaan voor de partijen of de neerslag vormen van de wilsovereenstemming waaruit de contractuele verhouding ontstaat.(72)

82.      Het tweede punt van kritiek had betrekking op de omstandigheid dat het krachtens de betrokken regeling niet mogelijk was van grensoverschrijdende arbeidsovereenkomsten ook een rechtsgeldige versie in een door alle betrokken partijen begrepen taal op te stellen. Het beslissende belang van deze kritiek in de onderhavige zaak heeft ook aanleiding gegeven tot voorbehoud, voor zover volgens de Belgische regering, anders dan volgens de verwijzingsbeslissing, het verplichte gebruik van het Nederlands in casu beperkt is tot de wettelijke vermeldingen inzake btw en niet wordt uitgebreid naar de andere elementen van de facturen, zoals die van contractuele aard.(73) Het staat weliswaar aan de verwijzende rechter vast te stellen of dit het geval is naar Belgisch recht(74), maar indien dit het geval zou zijn, lijkt het mij noodzakelijk een antwoord te geven op de prejudiciële vraag waarbij rekening wordt gehouden met de onzekerheid die aldus bestaat wat betreft de omvang van de in casu opgelegde taalvereisten.

83.      Ondanks deze overwegingen ben ik net als New Valmar, de Litouwse regering en de Commissie van mening dat een taalregeling zoals die in het hoofdgeding aan de orde niet voldoet aan de uit het Unierecht voortvloeiende verplichtingen, aangezien zij verder gaat dan strikt noodzakelijk is om de bovengenoemde doelstellingen van algemeen belang(75) te verwezenlijken, zowel gelet op de plaats die aan de betrokken taal wordt toegekend als gelet op de sanctie in geval van schending van die regeling.

ii)    Exclusief gebruik van een bepaalde officiële taal

84.      Volgens mij kunnen de aangevoerde doelstellingen van algemeen belang – het gebruik van een officiële taal bevorderen en controles vergemakkelijken – even goed worden gewaarborgd door maatregelen die het vrije verkeer van goederen minder aantasten dan het verplichte gebruik van een bepaalde taal in de bescheiden van ondernemingen, zoals facturen, met uitsluiting van elke andere officiële taal van de lidstaten van de Unie.

85.      Ik wens te verduidelijken dat mijn standpunt hetzelfde blijft indien deze verplichting inderdaad, zoals de Belgische regering stelt, enkel zou gelden voor de wettelijke vermeldingen inzake btw, om de praktische redenen die ik hierboven heb genoemd(76) en die welke hierna volgen.

86.      Om te beginnen mag niet voorbij worden gegaan aan de omstandigheid dat de verplichting om een factuur uit te reiken niet enkel strekt tot(77) bescherming van overheidsbelangen, die onder meer administratieve of fiscale controles door de bevoegde nationale autoriteiten rechtvaardigen, maar ook van particuliere belangen, inzonderheid die van de koper, die duidelijk moet worden geïnformeerd over de inhoud van de levering. Deze twee categorieën van belangen moeten naar behoren tegen elkaar worden afgewogen om een juist evenwicht tussen beide te vinden. Wanneer een wettelijke regeling bepaalt dat een factuur in een bepaalde taal moet worden opgesteld, is het volgens mij uiterst belangrijk dat de ontvanger die deze taal niet beheerst, over een andere authentieke versie kan beschikken, voor een eenvoudiger begrip van de gegevens op die factuur(78) en om zich er dus van te vergewissen dat de verkoper zijn contractuele verbintenissen is nagekomen.

87.      Daarnaast zijn er overwegingen die samenhangen met de betrekkingen in het internationale handelsverkeer, die een versoepeling van de wettelijke – in casu taalkundige – vereisten kunnen vergen om de grensoverschrijdende handel niet te zeer te belemmeren. Zoals de Litouwse regering en de Commissie benadrukken, bestaan er in deze bijzondere context specifieke problemen, zoals die welke New Valmar terecht aanhaalt(79), en handelsgebruiken(80), waarmee zo veel mogelijk rekening zou moeten worden gehouden om dit soort handel te bevorderen, in het bijzonder binnen de Unie.(81) Die overwegingen gelden vooral voor de op de facturen vermelde gegevens die onder de contractvrijheid vallen, zoals de algemene verkoopvoorwaarden, maar het is volgens mij ook zinvol, en zelfs noodzakelijk, dat verplichte vermeldingen zoals die inzake btw waarnaar de Belgische regering verwijst, evenzeer begrijpelijk zijn voor alle partijen bij de grensoverschrijdende economische betrekking.

88.      Taalregels zoals die in het hoofdgeding lijken mij verder te gaan dan strikt noodzakelijk is om het gebruik van het Nederlands te bevorderen en de bevoegde autoriteiten in staat te stellen de nuttige vermeldingen te controleren. Volgens mij kan er in de praktijk mee worden volstaan de betrokken partijen, wanneer zij facturen in een andere taal wensen op te stellen, te verplichten in een Nederlandse vertaling te voorzien van louter de wettelijke vermeldingen of, in voorkomend geval, achteraf een vertaling op te stellen indien een dergelijke versie niet onmiddellijk bij een controle wordt overgelegd.

89.      In dat verband herinner ik er om te beginnen aan dat inzake btw de bovengenoemde bepalingen van richtlijn 2006/112 de lidstaten van bestemming enkel de mogelijkheid verlenen een vertaling van bepaalde in een vreemde taal opgestelde facturen te eisen wanneer dit nodig is voor controledoeleinden.(82)

90.      Voorts vindt dit standpunt steun in alternatieve oplossingen die zijn neergelegd in andere bepalingen die ook van toepassing zijn op het Belgische grondgebied. Enerzijds zijn er de bepalingen van de Franse Gemeenschap van het Koninkrijk België, die vergelijkbaar zijn met, maar niet identiek aan de bepalingen die in casu aan de orde zijn, waarin is neergelegd dat de bescheiden van ondernemingen, zoals facturen die worden opgesteld door personen met zetel in het Franse taalgebied in beginsel in het Frans moeten worden opgesteld, „onverminderd het aanvullende gebruik van de door partijen gekozen taal”.(83) Een dergelijke mogelijkheid om aanvullend een andere taal dan die van het betrokken taalgebied te gebruiken, die door de betrokken partijen wordt gekozen en die zij dus waarschijnlijk allen beter beheersen dan het Frans, is een minder beperkende maatregel dan de verplichting om in het handelsverkeer uitsluitend één bepaalde taal te gebruiken.(84)

91.      Anderzijds heeft de Vlaamse Gemeenschap zelf in 2014 het bovengenoemde Vlaamse Taaldecreet(85) in die zin gewijzigd dat de bepalingen ervan inzake de arbeidsbetrekkingen minder streng zijn geworden dan ten tijde van de zaak die heeft geleid tot het arrest Las(86). Artikel 5, § 1, van dit decreet bepaalt nog steeds dat in beginsel het Nederlands wordt gebruikt in het Vlaamse Gewest, maar volgens § 2 kan voortaan voor „individuele arbeidsovereenkomsten” bijkomend „een rechtsgeldige versie worden opgemaakt in een [...] door alle betrokken partijen begrepen [officiële taal van de Europese Unie of van een van de lidstaten van de Europese Economische Ruimte (EER)]”, mits er bepaalde aanknopingspunten met het grondgebied van die lidstaten bestaan.(87)

92.      Soortgelijke taalmaatregelen als een van deze oplossingen, die beide minder beperkend zijn voor het vrije verkeer van goederen dan de regeling in het hoofdgeding, zijn geschikt om de door de Belgische regering aangevoerde doelstellingen van algemeen belang te waarborgen, en kunnen volgens mij ook in het kader van de onderhavige zaak worden vastgesteld.

iii) Sanctie en praktische gevolgen daarvan

93.      Ter betwisting van de grief dat de betrokken taalregeling niet evenredig is, voert de Belgische regering aan dat de impact van de sanctie bij schending, namelijk door de rechter ambtshalve vast te stellen nietigheid, in de onderhavige zaak kleiner is dan in de zaak die heeft geleid tot het arrest Las(88). Zij betoogt dat er in casu, anders dan in het hoofdgeding van laatstgenoemde zaak, waar de niet in het Nederlands opgestelde arbeidsovereenkomst nietig moest worden verklaard, enkel een gevolg kan zijn voor de geldigheid van de litigieuze facturen en niet voor die van de concessieovereenkomst tussen de betrokken partijen. Aangezien de facturen louter de schuldvorderingen bevestigen die hun oorsprong vinden in de tussen partijen gesloten overeenkomst, verhindert de nietigverklaring van de facturen de inning van die schuldvorderingen niet en bovendien kunnen de onregelmatige documenten worden vervangen door nieuwe, geldige facturen.

94.      New Valmar brengt daartegen in dat de impact van de nietigheid weliswaar wordt getemperd doordat de verkoper pendente lite vervangende facturen kan opstellen, maar dat deze tempering slechts theoretisch is. Deze onderneming wijst op een aantal schadelijke gevolgen indien zij verplicht is de debiteur nieuwe facturen te sturen en geen kopieën in het Nederlands van de originele facturen. Op fiscaal vlak geldt de btw-vrijstelling voor intracommunautaire leveringen niet voor deze vervangende facturen, aangezien deze vrijstelling enkel ingang vindt zodra de goederen het nationale grondgebied verlaten en niet op een later moment. Op civielrechtelijk vlak begint de aan de verkoper verschuldigde vertragingsrente op de opeisbare facturen pas te lopen vanaf de datum van de vervanging, terwijl een debiteur die de oorspronkelijke facturen niet binnen de wettelijk gestelde termijn heeft betwist, de vervangende facturen toch nog zou kunnen betwisten.(89)

95.      Volgens mij zijn de sancties die zijn neergelegd in de regeling in het hoofdgeding niet noodzakelijk om de door de Belgische regering aangevoerde doelstellingen van algemeen belang te verwezenlijken, aangezien de nietigverklaring van facturen die niet in het Nederlands zijn opgesteld, niet rechtstreeks bijdraagt tot de bevordering van die taal of eenvoudigere administratieve of fiscale controles op zich. Bovendien zijn deze drastische sancties volgens mij kennelijk overdreven.

96.      Zoals de Litouwse regering en de Commissie hebben benadrukt, kan de absolute nietigheid, waardoor de rechtsgevolgen van dergelijke facturen ab initio verdwijnen en die ambtshalve door de rechter moet worden aangevoerd, een bron van aanzienlijke rechtsonzekerheid zijn voor beide partijen bij de betrokken economische verhouding, wat nadelig is voor de grensoverschrijdende handel, terwijl deze op grond van het Unierecht juist moet worden aangemoedigd.

97.      Die vaststelling lijkt mij vooral juist te zijn voor de verkoper. Gelet op de elementen waarover het Hof beschikt, kan niet a priori worden uitgesloten dat deze door de verplichte overlegging van een vervangende factuur in het Nederlands, niet enkel te maken krijgt met verwikkelingen op het vlak van btw of het verlies van vertragingsrente op basis van de oorspronkelijke factuur, maar ook met verjaringskwesties inzake de uitreiking van de nieuwe factuur, zoals New Valmar aanvoert.(90) Bovendien kan de onderneming die facturen in een andere dan de verplichte taal heeft uitgereikt, worden geconfronteerd – zoals in het hoofdgeding – met een louter opportunistische betwisting van de geldigheid van die documenten waarbij haar schuldvorderingen worden vastgesteld.(91) Daarnaast komt het mij voor dat de ontvanger van de onregelmatige facturen ook kan worden benadeeld door deze sanctieregeling, zij het in mindere mate, voor zover de nietig verklaarde facturen hun bewijswaarde geheel of deels kunnen verliezen.(92)

98.      Het staat weliswaar aan de verwijzende rechter te beoordelen of er in casu daadwerkelijk sprake is van deze mogelijke negatieve gevolgen, in het licht van het in het hoofdgeding toepasselijke recht, maar de in de betrokken taalregeling gekozen middelen lijken mij hoe dan ook op zichzelf beschouwd overdreven. Om de beoogde doelstellingen te bereiken kan volgens mij een beroep worden gedaan op sancties die het vrije verkeer van goederen minder beperken.

99.      Gelet op een en ander ben ik van mening dat artikel 35 VWEU aldus moet worden uitgelegd dat het in de weg staat aan een regeling van een gefedereerde eenheid van een lidstaat, zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde is, die elke onderneming die haar exploitatiezetel op het grondgebied van deze eenheid heeft, de verplichting oplegt om facturen met een grensoverschrijdend karakter, zo niet volledig dan minstens wat betreft bepaalde verplichte vermeldingen(93), uitsluitend op te stellen in de officiële taal van deze gefedereerde eenheid, op straffe van door de rechter ambtshalve vast te stellen nietigheid.

V –    Conclusie

100. Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vraag van de rechtbank van koophandel Gent te beantwoorden als volgt:

„Artikel 35 VWEU moet aldus worden uitgelegd dat het in de weg staat aan een regeling van een gefedereerde eenheid van een lidstaat, zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde is, die elke onderneming die haar exploitatiezetel op het grondgebied van deze eenheid heeft, de verplichting oplegt om facturen met een grensoverschrijdend karakter, of althans bepaalde verplichte vermeldingen daarvan, uitsluitend op te stellen in de officiële taal van deze gefedereerde eenheid, op straffe van door de rechter ambtshalve vast te stellen nietigheid.”


1 – Oorspronkelijke taal: Frans.


2 – Arrest van 16 april 2013 (C‑202/11, EU:C:2013:239). In dit arrest heeft het Hof geoordeeld dat „[a]rtikel 45 VWEU [...] aldus [moet] worden uitgelegd dat deze bepaling in de weg staat aan een regeling van een gefedereerde eenheid van een lidstaat, zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde is, die elke werkgever die zijn exploitatiezetel op het grondgebied van deze eenheid heeft, de verplichting oplegt om arbeidsovereenkomsten met een grensoverschrijdend karakter uitsluitend op te stellen in de officiële taal van deze gefedereerde eenheid, op straffe van door de rechter ambtshalve aan te voeren nietigheid van deze overeenkomsten”.


3 – Gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994 (Belgisch Staatsblad, 17 februari 1994, blz. 4054).


4 – Bij koninklijk besluit van 18 juli 1966 gecoördineerde wetten (Belgisch Staatsblad, 2 augustus 1966, blz. 7799; hierna: „gecoördineerde wetten”).


5 – Decreet van 19 juli 1973 tot regeling van het gebruik van de talen voor de sociale betrekkingen tussen de werkgevers en de werknemers, alsmede van de voor de wet en de verordeningen voorgeschreven akten en bescheiden van de ondernemingen (Belgisch Staatsblad, 6 september 1973, blz. 10089; hierna: „Vlaams Taaldecreet”).


6 – Arrest van 16 april 2013 (C‑202/11, EU:C:2013:239).


7 – Decreet van 14 maart 2014 tot wijziging van artikel 1, 2, 4, 5, 12 en 16 van het decreet van 19 juli 1973 tot regeling van het gebruik van de talen voor de sociale betrekkingen tussen de werkgevers en de werknemers, alsmede van de door de wet en de verordeningen voorgeschreven akten en bescheiden van de ondernemingen (Belgisch Staatsblad, 22 april 2014, blz. 34369), dat in werking is getreden op 2 mei 2014. Zie dienaangaande eveneens punt 91 van deze conclusie.


8 – Verordening van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I) (PB 2008, L 177, blz. 6; hierna: „Rome I-verordening”), die volgens artikel 28 ervan van toepassing is op overeenkomsten die, zoals deze in het hoofdgeding, na 17 december 2009 zijn gesloten.


9 – Dit beginsel wordt met name in overweging 11 van de Rome I-verordening in herinnering gebracht.


10 – Zie overweging 37 van de Rome I-verordening.


11 – Overeenkomstig de vereisten van vaste rechtspraak van het Hof (zie onder meer arrest van 18 februari 2016, Finanmadrid EFC, C‑49/14, EU:C:2016:98, punten 28 e.v.).


12 – In de leden 2 en 3 van artikel 9 wordt een onderscheid gemaakt tussen de mogelijke invloed van bepalingen van bijzonder dwingend recht van de lidstaat van de rechter bij wie de zaak aanhangig is, en die van bepalingen van bijzonder dwingend recht van de staat waar de overeenkomst wordt uitgevoerd.


13 – Zie in dat verband met name Nuyts, A., „Les lois de police et dispositions impératives dans le Règlement Rome I”, Tijdschrift voor Belgisch handelsrecht, 2009, nr. 6, blz. 553 e.v., punt 10.


14 – Zie arrest van 17 oktober 2013, Unamar (C‑184/12, EU:C:2013:663, punten 47 en 50), waarin het Hof met betrekking tot het Verdrag van Rome van 19 juni 1980 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (PB 1980, L 266, blz. 1) heeft gepreciseerd dat het „dus aan de nationale rechter [staat] om in het kader van zijn beoordeling of de bepalingen van het nationaal recht, die hij in de plaats wil stellen van het uitdrukkelijk door de contractspartijen gekozen recht, ,bepalingen van bijzonder dwingend recht’ zijn, niet alleen rekening te houden met de precieze bewoordingen van deze bepalingen, maar ook met de algemene opzet en alle omstandigheden waarin deze bepalingen zijn vastgesteld, om daaruit te kunnen afleiden dat zij bepalingen van dwingend recht zijn, voor zover blijkt dat de nationale wetgever deze bepalingen heeft vastgesteld om een belang te beschermen dat voor de betrokken lidstaat fundamenteel is”. Zie ook de conclusie van advocaat-generaal Wahl in de zaak Unamar (C‑184/12, EU:C:2013:301, punten 30 e.v.).


15 – De Belgische regering verwijst dienaangaande naar de lijst van verplichte vermeldingen van artikel 5 van koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde (Belgisch Staatsblad, 31 december 1992, blz. 27976). Dit artikel is voor het laatst gewijzigd bij koninklijk besluit van 19 december 2012 (Belgisch Staatsblad, 31 december 2012, blz. 88559).


16 – In het kader van de gecoördineerde wetten lijkt het relatief duidelijk dat enkel de verplichte vermeldingen op de factuur worden beoogd, maar over de werkingssfeer van het Vlaamse Taaldecreet bestaat daarentegen controverse (zie met name Gosselin, F., „Le régime linguistique de la facture”, in La facture et autres documents équivalents, Ballon, G.‑L., en Dirix, E. (red.), Kluwer, Waterloo, 2011, punten 171 e.v. en punten 203 e.v.).


17 – Richtlijn van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB 2006, L 347, blz. 1), zoals gewijzigd bij richtlijn 2010/45/EU van de Raad van 13 juli 2010 tot wijziging van richtlijn 2006/112 wat de factureringsregels betreft (PB 2010, L 189, blz. 1).


18 – Zie met name arresten van 6 maart 2003, Kaba (C‑466/00, EU:C:2003:127, punt 41); van 1 juni 2006, innoventif (C‑453/04, EU:C:2006:361, punt 29), en van 8 juli 2010, Sjöberg en Gerdin (C‑447/08 en C‑448/08, EU:C:2010:415, punt 54).


19 – Arrest van 29 oktober 2009, Pontin (C‑63/08, EU:C:2009:666, punt 38).


20 – Zie met name arresten van 26 juni 2008, Burda (C‑284/06, EU:C:2008:365, punt 39); van 29 oktober 2009, Pontin (C‑63/08, EU:C:2009:666, punt 49), en van 28 juli 2011, Samba Diouf (C‑69/10, EU:C:2011:524, punten 59 e.v.).


21 – Arrest van 16 april 2013 (C‑202/11, EU:C:2013:239).


22 – Zie met name arresten van 26 november 2015, Aira Pascual e.a. (C‑509/14, EU:C:2015:781, punt 22), en van 17 december 2015, Viamar (C‑402/14, EU:C:2015:830, punt 29).


23 – Zie met name arrest van 1 oktober 2015, Doc Generici (C‑452/14, EU:C:2015:644, punten 33 e.v. en aldaar aangehaalde rechtspraak).


24 – Dienaangaande verwijst de Belgische regering naar het arrest van 11 december 2003, Deutscher Apothekerverband (C‑322/01, EU:C:2003:664, punt 64), waarin werd geoordeeld dat „[e]en nationale regeling in een materie die op communautair niveau uitputtend is geharmoniseerd, [...] aan de bepalingen van de harmonisatiemaatregel [moet] worden getoetst en niet aan die van primair recht”. Het Hof voegt daaraan evenwel toe dat „de bij [de in die zaak aan de orde zijnde bepaling van afgeleid recht] aan de lidstaten verleende bevoegdheid met inachtneming van het Verdrag moet worden uitgeoefend, zoals dit voorschrift uitdrukkelijk bepaalt” en dat deze bepaling „dus niet uit[sluit] dat het nationale verbod dat in het hoofdgeding aan de orde is, aan de artikelen 28 [tot en met] 30 EG moet worden getoetst” (zie punt 65).


25 – Artikel 248 bis, zoals het voortvloeit uit richtlijn 2010/45, luidt: „Voor controledoeleinden kunnen de lidstaten ten aanzien van bepaalde belastingplichtigen of in bepaalde gevallen met betrekking tot de facturen betreffende op hun grondgebied verrichte goederenleveringen of diensten en de facturen die worden ontvangen door op hun grondgebied gevestigde belastingplichtigen een vertaling in hun officiële taal of een van hun officiële talen eisen. De lidstaten kunnen de vertaling van de facturen evenwel niet als algemene regel voorschrijven.”


26 – Ter terechtzitting heeft de Belgische regering betoogd dat de omstandigheid dat de Italiaanse Republiek in casu aldus onder bepaalde voorwaarden een vertaling van een in het Nederlands opgestelde factuur zou kunnen eisen, slechts logisch is indien haar stelling wordt gevolgd dat een handelaar kan worden verplicht de factuur in een andere taal dan de taal van de ontvanger op te stellen.


27 – In overweging 6 van richtlijn 2006/112 wordt gepreciseerd dat „[h]et [...] noodzakelijk [is] fasegewijs te werk te gaan, omdat de harmonisatie van de omzetbelastingen in de lidstaten tot wijzigingen in de belastingstructuur leidt en merkbare gevolgen heeft op budgettair, economisch en sociaal terrein”.


28 – Zie met name arrest van 26 februari 2015, VDP Dental Laboratory e.a. (C‑144/13, C‑154/13 en C‑160/13, EU:C:2015:116, punt 60 en aldaar aangehaalde rechtspraak).


29 – Zie respectievelijk de artikelen 226 en 229 van richtlijn 2006/112.


30 – In haar mondelinge opmerkingen heeft de Commissie gesteld dat de communautaire regeling inzake btw slechts is geharmoniseerd op gebieden waar dit volstrekt noodzakelijk was om de neutraliteit van de fiscale druk op alle aan btw onderworpen economische activiteiten te waarborgen.


31 – In die zin heeft het Hof in zijn arrest van 18 juni 2009, Stadeco (C‑566/07, EU:C:2009:380, punt 33), met betrekking tot de Zesde btw-richtlijn (richtlijn 77/388/EEG van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag, PB 1977, L 145, blz. 1), zoals herschikt bij richtlijn 2006/112, geoordeeld dat het aan de verwijzende rechter stond om met inachtneming van alle relevante omstandigheden na te gaan, van welke lidstaat de btw op de betrokken factuur vermeld stond, waarbij onder meer rekening moest worden gehouden met „de taal waarin de factuur is opgesteld”, die volgens het Hof dus niet vooraf vaststond op grond van het gemeenschapsrecht.


32 – Deze specifieke doelstelling wordt in herinnering gebracht in overweging 46 van richtlijn 2006/112.


33 – In de eerste volzin van artikel 248 bis is bepaald dat het vereiste van een dergelijke vertaling slechts bepaalde facturen kan betreffen („ten aanzien van bepaalde belastingplichtigen of in bepaalde gevallen”). Bovendien wordt er in de laatste volzin van dit artikel op gewezen dat elke veralgemening verboden is.


34 –      Zie punt 3.6 van het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (PB 2009, C 306, blz. 76) over het voorstel van de Commissie dat heeft geleid tot vaststelling van richtlijn 2010/45 [COM(2009) 21 definitief], dat ertoe strekte de lasten te verlichten die voor de ondernemingen voortvloeien uit de verschillende regels die gelden voor de facturering voor btw-doeleinden, door de keuzemogelijkheden waarover de lidstaten beschikken, te beperken, met name bij grensoverschrijdende elektronische facturering, maar een artikel 248 bis bevatte waarvan de bewoordingen minder nauwkeurig waren dan in de definitieve versie van die richtlijn (zie blz. 3, 10 en 23 van dat voorstel). Artikel 22, lid 3, onder b), in fine, van de Zesde btw-richtlijn, in de uit artikel 28 nonies daarvan voortvloeiende versie, bevatte een bepaling die inhoudelijk vergelijkbaar was met die laatste versie.


35 – Daarnaast voldoet een taalregeling zoals de regeling in casu volgens de Commissie niet aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 273 van richtlijn 2006/112, aangezien die regeling er enerzijds niet toe strekt de juiste inning van de btw te waarborgen en fiscale fraude te voorkomen, en anderzijds extra vereisten oplegt naast die neergelegd in hoofdstuk 3 van die richtlijn, in het bijzonder in artikel 226.


36 – Indien het Hof deze aanbeveling niet zou volgen, herinner ik eraan dat elke handeling van afgeleid Unierecht, zoals richtlijn 2006/112, volgens een algemeen uitleggingsbeginsel hoe dan ook zo veel mogelijk in overeenstemming met het primaire Unierecht, en met de bepalingen van het VWEU in het bijzonder, moet worden uitgelegd (zie met name arrest van 15 februari 2016, N., C‑601/15 PPU, EU:C:2016:84, punt 48, en voetnoot 24 in fine van deze conclusie).


37 – Arrest van 16 april 2013 (C‑202/11, EU:C:2013:239).


38 – De verwijzende rechter vermeldt dat het Vlaamse Taaldecreet naar aanleiding van de uitlegging van het Hof in dat arrest is gewijzigd wat betreft de arbeidsbetrekkingen (zie punt 12 van deze conclusie).


39 – Arrest van 16 april 2013 (C‑202/11, EU:C:2013:239).


40 – Idem (punten 19‑22).


41 – Cursivering van mij. Zie met name met betrekking tot artikel 29 EG (thans artikel 35 VWEU) arresten van 8 november 2005, Jersey Produce Marketing Organisation (C‑293/02, EU:C:2005:664, punt 73), en van 16 december 2008, Gysbrechts en Santurel Inter (C‑205/07, EU:C:2008:730, punt 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak).


42 – Arrest van 16 december 2008, Gysbrechts en Santurel Inter (C‑205/07, EU:C:2008:730, punt 43), cursivering van mij. Zie ook de conclusie van advocaat-generaal Trstenjak in de zaak Gysbrechts en Santurel Inter (C‑205/07, EU:C:2008:427, punten 57‑65). In die zaak verbood een bepaling van Belgisch recht inzake verkoop op afstand aan leveranciers om vóór het verstrijken van de herroepingstermijn een voorschot te vragen, waardoor hun een doeltreffend instrument werd ontnomen om zich te beschermen tegen het risico dat niet wordt betaald. Het Hof heeft erop gewezen dat „een dergelijk verbod in het algemeen ernstigere gevolgen [heeft] voor rechtstreekse grensoverschrijdende verkopen aan consumenten, in het bijzonder voor verkopen via het internet, met name door de belemmeringen bij het in een andere lidstaat in rechte vervolgen van in gebreke blijvende consumenten, vooral wanneer het relatief geringe bedragen betreft” (zie punt 42 van het arrest).


43 – De Litouwse regering baseert haar standpunt voornamelijk op de mogelijke rechtvaardiging voor de onverenigbaarheid met „de bepalingen van het VWEU betreffende de vrijheden van de interne markt”.


44 – Zie voetnoot 42 van deze conclusie.


45 – Met uitzondering van Nederland.


46 – Wanneer de handelstransactie beperkt is tot het grondgebied van een lidstaat met meerdere officiële talen, zoals België, is het weliswaar mogelijk dat de ontvanger van de factuur de opgelegde taal, in casu het Nederlands, niet begrijpt, maar in een dergelijke situatie is die kans duidelijk kleiner dan in het geval van een transactie op het niveau van de handel tussen de lidstaten.


47 – Zie voetnoot 91 van deze conclusie.


48 – Dit lijkt het geval te zijn voor New Valmar, aangezien die Belgische vennootschap de facturen voor haar concessiehouder direct in het Italiaans heeft opgesteld.


49 – Zie de punten 96 e.v. van deze conclusie.


50 – Arrest van 16 april 2013 (C‑202/11, EU:C:2013:239).


51 – Zoals de Belgische regering overigens erkent.


52 – De prijs die oorspronkelijk was vastgesteld in de door de betrokken partijen ondertekende overeenkomst, kan met name – naar boven of naar beneden – worden aangepast door middel van de facturen, waarvan de betaling geldt als aanvaarding van een dergelijke wijziging van hun kaderovereenkomst. De afgifte van een factuur bepaalt ook andere elementen, in het bijzonder de wijze van betaling of de betalingstermijn.


53 – Zie de punten 60 e.v. van deze conclusie.


54 – Cursivering van mij. Zie wat betreft het afwijzen van de kwalificatie als maatregelen van gelijke werking als kwantitatieve invoerbeperkingen in de zin van artikel 34 VWEU met name arresten van 13 oktober 1993, CMC Motorradcenter (C‑93/92, EU:C:1993:838, punt 12), en van 7 april 2011, Francesco Guarnieri & Cie (C‑291/09, EU:C:2011:217, punt 17 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Zie inzake het vrije verkeer van personen en de vrijheid van vestiging ook de rechtspraak aangehaald in punt 56 van de conclusie van advocaat-generaal Trstenjak in de zaak Gysbrechts en Santurel Inter (C‑205/07, EU:C:2008:427).


55 – Zie arrest van 1 april 2008, Regering van de Franse Gemeenschap en Waalse regering (C‑212/06, EU:C:2008:178, punten 51 en 52 en aldaar aangehaalde rechtspraak).


56 – Voor de volledigheid merk ik op dat de vraag zou kunnen rijzen of een dergelijke regeling geen indirecte discriminatie ten aanzien van niet-Nederlandstalige marktdeelnemers met zich brengt. Ik ga hier echter niet verder op in, want indien het Hof tot deze kwalificatie zou besluiten, zou dit hoe dan ook in casu een beperkte invloed hebben, voor zover de betrokken bepalingen hun rechtvaardiging kunnen vinden in de bescherming van een officiële taal van een lidstaat, die mogelijk is krachtens artikel 3, lid 3, vierde alinea, en artikel 4, lid 2, VEU en artikel 22 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, behoudens een beoordeling van de evenredigheid ervan met die doelstelling (zie ook de conclusie van advocaat-generaal Jääskinen in de zaak Las, C‑202/11, EU:C:2012:456, punt 39, en arrest van 16 april 2013, Las, C‑202/11, EU:C:2013:239, punt 26).


57 – Zie met name arrest van 1 oktober 2015, Trijber en Harmsen (C‑340/14 en C‑341/14, EU:C:2015:641, punt 70 en aldaar aangehaalde rechtspraak).


58 – Beperkingen van het vrije verkeer van goederen kunnen gerechtvaardigd zijn „uit hoofde van bescherming van de openbare zedelijkheid, de openbare orde, de openbare veiligheid, de gezondheid en het leven van personen, dieren of planten, het nationaal artistiek[,] historisch en archeologisch bezit of uit hoofde van bescherming van de industriële en commerciële eigendom”, op voorwaarde dat zij „geen middel tot willekeurige discriminatie noch een verkapte beperking van de handel tussen de lidstaten vormen”.


59 – Zie met name arresten van 3 maart 2011, Kakavetsos-Fragkopoulos (C‑161/09, EU:C:2011:110, punt 51), van 16 april 2013, Las (C‑202/11, EU:C:2013:239, punt 23), en van 12 november 2015, Visnapuu (C‑198/14, EU:C:2015:751, punt 110).


60 – Dienaangaande verwijst de Commissie naar het arrest van 3 juni 1999, Colim (C‑33/97, EU:C:1999:274, punten 39‑44), waarin wordt erkend dat belemmeringen van het vrije verkeer van goederen die voortvloeien uit taalvereisten, gerechtvaardigd kunnen zijn op grond van de doelstelling om de consument te beschermen.


61 – Arrest van 16 april 2013 (C‑202/11, EU:C:2013:239).


62 – Zie arresten van 28 november 1989, Groener (C‑379/87, EU:C:1989:599, punt 19); van 12 mei 2011, Runevič-Vardyn en Wardyn (C‑391/09, EU:C:2011:291, punten 85 en 86), en van 16 april 2013, Las (C‑202/11, EU:C:2013:239, punten 25‑27).


63 – Zoals de verwijzende rechter opmerkt, dienen facturen in eerste instantie een contractueel doel, voor zover zij de aanspraakbevestiging van de ene contractant jegens de andere ingevolge de uitvoering van een overeenkomst en een bewijsmiddel vormen, maar gelden zij ook als een administratief en fiscaal document ten aanzien van de overheden van zowel het land van de verkoper als het land van de koper. Over de meervoudige functie van facturen en de verschillende bronnen in het Belgische recht van de verplichting om deze uit te reiken, zie Ballon, G.‑L., „Généralités”, in La facture et autres documents équivalents, op. cit., punten 9 e.v. en punten 38 e.v.


64 – De Litouwse regering betoogt dat facturen officiële documenten zijn die voor verschillende doeleinden kunnen worden gebruikt in zowel publiekrechtelijke als privaatrechtelijke verhoudingen, zodat moet worden vereist dat zij worden opgesteld in de officiële taal, om te vermijden dat deze taal teloorgaat in een van haar belangrijkste domeinen, namelijk dat van de leiding en het bestuur van de staat, en dat het gebruik ervan afneemt door het steeds meer verspreide gebruik van vreemde talen in internationale handelsbetrekkingen.


65 – Zie met name wat betreft het vrije verkeer van goederen arrest van 20 februari 1979, Rewe-Zentral (120/78, EU:C:1979:42, punt 8); wat betreft het vrije verkeer van werknemers arresten van 18 juli 2007, Commissie/Duitsland (C‑490/04, EU:C:2007:430, punt 70), en van 16 april 2013, Las (C‑202/11, EU:C:2013:239, punt 28); wat betreft de vrijheid van vestiging arresten van 15 mei 1997, Futura Participations en Singer (C‑250/95, EU:C:1997:239, punt 31), en van 8 juli 1999, Baxter e.a. (C‑254/97, EU:C:1999:368, punt 18); wat betreft de vrijheid van dienstverrichting arresten van 28 oktober 1999, Vestergaard (C‑55/98, EU:C:1999:533, punt 23), en van 7 oktober 2010, dos Santos Palhota e.a. (C‑515/08, EU:C:2010:589, punt 48); wat betreft het vrije verkeer van kapitaal arrest van 28 oktober 2010, Établissements Rimbaud (C‑72/09, EU:C:2010:645, punt 33).


66 – Deze regeling stelt het personeel van de overheidsdiensten van het betrokken gewest immers in de gelegenheid om in de officiële taal van dat gewest kennis te nemen van de op het grondgebied daarvan opgestelde facturen en niet in een taal die het niet beheerst, waardoor het een directe, onmiddellijke en betrouwbare controle kan verrichten. Zie ook de conclusie van advocaat-generaal Jääskinen in de zaak Las (C‑202/11, EU:C:2012:456, punt 50).


67 – Ik herinner eraan dat het inzake btw op grond van artikel 248 bis van richtlijn 2006/112 mogelijk is een vertaling van bepaalde facturen te eisen voor controledoeleinden, waarbij zij opgemerkt dat een factuur in dit verband een drievoudige functie heeft: zij bevat informatie over het toepasselijke btw-stelsel, stelt de belastingautoriteiten in staat controles te verrichten en dient voor de consument als bewijs van zijn recht op aftrek, indien nodig (Terra, B., en Kajus, J., A Guide to the European VAT Directives, deel 1, IBDF, Amsterdam, 2014, blz. 1401).


68 – Arrest van 16 april 2013 (C‑202/11, EU:C:2013:239).


69 – Onder de voorwaarden en binnen de grenzen zoals uiteengezet in punt 11 van deze conclusie.


70 – Arrest van 16 april 2013 (C‑202/11, EU:C:2013:239, punten 29 e.v.).


71 – Vast staat dat de regeling in het hoofdgeding de partijen niet belet hun overeenkomsten inzake goederen op te stellen in een andere taal dan het Nederlands, anders dan hetgeen zij ten tijde van het arrest Las bepaalde met betrekking tot arbeidsovereenkomsten.


72 – Zie punt 68 van deze conclusie.


73 – Zoals de algemene verkoopvoorwaarden of de bepalingen inzake de wijze van betaling.


74 – Zie ook punt 32 van deze conclusie.


75 – Zie de punten 76 en 77 van deze conclusie.


76 – Zie punt 65 van deze conclusie.


77 – Zie over de verschillende functies van de factuur ook de voetnoten 63, 64 en 67 van deze conclusie.


78 – Zie naar analogie over artikel 30 van het EG-Verdrag en richtlijn 79/112/EEG van de Raad van 18 december 1978 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake etikettering en presentatie van levensmiddelen bestemd voor de eindverbruiker alsmede inzake de daarvoor gemaakte reclame (PB 1979, L 33, blz. 1) met name arrest van 12 september 2000, Geffroy (C‑366/98, EU:C:2000:430, punten 25 e.v.), en de rechtspraak ter zake die wordt aangehaald in de conclusie van advocaat-generaal Ruiz-Jarabo Colomer in de zaak Geffroy (C‑366/98, EU:C:1999:585, punten 19 e.v.).


79 – New Valmar betoogt dat indien zij al haar facturen in het Nederlands zou moeten opstellen, elke factuur vergezeld zou moeten gaan van een vertaling in de taal waarin de overeenkomst is opgesteld, om te vermijden dat haar buitenlandse klanten zich beroepen op dwaling of bedrog wanneer zij de vermeldingen op de facturen niet begrijpen, wat een overdreven belasting zou vormen voor een onderneming zoals zijzelf, die duizenden kleine artikelen verkoopt (babyflessen, fopspenen, babyspeelgoed etc.). Zij verwijst ook naar meerdere andere praktische problemen, waaronder de onmogelijkheid om tussen verkoper en koper elektronische bestellings- en facturatiesystemen te gebruiken die slechts gebruikmaken van één taal.


80 – New Valmar voert dienaangaande onder verwijzing naar verschillende bronnen uit de rechtsleer aan dat volgens een aloud handelsgebruik de factuur wordt opgemaakt in de taal van de ontvanger of in een taal die in de betrokken handelssector gebruikelijk is.


81 – Zie naar analogie over de mogelijkheid voor de nationale rechter om rekening te houden met de internationale handelsgebruiken bij de aanwijzing van de bevoegde rechter, in het kader van de bepaling van de plaats van uitvoering van een koop van goederen, arrest van 9 juni 2011, Electrosteel Europe (C‑87/10, EU:C:2011:375, punten 20 e.v.), of over de beoordeling van de geldigheid van een forumkeuzebeding arrest van 16 maart 1999, Castelletti (C‑159/97, EU:C:1999:142, punten 18 e.v.), en artikel 25, lid 1, onder c), van verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2012, L 351, blz. 1).


82 – Zie de punten 46 e.v. van deze conclusie.


83 – Zie artikel 2, eerste alinea, van het decreet van 30 juni 1982 inzake de bescherming van de vrijheid van het taalgebruik van de Franse taal in de sociale betrekkingen tussen de werkgevers en hun personeel, alsook van akten en documenten van ondernemingen opgelegd door de wet en de reglementen (Belgisch Staatsblad, 27 augustus 1982, blz. 9863).


84 – Zie in die zin arrest van 1 oktober 2015, Trijber en Harmsen (C‑340/14 en C‑341/14, EU:C:2015:641, punt 74 en aldaar aangehaalde rechtspraak).


85 – Zie punt 12 en voetnoot 38 van deze conclusie.


86 – Arrest van 16 april 2013 (C‑202/11, EU:C:2013:239).


87 – Volgens § 2 moet de betrokken werknemer zijn woonplaats hebben op het grondgebied van een van de andere lidstaten van de Unie of de EER, of zijn woonplaats hebben op het Belgische grondgebied maar gebruik hebben gemaakt van zijn recht op vrij verkeer van werknemers of van de vrijheid van vestiging.


88 – Arrest van 16 april 2013 (C‑202/11, EU:C:2013:239).


89 – De Belgische regering heeft al deze beweringen ter terechtzitting betwist. Zij heeft met name betoogd dat zowel voor de oorspronkelijke factuur als voor de vervangende factuur, die betrekking hebben op dezelfde intracommunautaire levering, de btw-vrijstelling in België kan gelden, en dat partijen het ogenblik waarop de betaling opeisbaar is vrij kunnen bepalen, ongeacht de datum waarop de factuur is opgesteld of vervangen. De Commissie heeft terecht opgemerkt dat er rechtsonzekerheid blijft bestaan, aangezien de door die regering aangevoerde circulaire van de Belgische belastingdienst van 23 januari 2013 geen kracht van wet heeft en de rechter verplicht blijft de nietigheid van een onregelmatige factuur ambtshalve aan te voeren. Daarnaast wijs ik erop dat het in de praktijk zeer goed mogelijk is dat de partijen geen andere datum waarop de schuldvordering opeisbaar wordt, hebben afgesproken dan die verbonden met de factuur.


90 – Opgemerkt zij dat de verwijzende rechter niet duidelijk uiteenzet hoe de in artikel 10 van het Vlaamse Taaldecreet neergelegde sancties moeten worden toegepast (zie punt 11 van deze conclusie), met name wat betreft de vraag of en in hoeverre de eventuele vervanging van een onregelmatige factuur de geldigheid van het oorspronkelijke document met terugwerkende kracht handhaaft. Zie in dit verband ook Gosselin, F., op. cit., punten 188 e.v.


91 – Het is paradoxaal dat de Italiaanse concessiehouder van New Valmar zich kan beroepen op de Vlaamse taalregeling met het oog op nietigverklaring van de facturen die hem in het Italiaans – dat hij duidelijk begrijpt – zijn toegestuurd.


92 – De Belgische regering merkt zelf op dat de factuur in bepaalde omstandigheden een bewijsfunctie vervult, voor zover een aanvaarde factuur tegen een handelaar het bewijs van de overeenkomst oplevert, daarnaast een boekhoudkundig document is en het meest courante verantwoordingsstuk vormt.


93 – Ik herinner eraan dat blijkens de aan het Hof verstrekte elementen een dergelijke factuur volgens de in casu aan de orde zijnde regeling minstens gedeeltelijk in het Nederlands moet worden opgesteld, namelijk wat betreft de door de btw-wetgeving opgelegde vermeldingen, dan wel volledig, en dat enkel de verwijzende rechter bevoegd is om de twijfel weg te nemen die de Belgische regering heeft doen ontstaan over de draagwijdte van de uit deze nationale regeling voortvloeiende vereisten (zie de punten 29 e.v. van deze conclusie).