ARREST VAN HET GERECHT VOOR AMBTENARENZAKEN

(Tweede kamer)

4 september 2008

Zaak F‑103/07

Radu Duta

tegen

Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen

„Openbare dienst – Tijdelijk functionarissen – Aanwerving – Referendaris – Artikel 2, sub c, RAP – Bezwarend besluit – Vertrouwensband”

Betreft: Beroep, ingesteld krachtens artikel 236 EG en artikel 152 EA en strekkende tot nietigverklaring van het memorandum van 24 januari 2007 waarbij verzoeker ervan op de hoogste is gesteld dat hij niet zou worden voorgedragen voor het ambt van referendaris en, voor zover nodig, van het besluit van de voor klachten bevoegde commissie van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen van 4 juni 2007 houdende afwijzing van verzoekers klacht alsmede, voor zover nodig, terugzending van zijn sollicitatie aan het bevoegde gezag voor heronderzoek en veroordeling van het Hof van Justitie tot betaling van een schadevergoeding van 1 100 000 EUR.

Beslissing: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard. Elke partij zal haar eigen kosten dragen.

Samenvatting

Ambtenaren – Beroep – Bezwarend besluit – Begrip

(Ambtenarenstatuut, art. 90 en 91; regeling andere personeelsleden, art. 2, sub c)

Alleen handelingen die bindende rechtsgevolgen in het leven roepen, welke de belangen van de betrokkenen rechtstreeks en individueel kunnen aantasten doordat zij hun rechtspositie aanmerkelijk wijzigen, kunnen als bezwarend worden aangemerkt. In die zin leidt elke formele procedure voor de benoeming of aanstelling in een ambt dat onder het Statuut of onder de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden valt, tot de vaststelling van een besluit dat een aanmerkelijke wijziging meebrengt van de rechtspositie van de persoon die na de opening van die procedure heeft gesolliciteerd, of het nu gaat om het benoemings‑ of aanstellingsbesluit dat het tot aanstelling bevoegd gezag of het tot het aangaan van aanstellingsovereenkomsten van een tijdelijk functionaris bevoegd gezag jegens hem neemt, dan wel om een besluit houdende afwijzing van zijn sollicitatie door het ene of het andere gezag of door een van de bij de aanwervingsprocedure betrokken organen.

Wat de aanstelling van referendarissen bij een gemeenschapsrechter betreft is er echter, bij gebreke van de formele opening van een aanwervingsprocedure, geen andere kandidaat dan die welke door het betrokken lid van het Hof is voorgedragen. Een spontane sollicitatie naar een dergelijk ambt behoudt noodzakelijkerwijs een informeel karakter en kan niet leiden tot een afwijzend juridisch besluit, zodat de afwijzing van die sollicitatie geen bezwarend besluit vormt. In het algemeen leidt de aanstelling van een referendaris immers niet tot de officiële opening van een aanwervingsprocedure, maar geschiedt dit uitsluitend op voorstel van één naam door het betrokken lid van het Hof en door de aanvaarding of de afwijzing van die naam door het Hof. Aangezien voor de bevoegdheid tot het doen van een voorstel geen wettelijke regels gelden, kan het betrokken lid vrijelijk de persoon kiezen die hij wil voorstellen volgens de methode die hij geschikt acht. Het ontbreken van de systematische organisatie van een officiële aanwervingsprocedure voor deze categorie tijdelijke personeelsleden bij een gemeenschapsrechter vloeit voort uit het bestaan van een vertrouwensband tussen de betrokkenen en de leden van de rechterlijke instantie waarbij zij zijn tewerkgesteld. De aanwerving van referendarissen geschiedt immers intuitu personae, daar de betrokkenen zowel wegens hun beroeps‑ en morele kwaliteiten worden gekozen alsook wegens hun geschiktheid om zich aan te passen aan de werkmethodes van het betrokken lid en die van zijn gehele kabinet.

(cf. punten 25, 26 en 29‑31)

Referentie:

Hof: 3 december 1992, Moat/Commissie, C‑32/92 P, Jurispr. blz. I‑6379, punt 9; 10 januari 2006, Commissie/Alvarez Moreno, C‑373/04 P, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 42; 11 juli 2006, Commissie/Cresson, C‑432/04, Jurispr. blz. I‑6387, punt 130

Gerecht van eerste aanleg: 17 oktober 2006, Bonnet/Hof van Justitie, T‑406/04, JurAmbt. blz. I‑A‑2‑213 en II‑A‑2‑1097, punten 31‑33