ARREST VAN HET GERECHT (Vijfde kamer)

24 september 2019 (*)

„Dumping – Invoer van zonneglas van oorsprong uit China – Artikel 2, lid 7, onder b) en c), van verordening (EG) nr. 1225/2009 [thans artikel 2, lid 7, onder b) en c), van verordening (EU) 2016/1036] – Behandeling als marktgerichte onderneming – Begrip ‚verstoring van betekenis met betrekking tot de productiekosten en de financiële situatie van de ondernemingen’ – Belastingvoordelen – Kennelijke beoordelingsfout”

In zaak T‑586/14 RENV,

Xinyi PV Products (Anhui) Holdings Ltd, gevestigd te Anhui (China), vertegenwoordigd door Y. Melin, advocaat,

verzoekster,

tegen

Europese Commissie, vertegenwoordigd door L. Flynn en T. Maxian Rusche als gemachtigden,

verweerster,

ondersteund door

GMB Glasmanufaktur Brandenburg GmbH, gevestigd te Tschernitz (Duitsland), vertegenwoordigd door R. MacLean, advocaat,

interveniënte,

betreffende een verzoek krachtens artikel 263 VWEU tot nietigverklaring van uitvoeringsverordening (EU) nr. 470/2014 van de Commissie van 13 mei 2014 tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige antidumpingrecht op zonneglas van oorsprong uit de Volksrepubliek China (PB 2014, L 142, blz. 1),

wijst

HET GERECHT (Vijfde kamer),

samengesteld als volgt: D. Gratsias, president, I. Labucka (rapporteur) en I. Ulloa Rubio, rechters,

griffier: F. Oller, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 16 januari 2019,

het navolgende

Arrest

 Voorgeschiedenis van het geding

1        Verzoekster, Xinyi PV Products (Anhui) Holdings Ltd, is een in China gevestigde onderneming die zich aldaar bezighoudt met de productie en uitvoer naar de Europese Unie van zonneglas als bedoeld in uitvoeringsverordening (EU) nr. 470/2014 van de Commissie van 13 mei 2014 tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige antidumpingrecht op zonneglas van oorsprong uit de Volksrepubliek China (PB 2014, L 142, blz. 1; hierna: „bestreden verordening”).

2        Zij heeft als enige aandeelhouder Xinyi Solar (Hong Kong) Ltd, een te Hongkong (China) gevestigde vennootschap die is genoteerd op de beurs van Hongkong.

3        In de procedure die heeft geleid tot de vaststelling van de bestreden verordening, heeft verzoekster op 21 mei 2013 op grondslag van verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad van 30 november 2009 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (PB 2009, L 343, blz. 51; hierna „basisverordening”) [vervangen door verordening (EU) 2016/1036 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Unie (PB 2016, L 176, blz. 21)], een verzoek ingediend om te worden behandeld als marktgerichte onderneming (hierna: „BMO”) in de zin van artikel 2, lid 7, onder b) en c), van de basisverordening [thans artikel 2, lid 7, onder b) en c), van verordening 2016/1036].

4        Verzoekster heeft op 6 juni 2013 haar beantwoording van de antidumpingvragenlijst van de Europese Commissie overgelegd.

5        Op 21 juni 2013 heeft verzoekster geantwoord op het verzoek van de Commissie om nadere gegevens te verstrekken.

6        Tussen 21 en 26 juni 2013 heeft er op het Chinese hoofdkantoor van verzoekster een verificatie plaatsgevonden van de inlichtingen die zij in het BMO-aanvraagformulier en haar beantwoording van de vragenlijst van de Commissie had verstrekt.

7        Eind juni en in juli 2013 heeft verzoekster met instemming van de Commissie en overeenkomstig de verzoeken van laatstgenoemde aanvullende informatie verstrekt.

8        Bij brief van 22 augustus 2013 (hierna: „brief van de Commissie van 22 augustus 2013”) heeft de Commissie verzoekster meegedeeld dat zij van mening was de BMO-aanvraag niet te kunnen toewijzen, op de uitsluitende grond dat verzoekster niet voldeed aan de bepalingen van artikel 2, lid 7, onder c), derde streepje, van de basisverordening. De Commissie heeft verzoekster uitgenodigd om haar opmerkingen te maken maar was van mening dat zij voldeed aan de andere voorwaarden van artikel 2, lid 7, onder c), eerste, tweede, vierde en vijfde streepje, van die verordening.

9        Op 1 september 2013 heeft verzoekster haar opmerkingen ingediend waarbij zij de beoordelingen van de Commissie betwiste.

10      Bij brief van 13 september 2013 heeft de Commissie deze opmerkingen beantwoord in haar definitieve beslissing over de BMO-aanvraag (hierna: „brief van de Commissie van 13 september 2013”). Hierbij is de afwijzing van verzoeksters BMO-aanvraag bevestigd.

11      Op 26 november 2013 heeft de Commissie verordening (EU) nr. 1205/2013 tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht op zonneglas van oorsprong uit de Volksrepubliek China (PB 2013, L 316, blz. 8; hierna: „voorlopige verordening”) vastgesteld.

12      De overwegingen 34 tot en met 47 van de voorlopige verordening, die zijn gewijd aan de „behandeling als marktgerichte onderneming” luiden als volgt:

„(34)      Ingevolge artikel 2, lid 7, onder b), van de basisverordening wordt de normale waarde bij antidumpingonderzoeken met betrekking tot de invoer uit de [China] vastgesteld overeenkomstig artikel 2, leden 1 tot en met 6, voor de producenten die kunnen aantonen dat zij voldoen aan de criteria van artikel 2, lid 7, onder c), van de basisverordening.

(35) Voor de duidelijkheid worden deze criteria hieronder nog eens kort samengevat:

(1)      besluiten van bedrijven worden genomen als reactie op marktsignalen, zonder staatsinmenging van betekenis, en kosten geven marktvoorwaarden weer;

(2)      ondernemingen beschikken over een duidelijke basisboekhouding die onder controle staat van een onafhankelijke instantie in overeenstemming met de internationale standaarden voor jaarrekeningen en die alle terreinen bestrijkt;

(3)      er zijn geen verstoringen van betekenis die nog voortvloeien uit het vroegere systeem zonder markteconomie;

(4)      faillissements- en eigendomswetten bieden rechtszekerheid en stabiliteit, en

(5)      bij de omrekening van valuta’s worden marktkoersen gebruikt.

(36)      Tien medewerkende ondernemingen verzochten om een BMO overeenkomstig artikel 2, lid 7, onder b), van de basisverordening en hebben binnen de vastgestelde termijn het desbetreffende aanvraagformulier ingevuld. Overeenkomstig artikel 2, lid 7, onder d), van de basisverordening werd een BMO-controle uitgevoerd voor de in de steekproef opgenomen ondernemingen[, waaronder verzoekster].

(37)      Voor de volgende vier ondernemingen werd dus vastgesteld of zij in aanmerking kwamen voor BMO:

–        Ondernemingen in de steekproef

–        [...]

–        [verzoekster] en Xinyi Solar (Hong Kong) [...];

–        [...]

–        Individueel onderzochte onderneming:

–        [...]

(38)      De Commissie heeft alle gegevens verzameld die zij nodig achtte en de in de BMO-aanvraag verstrekte gegevens ter plaatse bij de ondernemingen in kwestie gecontroleerd.

(39)      In gevallen waarin er sprake is van verbonden partijen, onderzoekt de Commissie of de groep van verbonden partijen als geheel voldoet aan de voorwaarden voor de toekenning van de BMO-status. Vandaar dat in gevallen waarin een dochter- of andere aan de aanvrager in [China] verbonden onderneming, direct of indirect bij de productie of verkoop van het betrokken product is betrokken, het BMO-onderzoek zowel betrekking heeft op de afzonderlijke ondernemingen als op de groep als geheel.

(40)      Dienovereenkomstig werden de BMO-aanvragen van vier producenten-exporteurs (groepen van ondernemingen) die uit in totaal elf juridische entiteiten bestaan, onderzocht.

(41)      Het onderzoek wees uit dat geen van de vier producenten-exporteurs (groep van ondernemingen) die een BMO-aanvraag hadden ingediend, kon aantonen dat hij aan alle criteria van artikel 2, lid 7, onder [c]), van de basisverordening voldeed.

(42)      [...]

(43)      [D]e [vier] producenten-exporteurs [konden] noch individueel noch als groep aantonen dat zij niet onderhevig waren aan nog uit het systeem zonder markteconomie voortvloeiende verstoringen [van betekenis]. Deze ondernemingen of groepen van ondernemingen voldeden daarom niet aan het derde BMO-criterium. Meer specifiek genoten alle vier de producenten-exporteurs of groepen van producenten-exporteurs preferentiële fiscale regelingen.

(44)      [...]

(45)      De Commissie deelde de resultaten van het BMO-onderzoek mede aan de betrokken ondernemingen, de [Chinese] autoriteiten [...] en de klager en verzocht hen om opmerkingen.

(46)      De ontvangen opmerkingen hebben niet geleid tot aanpassing van de voorlopige bevindingen van de Commissie. Na de lidstaten overeenkomstig artikel 2, lid 7, onder c), te hebben geraadpleegd, stelde de Commissie alle aanvragers op 13 september 2013 individueel en formeel op de hoogte van haar definitieve besluit met betrekking tot hun BMO-aanvragen.

(47)      Daar geen van de vier medewerkende (groepen) producenten-exporteurs in [China] die om een BMO hadden verzocht, kon aantonen dat hij voldeed aan alle criteria van artikel 2, lid 7, onder c), van de basisverordening, werden hun BMO-aanvragen afgewezen.”

13      Op 13 mei 2014 heeft de Commissie de bestreden verordening vastgesteld.

14      In de overwegingen 32 tot en met 34 van de bestreden verordening, die zijn gewijd aan de „behandeling als marktgerichte onderneming” heeft de Commissie het volgende vermeld:

„(32)      Na de mededeling van de voorlopige bevindingen en vervolgens na de mededeling van de definitieve bevindingen stelde [verzoekster] dat de Commissie [haar] verzoek om BMO ten onrechte had afgewezen. Dit argument betreffende het besluit over een BMO-aanvraag was in de voorlopige fase al aangevoerd en werd door de Commissie in de overwegingen 43 en 47 van de voorlopige verordening afgewezen.

(33)      [Verzoekster] stelde dat de door preferentiële fiscale behandeling(en) en subsidies genoten voordelen geen significant deel van [haar] omzet vertegenwoordigen. Er zij hier aan herinnerd dat dit argument, naast andere argumenten, reeds werd behandeld in de brief van de Commissie aan de exporteur van 13 september 2013, waarin de Commissie deze op de hoogte stelde van haar besluit over de BMO-aanvraag. In het bijzonder werd daarin beklemtoond dat het absolute steunbedrag gedurende het [onderzoektijdvak] met name vanwege de aard van dit voordeel niet relevant is voor de beoordeling of de verstoring ‚van betekenis’ is. Dit argument wordt derhalve afgewezen.

(34)      In het licht van het bovenstaande wordt de bevinding van de overwegingen 34 tot en met 47 van de voorlopige verordening, namelijk dat alle BMO-aanvragen dienen te worden afgewezen, bevestigd.”

 Procesverloop en conclusies van partijen in zaak T586/14

15      Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 7 augustus 2014, heeft verzoekster verzocht om nietigverklaring van de bestreden verordening.

16      De Commissie heeft op 21 oktober 2014 ter griffie van het Gerecht een verweerschrift neergelegd waarin zij het Gerecht verzoekt om het beroep te verwerpen en verzoekster te verwijzen in de kosten.

17      Verzoekster en de Commissie hebben respectievelijk op 16 december 2014 en 30 januari 2015 bij de griffie van het Gerecht een repliek en een dupliek ingediend.

18      Op voorstel van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht besloten tot de mondelinge behandeling over te gaan.

19      Het Gerecht heeft partijen overeenkomstig artikel 64, lid 2, onder a), van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht van 2 mei 1991 vragen gesteld voor schriftelijke beantwoording vóór de terechtzitting.

20      Partijen hebben binnen de gestelde termijnen op deze vragen geantwoord.

21      Partijen zijn in hun pleidooien en hun antwoorden op de mondelinge vragen van het Gerecht gehoord ter terechtzitting van 9 september 2015.

22      Bij arrest van 16 maart 2016, Xinyi PV Products (Anhui) Holdings/Commissie (T‑586/14, EU:T:2016:154; hierna: „oorspronkelijk arrest”), heeft het Gerecht de bestreden verordening nietig verklaard en de Commissie verwezen in haar eigen kosten en in de kosten van verzoekster.

23      Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 26 mei 2016, heeft de Commissie hogere voorziening ingesteld tegen het oorspronkelijke arrest.

24      Bij beschikking van 13 oktober 2016, Commissie/Xinyi PV Products (Anhui) Holdings (C‑301/16 P, niet gepubliceerd, EU:C:2016:796), is GMB Glasmanufaktur Brandenburg GmbH toegelaten tot interventie aan de zijde van de Commissie.

25      Bij arrest van 28 februari 2018, Commissie/Xinyi PV Products (Anhui) Holdings (C‑301/16 P, EU:C:2018:132; hierna: „arrest in hogere voorziening”), heeft het Hof het oorspronkelijke arrest vernietigd, de zaak naar het Gerecht terugverwezen en de beslissing omtrent de kosten aangehouden.

 Procesverloop en conclusies van partijen na terugverwijzing

26      Na het arrest in hogere voorziening is de onderhavige zaak, overeenkomstig artikel 215 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, toegewezen aan de Vijfde kamer van het Gerecht.

27      Overeenkomstig artikel 217, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering hebben verzoekster en de Commissie op 27 april 2018 en interveniënte, op 8 mei 2018, binnen de gestelde termijnen hun schriftelijke opmerkingen ingediend over de conclusies die uit het arrest in hogere voorziening moeten worden getrokken voor de beslechting van het geschil.

28      Op 21 november 2018 heeft het Gerecht partijen overeenkomstig artikel 89, lid 2, onder a), van het Reglement voor de procesvoering vragen gesteld voor schriftelijke beantwoording vóór de terechtzitting.

29      De partijen hebben binnen de gestelde termijnen op deze vragen geantwoord.

30      Partijen zijn ter terechtzitting van 16 januari 2019 in hun pleidooien en in hun antwoorden op de vragen van het Gerecht gehoord.

31      Verzoekster concludeert tot:

–        nietigverklaring van de bestreden verordening voor zover deze op haar betrekking heeft;

–        verwijzing van de Commissie en interveniënte in de kosten van de procedure voor het Gerecht en het Hof.

32      De Commissie concludeert tot:

–        verwerping van het beroep;

–        verwijzing van verzoekster in de kosten van de procedure voor het Gerecht en het Hof.

33      Interveniënte concludeert tot:

–        verwerping van het beroep;

–        verwijzing van verzoekster in de kosten, met inbegrip van de kosten in verband met haar interventie voor het Hof.

 Beoordeling

34      Tot staving van haar beroep tot nietigverklaring van de bestreden verordening voert verzoekster vier middelen aan.

35      Het eerste middel is ontleend aan schending van artikel 2, lid 7, onder c), derde streepje, van de basisverordening.

36      Eerst moet het tweede onderdeel van het eerste middel worden onderzocht.

37      Als tweede onderdeel van het eerste middel voert verzoekster aan dat de Commissie een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt van de feiten en blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te stellen dat de verstoring van betekenis was in het licht van haar productiekosten en financiële situatie, in de zin van artikel 2, lid 7, onder c), derde streepje, van de basisverordening.

38      Verzoekster betoogt dat de betrokken belastingvoordelen, gesteld dat zij nog voortvloeien uit het vroegere systeem zonder markteconomie, geen verstoringen van betekenis teweegbrengen voor haar productiekosten en financiële situatie. Zoals zij tijdens het onderzoek heeft verklaard, vertegenwoordigen de fiscale stimuleringsmaatregelen in kwestie in haar geval slechts 1,34 % van haar totale productiekosten en 1,14 % van haar omzet.

39      De Commissie heeft deze argumentatie niet behandeld en was in haar brief van 13 september 2013 ten onrechte van mening dat een verstoring van betekenis het gevolg was van lagere belastingtarieven, doordat zij „met name de doelstelling had om kapitaal aan te trekken tegen lagere kosten teneinde daarmee de financiële en economische situatie van de onderneming als geheel te beïnvloeden”, terwijl een financiële impact van minder dan 1,5 % van de productiekosten of de omzet geen ernstige stimulans kan vormen om kapitaal aan te trekken, met name voor Xinyi Solar (Hong Kong).

40      Wat de omvang van de verstoring betreft, wijst de Commissie er om te beginnen op dat verzoekster niet heeft betwist dat zij een voorkeursbehandeling op fiscaal gebied heeft genoten en betoogt zij dat, wanneer ondernemingen die door de regering als strategisch worden beschouwd, in het kader van een inkomstenbelastingsysteem gunstig worden behandeld, de verstoringen die door deze behandeling worden veroorzaakt, van betekenis zijn, aangezien zij het bedrag van de winst vóór belasting dat deze ondernemingen moeten behalen om investeerders aan te trekken, volledig wijzigen. Aangezien die verstoringen van blijvende aard zijn, is het absolute steunbedrag dat gedurende het onderzoektijdvak is ontvangen, naar zijn aard niet relevant wanneer het erom gaat te beoordelen of de verstoring „van betekenis” is.

41      Voorts beweert de Commissie dat zij, gelet op het belang van de betrokken belastingvoordelen, in wezen kon veronderstellen dat de aantrekkelijkheid van buitenlands kapitaal was verhoogd, zodat de verstoring van verzoeksters financiële situatie van betekenis was en dat verzoekster hoe dan ook niet het bewijs van het tegendeel had geleverd.

42      Daarnaast verstrekt verzoekster geen enkele grond die rechtvaardigt waarom haar omzet als referentiecriterium zou moeten dienen of waarom het onderzoek naar verstoringen beperkt zou moeten blijven tot het onderzoektijdvak, waarbij haar algemene financiële situatie buiten beschouwing zou worden gelaten, en niet haar productiekosten of omzet.

43      Tot slot ziet de Commissie niet in hoe zij het begrip „verstoring van betekenis” onjuist heeft kunnen toepassen door tot de slotsom te komen dat verzoekster, gelet op de twee jaar durende belastingvrijstellingen en de belasting tegen 50 % van het normale tarief gedurende drie jaar, in combinatie met een permanent en qua duur onbeperkt belastingvoordeel, niet heeft aangetoond dat haar productiekosten of financiële situatie niet aanzienlijk waren verstoord door de betrokken maatregelen.

44      In haar schriftelijke opmerkingen over de conclusies die uit het arrest in hogere voorziening moeten worden getrokken voor de beslechting van het geschil, handhaaft verzoekster haar in het verzoekschrift geformuleerde vorderingen.

45      In haar schriftelijke opmerkingen over de conclusies die uit het arrest in hogere voorziening moeten worden getrokken voor de beslechting van het geschil, is de Commissie aangaande het tweede onderdeel van het eerste middel van mening dat de partijen dit in hun schriftelijke opmerkingen voor het Gerecht alsook ter terechtzitting uitvoerig hebben besproken.

46      In haar schriftelijke opmerkingen over de conclusies die uit het arrest in hogere voorziening moeten worden getrokken voor de beslechting van het geschil merkt interveniënte op dat de twee belastingvoordelen in kwestie konden worden gecombineerd zodat verzoekster haar belastingtarief gedurende het onderzoektijdvak kon verlagen tot 14 %, terwijl het normale tarief van de Chinese vennootschapsbelasting 25 % bedroeg, en zij betwist verzoeksters stelling dat die voordelen niet als van betekenis kunnen worden beschouwd.

47      Interveniënte verwijst in dat kader naar de herstructurering van verzoekster en haar redenen daarvoor, alsmede de toename van de invoer van zonneglas uit China en verzoeksters marktaandeel.

48      Interveniënte voert ook aan dat verzoekster, gelet op de vastgestelde winstmarges, zonder de betrokken belastingvoordelen, de ten opzichte van haar uitgevaardigde antidumpingmaatregelen niet had kunnen ondervangen en evenmin zo snel had kunnen doordringen op de Uniemarkt. Interveniënte verwerpt ook de relevantie van het aandeel van die voordelen in het geheel van verzoeksters productiekosten en omzet.

49      Om te beginnen dient te worden opgemerkt dat, krachtens artikel 2, lid 7, onder a), van de basisverordening [thans artikel 2, lid 7, onder a), van verordening 2016/1036], in afwijking van de regels die zijn vastgesteld in de leden 1 tot en met 6 van dit artikel, de normale waarde bij invoer uit landen zonder markteconomie in beginsel wordt vastgesteld aan de hand van de prijs of de berekende waarde in een land met een markteconomie.

50      Artikel 2, lid 7, onder a), van de basisverordening heeft tot doel te voorkomen dat rekening wordt gehouden met prijzen en kosten in landen zonder markteconomie, omdat deze parameters niet het normale eindresultaat van markteconomische factoren zijn (zie arrest van 19 juli 2012, Raad/Zhejiang Xinan Chemical Industrial Group, C‑337/09 P, EU:C:2012:471, punt 66 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

51      Artikel 2, lid 7, onder b), van de basisverordening preciseert echter dat bij antidumpingonderzoeken betreffende de invoer uit onder meer China, de normale waarde wordt vastgesteld overeenkomstig artikel 2, leden 1 tot en met 6, van de basisverordening (thans artikel 2, leden 1 tot en met 6, van verordening 2016/1036), indien op basis van naar behoren met bewijsmateriaal gestaafde verzoeken van een of meer producenten bij wie een onderzoek moet worden ingesteld, overeenkomstig de in artikel 2, lid 7, onder c), van die verordening vermelde criteria en procedures wordt aangetoond dat deze producent of producenten het betrokken soortgelijke product op marktvoorwaarden vervaardigen en verkopen (arrest van 19 juli 2012, Raad/Zhejiang Xinan Chemical Industrial Group, C‑337/09 P, EU:C:2012:471, punt 67).

52      Aldus staat het aan de producent die als marktgerichte onderneming wenst te worden behandeld om een voldoende onderbouwd verzoek in die zin in te dienen en voorts staat het aan de Commissie om te beoordelen of de door de die producent aangedragen elementen volstaan om aan te tonen dat is voldaan aan de in artikel 2, lid 7, onder c), van de basisverordening gestelde criteria. In die context gaat de Unierechter na of die beoordeling niet op een kennelijke onjuistheid berust [zie in die zin arresten van 2 februari 2012, Brosmann Footwear (HK) e.a./Raad, C‑249/10 P, EU:C:2012:53, punt 32, en 19 juli 2012, Raad/Zhejiang Xinan Chemical Industrial Group, C‑337/09 P, EU:C:2012:471, punt 70].

53      Het in artikel 2, lid 7, onder b) en c), van de basisverordening neergelegde vereiste van een strikte uitlegging kan voor de instellingen geen grond vormen om deze bepaling uit te leggen en toe te passen op een wijze die onverenigbaar is met de bewoordingen en het doel ervan (arrest van 19 juli 2012, Raad/Zhejiang Xinan Chemical Industrial Group, C‑337/09 P, EU:C:2012:471, punt 93).

54      In dat verband zij eraan herinnerd dat volgens artikel 2, lid 7, onder b), van de basisverordening het criterium voor het onderzoek naar de gegrondheid van een BMO-verzoek van een producent, de vraag is of hij „het betrokken soortgelijke product op marktvoorwaarden vervaardigt en verkoopt”.

55      Uit artikel 2, lid 7, onder b), van de basisverordening volgt dat de in artikel 2, lid 7, onder c), van die verordening vermelde criteria, waarop de door de producenten ingediende verzoeken betrekking hebben en in het licht waarvan de Commissie deze moet beoordelen, zien op de „vervaardiging en de verkoop van het betrokken soortgelijke product”. Deze precisering is contextueel relevant in het kader van artikel 2 van de basisverordening, waarin de regels voor de berekening van de normale waarde, dat wil zeggen de vergelijkbare prijs die wordt gehanteerd in het kader van normale handelstransacties, voor het soortgelijke product in het land van uitvoer zijn vastgesteld.

56      Meer bepaald is de normale waarde volgens artikel 2, leden 1 en 3, van de basisverordening normaal gebaseerd op de prijzen die door onafhankelijke afnemers in het land van uitvoer in het kader van normale handelstransacties worden betaald of dienen te worden betaald. Wanneer het soortgelijke product niet of niet in voldoende hoeveelheden in het kader van normale handelstransacties is verkocht of indien, wegens de bijzondere marktsituatie, deze verkoop geen deugdelijke vergelijking mogelijk maakt, wordt deze waarde berekend aan de hand van de productiekosten in het land van oorsprong, vermeerderd met een redelijk bedrag voor verkoopkosten, algemene kosten, administratiekosten en winst. In dat verband volgt uit artikel 2, leden 4 tot en met 6, van de basisverordening dat de billijke toepassing van deze begrippen afhankelijk is van de vraag of de boekhouding van de betrokken producent waarop de Commissie zich in beginsel zal baseren in beginsel de marktvoorwaarden weergeeft en aldus een berekening van de normale waarde toelaat in overeenstemming met de doelstellingen van een antidumpingonderzoek.

57      Het geheel van criteria die de Uniewetgever in artikel 2, lid 7, onder c), van de basisverordening heeft vastgesteld in de uitoefening van zijn beoordelingsmarge weerspiegelt de wil om na te gaan of de marktdeelnemer die als marktgerichte onderneming wenst te worden behandeld, wat de productie en de verkoop van het betrokken soortgelijke product betreft, opereert in overeenstemming met de beginselen die een berekening van de normale waarde mogelijk maken.

58      In die context vereist het in artikel 2, lid 7, onder c), van de basisverordening bepaalde derde criterium – het enige criterium waaraan niet is voldaan in casu – dat „de productiekosten en financiële situatie van bedrijven niet onderhevig zijn aan verstoringen van betekenis die nog voortvloeien uit het vroegere systeem zonder markteconomie, in het bijzonder met betrekking tot depreciatie van activa, andere afschrijvingen, ruilhandel en betaling middels schuldvergelijking”.

59      In dat verband zij erop gewezen dat de hierboven in punt 58 vermelde voorwaarde betrekking heeft op de productiekosten en de financiële situatie van de onderneming in termen van bepaalde parameters die rechtstreeks verband houden met de in artikel 2, leden 1 tot en met 6, van de basisverordening uiteengezette methoden voor de berekening van de normale waarde. Die parameters zijn met name de depreciatie van activa, andere afschrijvingen, ruilhandel en betaling middels schuldvergelijking. Deze opsomming is weliswaar indicatief, zoals blijkt uit het gebruik van het bijwoord „met name” maar het gebruik van die term heeft noch tot doel noch tot gevolg dat de Commissie een BMO-verzoek kan afwijzen op grond van omstandigheden die weliswaar verband houden met de financiële situatie van de onderneming in ruime zin, maar niet automatisch een verstoring – die bovendien „van betekenis” moet zijn – inhouden van een of meer factoren die bepalend zijn voor de elementen inzake de vervaardiging en de verkoop van het betrokken soortgelijke product [zie naar analogie, aangaande artikel 2, lid 7, onder c), eerste streepje, van de basisverordening, arrest van 19 juli 2012, Raad/Zhejiang Xinan Chemical Industrial Group, C‑337/09 P, EU:C:2012:471, punten 78‑82].

60      Wat maatregelen betreft die betrekking hebben op de financiële situatie van de onderneming in het algemeen en die derhalve, die situatie slechts aanzienlijk kunnen verstoren met betrekking tot de vervaardiging of de verkoop van het betrokken soortgelijke product, dient de Commissie dus, in het licht van het tijdens de administratieve procedure overgelegde bewijsmateriaal, na te gaan of die maatregelen daadwerkelijk een dergelijke verstoring veroorzaken.

61      Artikel 2, lid 7, onder c), derde streepje, van de basisverordening verwijst immers naar de productiekosten en naar een financiële situatie die „niet onderhevig zijn” aan verstoringen van betekenis en niet naar productiekosten en een financiële situatie die „niet onderhevig kunnen zijn” aan dergelijke verstoringen. Voorts moet de omvang van de verstoringen in kwestie wordt beoordeeld aan de hand van de doelstelling van die bepaling, die erop is gericht te verzekeren dat de gegevens betreffende de productiekosten en de financiële situatie van de onderneming niet verstoord zijn in die mate dat de eventuele toepassing van artikel 2, leden 1 tot en met 6, van de basisverordening zou leiden tot kunstmatige resultaten die de doelstelling van een antidumpingonderzoek op losse schroeven zou zetten (zie naar analogie arrest van 19 juli 2012, Raad/Zhejiang Xinan Chemical Industrial Group, C‑337/09 P, EU:C:2012:471, punt 82).

62      In casu heeft de Commissie geweigerd verzoekster te behandelen als marktgerichte onderneming op de enkele grond dat zij niet had aangetoond dat zij voldeed aan het in artikel 2, lid 7, onder c), derde streepje, van de basisverordening geformuleerde criterium.

63      In haar brief van 22 augustus 2013 was de Commissie met name van mening dat verzoekster verschillende belastingvoordelen op het gebied van de vennootschapsbelasting had genoten, te weten:

„–      [...] een belastingregeling op grond waarvan ondernemingen met buitenlands kapitaal gedurende twee jaar in aanmerking kunnen komen voor een algehele [vennootschapsbelasting]vrijstelling (0 %), en in de drie daarop volgende jaren van een verlaging van 50 % van dat [belasting]tarief kunnen genieten, dat wil zeggen van een tarief van 12,5 % in plaats van het gebruikelijke tarief van 25 %;

–        een zogenaamde ‚hightechonderneming’-belastingregeling, waarbij de onderneming onderworpen is aan een verlaagd vennootschapsbelastingtarief van 15 % in plaats van het normale tarief van 25 %. Dit preferentiële belastingtarief vormt een semipermanente variabele subsidie, die er mede toe kan dienen om tegen lagere kosten investeringen aan te trekken, waardoor de mededinging wordt verstoord.”

64      De Commissie heeft daaruit afgeleid dat „de verlaagde belastingtarieven aanzienlijke financiële voordelen opleverden” zodat verzoekster „er niet in was geslaagd aan te tonen dat haar productiekosten en financiële situatie niet onderhevig waren aan verstoringen van betekenis die nog voortvloeien uit het vroegere systeem zonder markteconomie”. De Commissie herinnerde eraan dat „de zogenaamde belastingregeling voor ‚hightechondernemingen’ onlangs in de zaak ‚Solar Panels’ was geanalyseerd en als een voldoende reden werd beschouwd om de behandeling als marktgerichte onderneming te weigeren”.

65      Voorts heeft de Commissie in de brief van 13 september 2013 waarin zij aan verzoekster haar definitieve beslissing heeft meegedeeld over diens BMO-aanvraag, als antwoord op de opmerkingen op de brief van 22 augustus 2013, het volgende overwogen:

„De toepassing van een regeling inzake een preferentieel belastingtarief wijzigt het bedrag aan winst vóór belasting dat de onderneming moet genereren om aantrekkelijk te zijn voor investeerders. Het absolute voordeel dat tijdens het onderzoektijdvak is toegekend, is niet noodzakelijkerwijs een doorslaggevend criterium voor de beoordeling van de omvang van de verstoring gezien de aard van het voordeel. Integendeel, deze beoordeling moet betrekking hebben op de algemene gevolgen van de maatregel voor de economische en financiële situatie van de onderneming over een bepaalde periode.

In dit verband dient te worden gememoreerd dat op [verzoekster] het verlaagde tarief (14,01 %) kon worden toegepast aangezien [zij] de belastingregeling voor hightechbedrijven kon combineren met een andere regeling, te weten het programma ‚Two Free 3 Halve’. Het gecombineerde effect hiervan was een aanzienlijk verlaagd tarief ten opzichte van het normale tarief (25 %), waarmee onder meer de doelstelling kon worden nagestreefd om kapitaal aan te trekken tegen lagere kosten teneinde daarmee de financiële en economische situatie van de onderneming als geheel te beïnvloeden.

[...]

Ten slotte betoogt u dat het oordeel van de Commissie dat de belastingregeling semipermanent en variabel is, ongefundeerd is. Van uw betoog dat beide belastingregelingen beperkt zijn in de tijd, is naar behoren nota genomen. Het feit dat deze beide belastingregelingen geen permanent karakter hebben, doet evenwel niet af aan het feit [...] dat hiermee is beoogd de financiële en economische situatie van de onderneming te beïnvloeden.”

66      In dit verband zij opgemerkt dat de Commissie haar conclusie aangaande de in artikel 2, lid 7, onder c), derde streepje, van de basisverordening, vastgestelde voorwaarde heeft gebaseerd op elementen betreffende een ander criterium dan de criteria die in die bepaling zijn vermeld (zie punt 58 hierboven). Uit de brieven van 22 augustus en 13 september 2013 blijkt immers dat zij zich heeft gebaseerd op het financiële voordeel dat verzoekster in het algemeen door de verlaagde belastingtarieven heeft genoten en voorts op het feit dat een dergelijk voordeel investeerders in haar kapitaal kan aantrekken. De Commissie lijkt zo verzoeksters argument dat de omvang van het voordeel in kwestie in de praktijk onbeduidend was, te hebben afgewezen, door vast te houden aan wat zij de „algemene gevolgen” van de betrokken maatregel noemt, namelijk de mogelijkheid om „kapitaal aan te trekken tegen verlaagde tarieven”.

67      Die motieven zien echter hoogstens op de financiële situatie van de onderneming vanuit een zeer abstract oogpunt, zonder verband met de elementen die expliciet zijn vermeld in artikel 2, lid 7, onder c), derde streepje, van de basisverordening of met andere elementen inzake de vervaardiging en de verkoop van het betrokken soortgelijke product, waarvan de uit het bestreden voordeel voortkomende verstoring van betekenis de mogelijkheid van een geldige berekening van de normale waarde overeenkomstig artikel 2, leden 1 tot en met 6, van de basisverordening, in twijfel zou trekken.

68      Ten eerste betreft een vennootschapsbelastingstelsel immers de fiscale behandeling van de winst die in een bepaald boekjaar wordt gemaakt. Dit heeft derhalve noch tot doel noch tot gevolg om het bedrag of het percentage zelf van deze winst, of van andere elementen, als onderdeel van de normale waarde die de Commissie in het kader van een antidumpingonderzoek overeenkomstig artikel 2, leden 1 tot en met 6, van de basisverordening moet berekenen, te beïnvloeden. Bijgevolg is de algemene verwijzing van de Commissie naar „de algemene gevolgen” van de betrokken maatregelen op verzoeksters financiële situatie als zodanig en zonder verdere motivering, niet relevant voor de toepassing van artikel 2, lid 7, onder c), derde streepje, van de basisverordening.

69      Ten tweede moet een soortgelijke analyse worden gemaakt met betrekking tot de beoordeling door de Commissie van verzoeksters „aantrekkelijkheid” als adressaat van investeringskapitaal. In het bijzonder moet worden vastgesteld dat, gelet op de bewoordingen van artikel 2, lid 7, onder c), derde streepje, van de basisverordening, de eenvoudige mogelijkheid dat een preferentiële belastingregeling investeerders voor het kapitaal van een onderneming aantrekt, niet volstaat om te oordelen dat de financiële situatie van die onderneming daadwerkelijk „onderhevig is” aan verstoringen van betekenis. Voorts en anders dan de Commissie suggereert, wordt het besluit om in het kapitaal van een onderneming te investeren niet genomen tegen een bepaald „tarief”, zodat het door die instelling ingeroepen „doel om kapitaal aan te trekken tegen verlaagde tarieven” een moeilijk te begrijpen grond blijft. In samenhang daarmee houdt de omstandigheid dat een investeerder zijn fondsen investeert in de aankoop van aandelen in verzoeksters kapitaal naar haar aard hoe dan ook geen duidelijk verband met een verstoring van verzoeksters financiële situatie vanuit het oogpunt van de doelstelling van artikel 2, lid 7, onder c), derde streepje, van de basisverordening (zie punten 59‑61 hierboven). De Commissie kan zich dus niet op loutere gissingen beroepen om het bestaan te veronderstellen van merkbare gevolgen, die voldoende zwaarwichtig zijn om te kunnen worden aangemerkt als „verstoringen van betekenis” en om de door verzoekster aangevoerde elementen die het aanzienlijke karakter van de eventueel door haar genoten verstoring ontkennen, zodoende van de hand te wijzen.

70      Dit geldt des te meer wanneer de producent, zoals het geval is voor verzoekster, gezien de geringe absolute waarde van de fiscale stimuleringsmaatregelen voor zijn omzet en voor al zijn productiekosten, zijn economische en financiële autonomie op de betrokken markt ten opzichte van de betrokken maatregelen bewijst voor een periode, namelijk het onderzoektijdvak.

71      Er zij immers op gewezen dat de omzet van een onderneming een relevante indicator is van haar economische en financiële macht waaruit zij haar winst haalt. Door te stellen dat de verstoringen in kwestie 1,14 % van haar omzet uitmaken, heeft verzoekster dus inderdaad een factor aangedragen die in beginsel betrouwbaar en relevant is voor de algemene gevolgen van de onderzochte belastingmaatregel op haar financiële situatie.

72      In deze omstandigheden diende de Commissie minstens het verband te verduidelijken tussen, enerzijds, de keuze om te investeren in verzoeksters kapitaal – die eventueel kan zijn ingegeven door een voordelig belastingregime – en, anderzijds, de verstoring van verzoeksters financiële situatie, en dit niet in het algemeen en in theorie, maar in het licht van de door artikel 2, lid 7, onder c), derde streepje, van de basisverordening nagestreefde doelstelling (zie punten 49‑61 hierboven).

73      Een dergelijke beoordeling wordt bevestigd door het feit dat de Commissie uitdrukkelijk heeft verwezen naar haar analyse van een van de betrokken belastingregelingen in het kader van de zaak „Solar Panels” om de door verzoekster aangevoerde bewijzen uit te sluiten en dat de Commissie van mening was dat deze analyse voldoende was om verzoekster niet als marktgerichte onderneming te behandelen. Overeenkomstig artikel 2, lid 7, onder b), van de basisverordening moet de BMO evenwel worden beoordeeld in het licht van de economische voorwaarden waaronder elke producent waarop het onderzoek betrekking heeft, opereert [zie in deze zin arrest van 2 februari 2012, Brosmann Footwear (HK) e.a./Raad, C‑249/10 P, EU:C:2012:53, punt 38].

74      Uit het voorgaande volgt dat de overwegingen waarop de Commissie de afwijzing van verzoeksters BMO-verzoek heeft gebaseerd manifeste beoordelingsfouten bevatten zodat het tweede onderdeel van het eerste middel gegrond is. Bijgevolg moet de bestreden verordening worden nietig verklaard zonder dat uitspraak hoeft te worden gedaan over het eerste onderdeel van het eerste middel of over de andere aangevoerde middelen.

 Kosten

75      Overeenkomstig artikel 219 van het Reglement voor de procesvoering beslist het Gerecht in beslissingen die na vernietiging en terugverwijzing zijn gegeven over de kosten van de bij hem ingeleide procedures en van de procedure in hogere voorziening bij het Hof. Aangezien het Hof in het in hogere voorziening gewezen arrest de beslissing omtrent de kosten van verzoekster, de Commissie en interveniënte heeft aangehouden, staat het aan het Gerecht om in het onderhavige arrest te beslissen over alle kosten van de voor hem ingeleide procedures, met inbegrip van de procedure in eerste aanleg, alsook over de kosten van de procedure in hogere voorziening in zaak C‑301/16 P.

76      Volgens artikel 134, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dat is gevorderd.

77      Indien meer partijen in het ongelijk zijn gesteld, bepaalt het Gerecht volgens artikel 134, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering bovendien het door elk van hen te dragen deel van de proceskosten.

78      In casu is de Commissie de in het ongelijk gestelde partij in de procedure in eerste aanleg en is verzoekster de in het ongelijk gestelde partij in de hogere voorziening. Aangezien de Commissie en interveniënte uiteindelijk de in het ongelijk gestelde partijen zijn voor het Gerecht in de procedure na terugverwijzing, moet de Commissie echter worden verwezen in haar eigen kosten en in die van verzoekster, met uitzondering van de kosten van de interventie. Interveniënte zal, behalve haar eigen kosten, ook verzoeksters aan haar interventie verbonden kosten dragen.

HET GERECHT (Vijfde kamer),

rechtdoende, verklaart:

1)      Uitvoeringsverordening (EU) nr. 470/2014 van de Commissie van 13 mei 2014 tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige antidumpingrecht op zonneglas van oorsprong uit de Volksrepubliek China wordt nietig verklaard.

2)      De Europese Commissie zal, behalve haar eigen kosten, ook de kosten van Xinyi PV Products (Anhui) Holdings Ltd dragen, met uitzondering van de aan de interventie verbonden kosten.

3)      GMB Glasmanufaktur Brandenburg GmbH zal, behalve haar eigen kosten, ook de aan haar interventie verbonden kosten van Xinyi PV Products (Anhui) Holdings dragen.

Gratsias

Labucka

Ulloa Rubio

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 24 september 2019.

ondertekeningen


*      Procestaal: Engels.