BESCHIKKING VAN HET GERECHT VOOR AMBTENARENZAKEN

(Tweede kamer)

17 september 2009

Zaak F‑118/07

Guido Strack

tegen

Commissie van de Europese Gemeenschappen

„Openbare dienst – Procesincidenten – Exceptie van niet-ontvankelijkheid – Verstekprocedure”

Betreft: In het kader van een krachtens artikel 236 EG en artikel 152 EA door Strack op 22 oktober 2007 ingesteld beroep, heeft de Commissie bij afzonderlijke akte krachtens artikel 78 van het Reglement voor de procesvoering een exceptie van niet-ontvankelijkheid van dat beroep opgeworpen.

Beslissing: Het verzoek van de Commissie om uitspraak te doen over de niet-ontvankelijkheid van het beroep is ontvankelijk. Verzoekers verzoek om uitspraak te doen bij verstek wordt afgewezen. Het verzoek van de Commissie om uitspraak te doen over de niet-ontvankelijkheid van het beroep wordt gevoegd met de zaak ten gronde. De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden.

Samenvatting

1.      Procedure – Ontvankelijkheid van procesakten – Beoordeling op moment van neerlegging van akte

(Reglement voor de procesvoering van het Gerecht van eerste aanleg, art. 114; Reglement voor de procesvoering van het Gerecht voor ambtenarenzaken, art. 78; besluit 2004/752 van de Raad, art. 3, lid 4)

2.      Procedure – Ontvankelijkheid van procesakten – Indiening van exceptie van niet-ontvankelijkheid na verkrijging van verlenging van termijn voor neerlegging van verweerschrift – Ontvankelijkheid

(Reglement voor de procesvoering van het Gerecht voor ambtenarenzaken, art. 39 en 78)

1.      Wanneer een verwerende partij krachtens artikel 78 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht voor ambtenarenzaken een exceptie van niet-ontvankelijkheid opwerpt van een beroep dat vóór de inwerkingtreding van dat Reglement is ingesteld en waarvoor ingevolge artikel 3, lid 4, van besluit 2004/752 tot instelling van een Gerecht voor ambtenarenzaken van de Europese Unie, de bepalingen van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht van eerste aanleg gelden, is de termijn die voor de indiening van de exceptie van niet-ontvankelijkheid moet worden geëerbiedigd die welke is voorzien in het Reglement voor de procesvoering dat op de datum van de betekening van het verzoekschrift van kracht was. Overigens gaat de termijn voor de indiening van de exceptie van niet-ontvankelijkheid, of men zich nu binnen de werkingssfeer van artikel 114 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht van eerste aanleg of binnen die van artikel 78 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht voor ambtenarenzaken bevindt, in op de datum van die betekening.

(cf. punten 1, 6, 9 en 12)

Referentie:

Gerecht voor ambtenarenzaken: 22 mei 2008, Daskalakis/Commissie, F‑107/07, JurAmbt. blz. I‑A‑1‑0000 en II‑A‑1‑0000, punt 25

2.      Wanneer het Gerecht voor ambtenarenzaken het verzoek van een verwerende partij om verlenging van de termijn voor de indiening van het verweerschrift heeft ingewilligd, kan het feit dat die partij ervoor kiest om vóór de afloop van de verlengde termijn krachtens artikel 78 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht voor ambtenarenzaken een exceptie van niet-ontvankelijkheid op te werpen, in plaats van een verweerschrift met een inhoudelijke analyse van de zaak in te dienen, geen afbreuk doen aan de omstandigheid dat haar verzoek om verlenging in overeenstemming is met de relevante bepalingen van dat Reglement voor de procesvoering noch de conclusie rechtvaardigen dat dit verzoek misbruik oplevert.

Door de verlenging van de termijn voor de indiening van het verweerschrift toe te staan vóór het verstrijken van de termijn die in artikel 78 van het Reglement voor de procesvoering voor de indiening van een exceptie van niet-ontvankelijkheid is voorzien, heeft het Gerecht voor ambtenarenzaken stilzwijgend aanvaard dat de verwerende partij binnen de toegestane verlengde termijn bij afzonderlijke akte een exceptie van niet-ontvankelijkheid kan indienen of een verweerschrift. Ofschoon geen enkele bepaling uitdrukkelijk voorziet in de mogelijkheid van verlenging van de in voormeld artikel 78 genoemde termijn, kan hieruit niet worden afgeleid dat een partij, wanneer de verlenging heeft plaatsgevonden vóór het verstrijken van die termijn, niet vóór het verstrijken van de verlengde termijn bij afzonderlijke akte een exceptie van niet-ontvankelijkheid kan indienen.

(cf. punten 14 en 16)

Referentie:

Gerecht van eerste aanleg: 10 juli 2002, Comitato organizzatore del convegno internazionale/Commissie, T‑387/00, Jurispr. blz. II‑3031, punt 35