ARREST VAN HET HOF (Vijfde kamer)

3 juni 2021 (*)

„Prejudiciële verwijzing – Verordening (EU) nr. 952/2013 – Douanewetboek van de Unie – Artikel 22, lid 6, eerste alinea, juncto artikel 29 – Mededeling van gronden aan de betrokkene voordat een voor hem ongunstige beschikking wordt gegeven – Artikel 103, lid 1, en artikel 103, lid 3, onder b) – Verjaring van de douaneschuld – Termijn voor de mededeling van de douaneschuld – Opschorting van de termijn – Artikel 124, lid 1, onder a) – Tenietgaan van de douaneschuld in geval van verjaring – Toepassing in de tijd van de bepaling betreffende de oorzaken van de opschorting – Beginselen van rechtszekerheid en van bescherming van het gewettigd vertrouwen”

In zaak C‑39/20,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Hoge Raad der Nederlanden bij beslissing van 24 januari 2020, ingekomen bij het Hof op 27 januari 2020, in de procedure

Staatssecretaris van Financiën

tegen

Jumbocarry Trading GmbH,

wijst

HET HOF (Vijfde kamer),

samengesteld als volgt: E. Regan, kamerpresident, M. Ilešič (rapporteur), E. Juhász, C. Lycourgos en I. Jarukaitis, rechters,

advocaat-generaal: M. Campos Sánchez-Bordona,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

–        Jumbocarry Trading GmbH, vertegenwoordigd door C. H. Bouwmeester en E. M. van Doornik, belastingadviseurs,

–        de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door M. K. Bulterman en J. M. Hoogveld als gemachtigden,

–        het Europees Parlement, vertegenwoordigd door R. van de Westelaken en M. Peternel als gemachtigden,

–        de Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door A. Sikora-Kalėda en S. Emmerechts als gemachtigden,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door W. Roels en F. Clotuche-Duvieusart als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 11 februari 2021,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 103, lid 3, onder b), en artikel 124, lid 1, onder a), van verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (PB 2013, L 269, blz. 1, met rectificatie in PB 2013, L 287, blz. 90) (hierna: „douanewetboek van de Unie”).

2        Het verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen de Staatssecretaris van Financiën en Jumbocarry Trading GmbH (hierna: „Jumbocarry”) betreffende een uitnodiging tot betaling van douanerechten ter zake van een in de Europese Unie ingevoerde partij goederen die niet in aanmerking bleek te komen voor een preferentieel douanerecht van 0 %.

 Toepasselijke bepalingen

 Communautair douanewetboek

3        Artikel 221 van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB 1992, L 302, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 2700/2000 van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2000 (PB 2000, L 311, blz. 17) (hierna: „communautair douanewetboek”), bepaalde:

„1.      Het bedrag van de rechten dient onmiddellijk na de boeking op een daartoe geëigende wijze aan de schuldenaar te worden medegedeeld.

[...]

3.      De mededeling aan de schuldenaar moet plaatsvinden binnen drie jaar nadat de douaneschuld is ontstaan. Deze termijn wordt geschorst door het instellen van een beroep in de zin van artikel 243 voor de duur van de procedure van beroep.”

4        Artikel 243, lid 1, eerste alinea, van dit wetboek luidde:

„Iedere persoon heeft het recht beroep in te stellen tegen beschikkingen van de douaneautoriteiten die betrekking hebben op de toepassing van de douanewetgeving en die hem rechtstreeks en individueel raken.”

 Douanewetboek van de Unie

5        Het douanewetboek van de Unie, dat overeenkomstig artikel 287 ervan op 30 oktober 2013 in werking is getreden, heeft het communautair douanewetboek ingetrokken. Op grond van artikel 288, lid 2, van het douanewetboek van de Unie zijn veel van de bepalingen van dit laatste wetboek, met name de artikelen 22, 29, 103, 104 en 124, echter pas met ingang van 1 mei 2016 van toepassing geworden.

6        Artikel 22 van het douanewetboek van de Unie, met als opschrift „Beschikkingen naar aanleiding van aanvragen”, bepaalt in lid 6, eerste alinea:

„Voordat een voor de aanvrager ongunstige beschikking wordt verleend, delen de douaneautoriteiten hem mee op welke gronden zij voornemens zijn hun beschikking te baseren. De aanvrager wordt in de gelegenheid gesteld zijn standpunt kenbaar te maken binnen een specifieke termijn, die aanvangt op de datum waarop hij die mededeling ontvangt of wordt geacht die te hebben ontvangen. Na het verstrijken van deze termijn wordt aan de aanvrager in de passende vorm mededeling gedaan van de beschikking.”

7        Artikel 29 van dit wetboek, met als opschrift „Beschikkingen zonder voorafgaande aanvraag” bepaalt:

„Tenzij een douaneautoriteit als gerechtelijke autoriteit optreedt, gelden de leden 4, 5, 6 en 7 van artikel 22, en lid 3 van artikel 23, evenals de artikelen 26, 27 en 28 ook voor beschikkingen van de douaneautoriteiten zonder voorafgaande aanvraag van de belanghebbende.”

8        Artikel 103 van voornoemd wetboek, met als opschrift „Verjaringstermijnen van de douaneschuld”, bepaalt in de leden 1 tot en met 3:

„1.      De mededeling van een douaneschuld aan de schuldenaar vindt plaats binnen drie jaar nadat de douaneschuld is ontstaan.

2.      Wanneer de douaneschuld is ontstaan ingevolge een handeling die op het tijdstip dat zij werd verricht strafrechtelijk vervolgbaar was, wordt de in lid 1 vastgestelde termijn van drie jaar in overeenstemming met het nationaal recht verlengd tot minimaal vijf en maximaal 10 jaar.

3.      De in de leden 1 en 2 bedoelde perioden worden opgeschort, indien:

a)      overeenkomstig artikel 44 beroep wordt ingesteld; dergelijke opschorting wordt toegepast vanaf de datum waarop het beroep is ingesteld en loopt voor de duur van de beroepsprocedure; of

b)      de douaneautoriteiten de schuldenaar overeenkomstig artikel 22, lid 6, hebben medegedeeld op welke gronden zij voornemens zijn mededeling te doen van de douaneschuld; dergelijke opschorting wordt toegepast vanaf de datum van die mededeling tot het einde van de periode waarbinnen de schuldenaar in de gelegenheid wordt gesteld zijn standpunt kenbaar te maken.”

9        Artikel 104 van het douanewetboek van de Unie, met als opschrift „Boeking”, bepaalt in lid 2:

„De douaneautoriteiten behoeven geen bedragen aan invoer- of uitvoerrechten te boeken die overeenkomstig artikel 103 overeenkomen met een douaneschuld waarvan geen mededeling aan de schuldenaar meer kon worden gedaan.”

10      Artikel 124 van die verordening, met als opschrift „Tenietgaan”, bepaalt in lid 1:

„Onverminderd de geldende bepalingen inzake de niet-invordering van het met een douaneschuld overeenkomende bedrag aan invoer- of uitvoerrechten in geval van een gerechtelijk geconstateerde insolventie van de schuldenaar, gaat een douaneschuld bij invoer of uitvoer teniet op een van de volgende wijzen:

a)      de douaneschuld kan overeenkomstig artikel 103 niet meer aan de schuldenaar worden medegedeeld;

[...]”

 Gedelegeerde verordening 2015/2446

11      Artikel 8 van gedelegeerde verordening (EU) 2015/2446 van de Commissie van 28 juli 2015 tot aanvulling van verordening nr. 952/2013 met nadere regels betreffende een aantal bepalingen van het douanewetboek van de Unie (PB 2015, L 343, blz. 1), dat betrekking heeft op artikel 22, lid 6, van het douanewetboek van de Unie en als opschrift „Termijn voor het recht om te worden gehoord” heeft, bepaalt in lid 1:

„De termijn waarbinnen de aanvrager zijn standpunt kenbaar kan maken voordat een voor hem ongunstige beschikking wordt gegeven, bedraagt 30 dagen.”

12      Deze gedelegeerde verordening, die op 18 januari 2016 in werking is getreden, is overeenkomstig artikel 256 ervan met ingang van 1 mei 2016 van toepassing geworden.

 Hoofdgeding en prejudiciële vragen

13      Op 4 juli 2013 heeft Jumbocarry aangifte gedaan voor het in het vrije verkeer brengen van een partij porseleingoed, met vermelding van Bangladesh als land van oorsprong. Overeenkomstig de toen geldende regeling werden deze goederen met toepassing van een preferentieel douanerecht van 0 % in het vrije verkeer gebracht.

14      Nadat bij controles was vastgesteld dat het certificaat van oorsprong een vervalsing was, heeft de bevoegde douaneautoriteit Jumbocarry, bij brief van 1 juni 2016, overeenkomstig artikel 22, lid 6, eerste alinea, van het douanewetboek van de Unie meegedeeld dat er een douaneschuld tegen het normale tarief van 12 % was ontstaan en dat zij voornemens was om de overeenkomstige douanerechten in te vorderen. In dezelfde brief gaf zij aan dat Jumbocarry op grond van artikel 8 van gedelegeerde verordening 2015/2446 over een termijn van 30 dagen beschikte om haar standpunt dienaangaande kenbaar te maken.

15      Op 18 juli 2016 is de douaneschuld, die op 4 juli 2013 was ontstaan, door middel van een uitnodiging tot betaling aan Jumbocarry medegedeeld.

16      Jumbocarry tekende bezwaar aan tegen deze uitnodiging tot betaling, daar zij van mening was dat de douaneschuld op de datum waarop die uitnodiging aan haar was meegedeeld reeds was verjaard. Aangezien de bevoegde douaneautoriteit haar bezwaar tegen die uitnodiging slechts gedeeltelijk toewees, stelde Jumbocarry beroep in bij de rechtbank Noord-Holland (Nederland). Nadat die rechtbank dat beroep gegrond had verklaard en het gerechtshof Amsterdam (Nederland) die beslissing van de rechtbank bij arrest van 27 februari 2018 had bevestigd, heeft de Staatssecretaris van Financiën cassatieberoep ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden.

17      De verwijzende rechter heeft twijfels over de werking in de tijd van de invoering van artikel 22, lid 6, junctis artikel 29 en artikel 104, lid 2, van het douanewetboek van de Unie, en van artikel 124, lid 1, onder a), juncto artikel 103, lid 3, van datzelfde wetboek, en vraagt zich met name af of het hoofdgeding binnen de werkingssfeer van deze bepalingen valt.

18      Dienaangaande merkt hij op dat voornoemde bepalingen, die met name voorzien in de opschorting van de verjaringstermijn in geval van mededeling van gronden, niet van kracht waren ten tijde van het ontstaan van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde douaneschuld. Hij voegt daaraan toe dat de destijds geldende, aan het communautair douanewetboek ontleende rechtsregeling niet in een dergelijke opschorting voorzag. Het feit dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde douaneschuld op de datum waarop de nieuwe rechtsregeling van toepassing werd, te weten 1 mei 2016, nog niet was verjaard, zou voor de beantwoording van deze vragen relevant kunnen blijken. De toepassing van deze nieuwe regeling in het hoofdgeding zou evenwel kunnen indruisen tegen de beginselen van rechtszekerheid en bescherming van het gewettigd vertrouwen.

19      Volgens de verwijzende rechter is uit de rechtspraak van het Hof niet zonder redelijke twijfel af te leiden of een bepaling die, zoals artikel 103, lid 3, van het douanewetboek van de Unie, voorziet in de opschorting van een verjaringstermijn, als een materiële regel dan wel als een procedurele regel moet worden aangemerkt. Voor het geval dat het om een materiële regel zou gaan, is deze rechter van oordeel dat artikel 221, lid 3, van het communautair douanewetboek van toepassing blijft op een douaneschuld die vóór 1 mei 2016 is ontstaan, zodat een dergelijke schuld verjaart na het verstrijken van een termijn van drie jaar vanaf het ontstaan ervan.

20      Voorts zou kunnen worden betoogd dat de toepassing van artikel 22, lid 6, van het douanewetboek van de Unie op invorderingsprocedures die op of na 1 mei 2016 zijn ingeleid, losstaat van de regels inzake de verjaring van de douaneschuld. Hoewel de douaneautoriteiten sinds 1 mei 2016 verplicht zijn om in alle invorderingsgevallen artikel 22, lid 6, van dat wetboek na te leven, hoeft dit er volgens deze zienswijze niet noodzakelijkerwijs toe te leiden dat artikel 103, lid 3, onder b), van het douanewetboek van de Unie in alle gevallen van toepassing is. In casu zou hieruit volgen dat, aangezien de douaneautoriteiten artikel 22, lid 6, van dat wetboek moesten naleven en artikel 103, lid 3, van dat wetboek niet van toepassing was, de bevoegde douaneautoriteit de douaneschuld op 18 juli 2016 niet meer kon meedelen.

21      Anderzijds zou volgens de verwijzende rechter ook kunnen worden geargumenteerd dat met de invoering van artikel 103, lid 3, van het douanewetboek van de Unie werd beoogd artikel 22, lid 6, artikel 103, lid 3, onder b), artikel 104, lid 2, en artikel 124, lid 1, onder a), van dat wetboek, gelet op hun onderlinge samenhang, op dezelfde datum van toepassing te doen worden, namelijk op 1 mei 2016. Dan hadden de douaneautoriteiten dus op grond van artikel 104, lid 2, van dat douanewetboek vanaf die datum bij het boeken van met een douaneschuld overeenkomende bedragen, artikel 103 van dat wetboek moeten toepassen.

22      Daarop heeft de Hoge Raad der Nederlanden de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

„1)      Zijn artikel 103, lid 3, aanhef en letter b, en artikel 124, lid 1, aanhef en letter a, van het DWU van toepassing op een douaneschuld die voor 1 mei 2016 is ontstaan en waarvan de verjaringstermijn op die datum nog niet is geëxpireerd?

2)      Indien het antwoord op de eerste vraag bevestigend is, staat het rechtszekerheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel dan in de weg aan deze toepassing?”

 Beantwoording van de prejudiciële vragen

23      Met zijn twee vragen, die samen dienen te worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter dus te vernemen of artikel 103, lid 3, onder b), en artikel 124, lid 1, onder a), van het douanewetboek van de Unie, gelezen in het licht van de beginselen van rechtszekerheid en bescherming van het gewettigd vertrouwen, aldus moeten worden uitgelegd dat zij van toepassing zijn op een douaneschuld die vóór 1 mei 2016 is ontstaan en op die datum nog niet is verjaard.

24      Om te beginnen blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde douaneschuld is ontstaan op 4 juli 2013, de datum waarop Jumbocarry met het oog op het in het vrije verkeer brengen van een partij goederen een certificaat van oorsprong heeft overgelegd dat naderhand een vervalsing bleek te zijn.

25      In dit verband heeft de bevoegde douaneautoriteit, op grond van artikel 22, lid 6, juncto artikel 29 van het douanewetboek van de Unie, Jumbocarry allereerst meegedeeld op welke gronden zij voornemens was haar een uitnodiging tot betaling te doen toekomen, en haar in de gelegenheid gesteld om binnen de in artikel 8 van gedelegeerde verordening 2015/2446 gestelde termijn van dertig dagen haar standpunt kenbaar te maken. Deze mededeling vond plaats op 1 juni 2016, dat wil zeggen na de intrekking van het communautair douanewetboek door het douanewetboek van de Unie op 1 mei 2016, maar in elk geval vóór het verstrijken, op 4 juli 2016, van de in artikel 221, lid 3, van het communautair douanewetboek vastgestelde verjaringstermijn van drie jaar.

26      Vervolgens heeft de bevoegde douaneautoriteit op 18 juli 2016 de douaneschuld meegedeeld, waarbij zij zich baseerde op het feit dat de in artikel 22, lid 6, van het douanewetboek van de Unie bedoelde mededeling overeenkomstig artikel 103, lid 3, onder b), van dat wetboek tot gevolg had dat de verjaringstermijn van drie jaar werd opgeschort tot het verstrijken van de termijn waarover Jumbocarry beschikte om haar standpunt kenbaar te maken.

27      De verwijzende rechter vraagt zich af of artikel 103, lid 3, onder b), van het douanewetboek van de Unie in casu moest worden toegepast, en zo ja, of de opschorting van de verjaringstermijn in overeenstemming was met de beginselen van rechtszekerheid en bescherming van het gewettigd vertrouwen, aangezien het communautair douanewetboek, dat ten tijde van het ontstaan van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde douaneschuld van kracht was, niet voorzag in een dergelijke opschorting van de verjaringstermijn.

28      Dienaangaande zij er om te beginnen aan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak de procedureregels in het algemeen worden geacht te gelden vanaf de dag waarop zij in werking treden, in tegenstelling tot de materiële regels, die doorgaans aldus worden uitgelegd dat zij op rechtsposities die vóór hun inwerkingtreding zijn verworven, slechts van toepassing zijn voor zover uit hun bewoordingen, doelstelling of opzet blijkt dat er dergelijke gevolgen aan dienen te worden toegekend (arrest van 7 november 2018, O’Brien, C‑432/17, EU:C:2018:879, punt 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

29      Hieraan moet worden toegevoegd dat een nieuwe rechtsregel van toepassing is vanaf de inwerkingtreding van de handeling waarbij hij is ingevoerd, en dat een dergelijke regel weliswaar niet van toepassing is op rechtsposities die zijn ontstaan en definitief zijn verworven vóór die inwerkingtreding, maar wel onmiddellijk van toepassing is op de toekomstige gevolgen van een onder vigeur van de oude wettelijke regeling ontstane situatie en op nieuwe rechtsposities. Dit ligt – onder voorbehoud van het beginsel dat rechtshandelingen geen terugwerkende kracht hebben – alleen anders wanneer de nieuwe regel gepaard gaat met bijzondere bepalingen die specifiek de voorwaarden voor de toepassing ervan in de tijd vastleggen (arrest van 7 november 2018, O’Brien, C‑432/17, EU:C:2018:879, punt 27 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

30      Wat ten eerste de thans in artikel 29 van het douanewetboek van de Unie juncto artikel 22, lid 6, van dit wetboek neergelegde verplichting tot voorafgaande mededeling betreft, moet worden vastgesteld dat het hierbij gaat om een procedureregel ter uitvoering van het recht van de betrokkene om te worden gehoord voordat een voor hem ongunstige beschikking wordt gegeven.

31      Volgens vaste rechtspraak vormt de eerbiediging van de rechten van de verdediging namelijk een fundamenteel beginsel van het Unierecht waarvan het recht om in elke procedure te worden gehoord integraal deel uitmaakt. Dat beginsel, dat van toepassing is wanneer de administratieve overheid voornemens is een bezwarend besluit ten opzichte van een bepaalde persoon vast te stellen, vereist dat de adressaten van besluiten die hun belangen aanmerkelijk raken, in staat worden gesteld naar behoren hun standpunt kenbaar te maken over de elementen waarop de administratieve overheid haar besluit wil baseren (arrest van 20 december 2017, Prequ’ Italia, C‑276/16, EU:C:2017:1010, punten 45 en 46 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

32      Bovendien heeft het Hof reeds geoordeeld dat de bepaling van de wijze waarop de mededeling aan de schuldenaar van het bedrag van de rechten met het oog op de stuiting van de verjaring plaatsvindt, een procedurevoorschrift vormt (zie in die zin arrest van 10 juli 2019, CEVA Freight Holland, C‑249/18, EU:C:2019:587, punt 46).

33      Derhalve moet worden aangenomen dat de bevoegde autoriteiten van de lidstaten vanaf 1 mei 2016, de datum waarop artikel 22, lid 6, en artikel 29 van het douanewetboek van de Unie van toepassing zijn geworden, moesten voldoen aan de in die bepalingen neergelegde verplichting tot voorafgaande mededeling, zoals in het hoofdgeding het geval was.

34      Wat ten tweede de opschorting betreft van de verjaringstermijn van drie jaar die is neergelegd in artikel 103, lid 3, onder b), van het douanewetboek van de Unie, zij eraan herinnerd dat deze bepaling tot gevolg heeft dat, in geval van mededeling van gronden overeenkomstig artikel 22, lid 6, van dat wetboek, de verjaringstermijn wordt verlengd met de periode waarbinnen de schuldenaar in de gelegenheid wordt gesteld zijn standpunt kenbaar te maken, welke periode overeenkomstig artikel 8, lid 1, van gedelegeerde verordening 2015/2446 dertig dagen bedraagt.

35      Dienaangaande zij eraan herinnerd dat het Hof heeft vastgesteld dat artikel 221, lid 3, van het communautair douanewetboek, voor zover het bepaalt dat een douaneschuld verjaart bij het verstrijken van de in deze bepaling gestelde termijn van drie jaar, een materiële regel bevat (zie in die zin arrest van 23 februari 2006, Molenbergnatie, C‑201/04, EU:C:2006:136, punt 41). Deze vaststelling geldt ook voor artikel 103, lid 1, van het douanewetboek van de Unie, aangezien de bewoordingen en de strekking van deze bepaling in wezen identiek zijn aan die van de eerstgenoemde bepaling. Ook artikel 103, lid 3, onder b), van voornoemd wetboek, dat bepaalt dat indien de in artikel 22, lid 6, van het wetboek bedoelde mededeling van gronden heeft plaatsgevonden de verjaringstermijn voor douaneschulden wordt opgeschort, moet dus worden geacht een materiële regel te bevatten.

36      Bijgevolg kan, zoals blijkt uit de in de punten 28 en 29 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak, artikel 103, lid 3, onder b), van het douanewetboek van de Unie niet worden toegepast op rechtsposities die onder vigeur van het communautair douanewetboek zijn ontstaan en definitief zijn verworven, tenzij uit de bewoordingen, het doel of de opzet van het douanewetboek van de Unie duidelijk blijkt dat het de bedoeling was dat deze bepaling onmiddellijk op dergelijke situaties van toepassing zou zijn.

37      In casu blijkt uit punt 25 van het onderhavige arrest dat op de datum waarop artikel 103, lid 3, onder b), van het douanewetboek van de Unie van toepassing is geworden, te weten 1 mei 2016, de in het hoofdgeding aan de orde zijnde douaneschuld nog niet was verjaard of tenietgegaan.

38      Geconcludeerd moet dus worden dat de rechtspositie van Jumbocarry met betrekking tot de verjaring van haar douaneschuld op die datum nog niet definitief was verworven, niettegenstaande het feit dat die schuld was ontstaan onder vigeur van het communautair douanewetboek.

39      Bijgevolg kon artikel 103, lid 3, onder b), van het douanewetboek van de Unie worden toegepast op de toekomstige gevolgen van de situatie van Jumbocarry, bestaande in de verjaring en het tenietgaan van haar douaneschuld.

40      Wat voorts de samenhang betreft tussen enerzijds artikel 22, lid 6, juncto artikel 29, en anderzijds artikel 103, lid 3, van het douanewetboek van de Unie, moet nog worden opgemerkt dat deze formele en materiële regels een onlosmakelijk geheel vormen waarvan de afzonderlijke bestanddelen niet los van elkaar kunnen worden gezien wat hun toepassing in de tijd betreft. Het is immers van belang om te komen tot een consistente en uniforme toepassing van de douanewetgeving van de Unie (zie naar analogie arrest van 26 maart 2015, Commissie/Moravia Gas Storage, C‑596/13 P, EU:C:2015:203, punt 36 en aangehaalde rechtspraak).

41      In dit verband was het de bedoeling van de Uniewetgever om met artikel 22, lid 6, van het douanewetboek van de Unie juncto artikel 29 van dit wetboek de verplichting in te voeren om vooraf mededeling te doen, en tegelijkertijd met artikel 103, lid 3, onder b), van dit wetboek te voorzien in de opschorting van de verjaringstermijn als gevolg van deze mededeling.

42      Zoals het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie in wezen betogen, was de gelijktijdige toepassing van deze bepalingen immers bedoeld om twee doelstellingen met elkaar in evenwicht te brengen, namelijk enerzijds de bescherming van de financiële belangen van de Unie en anderzijds de bescherming van de rechten van verdediging van de schuldenaar.

43      Zo blijkt uit het verslag over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (Commissie interne markt en consumentenbescherming van het Europees Parlement, zittingsdocument van 26 februari 2013, A7‑0006/2013, blz. 46, amendement nr. 62), dat aan de basis lag van het douanewetboek van de Unie, dat artikel 103, lid 3, onder b), van dit wetboek is toegevoegd na een amendement van het Parlement, waarin werd gepreciseerd dat „[d]eze aanpassing [...] nodig [was] ter bescherming van de financiële belangen bij zowel de traditionele eigen middelen als de nationale middelen, wanneer de invordering daarvan op het spel staat”. In het document werd er met name op gewezen dat een dergelijke „situatie zich kan voordoen wanneer de procedure betreffende het recht om te worden gehoord zeer dicht bij de uiterste datum voor de kennisgeving van een douaneschuld moet worden uitgevoerd”.

44      Het is dus duidelijk dat de Uniewetgever met de vaststelling van de in artikel 103, lid 3, onder b), van het douanewetboek van de Unie bedoelde opschortingsregel met name situaties als die in het hoofdgeding op het oog had.

45      Bovendien staat vast dat die bepaling niet gepaard gaat met enigerlei specifieke bepaling die anderszins de voorwaarden voor toepassing ervan in de tijd vastlegt, in de zin van de in punt 29 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak.

46      Wat, tot slot, het rechtszekerheidsbeginsel betreft, heeft het Hof reeds gepreciseerd dat het de lidstaten in beginsel vrijstaat om de verjaringstermijnen te verlengen op grond dat de betrokken feiten nooit zijn verjaard (zie in die zin arrest van 2 maart 2017, Glencore Céréales France, C‑584/15, EU:C:2017:160, punt 73 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

47      Derhalve kan niet worden geoordeeld dat de toepassing van een regel tot opschorting van de verjaring van een douaneschuld als die van artikel 103, lid 3, onder b), van het douanewetboek van de Unie, samen met de procedureregels van artikel 22, lid 6, juncto artikel 29 van dit wetboek, in strijd is met de beginselen van rechtszekerheid en van bescherming van het gewettigd vertrouwen.

48      Volgens vaste rechtspraak van het Hof vereist het rechtszekerheidsbeginsel, waarvan het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen het rechtstreekse uitvloeisel is, dat rechtsregels duidelijk en nauwkeurig zijn, alsook dat hun toepassing voorzienbaar is voor de justitiabelen, in het bijzonder wanneer die regels nadelige gevolgen kunnen hebben voor particulieren en ondernemingen. Dit beginsel vereist met name dat een regeling de belanghebbenden in staat stelt de omvang van de verplichtingen die zij hun oplegt, nauwkeurig te kennen, en dat deze laatsten ondubbelzinnig hun rechten en verplichtingen kunnen kennen en dienovereenkomstig hun voorzieningen kunnen treffen [arrest van 15 april 2021, Federazione nazionale delle imprese elettrotecniche ed elettroniche (Anie) e.a., C‑798/18 en C‑799/18, EU:C:2021:280, punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

49      Zoals de advocaat-generaal in punt 91 van zijn conclusie heeft opgemerkt, heeft de uitdrukkelijke invoering van een regel tot opschorting van de verjaringstermijn op grond van artikel 103, lid 3, onder b), van het douanewetboek van de Unie feitelijk geen verandering met zich meegebracht ten opzichte van de eraan voorafgaande wettelijke situatie, maar is zij eerder ingegeven door de noodzaak om zekerheid te bieden met betrekking tot een op de bestuurlijke instanties rustende verplichting die volgens de in punt 31 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak van het Hof reeds bestond onder vigeur van het communautair douanewetboek.

50      Hoe dan ook brengen, zoals de advocaat-generaal in punt 88 van zijn conclusie heeft uiteengezet, de door de verwijzende rechter aangehaalde beginselen van rechtszekerheid en bescherming van het gewettigd vertrouwen, geen verplichting met zich mee om de rechtsorde ongewijzigd te laten in de tijd. De marktdeelnemers mogen niet vertrouwen op de handhaving van een bestaande situatie die de instellingen van de Unie in het kader van hun beoordelingsbevoegdheid kunnen wijzigen (arrest van 26 juni 2012, Polen/Commissie, C‑335/09 P, EU:C:2012:385, punt 180 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

51      Gelet op het voorgaande moet op de gestelde vragen worden geantwoord dat artikel 103, lid 3, onder b), en artikel 124, lid 1, onder a), van het douanewetboek van de Unie, gelezen in het licht van de beginselen van rechtszekerheid en bescherming van het gewettigd vertrouwen, aldus moeten worden uitgelegd dat zij van toepassing zijn op een douaneschuld die vóór 1 mei 2016 is ontstaan en op die datum nog niet is verjaard.

 Kosten

52      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Vijfde kamer) verklaart voor recht:

Artikel 103, lid 3, onder b), en artikel 124, lid 1, onder a), van verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie, moeten, gelezen in het licht van de beginselen van rechtszekerheid en bescherming van het gewettigd vertrouwen, aldus worden uitgelegd dat zij van toepassing zijn op een douaneschuld die vóór 1 mei 2016 is ontstaan en op die datum nog niet is verjaard.

Regan

Ilešič

Juhász

Lycourgos

 

Jarukaitis

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 3 juni 2021.

De griffier

 

De president van de Vijfde kamer

A. Calot Escobar

 

E. Regan


*      Procestaal: Nederlands.