ARREST VAN HET GERECHT VOOR AMBTENARENZAKEN
VAN DE EUROPESE UNIE (Tweede kamer)

22 mei 2008 (*)

„Ambtenarenrecht – Algemeen vergelijkend onderzoek – Toelatingsvoorwaarden – Vereiste beroepservaring – Weigering om op reservelijst geplaatste kandidaat aan te werven – Beoordelingsvrijheid van jury en van het TABG”

In zaak F‑145/06,

betreffende een beroep krachtens de artikelen 236 EG en 152 EA,

César Pascual García, wonende te Madrid (Spanje), vertegenwoordigd door B. Cortese en C. Cortese, advocaten,

verzoeker,

tegen

Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door J. Currall en M. Velardo als gemachtigden,

verweerster,

wijst

HET GERECHT VOOR AMBTENARENZAKEN (Tweede kamer),

samengesteld als volgt: S. Van Raepenbusch (rapporteur), kamerpresident, I. Boruta en H. Kanninen, rechters,

griffier: R. Schiano, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 6 maart 2008,

het navolgende

Arrest

1        Bij verzoekschrift, binnengekomen ter griffie van het Gerecht bij faxbericht van 22 december 2006 (het origineel is op 2 januari 2007 neergelegd), heeft C. Pascual García, die is geslaagd voor algemeen vergelijkend onderzoek EPSO/B/23/04 (PB C 81 A van 31 maart 2004, blz. 17), onder meer verzocht om nietigverklaring van het besluit van de directeur-generaal van het te Ispra (Italië) gevestigde Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek (GCO) van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 7 april 2006 om zijn sollicitatie betreffende kennisgeving van vacature COM/2005/2969 niet in aanmerking te nemen en op de reservelijst van dit vergelijkend onderzoek een opmerking te plaatsen om de diensten ervan op de hoogte te stellen dat verzoeker niet voldeed aan de toelatingsvoorwaarden voor het betrokken vergelijkend onderzoek (hierna: „bestreden besluit”).

 Voorgeschiedenis van het geding

2        Verzoeker heeft in augustus 1998 van de Autonome Universiteit Madrid (Spanje) (Universidad autonoma de Madrid; hierna: „UAM”) een licentiaat in de natuurwetenschappen gekregen en in 2000 een licentiaat in de materiaalwetenschappen.

3        Van 1 februari 2001 tot en met 31 januari 2004 was hij bij de Scuola Normale Superiore van Pisa (Italië) (hierna: „SNS”) en het Istituto Nazionale per la Fisica della Materia (hierna: „INFM”) werkzaam in het kader van een opleidingsplaats in natuurwetenschappen van de gecondenseerde materie (posto di perfezionamento triennale in fisica della materia condensatie; hierna: „promotieonderzoek”). Gedurende die periode verrichtte hij binnen de „National Enterprise for nanoScience and nanoTechnology”, een onderneming voor onderzoek die door de SNS en het INFM gezamenlijk was opgericht (hierna: „NEST”), onderzoek in de sectoren semi-geleiders en nanowetenschap, en volgde hij 150 uur onderwijs.

4        Opgemerkt zij dat na de invoering van promotieonderzoek in Italië bij Decreto del Presidente della Repubblica 11 luglio 1980, n. 382, Riordinamento della docenza universitaria, relativa fascia di formazione nonché sperimentazione organizzativa e didattica (decreet van de president van de Republiek van 11 juli 1980, nr. 382, over de hervorming van het academisch onderwijs, opleidingen, organisatorische en didactische experimenten, GURI nr. 209 van 31 juli 1980), bij legge 18 giugno 1986, n. 308, Equipollenza del Diploma di Perfezionamento della Scuola Normale Superiore di Pisa con il titolo di Dottore di Ricerca (wet nr. 308 van 18 juni 1986, GURI nr. 149 van 30 juni 1986), de gelijkwaardigheid is vastgesteld van het door de SNS afgegeven diploma di perfezionamento met het door de andere Italiaanse universiteiten afgegeven diploma van dottore di ricerca.

5        Van 2 februari 2004 tot 1 februari 2005 is verzoeker voor de SNS blijven werken, dit keer in het kader van een overeenkomst betreffende de medewerking aan onderzoeksactiviteiten (contratto di collaborazione ad attività di ricerca; hierna: „onderzoekscontract”).

 Algemeen vergelijkend onderzoek EPSO/B/23/04

6        Op 31 maart 2004 is de aankondiging van algemeen vergelijkend onderzoek EPSO/B/23/04 bekendgemaakt voor de vorming van een aanwervingsreserve van technische beambten (B5/B4) voor de werkgebieden onderzoek en techniek (hierna: „aankondiging van vergelijkend onderzoek”). Dit vergelijkend onderzoek besloeg verschillende vakgebieden, en met name dat van de „fysica, materiaalwetenschappen, werktuigbouw en elektronica”, waarvoor verzoeker zich opgaf. De inschrijvingstermijn liep af op 30 april 2004.

7        Voor het vakgebied „fysica, materiaalwetenschappen, werktuigbouw en elektronica” werden de functies in punt A.I van de aankondiging van vergelijkend onderzoek beschreven als volgt:

„De functies houden hoofdzakelijk het volgende in:

–        opzetten en exploiteren, aan de hand van algemene aanwijzingen, van experimentele installaties, uitvoeren van experimentele metingen;

–        ontwikkelen en toepassen van analysetechnieken;

–        verifiëren en valideren van de resultaten;

–        toepassen van methoden voor kwaliteitsborging op de onderstaande gebieden.

[...]

Met name:

–        instrumentering, bewakingssystemen, meet‑ en detectiesystemen op het gebied van milieu, gezondheid, hernieuwbare energie en emissies;

–        analyse en behandeling van materialen voor biomedische technieken;

–        opzet en ontwikkeling van experimentele installaties;

–        installatie en onderhoud van hydraulische systemen, hogedruksystemen, lagedruksystemen en cryogene systemen;

–        metrologie;

–        verantwoordelijkheid voor een elektronisch en elektrotechnisch laboratorium;

–        verantwoordelijkheid voor en onderhoud van elektronische installaties;

–        data-acquisitie en modellering.”

8        Punt A.II van de aankondiging van vergelijkend onderzoek preciseerde de toelatingsvoorwaarden betreffende de getuigschriften of diploma’s, de beroepservaring en de talenkennis waaraan de kandidaten op de uiterste inschrijvingsdatum moesten voldoen. Meer bepaald werd in onderdeel 2 met betrekking tot de vereiste beroepservaring gepreciseerd:

„De kandidaten moeten na het behalen van het diploma hoger middelbaar onderwijs ten minste vier jaar beroepservaring op voltijdbasis hebben opgedaan waarvan twee jaar verband houden met de aard van de betrokken functies.

Worden in aanmerking genomen als beroepservaring, voor maximaal twee jaar:

–        stages voor specialisatie of bijscholing welke voorbereiden op de uitoefening van de in punt A.I genoemde functies, voor zover daarvan bewijsstukken zijn overgelegd;

–        aanvullende opleidingen, studies of onderzoek welke voorbereiden op de uitoefening van de in punt A.I genoemde functies, en die zijn afgesloten met een diploma dat ten minste gelijkwaardig is aan het diploma dat toegang geeft tot het vergelijkend onderzoek.

Als de periode van stage voor specialisatie of bijscholing samenvalt met een periode van beroepsactiviteit, neemt de jury slechts de periode van beroepsactiviteit in aanmerking.”

9        Punt C, onderdeel 3, „Volledig sollicitatiedossier”, bepaalde dat het staatsburgerschap, de studies, opleidingen, stage, het onderzoek en de beroepservaring gedetailleerd moesten worden opgegeven in het sollicitatieformulier en dat daarbij de bewijsstukken moesten worden gevoegd op basis waarvan de jury diende na te gaan of de kandidaten voldeden aan de voorwaarden van punt A.II van de aankondiging van vergelijkend onderzoek.

10      Bij brief van 30 maart 2005 heeft het Europees Bureau voor Personeelsselectie (EPSO) verzoeker meegedeeld dat hij voldeed aan alle voorwaarden van de aankondiging van vergelijkend onderzoek. Vervolgens heeft het hem bij brief van 13 oktober 2005 meegedeeld dat zijn naam was opgenomen op de reservelijst die op 31 december 2007 afliep, maar dat dit hem niet de garantie bood dat hij zou worden aangeworven.

 Kennisgeving van vacature COM/2005/2969

11      Het GCO heeft kennisgeving van vacature COM/2005/2969 – B*3/B*11 (hierna: „kennisgeving van vacature”) bekendgemaakt. Op 21 november 2005 is verzoeker uitgenodigd voor een aanwervingsgesprek bij het Instituut voor de gezondheid en de veiligheid van de consument te Ispra (hierna: „ISPC”). Dit gesprek vond op 6 december daaraanvolgend plaats.

12      Op 14 december 2005 is verzoeker eveneens uitgenodigd voor een aanwervingsgesprek bij het Transuraneninstituut van het GCO te Karlsruhe (Duitsland). De datum van dit gesprek werd vastgesteld op 17 januari 2006.

13      Bij brief van 16 december 2005 heeft het hoofd van de eenheid Personeelszaken van het GCO te Ispra verzoeker meegedeeld dat hij zou worden aangesteld in het in de kennisgeving van vacature bedoelde ambt en dat zijn aanwerving nog afhing van de uitkomst van het medisch onderzoek en het veiligheidsonderzoek.

14      In de volgende dagen werd in een reeks telefoongesprekken en per mail bevestigd dat verzoeker voor het vacante ambt was uitgekozen. Uit deze contacten blijkt eveneens dat verzoeker bij aanvaarding van die post de uitnodiging voor een aanwervingsgesprek bij het Transuraneninstituut te Karlsruhe zou moeten afslaan.

15      Op 23 januari 2006 onderging verzoeker het medische onderzoek. Diezelfde dag had hij een ontmoeting met de wetenschappelijk verantwoordelijke van de dienst van het ISPC waar hij zou worden tewerkgesteld. De datum van zijn indiensttreding bij het GCO werd vastgesteld op 1 april 2006.

16      Voorts heeft verzoeker bij de eenheid Personeelszaken van het GCO alle stukken van zijn dossier neergelegd zoals die aan het EPSO waren afgegeven. Vervolgens heeft hij besloten om zijn arbeidsverhouding met de SNS te beëindigen en niet in te gaan op andere werkaanbiedingen.

17      Bij e-mail van de eenheid Personeelszaken van het GCO van 3 maart 2006 werd verzoeker verzocht alle aanvullende stukken over zijn beroepservaring over te leggen teneinde met name de hoeveelheid tijd te bepalen die hij aan studie had gewijd en die welke hij in het kader van zijn promotie aan onderzoek had gewijd. Verzoeker heeft aan dit verzoek voldaan.

18      Daar verzoeker op 20 maart 2006 nog geen officiële werkaanbieding had gekregen, heeft hij per mail contact opgenomen met bovenvermelde wetenschappelijk verantwoordelijke van het ISPC, die hem verzekerde dat hij zou informeren bij de bevoegde dienst.

19      Op 21 maart 2006 heeft verzoeker na een telefoongesprek met de eenheid Personeelszaken van het GCO een e-mail van die eenheid ontvangen waarin hem werd meegedeeld dat er na de overlegging van de gevraagde aanvullende stukken nog twijfel bestond over het feit of hij op 30 april 2004 voldeed aan de toelatingsvoorwaarden voor vergelijkend onderzoek EPSO/B/23/04.

20      Op 25 maart 2006 heeft verzoeker het GCO een brief van de directeur van de NEST gezonden waarin werd bevestigd dat hij van 1 februari 2001 tot en met 30 april 2004 onderzoek had verricht.

21      Bij besluit van 7 april 2006 heeft de directeur-generaal van het GCO zich op het standpunt gesteld dat verzoekers sollicitatie niet in aanmerking kon worden genomen, aangezien hij niet voldeed aan de toelatingsvoorwaarden voor het betrokken vergelijkend onderzoek. Tegelijkertijd besloot hij dat op de reservelijst van dat vergelijkend onderzoek een opmerking in die zin zou worden opgenomen teneinde de diensten van de Commissie daarvan op de hoogte te stellen. Dit besluit is verzoeker meegedeeld bij brief van 17 april 2006.

22      Op 19 juni 2006 heeft verzoeker krachtens artikel 90, lid 2, van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen (hierna: „Statuut”) een klacht ingediend tegen het bestreden besluit, op grond dat dit besluit voorbijging aan de duur van zijn beroepservaring, die vijf jaar en acht maanden zou zijn.

23      Op 21 augustus 2006 heeft verzoeker eveneens een verklarend document gezonden, dat de Commissie heeft aangemerkt als aanvullende, doch te laat ingediende klacht, die haars inziens niet de klacht van 19 juni 2006 kon vervolledigen.

24      Bij besluit van 22 september 2006, aan verzoeker meegedeeld op 13 november 2006, heeft het tot aanstelling bevoegd gezag (hierna: „TABG”) de klacht afgewezen.

25      In zijn besluit tot afwijzing van de klacht heeft het TABG verzoekers studiejaren tussen september 1993 en augustus 1998 ter verkrijging van het licentiaat in de natuurwetenschappen, overeenkomstig punt A.II.2, tweede alinea, van de aankondiging van vergelijkend onderzoek voor maximaal twee jaar aangemerkt als beroepservaring in de zin van die aankondiging. Dit gold eveneens voor de periode van één jaar en zeven maanden, van augustus 1998 tot maart 2000, gedurende welke verzoeker als werknemer bij de UAM werkzaam was. Het weigerde echter om verzoekers andere periodes van werkzaamheid als zodanig in aanmerking te nemen. Het betreft hier met name:

–        36 maanden, van 1 februari 2001 tot en met 30 januari 2004, gedurende welke verzoeker in het kader van zijn promotieonderzoek bij de SNS heeft samengewerkt met de NEST;

–        3 maanden, van 2 februari 2004 tot en met 30 april daaraanvolgend, volgens de aankondiging van vergelijkend onderzoek de uiterste termijn voor de indiening van de sollicitaties, gedurende welke verzoeker door middel van het onderzoekscontract aan de SNS was gebonden.

26      Bijgevolg heeft het TABG vastgesteld dat verzoeker slechts over een beroepservaring van drie jaar en zeven maanden beschikte, zodat hij niet de door de aankondiging van vergelijkend onderzoek vereiste drempel van vier jaar ervaring bereikte.

 Conclusies van partijen

27      Verzoeker concludeert dat het het Gerecht behage:

–        het bestreden besluit nietig te verklaren;

–        voor zover nodig, het besluit van het TABG van 22 september 2006 houdende afwijzing van zijn klacht nietig te verklaren;

–        de Commissie te verwijzen in de kosten.

28      De Commissie concludeert dat het het Gerecht behage:

–        het beroep te verwerpen;

–        over de kosten te beslissen naar recht.

 In rechte

29      Tot staving van zijn beroep voert verzoeker vier middelen aan. De eerste drie middelen zijn ontleend aan: 1) misbruik van procedure; 2) schending van het bij de aankondiging van vergelijkend onderzoek opgelegde wettelijke kader alsmede kennelijk onjuiste beoordeling en motiveringsgebrek, en 3) schending van het beginsel van bescherming van gewettigd vertrouwen. Het vierde en subsidiair aangevoerde middel is ontleend aan schending van het beginsel van gelijke behandeling.

 Eerste twee middelen: misbruik van procedure en schending van het bij de aankondiging van vergelijkend onderzoek opgelegde wettelijke kader alsmede kennelijk onjuiste beoordeling en motiveringsgebrek

 Argumenten van partijen

30      Wat het eerste middel betreft herinnert verzoeker eerst aan de grenzen van het rechterlijk toezicht op de werkzaamheden van de jury van een vergelijkend onderzoek, daar de gemeenschapsrechter alleen de kennelijk onjuiste beoordeling kan bestraffen. Vervolgens stelt hij dat diezelfde grenzen gelden voor het toezicht dat het TABG op de besluiten van de jury uitoefent, met name wat de toelatingsvoorwaarden voor het betrokken vergelijkend onderzoek betreft.

31      In casu heeft de jury zonder zich schuldig te maken aan een kennelijk onjuiste beoordeling vastgesteld dat verzoeker voldeed aan de toelatingsvoorwaarden van het vergelijkend onderzoek, waaronder die betreffende de duur van de beroepservaring.

32      Volgens verzoeker vormt het bestreden besluit misbruik van procedure, daar het TABG zijn oordeel in de plaats heeft gesteld van het oordeel van de jury over de diploma’s en de beroepservaring van de betrokkene, en wel zonder dat de jury een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt.

33      De Commissie antwoordt hierop dat de jury van een vergelijkend onderzoek op basis van schriftelijke bewijsstukken en diploma’s weliswaar over een grote vrijheid beschikt bij de beoordeling van de door de kandidaten overgelegde diploma’s of hun beroepservaring, doch dat het TABG met betrekking tot een door hem te nemen afzonderlijk besluit niet gebonden kan zijn aan een onwettig besluit van een jury (zie arrest Gerecht van eerste aanleg van 15 september 2005, Luxem/Commissie, T‑306/04, JurAmbt. blz. I‑A-263 en II-1209, punt 23). Het TABG heeft met de vaststelling van het bestreden besluit dus geen misbruik van procedure gemaakt.

34      Met betrekking tot het tweede middel stelt verzoeker primair dat het TABG, wat het begrip „beroepservaring” betreft, het bij de aankondiging van vergelijkend onderzoek opgelegde wettelijke kader heeft geschonden en zich schuldig heeft gemaakt aan een kennelijk onjuiste beoordeling.

35      Volgens hem moet de beroepservaring die van de kandidaten voor een vergelijkend onderzoek wordt geëist overeenkomstig de rechtspraak uitsluitend worden uitgelegd met het oog op de doelstellingen van het betrokken vergelijkend onderzoek, zoals deze volgen uit de algemene omschrijving van de te vervullen taken (arresten Gerecht van eerste aanleg van 22 mei 1990, Sparr/Commissie, T‑50/89, Jurispr. blz. II‑207, punt 18; 6 november 1997, Wolf/Commissie, T‑101/96, JurAmbt. blz. I‑A‑351 en II‑949, punt 74, en 16 maart 2005, Ricci/Commissie, T‑329/03, JurAmbt. blz. I‑A-69 en II-315, punt 52).

36      In casu strekte het vergelijkend onderzoek tot de vorming van een aanwervingsreserve van technische beambten op „vakgebied 2: fysica, materiaalwetenschappen, werktuigbouw en elektronica” om de functies te vervullen die in punt A.I van de aankondiging van het vergelijkend onderzoek zijn gepreciseerd.

37      Volgens punt A.II.1, „Getuigschriften of diploma’s”, van de aankondiging van vergelijkend onderzoek moesten „[d]e kandidaten [...] in het bezit zijn van het einddiploma hoger middelbaar onderwijs”. Wat de beroepservaring betreft, preciseerde punt A.II.2: „De kandidaten moeten na het behalen van het diploma hoger middelbaar onderwijs ten minste vier jaar beroepservaring op voltijdbasis hebben opgedaan waarvan twee jaar verband houden met de aard van de betrokken functies.” In het tweede streepje van dit onderdeel werd voorts gepreciseerd dat „aanvullende opleidingen, studies of onderzoek welke voorbereiden op de uitoefening van de in punt A.I genoemde functies [in casu de functie van technisch beambte op het gebied van de fysica etc.], en die zijn afgesloten met een diploma dat ten minste gelijkwaardig is aan het diploma dat toegang geeft tot het vergelijkend onderzoek, [...] in aanmerking worden genomen als beroepservaring, voor maximaal twee jaar”.

38      Studies, onderzoek, aanvullende opleidingen en specialisaties die voorbereiden op de uitoefening van functies van een hoger niveau dan de in de aankondiging van vergelijkend onderzoek bedoelde ambten, zoals werkzaamheden als universitair docent, onderzoeksleider of teamonderzoeker, alsmede alle studies, onderzoek, aanvullende opleidingen en specialisaties die voorbereiden op de uitoefening van hogere leidinggevende en scheppende functies en functies met een studiekarakter, voor welke kennis op universitair niveau of een gelijkwaardige beroepservaring vereist is, worden daarentegen niet genoemd in punt A.II.2 van de aankondiging van vergelijkend onderzoek. Dergelijke activiteiten zouden moeten worden aangemerkt als volwaardige beroepservaring „verband houden[de] met de aard van de betrokken functies” in de zin van de aankondiging van vergelijkend onderzoek, zolang het gaat om economische activiteiten in de zin van het EG-Verdrag en van de communautaire rechtspraak betreffende de vrijheden van de interne markt.

39      In casu heeft verzoeker in het kader van zijn samenwerking met de SNS en, met name, de NEST gedurende de periode van 1 februari 2001 tot en met 30 april 2004 onderzoekswerkzaamheden uitgeoefend, waarbij hij voortdurend gebruikmaakte van de in de aankondiging van vergelijkend onderzoek bedoelde experimentele technieken, zodat hij zich voorbereidde op de uitoefening van andere functies en verantwoordelijkheden dan die van technisch beambte.

40      Het door verzoeker bij de SNS uitgevoerde onderzoek en de gevolgde vervolgcursus veronderstelden immers de beheersing van de in de aankondiging van vergelijkend onderzoek bedoelde experimentele technieken en vormden geen opleiding, studie of onderzoek „ter voorbereiding” op het gebruik van die technieken. Dit geldt zowel voor de periode gedurende welke hij in het kader van zijn promotie onderzoek verrichtte bij de SNS en de NEST alsook voor de volgende periode, die door zijn onderzoekscontract werd gedekt.

41      Door de betrokken activiteiten aan te merken als „aanvullende opleiding, studie of onderzoek” ter voorbereiding op de in de aankondiging van vergelijkend onderzoek omschreven functies, heeft het TABG het bij die aankondiging opgelegde wettelijke kader geschonden en zich schuldig gemaakt aan een kennelijk onjuiste beoordeling.

42      Met betrekking tot het economische karakter van de door hem verrichte activiteiten stelt verzoeker dat hij gedurende zijn promotieonderzoek een jaarlijkse betaling van ongeveer 8 000 EUR heeft genoten („contributo didattico”), dat wil zeggen 690 EUR per maand, als beloning voor het onderzoek, met dien verstande dat de kosten van levensonderhoud, zoals de kosten van voeding en huisvesting, door de SNS afzonderlijk werden vergoed en specifiek werden onderzocht en dat de cursussen en het gebruik van de experimentele installaties gratis waren. Verzoeker herinnert in dit verband aan de vaste rechtspraak dat noch het feit dat de arbeidsverhouding een rechtskarakter sui generis heeft, noch de herkomst van de middelen waaruit het loon wordt betaald dan wel de geringe hoogte van dit loon, gevolgen heeft voor de hoedanigheid van werknemer in de zin van het gemeenschapsrecht (zie met name arresten Hof van 23 maart 1982, Levin, 53/81, Jurispr. blz. 1035, punt 16, en 7 september 2004, Trojani, C‑456/02, Jurispr. blz. I‑7573, punt 16).

43      Voorts voorzag het onderzoekscontract in een onderzoeksbeurs (assegno di ricerca) van 15 493,71 EUR per jaar, dat wil zeggen 1 291,15 EUR per maand, hetgeen overeenkomt met de gebruikelijke bezoldiging van een universitair onderzoeker in Italië. Er bestaat een synallagmatisch verband tussen het onderzoek en de daarvoor betaalde bezoldiging.

44      De Italiaanse wetgeving, waarnaar artikel 2 van het onderzoekscontract verwijst, voorziet in de inning van socialezekerheidspremies voor elke arbeid die in vaste en gecoördineerde samenwerking, maar zonder ondergeschiktheidsrelatie wordt verricht, zoals in casu het geval was. Volgens deze wetgeving, die met name geldt voor onderzoeksbeurzen, moet degene die een onderzoekscontract heeft gesloten, evenals de promovendus, niet worden aangemerkt als student, maar als een zelfstandig werknemer, die niet ondergeschikt is aan de zeggenschap van zijn werkgever.

45      Subsidiair stelt verzoeker dat, zelfs al werden de kwalificaties van het toepasselijke nationale recht overgenomen, de in het kader van een promotieonderzoek uitgeoefende activiteit volgens Italiaans recht moet worden aangemerkt als een zelfstandige intellectuele beroepsbezigheid.

46      Verzoeker concludeert dat zowel het werk dat hij in het kader van het promotieonderzoek als het werk dat hij op grond van het onderzoekscontract heeft verricht moet worden aangemerkt als beroepservaring in de zin van de aankondiging van vergelijkend onderzoek.

47      De Commissie stelt in antwoord op de door verzoeker primair aangevoerde argumenten dat de door hem overgelegde getuigschriften bevestigen dat de werkzaamheden die hij in het kader van zijn promotieonderzoek en het onderzoekscontract heeft verricht studie en onderzoek vormen, en niet beroepservaring in de zin van de aankondiging van vergelijkend onderzoek. De jury heeft bij de beoordeling van zijn beroepservaring met het oog op de toelating tot het betrokken vergelijkend onderzoek dus een kennelijke beoordelingsfout gemaakt. Overeenkomstig punt 23 van het reeds aangehaalde arrest Luxem/Commissie was het TABG bij de uitoefening van zijn eigen bevoegdheden gehouden om het besluit van de jury niet te volgen.

48      Meer bepaald blijkt uit geen van de door verzoeker overgelegde getuigschriften dat hij van 1 februari 2001 tot 31 januari 2004 daadwerkelijk bezoldigd werk heeft verricht. Bovendien wordt in de door verzoeker overgelegde brief van de directeur van de SNS van 29 januari 2001 een bijzondere terminologie gebruikt („studenten”, „studiebeurs”, „studie”, „studieplan”), die kenmerkend is voor het volgen van hoger onderwijs.

49      Met betrekking tot de aard van de door verzoeker gedurende de betrokken periodes ontvangen „bezoldiging” stelt de Commissie dat deze een studiebeurs vormt, hetgeen uitsluit dat de betrekkingen tussen verzoeker en de SNS als arbeidsbetrekkingen kunnen worden aangemerkt.

50      Wat meer bepaald het onderzoekscontract betreft, betoogt de Commissie dat het daarbij vastgelegde samenwerkingsverband volgens de bewoordingen van dat contract geen werk in een ondergeschiktheidsrelatie vormde. Verzoeker noemt slechts artikel 2 van het contract, betreffende de fiscale verplichtingen en de socialezekerheidspremies, maar maakt geen melding van artikel 1, dat uitdrukkelijk uitsluit dat het contract een arbeidsverhouding in het leven kan roepen.

51      In antwoord op de door verzoeker subsidiair aangevoerde argumenten stelt de Commissie dat de in een aankondiging van vergelijkend onderzoek opgenomen vereisten betreffende zowel de duur alsook de aard van de beroepservaring, onder de keuzevrijheid van het TABG vallen en, binnen het door die aankondiging afgebakende kader, onder de ruime beoordelingsvrijheid van de jury. Het nationale recht is alleen relevant voor zover in de aankondiging van vergelijkend onderzoek uitdrukkelijk daarnaar wordt verwezen, hetgeen in casu niet het geval is.

52      Hoe dan ook, zelfs vanuit het oogpunt van de Italiaanse wetgeving kan een doctoraatsstudie niet als echte beroepservaring worden aangemerkt, omdat die studie erop gericht is de kennisbasis van studenten te vergroten door studie en onderzoek. Uit de brief van de SNS van 16 juni 2006 blijkt namelijk dat „[d]uring this whole period [the applicant] has carried out experimental research work [...] [d]uring his first and second year at [SNS], [the applicant] also attended about 150 hours of formal courses and successfully passed the subsequent examinations[ ;t]his together with his technical and scientific achievements allow him to be entitled to apply for the ‚Diploma di Perfezionamento’ of [SNS]” („gedurende die periode heeft [verzoeker] experimenteel onderzoek verricht [...] Gedurende de eerste twee jaar bij [SNS] heeft [verzoeker] ongeveer 150 officiële lesuren gevolgd en is hij geslaagd voor de daaropvolgende examens. Op grond hiervan en van de technische en wetenschappelijke vooruitgang die hij heeft geboekt komt hij in aanmerking voor het Diploma di Perfezionamento van de [SNS]”).

53      Zelfs al zou men alleen volgens het nationale recht redeneren, dan nog kan verzoeker hieraan geen steun ontlenen, aangezien de Italiaanse wetgeving de promovendus niet de hoedanigheid van zelfstandig werknemer geeft. Het feit dat hij kan zijn aangesloten bij een socialezekerheidsregeling bewijst niet dat de betrokkene door dat universitaire werk beroepservaring heeft gekregen, aangezien zijn werkzaamheden voornamelijk in studie en onderzoek bestonden, waardoor hij aan het einde van de periode van drie jaar promotieonderzoek een academische graad kan krijgen.

54      Ten slotte dekte het onderzoekscontract ook slechts de onderzoeksactiviteiten, maar niet een arbeidsverhouding.

 Beoordeling door het Gerecht

55      Het is vaste rechtspraak dat de jury van een vergelijkend onderzoek over een discretionaire bevoegdheid beschikt ter zake van de beoordeling van de eerder opgedane beroepservaring van de kandidaten als toelatingsvoorwaarde voor een vergelijkend onderzoek, zowel met betrekking tot de aard en de duur van die beroepservaring als met betrekking tot het nauwe of minder nauwe verband daarvan met de eisen van het ambt waarin moet worden voorzien (arresten Gerecht van eerste aanleg van 21 november 2000, Carrasco Benítez/Commissie, T‑214/99, JurAmbt. blz. I‑A-257 en II‑1169, punt 70, en 25 maart 2004, Petrich/Commissie, T‑145/02, JurAmbt. blz. I‑A-101 en II-447, punt 34, en arrest Ricci/Commissie, reeds aangehaald, punt 45). In het kader van zijn wettigheidstoetsing moet de gemeenschapsrechter slechts nagaan of bij de uitoefening van die bevoegdheid geen kennelijke fout is gemaakt (arrest Hof van 4 februari 1987, Maurissen/Rekenkamer, 417/85, Jurispr. blz. 551, punten 14 en 15; arrest Gerecht van eerste aanleg van 13 december 1990, González Holguera/Parlement, T‑115/89, Jurispr. blz. II‑831, summiere publicatie, punt 54; arrest Wolf/Commissie, reeds aangehaald, punt 68; arrest Gerecht van eerste aanleg van 11 februari 1999, Mertens/Commissie, T‑244/97, JurAmbt. blz. I‑A-23 en II‑91, punt 44; arrest Carrasco Benítez/Commissie, reeds aangehaald, punt 71; arrest Gerecht van eerste aanleg van 28 november 2002, Pujals Gomis/Commissie, T‑332/01, JurAmbt. blz. I‑A‑233 en II‑1155, punt 41, en arrest Ricci/Commissie, reeds aangehaald, punt 45).

56      Diezelfde beginselen gelden voor de controle die het TABG uitoefent op besluiten van de jury, voor zover het de toelatingsvoorwaarden voor een vergelijkend onderzoek betreft (arrest Ricci/Commissie, reeds aangehaald, punt 46). Het TABG mag bij de uitoefening van zijn eigen bevoegdheden dus niet handelen overeenkomstig een besluit van de jury van een vergelijkend onderzoek, wanneer dat besluit een kennelijke fout bevat ten aanzien van de beoordeling van de vereiste beroepservaring. Wanneer de jury een kandidaat ten onrechte toelaat en hem vervolgens op de lijst van geschikte kandidaten plaatst, dient het TABG derhalve bij een met redenen omkleed besluit, aan de hand waarvan het Gerecht de gegrondheid ervan kan beoordelen, te weigeren die kandidaat aan te stellen (arresten Ricci/Commissie, reeds aangehaald, punt 35, en Luxem/Commissie, reeds aangehaald, punt 23).

57      In casu dient het Gerecht dus na te gaan, door de vereisten van de aankondiging van vergelijkend onderzoek te vergelijken met de informatie die uit de door verzoeker overgelegde stukken blijkt, of de jury zijn beroepservaring kennelijk onjuist heeft beoordeeld. Hierbij zal het tegelijkertijd de gegrondheid beoordelen van het bestreden besluit, dat afwijkt van het standpunt van de jury.

58      Blijkens punt A.II.2 van de aankondiging van vergelijkend onderzoek moesten de kandidaten na het behalen van het diploma hoger middelbaar onderwijs ten minste vier jaar beroepservaring op voltijdbasis hebben opgedaan waarvan twee jaar verband houden met de aard van de betrokken functies, namelijk die welke in punt A.I van die aankondiging worden genoemd.

59      Er zij aan herinnerd dat het TABG in casu heeft erkend dat verzoeker over een beroepservaring van drie jaar en zeven maanden beschikte, namelijk twee jaar universitaire studie overeenkomstig punt A.II.2, tweede alinea, van de aankondiging van vergelijkend onderzoek, voor de studie natuurwetenschappen die hij tussen september 1993 en augustus 1998 volgde, en één jaar en zeven maanden, voor zijn bezoldigde activiteiten binnen de UAM, van augustus 1998 tot maart 2000.

60      Het geding betreft met name twee andere periodes gedurende welke verzoeker werkzaam was:

–        enerzijds, de periode van werkzaamheid bij de NEST in het kader van het promotieonderzoek van 1 februari 2001 tot en met 30 januari 2004, en

–        anderzijds, de periode in het kader van het onderzoekscontract met de SNS van 2 februari 2004 tot en met 30 april 2004, de uiterste inschrijvingsdatum voor het vergelijkend onderzoek.

61      Alvorens in te gaan op de vraag of de betrokken periodes onder het begrip beroepservaring in de zin van de aankondiging van vergelijkend onderzoek vallen, moet worden nagegaan of zij kunnen worden aangemerkt als „stages voor specialisatie of bijscholing” dan wel als „aanvullende opleidingen, studies of onderzoek” in de zin van punt A.II.2, tweede alinea, van de aankondiging van vergelijkend onderzoek, welke slechts voor maximaal twee jaar in aanmerking kunnen worden genomen als beroepservaring. In casu heeft het TABG uit dien hoofde en voor twee jaar reeds rekening gehouden met de jaren gedurende welke verzoeker tussen september 1993 en augustus 1998 natuurwetenschappen studeerde.

62      De betrokken periodes kunnen niet onder punt A.II.2, tweede alinea, van de aankondiging van vergelijkend onderzoek vallen, aangezien zij, zoals verzoeker terecht opmerkt, als zodanig geen voorbereiding hebben kunnen vormen op de uitoefening van de in punt A.I genoemde functies. Er zij namelijk aan herinnerd dat vergelijkend onderzoek EPSO/B/23/04 strekte tot de aanwerving van technische beambten van de rangen B 5/B 4 (thans, overeenkomstig artikel 12, lid 3, van bijlage XIII bij het Statuut, B*3, vervolgens AST 3). In deze omstandigheden kan niet worden gesteld dat een doctoraatsstudie of postuniversitair onderzoek „voorbereidt” op de uitoefening van functies van de functiegroep AST 3, waaronder volgens de bewoordingen van bijlage I bij het Statuut bijvoorbeeld de functie van „junior technicus” valt.

63      Er moet dus worden onderzocht of de werkzaamheden die verzoeker gedurende de betrokken periodes heeft verricht zonder kennelijke fout onder het eigenlijke begrip beroepservaring in de zin van punt A.II.2, eerste alinea, van de aankondiging van vergelijkend onderzoek kunnen vallen. Volgens de Commissie betreft het hier geen periodes van al dan niet bezoldigde werkzaamheid, maar klaarblijkelijk studieperiodes; verzoeker stelt dat de betrokken periodes zonder meer periodes van niet bezoldigde werkzaamheid vormden.

64      Dienaangaande zij eraan herinnerd dat het begrip vereiste beroepservaring volgens de rechtspraak uitsluitend moet worden uitgelegd in het licht van de doelstellingen van het betrokken vergelijkend onderzoek zoals deze blijken uit de algemene omschrijving van de te vervullen taken (arrest Ricci, reeds aangehaald, punt 52). Een uitlegging van de aankondiging van vergelijkend onderzoek in het licht van de bijzonderheden van de nationale wettelijke regelingen zou, met name gelet op de nationale verschillen tussen postuniversitaire regelingen, onvermijdelijk leiden tot een verschil in behandeling van kandidaten van verschillende nationaliteiten (zie, mutatis mutandis, arresten Sparr/Commissie, reeds aangehaald, punt 18, en Wolf/Commissie, reeds aangehaald, punt 74).

65      Wat in de eerste plaats de periode van 36 maanden betreft die verzoeker in het kader van het promotieonderzoek heeft vervuld, staat vast dat ook al heeft verzoeker, zoals uit het dossier blijkt, gedurende die periode 150 uur opleiding gevolgd, hij voor rekening van de NEST als licentiaat in de natuurwetenschappen en in de materiaalwetenschappen onderzoek van hoog niveau heeft verricht op de gebieden semi-geleiders en nanowetenschap, activiteiten die nu juist verband houden met de aard van de in punt A.I van de aankondiging van vergelijkend onderzoek bedoelde functies.

66      Zoals de Commissie ter terechtzitting heeft toegegeven, moeten die werkzaamheden, die vergelijkbaar zijn met die welke binnen het GCO kunnen worden uitgeoefend, worden aangemerkt als beroepservaring in de zin van de aankondiging van vergelijkend onderzoek:

–        indien zij reëel en daadwerkelijk zijn, met uitzondering van onderzoeksactiviteiten die in het kader van een studie worden verricht en dermate beperkt zijn dat zij louter marginaal en bijkomend zijn, en indien

–        zij bezoldigd zijn, met dien verstande dat het niveau van de bezoldiging, ook al ligt het onder het gegarandeerde minimumloon, geen gevolgen mag hebben voor de kwalificatie van de beroepservaring (zie mutatis mutandis met betrekking tot de kwalificatie van reële en daadwerkelijk economische activiteiten in het kader van het vrije verkeer van werknemers, arrest Trojani, reeds aangehaald, punt 16).

67      Het feit dat de al dan niet bezoldigde arbeidsverhouding naar nationaal recht een rechtskarakter sui generis heeft kan, evenmin als de herkomst of de benaming van de middelen waaruit het loon wordt betaald, beslissend zijn voor de kwalificatie als beroepservaring in de zin van de aankondiging van vergelijkend onderzoek.

68      Niet betwist wordt dat verzoeker binnen een gemeenschappelijke onderneming voor onderzoek daadwerkelijk gedurende 36 maanden onderzoek van hoog niveau heeft verricht, waarvoor hij een weliswaar beperkte, maar reële bijdrage van 690 EUR per maand heeft ontvangen, en zijn kosten voor levensonderhoud rechtstreeks door de SNS werden vergoed.

69      Zelfs indien rekening wordt gehouden met de 150 uur opleiding die verzoeker heeft gevolgd, kon de jury deze periode bij de berekening van de beroepservaring op goede gronden zonder kennelijke beoordelingsfout in aanmerking nemen als periode van ten minste vijf maanden voltijds, dat wil zeggen de periode die verzoeker nodig had om op vier jaar beroepservaring te komen (zie, mutatis mutandis, arrest Gerecht van eerste aanleg van 31 januari 2006, Giulietti/Commissie, T‑293/03, JurAmbt. blz. II‑A-2-19, punt 72).

70      De omstandigheid dat verzoeker door de betrokken onderzoeksactiviteiten zijn opleiding verder kon ontwikkelen en daardoor later de graad van doctor kon behalen, verzet zich er als zodanig niet tegen dat zij worden aangemerkt als beroepservaring in de zin van de aankondiging van vergelijkend onderzoek.

71      Dit moet in de tweede plaats des te meer gelden voor de periode van drie maanden, van februari tot april 2004, gedurende welke verzoeker door een onderzoekscontract aan de SNS was gebonden en een vergoeding van ongeveer 1 290 EUR per maand heeft ontvangen.

72      Gelet op het voorgaande en op de omstandigheden van de onderhavige zaak, moet worden geoordeeld dat het TABG zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de jury van het vergelijkend onderzoek zowel met betrekking tot de voorwaarden van de aankondiging van vergelijkend onderzoek alsook met betrekking tot de aard van de betrokken activiteiten een kennelijke beoordelingsfout had gemaakt, door bij de berekening van verzoekers beroepservaring rekening te houden met de tijdvakken gedurende welke hij tussen februari 2001 en april 2004 in het kader van zijn promotieonderzoek en zijn onderzoekscontract werkzaam was geweest. Het bestreden besluit moet derhalve nietig worden verklaard zonder dat de twee andere ter onderbouwing van het beroep aangevoerde middelen hoeven te worden onderzocht.

 Kosten

73      Krachtens artikel 122 van het Reglement voor de procesvoering zijn de bepalingen van het achtste hoofdstuk van de tweede titel van dit Reglement, betreffende de proceskosten en de gerechtskosten, slechts van toepassing op de zaken die vanaf de datum van inwerkingtreding van dit Reglement, dat wil zeggen 1 november 2007, bij het Gerecht aanhangig zijn gemaakt. De ter zake relevante bepalingen van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht van eerste aanleg blijven mutatis mutandis van toepassing op de vóór die datum bij het Gerecht aanhangige zaken.

74      Volgens artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht van eerste aanleg wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd. Daar de Commissie in het ongelijk is gesteld dient zij overeenkomstig de vordering van verzoeker te worden verwezen in alle kosten.

HET GERECHT VOOR AMBTENARENZAKEN (Tweede kamer),

rechtdoende, verklaart:

1)      Het besluit van de directeur-generaal van het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek (GCO) van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 7 april 2006 om de sollicitatie van C. Pascual García betreffende kennisgeving van vacature COM/2005/2969 niet in aanmerking te nemen en op de reservelijst van algemeen vergelijkend onderzoek EPSO/B/23/04 een opmerking te plaatsen om de diensten ervan op de hoogte te stellen dat verzoeker niet voldeed aan de toelatingsvoorwaarden voor dit algemeen vergelijkend onderzoek, wordt nietig verklaard.

2)      De Commissie van de Europese Gemeenschappen wordt verwezen in de kosten.

Van Raepenbusch

Boruta

Kanninen

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 22 mei 2008.

De griffier

 

       De president van de Tweede kamer

W. Hakenberg

 

       S. Van Raepenbusch

De teksten van deze beslissing en van de daarin aangehaalde beslissingen van de communautaire rechterlijke instanties die nog niet in de Jurisprudentie zijn gepubliceerd, zijn beschikbaar op de website van het Hof van Justitie www.curia.europa.eu


* Procestaal: Frans.