Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Veszprémi Törvényszék (Hongarije) op 30 november 2020 – ENERGOTT Fejlesztő és Vagyonkezelő Kft. / Nemzeti Adó- és Vámhivatal Fellebbviteli Igazgatósága

(Zaak C-643/20)

Procestaal: Hongaars

Verwijzende rechter

Veszprémi Törvényszék

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: ENERGOTT Fejlesztő és Vagyonkezelő Kft.

Verwerende partij: Nemzeti Adó- és Vámhivatal Fellebbviteli Igazgatósága

Prejudiciële vragen

Moeten artikel 90, leden 1 en 2, van richtlijn 2006/112/EG1 van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (hierna: „btw-richtlijn”), gelet in het bijzonder op het arrest van het Hof in de zaak Enzo Di Maura (zaak C-246/162 ) en de beschikking van het Hof in de zaak Porr Építési Kft. (zaak C-292/193 ), alsook de Unierechtelijke beginselen van doeltreffendheid en gelijkwaardigheid aldus worden uitgelegd dat de lidstaten in geval van terugvordering van de btw over definitief oninbare vorderingen geen eerder tijdstip als aanvangstijdstip van de verjaring kunnen vaststellen dan het tijdstip waarop de vordering die aan de terug te vorderen btw ten grondslag ligt oninbaar is geworden?

Moeten artikel 90, leden 1 en 2, en artikel 273 van de btw-richtlijn, gelet in het bijzonder op het arrest van het Hof in de zaak Enzo Di Maura (zaak C-246/16) en de beschikking van het Hof in de zaak Porr Építési Kft. (zaak C-292/19), de Unierechtelijke beginselen van doeltreffendheid en gelijkwaardigheid alsook het beginsel van fiscale neutraliteit aldus worden uitgelegd dat deze zich verzetten tegen de praktijk van de betreffende handhavingsinstantie van een lidstaat waarbij deze instantie in geval van terugvordering van de btw over definitief oninbare vorderingen als voorwaarde voor de terugvordering stelt dat belastingplichtigen naast het geldend maken van hun vordering in een liquidatieprocedure verdere maatregelen nemen om tot inning over te gaan?

Moeten artikel 90, leden 1 en 2, en artikel 273 van de btw-richtlijn, gelet in het bijzonder op het arrest van het Hof in de zaak Enzo Di Maura (zaak C-246/16) en de beschikking van het Hof in de zaak Porr Építési Kft. (zaak C-292/19), de Unierechtelijke beginselen van doeltreffendheid en gelijkwaardigheid alsook het beginsel van fiscale neutraliteit aldus worden uitgelegd dat deze zich verzetten tegen de praktijk van de handhavingsinstantie van een lidstaat volgens welke de dienstverrichtende onderneming in geval van niet-betaling de dienstverlening onmiddellijk moet staken, want als zij zulks nalaat en de dienst blijft aanbieden, kan de btw over later definitief oninbaar geworden vorderingen niet worden teruggevorderd?

Moeten artikel 90, leden 1 en 2, en artikel 273 van de btw-richtlijn en de artikelen 15 tot en met 17 van het Handvest van grondrechten [van de Europese Unie], gelet in het bijzonder op het arrest van het Hof in de zaak Enzo Di Maura (zaak C-246/16) en de beschikking van het Hof in de zaak Porr Építési Kft. (zaak C-292/19), de Unierechtelijke beginselen van doeltreffendheid en gelijkwaardigheid alsook het beginsel van fiscale neutraliteit aldus worden uitgelegd dat deze bepalingen en beginselen zich ertegen verzetten dat de handhavingsinstantie van een lidstaat – na de beschikking van het Hof in de zaak Porr Építési Kft. – de in de vragen 2 tot en met [3] omschreven voorwaarden zonder enige rechtsgrondslag heeft vastgesteld en dat de belastingplichtigen vóór het definitief oninbaar worden van de vorderingen niet op de hoogte waren van deze voorwaarden?

____________

1 PB 2006, L 347, blz. 1.

2 ECLI:EU:C:2017:887

3 ECLI:EU:C:2019:901