Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Augstākā tiesa (Senāts) (Letland) op 22 december 2020 – SIA DOBELES HES / Sabiedrisko pakalpojumu regulēšanas komisija, Ekonomikas ministrija, Finanšu ministrija

(Zaak C-702/20)

Procestaal: Lets

Verwijzende rechter

Augstākā tiesa (Senāts)

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekster in eerste aanleg en verzoekster in incidenteel cassatieberoep: SIA DOBELES HES

Verweerster in eerste aanleg en verzoekster tot cassatie: Sabiedrisko pakalpojumu regulēšanas komisija

Andere partijen bij het geding: Ekonomikas ministrija, Finanšu ministrija

Prejudiciële vragen

Moet de aan de openbare exploitant opgelegde verplichting om tegen een hogere prijs dan de marktprijs elektriciteit te kopen van producenten die hernieuwbare energiebronnen gebruiken om elektriciteit op te wekken, waarbij voor de eindafnemer de verplichting geldt om te betalen in verhouding tot zijn verbruik, worden aangemerkt als een maatregel van de staat of met staatsmiddelen bekostigd in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU?

Moet het begrip „liberalisering van de elektriciteitsmarkt” aldus worden uitgelegd dat de liberalisering moet worden geacht reeds te hebben plaatsgevonden wanneer bepaalde aspecten van vrije handel worden waargenomen, zoals overeenkomsten tussen een openbare exploitant en leveranciers uit andere lidstaten? Kan worden aangenomen dat de liberalisering van de elektriciteitsmarkt aanvangt op het moment waarop de wetgeving bepaalde afnemers van elektriciteit (bijvoorbeeld die welke zijn aangesloten op het transmissienet of de niet-huishoudelijke afnemers van elektriciteit die zijn aangesloten op het distributienet) het recht toekent om van elektriciteitsleverancier te veranderen? Welke gevolgen hebben de ontwikkelingen op het gebied van de regulering van de elektriciteitsmarkt in Letland, in het bijzonder de situatie vóór 2007, voor de beoordeling van de aan de elektriciteitsproducenten toegekende steun in het licht van artikel 107, lid 1, VWEU (ter beantwoording van de eerste vraag?

Indien uit het antwoord op de eerste en de tweede vraag blijkt dat de aan de elektriciteitsproducenten toegekende steun geen steunmaatregel van de staat is in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU, betekent dan het feit dat verzoekster momenteel actief is op een geliberaliseerde elektriciteitsmarkt en dat de betaling van een schadevergoeding haar momenteel een voordeel oplevert ten opzichte van de overige op de betrokken markt actieve marktdeelnemers, dat de vergoeding van de schade moet worden aangemerkt als een steunmaatregel van de staat in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU?

Indien uit het antwoord op de eerste en de tweede vraag blijkt dat de aan de elektriciteitsproducenten toegekende steun wél een steunmaatregel van de staat is in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU, moet dan de vordering van verzoekster tot vergoeding van de schade die zij heeft geleden omdat haar wettelijke recht op een hogere betaling voor de opgewekte elektriciteit niet volledig is geëerbiedigd, in het kader van het toezicht op staatssteun waarin voornoemde bepaling voorziet worden aangemerkt als een verzoek om nieuwe steun of als een verzoek om betaling van het deel van steun dat zij nog niet heeft ontvangen?

Indien het antwoord op de vierde vraag luidt dat het verzoek om vergoeding, in het licht van de omstandigheden zoals die zich voordeden in het verleden, moet worden beoordeeld als een verzoek om betaling van het nog niet ontvangen deel van een steunmaatregel van de staat, volgt dan uit artikel 107, lid 1, VWEU dat op dit ogenblik, om uitspraak te doen over de betaling van voornoemde steun, de huidige marktsituatie moet worden geanalyseerd en rekening moet worden gehouden met de geldende regelgeving (met inbegrip van de huidige beperkingen om buitensporig hoge compensaties te voorkomen)?

Is het voor de uitlegging van artikel 107, lid 1, VWEU van belang dat windkrachtcentrales in het verleden volledige steun hebben gekregen, in tegenstelling tot waterkrachtcentrales?

Is het voor de uitlegging van artikel 107, lid 1, VWEU van belang dat slechts sommige van de waterkrachtcentrales die gedeeltelijke steun hebben gekregen momenteel een vergoeding zouden ontvangen?

Moeten artikel 3, lid 2, en artikel 7, lid 1, van verordening (EU) nr. 1407/2013 van de Commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun1 aldus worden uitgelegd dat de in casu aan de orde zijnde steun, aangezien het bedrag ervan het de-minimisplafond niet overschrijdt, moet worden geacht te voldoen aan de criteria die zijn vastgesteld voor de-minimissteun? Moet artikel 5, lid 2, van verordening nr. 1407/2013 aldus worden uitgelegd dat er in casu, gelet op de in besluit SA.43140 van de Commissie gestelde voorwaarden om een buitensporig hoge compensatie te voorkomen, sprake kan zijn van onaanvaardbare cumulering als de betaling van de vergoeding voor de geleden schade wordt aangemerkt als de-minimissteun?

Indien in casu wordt geoordeeld dat er staatssteun is toegekend/betaald, moet artikel 1, onder b) en c), van verordening (EU) 2015/1589 van de Raad van 13 juli 2015 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie2 , dan aldus worden uitgelegd dat er in omstandigheden zoals die welke thans aan de orde zijn sprake is van een nieuwe en niet van een bestaande steunmaatregel van de staat?

Indien de negende vraag bevestigend wordt beantwoord, moet dan bij de beoordeling of de situatie van verzoekster beantwoordt aan die van als bestaande steun te beschouwen steun waarnaar artikel 1, onder b), iv), van verordening 2015/1589 verwijst, alleen rekening worden gehouden met de datum waarop de steun daadwerkelijk is betaald als aanvang van de verjaringstermijn in de zin van artikel 17, lid 2, van verordening 2015/1589?

Indien wordt geoordeeld dat er staatssteun is toegekend/betaald, moeten artikel 108, lid 3, VWEU alsook artikel 2, lid 1, en artikel 3 van verordening 2015/1589 dan aldus worden uitgelegd dat een aanmeldingsprocedure voor staatssteun zoals die welke in casu aan de orde is, moet worden geacht passend te zijn wanneer de nationale rechter het verzoek om vergoeding van de geleden schade inwilligt mits een besluit van de Commissie is ontvangen waarbij de steun is goedgekeurd, en hij het Ekonomikas ministrija (ministerie van Economie) gelast de Commissie uiterlijk twee maanden na de uitspraak de desbetreffende verklaring van steun voor de handelsactiviteit te doen toekomen?

Is het voor de uitlegging van artikel 107, lid 1, VWEU van belang dat de vergoeding voor de geleden schade wordt gevorderd van een openbaar lichaam (commissie voor de regulering van openbare diensten) dat in het verleden dergelijke kosten nooit heeft moeten dragen, en dat de begroting van dat lichaam bestaat uit overheidsheffingen die worden betaald door de openbare dienstverleners van de gereguleerde sectoren en die uitsluitend voor de activiteit van de toezichthoudende instantie mogen worden aangewend?

Is een vergoedingsregeling zoals die welke in casu aan de orde is verenigbaar met de Unierechtelijke beginselen die gelden voor de gereguleerde sectoren, met name artikel 12 en overweging 30 van richtlijn 2002/20/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 betreffende de machtiging voor elektronische-communicatienetwerken en -diensten (Machtigingsrichtlijn)3 , zoals gewijzigd bij richtlijn 2009/140/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 20094 ?

____________

1     PB 2013, L 352, blz. 1.

2     PB 2015, L 248, blz. 9.

3     PB 2002, L 108, blz. 21.

4     Richtlijn tot wijziging van richtlijn 2002/21/EG inzake een gemeenschappelijk regelgevingskader voor elektronischecommunicatienetwerken en -diensten, richtlijn 2002/19/EG inzake de toegang tot en interconnectie van elektronischecommunicatienetwerken en bijbehorende faciliteiten, en richtlijn 2002/20/EG betreffende de machtiging voor elektronischecommunicatienetwerken en –diensten (PB 2009, L 337, blz. 37).