ARREST VAN HET HOF (Vierde kamer)

4 september 2014 (*)

„Prejudiciële verwijzing – Ruimte van vrijheid, veiligheid en recht – Verordening (EG) nr. 810/2009 – Artikelen 24, lid 1, en 34 – Eenvormig visum – Nietigverklaring of intrekking van een eenvormig visum – Geldigheid van een eenvormig visum dat is aangebracht op een nietig verklaard reisdocument – Verordening (EG) nr. 562/2006 – Artikelen 5, lid 1, en 13, lid 1 – Grenscontroles – Toegangsvoorwaarden – Nationale regeling die vereist dat een geldig visum in een geldig reisdocument is aangebracht”

In zaak C‑575/12,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Administratīvā apgabaltiesa (Letland) bij beslissing van 4 december 2012, ingekomen bij het Hof op 7 december 2012, in de procedure

Air Baltic Corporation AS

tegen

Valsts robežsardze,

wijst

HET HOF (Vierde kamer),

samengesteld als volgt: L. Bay Larsen (rapporteur), kamerpresident, M. Safjan, J. Malenovský, A. Prechal en K. Jürimäe, rechters,

advocaat-generaal: P. Mengozzi,

griffier: M. Aleksejev, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 19 maart 2014,

gelet op de opmerkingen van:

–        Air Baltic Corporation AS, vertegenwoordigd door I. Jansons en M. Freimane, juridisch adviseurs,

–        de Letse regering, vertegenwoordigd door I. Kalniņš en D. Pelše als gemachtigden,

–        de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door G. Palmieri als gemachtigde, bijgestaan door G. Palatiello, avvocato dello Stato,

–        de Finse regering, vertegenwoordigd door J. Heliskoski en J. Leppo als gemachtigden,

–        de Zwitserse regering, vertegenwoordigd door D. Klingele als gemachtigde,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door G. Wils en A. Sauka als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 21 mei 2014,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van verordening (EG) nr. 562/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 tot vaststelling van een communautaire code betreffende de overschrijding van de grenzen door personen (Schengengrenscode) (PB L 105, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EU) nr. 265/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 25 maart 2010 (PB L 85, blz. 1; hierna: „Schengengrenscode”), en van verordening (EG) nr. 810/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot vaststelling van een gemeenschappelijke visumcode (Visumcode) (PB L 243, blz. 1).

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen de luchtvaartmaatschappij Air Baltic Corporation AS (hierna: „Air Baltic”) en de Valsts robežsardze (grenswacht) over de beslissing van laatstgenoemde om Air Baltic een administratieve geldboete op te leggen voor het vervoer naar Letland van een persoon die niet over de vereiste reisdocumenten beschikte om de grens te overschrijden.

 Toepasselijke bepalingen

 Unierecht

 Schengengrenscode

3        De punten 4, 6, 7, 8 en 19 van de Schengengrenscode luiden als volgt:

„(4)      Wat het grenstoezicht aan de buitengrenzen betreft, is de totstandbrenging van een gemeenschappelijk geheel van wetgevingsinstrumenten, met name door consolidatie en ontwikkeling van het acquis, een van de essentiële onderdelen van het gemeenschappelijk beleid inzake het beheer van de buitengrenzen. [...]

[...]

(6)      Grenstoezicht is in het belang van niet alleen de lidstaat aan de buitengrenzen waarvan het wordt uitgeoefend maar van alle lidstaten die het grenstoezicht aan hun binnengrenzen hebben afgeschaft. Het grenstoezicht moet helpen de illegale immigratie en mensenhandel te bestrijden en bedreigingen van de binnenlandse veiligheid, de openbare orde, de volksgezondheid en de internationale betrekkingen van de lidstaten te voorkomen.

(7)      De grenscontroles moeten zodanig worden uitgevoerd dat de menselijke waardigheid volledig wordt geëerbiedigd. Het grenstoezicht moet professioneel en respectvol worden uitgeoefend en in verhouding staan tot de beoogde doelstellingen.

(8)      Grenstoezicht omvat niet alleen de personencontrole aan de grensdoorlaatposten en de grensbewaking tussen deze grensdoorlaatposten, maar ook een analyse van de gevaren voor de binnenlandse veiligheid en de analyse van de bedreigingen die de veiligheid van de buitengrenzen in het gedrang kunnen brengen. Zowel voor de controle aan de grensdoorlaatposten als voor de grensbewaking moeten dus voorwaarden, criteria en procedures worden vastgesteld.

[...]

(19)      Daar de doelstelling van deze verordening, namelijk de vaststelling van regels betreffende de overschrijding van de grenzen door personen, niet in voldoende mate door de lidstaten kan worden verwezenlijkt, kan de Gemeenschap maatregelen nemen overeenkomstig het in artikel [5 VEU] neergelegde subsidiariteitsbeginsel. [...]”

4        In artikel 1 van die code, met als opschrift „Doel en beginselen”, is bepaald:

„Deze verordening voorziet in de afwezigheid van grenstoezicht ten aanzien van personen die de binnengrenzen tussen de lidstaten van de Europese Unie overschrijden.

Zij stelt de maatregelen vast die van toepassing zijn op het grenstoezicht ten aanzien van personen die de buitengrenzen van de lidstaten van de Europese Unie overschrijden.”

5        Volgens artikel 2, punt 10, van die code wordt onder „grenscontroles” verstaan „de controles die aan de grensdoorlaatposten worden verricht om na te gaan of de betrokken personen, hun vervoermiddelen en de voorwerpen in hun bezit het grondgebied van de lidstaten mogen binnenkomen dan wel verlaten”.

6        Artikel 5 van die code, met als opschrift „Toegangsvoorwaarden voor onderdanen van derde landen”, bepaalt in lid 1 ervan:

„Voor onderdanen van derde landen gelden de volgende toegangsvoorwaarden voor een verblijf van ten hoogste drie maanden per periode van zes maanden:

a)      in het bezit zijn van één of meer geldige reisdocumenten of documenten die recht geven op grensoverschrijding;

b)      indien vereist op grond van verordening (EG) nr. 539/2001 van de Raad van 15 maart 2001 tot vaststelling van de lijst van derde landen waarvan de onderdanen bij overschrijding van de buitengrenzen in het bezit moeten zijn van een visum en de lijst van derde landen waarvan de onderdanen van die plicht zijn vrijgesteld [PB L 81, blz. 1], in het bezit zijn van een geldig visum [...];

c)      het doel van het voorgenomen verblijf en de verblijfsomstandigheden kunnen staven, alsmede beschikken over voldoende middelen van bestaan, zowel voor de duur van het voorgenomen verblijf als voor de terugreis naar het land van herkomst of voor de doorreis naar een derde land, waar de toegang is gewaarborgd, dan wel in staat zijn deze middelen rechtmatig te verwerven;

d)      niet met het oog op weigering van toegang in het SIS [Schengeninformatiesysteem] gesignaleerd zijn;

e)      niet worden beschouwd als een bedreiging van de openbare orde, de binnenlandse veiligheid, de volksgezondheid of de internationale betrekkingen van één van de lidstaten, en met name niet om dezelfde redenen met het oog op weigering van toegang gesignaleerd staan in de nationale databanken van de lidstaten.”

7        Artikel 5, lid 4, van de Schengengrenscode bepaalt dat in specifieke situaties aan onderdanen van derde landen die niet aan alle van de in lid 1 gestelde voorwaarden voldoen, in afwijking van lid 1 van dat artikel, toegang tot het grondgebied van de lidstaten wordt of kan worden verleend.

8        Artikel 6, lid 1, tweede alinea, van de Schengengrenscode preciseert dat de maatregelen die de grenswachters nemen in de uitoefening van hun taken in verhouding staan tot de nagestreefde doelstellingen.

9        Artikel 7 van die code, met als opschrift „Grenscontrole op personen”, bepaalt in de leden 1 en 3 ervan:

„1.      Het grensoverschrijdende verkeer aan de buitengrenzen wordt gecontroleerd door de grenswachters. De controle wordt verricht overeenkomstig dit hoofdstuk.

[...]

3.      Bij binnenkomst en uitreis worden onderdanen van derde landen aan een grondige controle onderworpen.

a)      De grondige controles bij binnenkomst behelzen de verificatie van de in artikel 5, lid 1, vermelde voorwaarden voor toegang, alsmede, eventueel, van de verblijfs- en werkvergunningen. In dat verband wordt nauwgezet onderzocht:

i)      of de onderdaan van een derde land in het bezit is van een document dat geldig is voor grensoverschrijding en waarvan de geldigheidsduur niet is verstreken en dat, in voorkomend geval, vergezeld gaat van het vereiste visum of de vereiste verblijfsvergunning;

[...]

iii)      aan de hand van de in- en uitreisstempels in het reisdocument van de betrokken onderdaan van een derde land, en met name door vergelijking van de data van in- en uitreis, of de betrokkene de maximale duur van het toegestane verblijf op het grondgebied van de lidstaten reeds heeft overschreden;

[...]”

10      Artikel 8 van die code preciseert in lid 1 ervan dat de grenscontroles in buitengewone en onvoorziene omstandigheden kunnen worden versoepeld.

11      Artikel 10 van de Schengengrenscode bepaalt in de leden 1 en 3 ervan:

„1.      De reisdocumenten van onderdanen van derde landen worden bij inreis en bij uitreis systematisch afgestempeld. Er wordt met name een inreis-, respectievelijk uitreisstempel aangebracht in:

a)      de grensoverschrijdingsdocumenten van onderdanen van derde landen die voorzien zijn van een geldig visum;

[...]

3.      [...]

Op verzoek van een onderdaan van een derde land kan bij wijze van uitzondering worden afgezien van een in- of uitreisstempel, wanneer de afstempeling voor deze onderdaan tot ernstige moeilijkheden zou kunnen leiden. In deze gevallen wordt de in- of uitreis op een afzonderlijk blad geregistreerd met vermelding van de naam en het paspoortnummer. Dat blad wordt de betrokken onderdaan van een derde land ter hand gesteld.”

12      Artikel 13 van de Schengengrenscode bepaalt:

„1.      Indien een onderdaan van een derde land niet aan alle in artikel 5, lid 1, vermelde toegangsvoorwaarden voldoet, en niet tot de in artikel 5, lid 4, genoemde categorieën personen behoort, wordt hem de toegang tot het grondgebied van de lidstaten geweigerd. Dit laat de toepassing van de bijzondere bepalingen inzake asielrecht en internationale bescherming of inzake afgifte van een visum voor een verblijf van langere duur onverlet.

2.      De toegang kan alleen worden geweigerd in een met redenen omklede beslissing waarin de precieze weigeringsgronden worden genoemd. De beslissing wordt genomen door een naar nationaal recht bevoegde instantie. Zij is onmiddellijk van toepassing.

De met redenen omklede beslissing waarin de precieze weigeringsgronden worden genoemd, wordt meegedeeld door middel van het standaardformulier in bijlage V, deel B, dat wordt ingevuld door de naar nationaal recht voor de weigering van toegang bevoegde autoriteit. Het ingevulde standaardformulier wordt verstrekt aan de betrokken onderdaan van een derde land, die met behulp van dit formulier de ontvangst van de beslissing tot weigering van toegang bevestigt.

3.      Personen die de toegang wordt geweigerd, hebben het recht daartegen beroep in te stellen. Het beroep wordt ingesteld overeenkomstig de nationale wetgeving. [...]

[...]

6.      Gedetailleerde voorschriften inzake weigering van toegang zijn opgenomen in bijlage V, deel A.”

13      Overeenkomstig bijlage V, deel A, punt 1, sub b, bij die code moet de bevoegde grenswachter bij weigering van toegang in onuitwisbare inkt de letters aanbrengen die overeenkomen met de redenen voor toegangsweigering en waarvan de lijst in het standaardformulier voor toegangsweigering is opgenomen.

14      Het in bijlage V, deel B, van die code opgenomen formulier bevat met name een reeks van negen vakjes waarmee de bevoegde autoriteiten de precieze redenen voor toegangsweigering aan de grens kunnen aangeven.

 Visumcode

15      Punt 3 van de considerans van de visumcode luidt als volgt:

„Met betrekking tot het visumbeleid is de totstandbrenging van een ‚gemeenschappelijk wetgevingsinstrumentarium’, met name door de consolidering en ontwikkeling van het acquis de relevante bepalingen van de Overeenkomst ter uitvoering van het te Schengen gesloten akkoord van 14 juni 1985 [tussen de regeringen van de staten van de Benelux Economische Unie, van de Bondsrepubliek Duitsland en van de Franse Republiek betreffende de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen (PB 2000, L 239, blz. 19), die op 19 juni 1990 te Schengen is ondertekend], en de Gemeenschappelijke Visuminstructies één van de wezenlijke onderdelen van een ‚verdere ontwikkeling van het gemeenschappelijk visumbeleid door verdere harmonisatie van de nationale wetgeving en van de uitvoeringspraktijken van de plaatselijke consulaire vertegenwoordigingen, als onderdeel van een gelaagd systeem dat erop is gericht legaal reizen te bevorderen en illegale immigratie te bestrijden’ [...]”

16      Artikel 24, lid 1, eerste en tweede alinea, van die code luidt als volgt:

„De geldigheidsduur van een visum en de lengte van het toegestane verblijf worden gebaseerd op het onderzoek als bedoeld in artikel 21.

Een visum kan worden afgegeven voor één, twee of meer binnenkomsten. De geldigheidsduur is niet langer dan vijf jaar.”

17      Artikel 29 van die code bepaalt in de leden 1 en 2 ervan:

„1.      De geprinte visumsticker [...] wordt in het reisdocument aangebracht [...]

2.      Indien de lidstaat van afgifte het reisdocument van de aanvrager niet erkent, wordt gebruikgemaakt van het afzonderlijke blad voor het aanbrengen van een visum.”

18      Artikel 30 van die code preciseert dat „[a]an het bezit van een eenvormig visum [...] als zodanig geen automatisch recht op binnenkomst [kan] worden ontleend”.

19      Overeenkomstig artikel 33 van de visumcode kan de geldigheidsduur van en/of de duur van het verblijf met een afgegeven visum in bepaalde bijzondere omstandigheden worden verlengd.

20      Artikel 34 van die code bepaalt in de leden 1 en 2 ervan:

„1.      Een visum wordt nietig verklaard indien blijkt dat op het moment van afgifte niet aan de afgiftevoorwaarden voldaan was, met name indien er ernstige redenen bestaan om aan te nemen dat het visum op onrechtmatige wijze is verkregen. Een visum wordt in beginsel nietig verklaard door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat die het heeft afgegeven. Een visum kan door de bevoegde autoriteiten van een andere lidstaat nietig worden verklaard [...]

2.      Een visum wordt ingetrokken indien blijkt dat niet langer aan de afgiftevoorwaarden voldaan wordt. Een visum wordt in beginsel ingetrokken door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat die het heeft afgegeven. Een visum kan door de bevoegde autoriteiten van een andere lidstaat worden ingetrokken [...].”

 Lets recht

21      De Letse Imigrācijas likums (immigratiewet) van 20 november 2002 (Latvijas Vēstnesis, 2000, nr. 169) bepaalt in artikel 4, lid 1:

„1.      Een vreemdeling heeft het recht om het grondgebied van de Republiek Letland binnen te komen en er te verblijven als hij gelijktijdig beschikt over:

1)      een geldig reisdocument [...]

2)      een geldig visum in een geldig reisdocument [...]”

 Hoofdgeding en prejudiciële vragen

22      Op 8 oktober 2010 heeft Air Baltic op een vlucht Moskou-Riga een Indiaas staatsburger naar de Republiek Letland vervoerd, die bij de grenscontrole op de luchthaven van Riga een geldig Indiaas paspoort zonder eenvormig visum heeft overgelegd, alsook een nietig verklaard Indiaas paspoort met een door de Italiaanse Republiek afgegeven meervoudig eenvormig visum dat geldig was van 25 mei 2009 tot en met 25 mei 2014. In het nietig verklaarde paspoort was het volgende aangetekend: „Nietig verklaard paspoort. De geldige visa in het paspoort zijn niet nietig verklaard.”

23      Die Indiase staatsburger werd de toegang tot het Letse grondgebied ontzegd op grond dat hij niet over een geldig visum beschikte.

24      Bij besluit van 14 oktober 2010 heeft de Valsts robežsardze Air Baltic een administratieve geldboete van 2 000 Letse lats (LVL) opgelegd op grond dat Air Baltic, door die Indiase staatsburger te vervoeren, een administratieve inbreuk had begaan door een persoon die niet over de vereiste reisdocumenten beschikte om de staatsgrens te overschrijden, naar Letland te vervoeren.

25      Bij beslissing van 9 december 2010 heeft het hoofd van de Valsts robežsardze het bezwaar van Air Baltic tegen voornoemd besluit afgewezen.

26      Tegen die beslissing heeft Air Baltic vervolgens beroep ingesteld bij de administratīvā rajona tiesa (administratieve districtsrechtbank). Bij vonnis van 12 augustus 2011 heeft die rechtbank dat beroep verworpen.

27      Tegen dit vonnis heeft Air Baltic hoger beroep ingesteld bij de verwijzende rechter.

28      Daarop heeft de Administratīvā apgabaltiesa (regionaal administratief hof), van oordeel dat de uitlegging van de Schengengrenscode en de visumcode noodzakelijk is voor de beslechting van het bij hem aanhangige geding, de behandeling van de zaak geschorst en het Hof van Justitie om een prejudiciële beslissing verzocht over de volgende vragen:

„1)      Moet artikel 5 van de [Schengengrenscode] aldus worden uitgelegd dat het bezit van een geldig visum dat in een geldig reisdocument is aangebracht, een dwingende voorafgaande voorwaarde is voor de toegang van een onderdaan van een derde land?

2)      Leidt de nietigverklaring van een reisdocument waarin een visumsticker is aangebracht, krachtens het bepaalde in de [visumcode] tevens tot ongeldigheid van het afgegeven visum?

3)      Zijn nationale bepalingen die het bezit van een geldig visum dat in een geldig reisdocument is aangebracht, als dwingende voorafgaande voorwaarde stellen voor de toegang van onderdanen van derde landen, verenigbaar met de bepalingen van de [Schengengrenscode] en de [visumcode]?”

 Beantwoording van de prejudiciële vragen

 Tweede vraag

29      Met zijn tweede vraag, die eerst moet worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de artikelen 24, lid 1, en 34 van de visumcode aldus moeten worden uitgelegd dat de nietigverklaring van een reisdocument door een autoriteit van een derde land, van rechtswege leidt tot ongeldigheid van een in dat document aangebracht eenvormig visum.

30      Dienaangaande zij erop gewezen dat de bevoegde autoriteit overeenkomstig artikel 24, lid 1, van de visumcode de geldigheidsduur van het eenvormig visum bij de afgifte bepaalt. Daarnaast kan die periode in bepaalde bijzondere omstandigheden op grond van artikel 33 van die code worden verlengd.

31      Een visum wordt overeenkomstig artikel 34, leden 1 en 2, van die code echter nietig verklaard indien blijkt dat op het moment van afgifte niet aan de afgiftevoorwaarden was voldaan en wordt ingetrokken indien blijkt dat niet langer aan die voorwaarden wordt voldaan.

32      Een eenvormig visum blijft, in geval van afgifte ervan door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van afgifte, dus op zijn minst geldig tot het verstrijken van de vastgestelde geldigheidsperiode, tenzij het op grond van artikel 34 van de visumcode vóór het verstrijken van die periode wordt nietig verklaard of ingetrokken.

33      Uit de leden 1 en 2 van dat artikel blijkt echter dat de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van afgifte of van een andere lidstaat voor de nietigverklaring of intrekking van een eenvormig visum een specifiek besluit moeten vaststellen. Een autoriteit van een derde land is bijgevolg niet bevoegd om een eenvormig visum nietig te verklaren.

34      De door een dergelijke autoriteit genomen beslissing om een reisdocument met een eenvormig visum nietig te verklaren, kan dan ook niet worden geacht van rechtswege te leiden tot nietigverklaring of intrekking van dat visum.

35      Voorts blijkt uit artikel 34 van de visumcode dat een bevoegde autoriteit een eenvormig visum slechts nietig kan verklaren om redenen die stroken met de in de artikelen 32, lid 1, en 35, lid 6, van die code bedoelde weigeringsgronden (zie in die zin arrest Koushkaki, C‑84/12, EU:C:2013:862, punten 42 en 43). Bijgevolg ziet de enige grond tot nietigverklaring van een visum die rechtstreeks betrekking heeft op het reisdocument, overeenkomstig artikel 32, lid 1, sub a‑i, van die code op de situatie waarin het overgelegde reisdocument ten tijde van de afgifte van het visum vals of vervalst was. Hieruit volgt dat de nietigverklaring van het reisdocument waarop het visum na afgifte van dit visum wordt aangebracht, niet behoort tot de gronden voor nietigverklaring ervan door een bevoegde autoriteit.

36      Gelet op het voorgaande moet op de tweede vraag worden geantwoord dat de artikelen 24, lid 1, en 34, van de visumcode aldus moeten worden uitgelegd dat de nietigverklaring van een reisdocument door een autoriteit van een derde land, niet van rechtswege leidt tot ongeldigheid van een in dat document aangebracht eenvormig visum.

 Eerste vraag

37      Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 5, lid 1, van de Schengengrenscode, gelezen in samenhang met artikel 13, lid 1, ervan, aldus moet worden uitgelegd dat het de toegang van onderdanen van derde landen tot het grondgebied van de lidstaten afhankelijk stelt van de voorwaarde dat het bij de grenscontrole overgelegde geldige visum in een geldig reisdocument is aangebracht.

38      Dienaangaande zij erop gewezen dat in artikel 13, lid 1, van de Schengengrenscode is bepaald dat een onderdaan van een derde land die niet aan alle in artikel 5, lid 1, van die code vermelde toegangsvoorwaarden voldoet en niet tot de in lid 4 van dat artikel genoemde categorieën personen behoort, de toegang tot het grondgebied van de lidstaten wordt geweigerd.

39      Krachtens artikel 5, lid 1, van die code zijn de eerste twee voorwaarden voor de toegang van onderdanen van derde landen tot het grondgebied van de lidstaten, ten eerste, het bezit van één of meer geldige reisdocumenten of documenten die recht geven op grensoverschrijding en, ten tweede, voor zover vereist op grond van verordening nr. 539/2001, het bezit van een geldig visum.

40      De tekst van die bepaling maakt dus een onderscheid tussen de toegangsvoorwaarde van het bezit van een reisdocument, zoals gesteld in artikel 5, lid 1, sub a, van de Schengengrenscode, en de toegangsvoorwaarde van het bezit van een visum, zoals gesteld in artikel 5, lid 1, sub b, van deze code, zonder op enigerlei wijze aan te geven dat het feit dat het visum op de datum van de grensoverschrijding in een geldig reisdocument is aangebracht, een toegangsvoorwaarde vormt.

41      Zoals de Letse en de Finse regering hebben benadrukt, geven bepaalde taalversies van artikel 7, lid 3, sub a‑i, van de Schengengrenscode, zoals de Spaanse, de Estse, de Italiaanse en de Letse taalversie, uiting aan de gedachte dat de bevoegde autoriteiten bij de grenscontroles moeten nagaan of de onderdaan van het derde land beschikt over een geldig reisdocument waarin een visum is aangebracht.

42      Niettemin zijn de meeste andere taalversies van die bepaling van de Schengengrenscode – te weten de Deense, de Duitse, de Griekse, de Engelse, de Franse, de Litouwse, de Hongaarse, de Maltese, de Nederlandse, de Poolse, de Portugese, de Sloveense en de Zweedse taalversie – in bewoordingen gesteld waaruit niet kan worden opgemaakt dat het visum bij de grensoverschrijding noodzakelijkerwijs in een geldig reisdocument moet zijn aangebracht, terwijl andere taalversies, zoals de Tsjechische en de Finse taalversie, op dit punt enigszins dubbelzinnig zijn.

43      De noodzaak van een eenvormige uitlegging van Unierechtelijke bepalingen vereist dat wanneer verschillen bestaan tussen diverse taalversies van de betrokken bepaling, bij de uitlegging van die bepaling wordt gelet op de context en de doelstelling van de regeling waarvan zij deel uitmaakt (zie in die zin arresten DR en TV2 Danmark, C‑510/10, EU:C:2012:244, punt 45, alsook Bark, C‑89/12, EU:C:2013:276, punt 40).

44      Wat in de eerste plaats de context van de artikelen 5, lid 1, en 7, lid 3, sub a‑i, van de Schengengrenscode betreft, zij erop gewezen dat artikel 7 van die code is opgenomen in het tot titel II behorende hoofdstuk II van die code, met als opschrift „Toezicht aan de buitengrenzen en weigering van toegang”, terwijl artikel 5 van die code deel uitmaakt van het eveneens tot die titel II behorende hoofdstuk I, met als opschrift „Overschrijden van de buitengrenzen en toegangsvoorwaarden”.

45      Uit zowel het opschrift van artikel 7 van de Schengengrenscode als de bewoordingen van lid 3, sub a, van dat artikel blijkt overigens dat die bepaling niet beoogt toegangsvoorwaarden vast te stellen voor onderdanen van derde landen, maar ertoe strekt de verschillende aspecten te preciseren van de grondige controle die de bevoegde autoriteiten moeten verrichten om na te gaan of zij voldoen aan de in artikel 5, lid 1, van die code gestelde toegangsvoorwaarden.

46      Daarnaast zij erop gewezen dat artikel 13, lid 2, van die code bepaalt dat de precieze gronden van een beslissing tot weigering van toegang aan de onderdaan van een derde land moeten worden meegedeeld door middel van het standaardformulier in bijlage V, deel B, van die code.

47      De negen vakjes van dat formulier, die de bevoegde autoriteiten aankruisen om de gronden van een beslissing tot weigering van toegang mee te delen, bevatten meerdere, onderling verschillende vakjes die zien op respectievelijk het overgelegde reisdocument en het overgelegde visum. Dat formulier bevat echter geen enkel vakje om de toegangsweigering aldus te motiveren dat het overgelegde geldige visum op de datum van de grensoverschrijding niet in een geldig reisdocument is aangebracht.

48      Voorts volgt uit artikel 29, lid 2, van de visumcode dat de Uniewetgever niet heeft beoogd elke mogelijkheid uit te sluiten om het grondgebied van de lidstaten binnen te komen zonder op een geldig reisdocument aangebracht visum, aangezien hij uitdrukkelijk heeft voorzien in de mogelijkheid om een visum aan te brengen op een afzonderlijk blad wanneer de lidstaat van afgifte het overgelegde reisdocument niet erkent.

49      Bovendien zou een visum waarvan de geldigheidsperiode niet is verstreken en dat is aangebracht in een na de afgifte van dat visum nietig verklaard reisdocument, geen gevolgen hebben na een dergelijke nietigverklaring indien het niet meer zou kunnen worden overgelegd om het grondgebied van de lidstaten binnen te komen, zelfs wanneer dat visum vergezeld zou gaan van een geldig reisdocument. Een dergelijke uitlegging van de Schengengrenscode zou de geldigheid van een dergelijk visum, die voortvloeit uit de artikelen 24, lid 1, en 34, van de visumcode, zoals uitgelegd in punt 36 van dit arrest, echter de facto uithollen.

50      Wat in de tweede plaats de door de Schengengrenscode nagestreefde doelstellingen betreft, blijkt uit punt 6 van de considerans van die code dat de grenscontrole moet helpen de illegale immigratie en mensenhandel te bestrijden en bedreigingen voor de binnenlandse veiligheid, de openbare orde, de volksgezondheid en de internationale betrekkingen van de lidstaten te voorkomen. Verder preciseert artikel 2, punt 10, van die code dat met de grenscontroles wordt beoogd na te gaan of de betrokken personen het grondgebied van de lidstaten mogen binnenkomen dan wel verlaten.

51      Met het oog op de verwezenlijking van die doelstellingen bepaalt artikel 7, lid 3, van die code dat de onderdanen van derde landen bij binnenkomst en uitreis aan een grondige controle worden onderworpen, waarbij met name de in- en uitreisstempels in het reisdocument van de betrokken onderdaan van een derde land worden onderzocht om na te gaan of de betrokkene de maximale duur van het toegestane verblijf op het grondgebied van de lidstaten niet reeds heeft overschreden.

52      Het is juist, zoals de Letse en de Finse regering hebben opgemerkt, dat dit onderzoek moeilijker is wanneer tegelijkertijd een nietig verklaard reisdocument met een geldig visum en een geldig reisdocument worden overgelegd.

53      De overlegging van twee verschillende reisdocumenten maakt het de bevoegde autoriteiten, zoals de advocaat-generaal in punt 68 van zijn conclusie heeft opgemerkt, echter niet onmogelijk om onder redelijke omstandigheden de in artikel 7, lid 3, van de Schengengrenscode bedoelde controles te verrichten op basis van de informatie die blijkt uit de twee reisdocumenten die hun worden overgelegd.

54      Die autoriteiten zien zich overigens met soortgelijke moeilijkheden geconfronteerd in het uitdrukkelijk door de Uniewetgever beoogde geval waarin het aanbrengen van de in- of uitreisstempel op het reisdocument overeenkomstig artikel 10, lid 3, tweede alinea, van de Schengengrenscode wordt vervangen door de registratie van de in- of uitreis op een afzonderlijk blad.

55      Voorts zou de opvatting dat de praktische moeilijkheden die samenhangen met de overlegging van twee verschillende reisdocumenten, zoals de documenten in het hoofdgeding, volstaan om de toegang te weigeren aan onderdanen van derde landen van wie het eenvormig visum is aangebracht op een nietig verklaard reisdocument, leiden tot schending van het in artikel 6, lid 1, tweede alinea, juncto punt 7 van de considerans van de Schengengrenscode neergelegde vereiste dat de grenscontroles in verhouding staan tot de nagestreefde doelstellingen.

56      Derhalve moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 5, lid 1, van de Schengengrenscode, gelezen in samenhang met artikel 13, lid 1, ervan, aldus moet worden uitgelegd dat het de toegang van onderdanen van derde landen tot het grondgebied van de lidstaten niet afhankelijk stelt van de voorwaarde dat het bij de grenscontrole overgelegde geldige visum in een geldig reisdocument is aangebracht.

 Derde vraag

57      Met zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 5, lid 1, van de Schengengrenscode, gelezen in samenhang met artikel 13, lid 1, ervan, aldus moet worden uitgelegd dat het in de weg staat aan een nationale regeling zoals die in het hoofdgeding, die de toegang van onderdanen van derde landen tot het grondgebied van de betrokken lidstaat afhankelijk stelt van de voorwaarde dat het overgelegde geldige visum bij de grenscontrole noodzakelijkerwijs in een geldig reisdocument is aangebracht.

58      Gelet op het antwoord op de eerste vraag blijkt dat de derde vraag enkel ontkennend kan worden beantwoord indien een lidstaat beschikt over een beoordelingsmarge die hem in staat stelt de toegang van een onderdaan van een derde land tot zijn grondgebied te weigeren op grond van een niet in de Schengengrenscode gestelde toegangsvoorwaarde.

59      In dit verband blijkt uit de tekst van artikel 5, lid 1, van die code dat deze code een lijst vaststelt van voorwaarden voor de toegang van onderdanen van derde landen tot het grondgebied van de lidstaten en geen minimumlijst van gronden op basis waarvan de toegang van die onderdanen van derde landen tot dat grondgebied moet worden geweigerd.

60      Voorts preciseert artikel 7, lid 1, van de Schengengrenscode dat de grenscontroles overeenkomstig hoofdstuk II van titel II van deze code worden verricht.

61      Hoewel de artikelen 7, lid 3, en 8, van die code, die deel uitmaken van dat hoofdstuk II, respectievelijk voorzien in de verplichting van de bevoegde autoriteiten om na te gaan of is voldaan aan de in artikel 5, lid 1, van die code gestelde voorwaarden en in de mogelijkheid om de grenscontroles te versoepelen, maakt geen enkele bepaling van dat hoofdstuk melding van de mogelijkheid voor die autoriteiten om die controles uit te breiden door te vereisen dat aan andere toegangsvoorwaarden wordt voldaan dan die welke in laatstgenoemde bepaling zijn vermeld.

62      Bovendien pleit het feit dat artikel 13 van de Schengengrenscode in lid 1 bepaalt dat een onderdaan van een derde land die niet aan alle in artikel 5, lid 1, van die code vermelde toegangsvoorwaarden voldoet en niet tot de in lid 4 van dat artikel genoemde categorieën personen behoort, de toegang tot het grondgebied van de lidstaten wordt geweigerd, en in lid 2, tweede alinea, bepaalt dat de precieze weigeringsgronden moeten worden meegedeeld door middel van het standaardformulier in bijlage V, deel B, bij die code, voor de uitlegging dat de lijst van in dat artikel 5, lid 1, opgesomde toegangsvoorwaarden uitputtend is (zie naar analogie arrest Koushkaki, EU:C:2013:862, punt 38).

63      Het in bijlage V, deel B, vastgestelde standaardformulier bevat overigens negen vakjes die de bevoegde autoriteiten aankruisen om onderdanen van derde landen in kennis te stellen van de gronden voor toegangsweigering. Het zesde vakje komt overeen met de in artikel 5, lid 1, eerste zinsdeel, van de Schengengrenscode bedoelde verblijfsduur, terwijl de andere vakjes verwijzen naar de voorwaarden van dat lid 1, sub a tot en met e.

64      Evenzo is in bijlage V, deel A, van de Schengengrenscode gepreciseerd dat de bevoegde grenswachter bij weigering van toegang in het paspoort de letters moet aanbrengen die overeenkomen met de redenen voor toegangsweigering en waarvan de lijst in het standaardformulier voor toegangsweigering is opgenomen.

65      Daarenboven blijkt uit artikel 1 en de punten 4, 8 en 19 van de considerans van die code dat deze code beoogt de voorwaarden, de criteria en de nadere regels vast te stellen voor het toezicht aan de buitengrenzen van de Unie, wat niet in voldoende mate door de lidstaten kan worden verwezenlijkt. Punt 6 van de considerans van die code preciseert voorts dat het grenstoezicht niet alleen in het belang is van de lidstaat aan de buitengrenzen waarvan het wordt uitgeoefend, maar van alle lidstaten die het grenstoezicht aan hun binnengrenzen hebben afgeschaft, wat een gemeenschappelijke definitie van de toegangsvoorwaarden impliceert.

66      De uitlegging volgens welke de Schengengrenscode ertoe beperkt blijft de lidstaten te verplichten in een aantal nauwkeurig bepaalde situaties de toegang tot hun grondgebied te weigeren, zonder evenwel geharmoniseerde voorwaarden voor toegang tot dat grondgebied vast te stellen, is derhalve onverenigbaar met de doelstelling van deze code (zie naar analogie arrest Koushkaki, EU:C:2013:862, punt 50).

67      Het Hof heeft overigens reeds geoordeeld dat de bij het Schengenakkoord van 14 juni 1985 ingevoerde regeling, als logisch gevolg van de vrije overschrijding van de binnengrenzen van de Schengenruimte, beoogt een verhoogd eenvormig niveau van toezicht en bewaking van de buitengrenzen te waarborgen (arrest Commissie/Spanje, C‑503/03, EU:C:2006:74, punt 37), dankzij de naleving van de geharmoniseerde voorschriften inzake controles aan de buitengrenzen, die zijn vastgesteld in de artikelen 6 tot en met 13 van de Schengengrenscode (zie in die zin arrest ANAFE, C‑606/10, EU:C:2012:348, punten 26 en 29).

68      Bovendien zou de in punt 3 van de considerans van de visumcode genoemde doelstelling van de bevordering van het legaal reizen, ook al kan krachtens artikel 30 van de visumcode aan het bezit van een eenvormig visum als zodanig geen onherroepelijk recht op binnenkomst worden ontleend, in het gedrang komen indien de lidstaten op discretionaire wijze zouden kunnen beslissen om de toegang te weigeren aan onderdanen van derde landen die beschikken over een eenvormig visum, door een toegangsvoorwaarde toe te voegen aan die welke in artikel 5, lid 1, van de Schengengrenscode zijn vermeld, ofschoon de Uniewetgever niet de bedoeling had een dergelijke voorwaarde te stellen aan de toegang tot het grondgebied van de lidstaten (zie naar analogie arrest Koushkaki, EU:C:2013:862, punt 52).

69      Bijgevolg beschikken lidstaten niet over een beoordelingsmarge om onderdanen van derde landen de toegang tot hun grondgebied te weigeren op grond van voorwaarden waarin de Schengengrenscode niet voorziet.

70      Gelet op een en ander moet op de derde vraag worden geantwoord dat artikel 5, lid 1, van de Schengengrenscode, gelezen in samenhang met artikel 13, lid 1, ervan, aldus moet worden uitgelegd dat het in de weg staat aan een nationale regeling zoals die in het hoofdgeding, die de toegang van onderdanen van derde landen tot het grondgebied van de betrokken lidstaat afhankelijk stelt van de voorwaarde dat het overgelegde geldige visum bij de grenscontrole in een geldig reisdocument is aangebracht.

 Kosten

71      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Vierde kamer) verklaart voor recht:

1)      De artikelen 24, lid 1, en 34, van verordening (EG) nr. 810/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot vaststelling van een gemeenschappelijke visumcode (Visumcode) moeten aldus worden uitgelegd dat de nietigverklaring van een reisdocument door een autoriteit van een derde land, niet van rechtswege leidt tot ongeldigheid van een in dat document aangebracht eenvormig visum.

2)      Artikel 5, lid 1, van verordening (EG) nr. 562/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 tot vaststelling van een communautaire code betreffende de overschrijding van de grenzen door personen (Schengengrenscode), zoals gewijzigd bij verordening (EU) nr. 265/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 25 maart 2010, gelezen in samenhang met artikel 13, lid 1, van die verordening, moet aldus worden uitgelegd dat het de toegang van onderdanen van derde landen tot het grondgebied van de lidstaten niet afhankelijk stelt van de voorwaarde dat het bij de grenscontrole overgelegde geldige visum in een geldig reisdocument is aangebracht.

3)      Artikel 5, lid 1, van verordening nr. 562/2006, zoals gewijzigd bij verordening nr. 265/2010, gelezen in samenhang met artikel 13, lid 1, van die verordening, moet aldus worden uitgelegd dat het in de weg staat aan een nationale regeling zoals die in het hoofdgeding, die de toegang van onderdanen van derde landen tot het grondgebied van de betrokken lidstaat afhankelijk stelt van de voorwaarde dat het overgelegde geldige visum bij de grenscontrole in een geldig reisdocument is aangebracht.

ondertekeningen


* Procestaal: Lets.