ARREST VAN HET HOF (Derde kamer)

13 juni 2013 (*)

„Verordening (EG) nr. 1896/2006 – Europese betalingsbevelprocedure – Artikelen 6 en 17 – Verzet tegen Europees betalingsbevel zonder betwisting van bevoegdheid van gerecht van lidstaat van oorsprong – Verordening (EG) nr. 44/2001 – Rechterlijke bevoegdheid, erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken – Artikel 24 – Verschijning van verweerder voor aangezochte rechter – Toepasbaarheid in het kader van Europese betalingsbevelprocedure”

In zaak C‑144/12,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Oberste Gerichtshof (Oostenrijk) bij beslissing van 28 februari 2012, ingekomen bij het Hof op 23 maart 2012, in de procedure

Goldbet Sportwetten GmbH

tegen

Massimo Sperindeo,

wijst

HET HOF (Derde kamer),

samengesteld als volgt: M. Ilešič (rapporteur), kamerpresident, E. Jarašiūnas, A. Ó Caoimh, C. Toader en C. G. Fernlund, rechters,

advocaat-generaal: Y. Bot,

griffier: A. Impellizzeri, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 20 februari 2013,

gelet op de opmerkingen van:

–        Goldbet Sportwetten GmbH, vertegenwoordigd door D. Czernich, Rechtsanwalt,

–        M. Sperindeo, vertegenwoordigd door L. Lorenz en R. Testor, Rechtsanwälte,

–        de Oostenrijkse regering, vertegenwoordigd door C. Pesendorfer als gemachtigde,

–        de Tsjechische regering, vertegenwoordigd door M. Smolek en J. Vláčil als gemachtigden,

–        de Duitse regering, vertegenwoordigd door T. Henze en J. Kemper als gemachtigden,

–        de Portugese regering, vertegenwoordigd door L. Inez Fernandes en S. Duarte Afonso als gemachtigden,

–        de Zwitserse regering, vertegenwoordigd door D. Klingele als gemachtigde,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door W. Bogensberger, A.‑M. Rouchaud-Joët en M. Wilderspin als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 6 maart 2013,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 6 van verordening (EG) nr. 1896/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 tot invoering van een Europese betalingsbevelprocedure (PB L 399, blz. 1) juncto artikel 17 van die verordening, en van artikel 24 van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2001, L 12, blz. 1).

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een Europese betalingsbevelprocedure die door de in Oostenrijk gevestigde onderneming Goldbet Sportwetten GmbH (hierna: „Goldbet”) is ingeleid tegen M. Sperindeo, die in Italië woont.

 Toepasselijke bepalingen

 Verordening nr. 1896/2006

3        De punten 23 en 24 van de considerans van verordening nr. 1896/2006 luiden:

„(23) De verweerder kan zijn verweerschrift indienen door middel van het standaardformulier in deze verordening. De gerechten nemen evenwel andere schriftelijke vormen van verweer in aanmerking als het verweer duidelijk tot uitdrukking wordt gebracht.

(24)      Een tijdig ingediend verweerschrift moet een einde maken aan de Europese betalingsbevelprocedure en moet de zaak automatisch doen overgaan naar een gewone civielrechtelijke procedure, tenzij de eiser uitdrukkelijk heeft verzocht om de procedure in dat geval stop te zetten. Het concept ,gewoon civielrechtelijke procedure’ wordt niet in de zin van het nationaal recht uitgelegd.”

4        Artikel 1, lid 1, sub a, van die verordening bepaalt:

„Deze verordening heeft ten doel:

a)      de beslechting van een geschil in grensoverschrijdende zaken met betrekking tot niet-betwiste geldvorderingen te vereenvoudigen, te versnellen en goedkoper te maken door een Europese betalingsbevelprocedure in te voeren”.

5        Volgens artikel 5 van de betrokken verordening wordt onder „lidstaat van oorsprong” verstaan „de lidstaat waar een Europees betalingsbevel wordt uitgevaardigd”.

6        Artikel 6, lid 1, van die verordening luidt:

„Voor de toepassing van deze verordening wordt de rechterlijke bevoegdheid bepaald volgens de ter zake geldende regels van het gemeenschapsrecht, en met name verordening [...] nr. 44/2001.”

7        Artikel 12, lid 3, van verordening nr. 1896/2006 bepaalt:

„In het Europees betalingsbevel wordt de verweerder meegedeeld dat hij de volgende mogelijkheden heeft:

a)      het in het betalingsbevel vermelde bedrag aan de eiser te betalen;

of

b)      verweer tegen het bevel aan te tekenen door bij het gerecht van oorsprong een verweerschrift in te dienen, dat binnen 30 dagen nadat het bevel aan de verweerder is betekend of ter kennis gebracht wordt verzonden.”

8        Artikel 16 van die verordening bepaalt:

„1.      De verweerder kan bij het gerecht van oorsprong een verweerschrift tegen het Europees betalingsbevel indienen door middel van het standaardformulier F van bijlage VI, dat hem samen met het Europees betalingsbevel wordt verstrekt.

[...]

3.      In het verweerschrift vermeldt de verweerder dat hij de schuldvordering betwist, zonder gehouden te zijn te verklaren op welke gronden de betwisting berust.

4.      Het verweerschrift wordt ingediend op papieren drager of via elk ander communicatiemiddel, inclusief langs elektronische weg, dat in de lidstaat van oorsprong wordt aanvaard en dat bij het gerecht van oorsprong beschikbaar is.

[...]”

9        Artikel 17, lid 1, van die verordening bepaalt:

„Indien binnen de [...] termijn een verweerschrift is ingediend, wordt de procedure volgens het gewone burgerlijk procesrecht voortgezet voor de bevoegde gerechten van de lidstaat van oorsprong, tenzij de eiser, overeenkomstig artikel 7, lid 4, uitdrukkelijk heeft verzocht de procedure in dat geval te staken.

[...]”

10      In bijlage VI bij die verordening is standaardformulier F opgenomen, dat kan worden gebruikt om verzet aan te tekenen tegen het Europees betalingsbevel.

 Verordening nr. 44/2001

11      Artikel 5, punt 1, van verordening nr. 44/2001 bepaalt:

„Een persoon die woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat, kan in een andere lidstaat voor de volgende gerechten worden opgeroepen:

1)      a)     ten aanzien van verbintenissen uit overeenkomst: voor het gerecht van de plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd;

b)      voor de toepassing van deze bepaling en tenzij anders is overeengekomen, is de plaats van uitvoering van de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt:

[...]

–        voor de verstrekking van diensten, de plaats in een lidstaat waar de diensten volgens de overeenkomst verstrekt werden of verstrekt hadden moeten worden;

[...]”

12      Artikel 24 van verordening nr. 44/2001 bepaalt:

„Buiten de gevallen waarin zijn bevoegdheid voortvloeit uit andere bepalingen van deze verordening, is het gerecht van een lidstaat waarvoor de verweerder verschijnt bevoegd. Dit voorschrift is niet van toepassing indien de verschijning ten doel heeft de bevoegdheid te betwisten, of indien er een ander gerecht bestaat dat krachtens artikel 22 bij uitsluiting bevoegd is.”

 Oostenrijks recht

13      § 252 Zivilprozessordnung (wetboek van burgerlijke rechtsvordering), betreffende de Europese betalingsbevelprocedure, bepaalt:

„1.      Voor zover verordening [...] nr. 1896/2006 [...] niet anders bepaalt, zijn de procedurevoorschriften van toepassing die voor het betrokken voorwerp van geschil gelden.

2.      Het Bezirksgericht für Handelssachen Wien is bij uitsluiting bevoegd voor de uitvoering van de betalingsbevelprocedure. [...]

3.      Na ontvangst van een tijdig ingediend verweerschrift stelt het gerecht de verzoekende partij hiervan in kennis, met het verzoek om binnen een termijn van 30 dagen aan te geven welk gerecht voor de gewone procedure bevoegd is [...].

4.      [...] Een exceptie van onbevoegdheid van het gerecht moet door de verwerende partij worden opgeworpen voordat zij op de zaak ten gronde ingaat.”

 Hoofdgeding en prejudiciële vragen

14      Sperindeo had met Goldbet – een onderneming die weddenschappen op sportevenementen organiseert – een overeenkomst tot het verrichten van diensten gesloten waarbij hij zich ertoe had verbonden dergelijke weddenschappen in Italië te organiseren en de verbreiding daarvan te verzorgen. In het bijzonder zou hij de inzetten innen bij de plaatselijke inzamelpunten en die bedragen onder aftrek van de aan de spelers betaalde winsten aan Goldbet overmaken.

15      Van mening dat Sperindeo zijn contractuele verplichtingen niet was nagekomen, heeft Goldbet op 29 december 2009 het Bezirksgericht für Handelssachen Wien – de voor de Europese betalingsbevelprocedure bevoegde rechter in Oostenrijk – verzocht om een Europees betalingsbevel tegen Sperindeo voor een bedrag van 16 406 EUR, vermeerderd met rente en kosten, als schadevergoeding. Dat bevel is op 17 februari 2010 afgegeven.

16      Op 19 april 2010 heeft Sperindeo tijdig via zijn advocaat verzet aangetekend tegen dit Europees betalingsbevel. Dit verzet berustte op de gronden dat Goldbets vordering ongegrond was en het gevorderde bedrag niet opeisbaar was.

17      Naar aanleiding van dat verzet heeft het Bezirksgericht für Handelssachen Wien de zaak verwezen naar het Landesgericht Innsbruck, omdat dat gerecht zijns insziens bevoegd was voor de gewone burgerrechtelijke procedure in de zin van artikel 17, lid 1, van verordening nr. 1896/2006.

18      Voor het Landesgericht Innsbruck heeft Sperindeo voor het eerst een exceptie van onbevoegdheid van de Oostenrijkse gerechten opgeworpen met het betoog dat zijn woonplaats in Italië lag. Volgens Goldbet was het Landesgericht Innsbruck bevoegd als gerecht van de plaats waar de betrokken geldschuld moest worden betaald, overeenkomstig artikel 5, punt 1, sub a, van verordening nr. 44/2001. Volgens die onderneming was dat gerecht hoe dan ook bevoegd op grond van artikel 24 van die verordening, aangezien Sperindeo was verschenen in de zin van dat artikel omdat hij geen exceptie van onbevoegdheid had opgeworpen op het ogenblik dat hij verzet aantekende tegen het betrokken Europees betalingsbevel.

19      Het Landesgericht Innsbruck heeft Sperindeo’s exceptie aanvaard, zich onbevoegd verklaard en de vordering afgewezen. Goldbet heeft tegen deze beslissing hoger beroep ingesteld bij het Oberlandesgericht Innsbruck. Deze rechter heeft het hoger beroep verworpen op grond dat de Oostenrijkse gerechten niet bevoegd waren, aangezien Goldbets vorderingen berustten op een overeenkomst tot het verrichten van diensten waarvan de plaats van uitvoering in de zin van artikel 5, punt 1, sub b, van verordening nr. 44/2001 in Italië was gelegen en voorts de bevoegdheid van die gerechten evenmin kon worden gebaseerd op artikel 24 van verordening nr. 44/2001, aangezien het door Sperindeo aangetekende verzet niet kon worden beschouwd als verschijning in de zin van dat artikel.

20      Goldbet heeft tegen de beslissing van het Oberlandesgericht Innsbruck beroep in „Revision” ingesteld bij de verwijzende rechter. Zij vordert vernietiging van de eerdere rechterlijke beslissingen en hervatting van de procedure voor de Oostenrijkse gerechten.

21      De verwijzende rechter is van oordeel dat de Oostenrijkse gerechten geen bevoegdheid hebben op grond van artikel 5, punt 1, sub b, van verordening nr. 44/2001, aangezien de activiteit waarmee Sperindeo door Goldbet was belast uitsluitend in Italië plaatsvond. De verwijzende rechter vraagt zich echter af of het door verweerder aangetekende verzet tegen het betalingsbevel, zonder betwisting van de bevoegdheid van het gerecht van oorsprong, kan worden beschouwd als verschijning in de zin van artikel 24 van verordening nr. 44/2001, zodat de Oostenrijkse gerechten bevoegd zijn geworden.

22      In deze omstandigheden heeft het Oberste Gerichtshof beslist de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof te verzoeken om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

„1)      Moet artikel 6 van verordening [...] nr. 1896/2006 [...] in die zin worden uitgelegd dat artikel 24 van verordening [...] nr. 44/2001 [...], betreffende de bevoegdheid van het gerecht op grond van de verschijning van de verwerende partij, ook moet worden toegepast in de Europese betalingsbevelprocedure?

2)      Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord:

Moet artikel 17 van verordening nr. 1896/2006 juncto artikel 24 van verordening nr. 44/2001 in die zin worden uitgelegd dat de indiening van een verweerschrift tegen een Europees betalingsbevel reeds als verschijning in de procedure moet worden aangemerkt, wanneer daarin niet de bevoegdheid van het gerecht van oorsprong wordt betwist?

3)      Ingeval de tweede vraag ontkennend wordt beantwoord:

Moet artikel 17 van verordening nr. 1896/2006 juncto artikel 24 van verordening nr. 44/2001 in die zin worden uitgelegd dat de indiening van een verweerschrift hooguit dan tot bevoegdheid door verschijning in de procedure leidt, indien daarin reeds argumenten met betrekking tot de zaak ten gronde worden aangevoerd maar niet de bevoegdheid wordt betwist?”

 Beantwoording van de prejudiciële vragen

23      Met zijn vragen, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 6 van verordening nr. 1896/2006 juncto artikel 17 van die verordening aldus moet worden uitgelegd dat verzet tegen een Europees betalingsbevel waarbij de bevoegdheid van het gerecht van de lidstaat van oorsprong niet wordt betwist, moet worden beschouwd als verschijning in de zin van artikel 24 van verordening nr. 44/2001 en of het in dat verband relevant is dat de verweerder in het kader van zijn verzet middelen ten gronde heeft aangevoerd.

24      In de eerste plaats moet dus worden onderzocht of verzet tegen een Europees betalingsbevel zonder de bevoegdheid van het gerecht van de lidstaat van oorsprong te betwisten, gelijkstaat met verschijning in de zin van artikel 24 van verordening nr. 44/2001 wanneer dat verzet geen middelen ten gronde bevat.

25      Alle belanghebbenden die opmerkingen bij het Hof hebben gemaakt, zijn het erover eens dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord.

26      In dat verband moet om te beginnen enerzijds worden opgemerkt dat krachtens artikel 6, lid 1, van verordening nr. 1896/2006 voor de toepassing van die verordening de rechterlijke bevoegdheid wordt bepaald volgens de ter zake geldende regels van het Unierecht, met name die van verordening nr. 44/2001. Artikel 17, lid 1, van verordening nr. 1896/2006 bepaalt dat indien binnen de termijn verzet is aangetekend tegen het Europees betalingsbevel, de procedure volgens het gewone burgerlijk procesrecht wordt voortgezet voor de bevoegde gerechten van de lidstaat van oorsprong.

27      Anderzijds is op grond van artikel 24 van verordening nr. 44/2001, behoudens de in die bepaling neergelegde uitzonderingen, het gerecht van de lidstaat waarvoor de verweerder verschijnt bevoegd.

28      Daarnaast volgt uit artikel 1, lid 1, sub a, van verordening nr. 1896/2006 dat deze tot doel heeft de beslechting van geschillen in grensoverschrijdende zaken met betrekking tot niet-betwiste geldvorderingen te vereenvoudigen, te versnellen en goedkoper te maken. Hoewel deze verordening niet strekt tot vervanging of harmonisatie van de mogelijkheden naar nationaal recht voor de inning van niet-betwiste schuldvorderingen, wordt hierbij om die doelstelling te verwezenlijken een eenvormig instrument voor de inning van dergelijke vorderingen ingevoerd dat schuldeisers en schuldenaren in de gehele Europese Unie gelijke voorwaarden waarborgt (arrest van 13 december 2012, Szyrocka, C‑215/11, punt 30).

29      Zoals de advocaat-generaal heeft opgemerkt in punt 30 van zijn conclusie, is deze vereenvoudigde en eenvormige procedure niet op tegenspraak. De verweerder weet immers eerst dat het Europees betalingsbevel is uitgevaardigd op het ogenblik dat dit hem wordt betekend of ter kennis wordt gebracht. Zoals blijkt uit artikel 12, lid 3, van verordening nr. 1896/2006 wordt hij pas op dat ogenblik ervan in kennis gesteld dat hij ofwel het in het betalingsbevel vermelde bedrag aan de eiser kan betalen, ofwel verzet kan aantekenen bij het gerecht van oorsprong.

30      Deze mogelijkheid voor de verweerder om verzet aan te tekenen dient dus te compenseren dat hij volgens het door verordening nr. 1896/2006 ingevoerde stelsel niet deelneemt aan de Europese betalingsbevelprocedure, door hem de mogelijkheid te bieden de vordering te betwisten nadat het Europees betalingsbevel is uitgevaardigd.

31      Wanneer de verweerder in zijn verzet tegen het Europees betalingsbevel de bevoegdheid van het gerecht van de lidstaat van oorsprong echter niet betwist, kan dat verzet ten aanzien van die verweerder geen andere gevolgen hebben dan die van artikel 17, lid 1, van verordening nr. 1896/2006. Die gevolgen zijn dat de Europese betalingsbevelprocedure wordt beëindigd en het geding automatisch wordt voortgezet volgens de gewone burgerrechtelijke procedure, tenzij de eiser uitdrukkelijk heeft verzocht de procedure in dat geval te staken.

32      Bij een andere oplossing, die zou inhouden dat wanneer in het verzet de bevoegdheid van het gerecht van de lidstaat van oorsprong niet wordt betwist dit gelijkstaat met verschijning in de zin van artikel 24 van verordening nr. 44/2001, zou het verzet verdergaande gevolgen met zich brengen dan in verordening nr. 1896/2006 is bepaald.

33      Bovendien zij eraan herinnerd, zoals volgt uit artikel 16, lid 1, van verordening nr. 1896/2006 en punt 23 van de considerans daarvan, dat de verweerder gebruik kan maken van het standaardformulier van bijlage VI bij die verordening om verzet aan te tekenen tegen het Europees betalingsbevel. Dat formulier biedt echter niet de mogelijkheid om de bevoegdheid van de gerechten van de lidstaat van oorsprong te betwisten.

34      Verzet tegen het Europees betalingsbevel waarbij de bevoegdheid van de gerechten van de lidstaat van oorsprong niet wordt betwist en dat geen middelen ten gronde bevat, kan dus niet worden aangemerkt als verschijning in de zin van artikel 24 van verordening nr. 44/2001.

35      In de tweede plaats moet worden onderzocht of de omstandigheid dat verweerder in het kader van zijn verzet tegen het Europees betalingsbevel middelen ten gronde heeft aangevoerd enig verschil maakt in dit verband.

36      Goldbet en de Tsjechische regering betogen dat wanneer het verzet gepaard gaat met middelen ten gronde, de bevoegdheid kan worden vastgesteld op grond van artikel 24 van verordening nr. 44/2001. Sperindeo, de Duitse, de Portugese en de Zwitserse regering, alsook de Europese Commissie stellen daarentegen dat die omstandigheid geen weerslag heeft op de vaststelling van de bevoegdheid.

37      Uit het arrest van 24 juni 1981, Elefanten Schuh (150/80, Jurispr. blz. 1671, punt 16), inzake de uitlegging van artikel 18 van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 1972, L 299, blz. 32) – dat in wezen identiek is aan artikel 24 van verordening nr. 44/2001 – volgt stellig dat de bevoegdheid niet kan worden betwist na het tijdstip van de stellingname die naar nationaal procesrecht is te beschouwen als het eerste voor de aangezochte rechter voorgedragen verweer.

38      Anders dan de omstandigheden die hebben geleid tot dat arrest, waarin de verweerder middelen ten gronde had aangevoerd in het kader van een gewone burgerrechtelijke procedure, zijn de middelen ten gronde in het hoofdgeding echter aangevoerd in het kader van verzet tegen het Europees betalingsbevel. Voor de vaststelling van het bevoegde gerecht op grond van artikel 24 van verordening nr. 44/2001 kan verzet dat dergelijke middelen bevat, niet worden beschouwd als het eerste verweer dat is voorgedragen in het kader van de gewone burgerrechtelijke procedure die volgt op de Europese betalingsbevelprocedure.

39      Indien een dergelijk verzet werd gelijkgesteld met het eerste verweer zou dit erop neerkomen, zoals de advocaat-generaal heeft opgemerkt in punt 36 van zijn conclusie, dat de Europese betalingsbevelprocedure en de gewone burgerrechtelijke procedure die daarop volgt, worden gezien als in beginsel een en dezelfde procedure. Een dergelijke uitlegging kan moeilijk worden verzoend met de omstandigheid dat de eerste van die procedures is onderworpen aan de regels van verordening nr. 1896/2006, terwijl de tweede – zoals volgt uit artikel 17, lid 1, van die verordening – verloopt overeenkomstig het gewone burgerlijk procesrecht. Aan deze uitlegging staat ook de omstandigheid in de weg dat die burgerrechtelijke procedure, hoewel zij bij gebreke van betwisting van de internationale bevoegdheid door de verweerder wordt voortgezet in de lidstaat van oorsprong, niet noodzakelijkerwijs plaatsvindt voor het gerecht dat bevoegd is voor de Europese betalingsbevelprocedure.

40      De uitlegging dat verzet waarbij middelen ten gronde worden aangevoerd moet worden beschouwd als het eerste verweer, gaat bovendien in tegen de doelstelling van het verzet tegen een Europees betalingsbevel. In dit verband moet worden vastgesteld dat geen enkele bepaling van verordening nr. 1896/2006, en in het bijzonder niet artikel 16, lid 3, van die verordening, van de verweerder verlangt dat hij de gronden van zijn verzet verduidelijkt, zodat dit verzet niet dient als kader voor een verweer ten gronde, maar, zoals is verduidelijkt in punt 30 van het onderhavige arrest, is bedoeld om de verweerder de mogelijkheid te geven de vordering te betwisten.

41      De omstandigheid dat de verweerder in het kader van zijn verzet tegen het Europees betalingsbevel middelen ten gronde heeft aangevoerd betekent bijgevolg niet dat hij is verschenen in de zin van artikel 24 van verordening nr. 44/2001.

42      Anders dan Goldbet en de Tsjechische regering betogen, doet deze uitlegging niet af aan de doelstelling van verordening nr. 1896/2006 om de procedure te versnellen. Zoals blijkt uit artikel 1, lid 1, sub a, van die verordening, is die doelstelling immers slechts relevant voor zover de vordering onbetwist blijft, wat niet langer het geval is wanneer de verweerder verzet aantekent tegen het Europees betalingsbevel.

43      Gelet op een en ander moet op de prejudiciële vragen worden geantwoord dat artikel 6 van verordening nr. 1896/2006 juncto artikel 17 van die verordening aldus moet worden uitgelegd dat verzet tegen een Europees betalingsbevel waarbij de bevoegdheid van het gerecht van de lidstaat van oorsprong niet wordt betwist, niet kan worden beschouwd als verschijning in de zin van artikel 24 van verordening nr. 44/2001 en dat het in dit verband niet relevant is dat de verweerder in het kader van zijn verzet middelen ten gronde heeft aangevoerd.

 Kosten

44      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Derde kamer) verklaart voor recht:

Artikel 6 van verordening (EG) nr. 1896/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 tot invoering van een Europese betalingsbevelprocedure juncto artikel 17 van die verordening moet aldus worden uitgelegd dat verzet tegen een Europees betalingsbevel waarbij de bevoegdheid van het gerecht van de lidstaat van oorsprong niet wordt betwist, niet kan worden beschouwd als verschijning in de zin van artikel 24 van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, en dat het in dit verband niet relevant is dat de verweerder in het kader van zijn verzet middelen ten gronde heeft aangevoerd.

ondertekeningen


* Procestaal: Duits.