Voorlopige editie

ARREST VAN HET GERECHT (Vierde kamer – uitgebreid)

23 maart 2022(*)

„Openbare dienst – Ambtenaren – Tuchtmaatregel – Berisping – Artikel 21 bis van het Statuut – Onjuiste beoordeling”

In zaak T‑757/20,

OT, vertegenwoordigd door C. Bernard-Glanz en S. Rodrigues, advocaten,

verzoekster,

tegen

Europees Parlement, vertegenwoordigd door I. Lázaro Betancor en M. Windisch als gemachtigden,

verweerder,

betreffende een verzoek krachtens artikel 270 VWEU strekkende tot nietigverklaring van het besluit van het Parlement van 19 december 2019 waarbij verzoekster een berisping heeft gekregen,

wijst

HET GERECHT (Vierde kamer – uitgebreid),

samengesteld als volgt: S. Gervasoni, president, L. Madise, P. Nihoul (rapporteur), R. Frendo en J. Martín y Pérez de Nanclares, rechters,

griffier: H. Eriksson, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 26 november 2021,

het navolgende

Arrest

I.      Voorgeschiedenis van het geding

1        Het geschil betreft verzoekster, OT, ambtenaar van het Europees Parlement, die door deze instelling is berispt omdat zij gedurende haar aanstelling als tijdelijk functionaris bij het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken (EASO) twee nota’s heeft ondertekend waarin zij de toepassing toestond van de onderhandelingsprocedure zonder voorafgaande bekendmaking.

A.      EASO

2        Het EASO, gevestigd te Valletta (Malta), is in het leven geroepen bij verordening (EU) nr. 439/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 19 mei 2010 tot oprichting van een Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken (PB 2010, L 132, blz. 11), om bij te dragen aan het opzetten van het gemeenschappelijk Europees asielstelsel (CEAS), de praktische samenwerking tussen de lidstaten op asielgebied te ondersteunen en operationele steun te verlenen aan lidstaten waarvan de asielstelsels en opvangvoorzieningen onder bijzondere druk staan, of de verlening ervan te coördineren. Sinds 2015 verleent het EASO met name steun aan Griekenland in de context van de migratiecrisis.

3        Ten tijde van de feiten was het EASO verdeeld in drie afdelingen: de afdeling „Ondersteuning asielzaken” (DAS), de afdeling „Operaties” (DOP) en de afdeling „Administratie” (DOA). Deze laatste omvatte een sectie „Financiën” en een sectie „Overheidsopdrachten”.

B.      Positie van verzoekster binnen het EASO

4        Van april tot oktober 2016 was verzoekster, die sinds 2004 ambtenaar is bij het Parlement, in het belang van de dienst gedetacheerd bij het EASO.

5        Op 1 november 2016 ging zij bij het Parlement met verlof om redenen van persoonlijke aard en werd zij door het EASO als tijdelijk functionaris aangesteld als hoofd van de afdeling „Ondersteuning asielzaken”.

6        Vanaf mei 2017 werd verzoekster, samen met het hoofd van de afdeling „Administratie”, ook belast met de dagelijkse leiding van de afdeling „Operaties”, waarvan het hoofd, A, wegens ziekte afwezig was.

7        Op 16 juli 2017 werd verzoekster, terwijl zij hoofd van de afdeling „Ondersteuning asielzaken” bleef, ad interim aangesteld als hoofd van de afdeling „Operaties” en bleef dat tot haar vertrek op 31 juli 2018.

8        Op 1 september 2018 heeft verzoekster haar werkzaamheden bij het Parlement hervat.

C.      Litigieuze nota’s

9        In oktober 2016 heeft het EASO, in overleg met de Griekse autoriteiten, besloten om de samen met de Griekse asieldienst beheerde opvang- en identificatiecentra buiten de vluchtelingenkampen (hotspots) van Moria (Lesbos, Griekenland) en Vial (Chios, Griekenland) te plaatsen.

10      Op 22 februari 2017 heeft A een „uitzonderingsnota” ondertekend, waaruit bleek dat met betrekking tot het gebouw dat bestemd was om de diensten van het EASO te huisvesten, voor een periode van drie jaar een huurovereenkomst zou worden gesloten met een vennootschap die ook herstel- en bouwwerkzaamheden zou uitvoeren. De kosten van de operatie, inclusief onderhoud, werden geraamd op 351 120 EUR.

11      In punt 1 van de genoemde nota werd uitgelegd dat er rellen en stakingen waren uitgebroken in de vluchtelingenkampen, waardoor er veiligheidsproblemen ontstonden voor de mensen die daar werkten en die leidden tot de onderbreking van de activiteiten die daar plaatsvonden, en dat bijgevolg verschillende lidstaten hadden verzocht om de deskundigen buiten deze kampen onder te brengen omdat zij anders zouden worden teruggeroepen. De Griekse regering heeft zich bij dit verzoek aangesloten.

12      In punt 2 van de nota werd onder andere het volgende opgemerkt:

„Vanwege tijdgebrek wordt het noodzakelijk geacht om door te gaan met de ondertekening van het contract zonder de geëigende aanbestedingsprocedure te volgen.”

13      Op 11 mei 2017 heeft verzoekster, als hoofd van de afdeling „Ondersteuning asielzaken”, een eerste wijziging ondertekend van die nota (hierna: „nota van 11 mei 2017”) voor de huur, gedurende vier jaar, van dezelfde gebouwen en het uitvoeren van bijkomende werkzaamheden, waaronder de bouw van twaalf extra werkruimten. De kosten van de operatie werden dit keer geraamd op 655 609,85 EUR.

14      De keuze van de procedure werd op dezelfde manier gemotiveerd als in de nota van A van 22 februari 2017.

15      Op 11 juni 2017 heeft verzoekster, als interim-hoofd van de afdeling „Operaties”, bovendien een nota (hierna: „nota van 11 juni 2017”) ondertekend voor de verhuur, gedurende vier jaar, van een gebouw aan een vennootschap op het eiland Chios en voor het uitvoeren van werkzaamheden in dit gebouw. Het bedrag van de operatie werd geraamd op 1 040 609,85 EUR.

16      De situatie die deze nota rechtvaardigde werd beschreven in dezelfde bewoordingen als die van de nota’s van 22 februari en 11 mei 2017.

17      In punt 2 ervan vermeldde de nota van 11 juni 2017 dat in samenwerking met de Griekse autoriteiten zes gebouwen waren geselecteerd, maar dat het gekozen gebouw als het meest geschikt werd beschouwd, met name vanwege de ligging en de omvang ervan.

18      De nota van 11 juni 2017 voegde in punt 4 ervan het volgende toe:

„Vanwege tijdgebrek en de urgentie van het probleem wordt het noodzakelijk geacht om door te gaan met de ondertekening van het contract zonder de geëigende aanbestedingsprocedure te volgen.

De directe sluiting van het contract voor de gebouwen is bepaald door een aantal factoren, zoals veiligheidsoverwegingen, de noodzaak om de continuïteit van de activiteiten te waarborgen, de locatie van de bestaande gebouwen op het eiland Chios, de acceptatie door de lokale samenleving en vooral het verzoek van de Griekse autoriteiten. Deze vereisten hebben het gebruik van de onderhandse aanbesteding van de hieruit resulterende huurovereenkomst bepaald.”

19      De huurovereenkomsten voor de gebouwen op de eilanden Lesbos en Chios werden op respectievelijk 16 juni en 10 augustus 2017 getekend.

D.      Onderzoek door OLAF

20      Op 6 juni 2017 heeft het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) een onderzoek ingeleid tegen de uitvoerend directeur van het EASO in verband met de niet-naleving van de regels voor overheidsopdrachten, wervingsprocedures, gegevensbeschermingsregels en het verbod van psychisch geweld.

21      Bij brief van 5 december 2017 werd verzoekster ervan in kennis gesteld dat het onderzoek van OLAF was uitgebreid tot andere personen, waaronder zijzelf.

22      Op 19 februari 2018 is verzoekster door OLAF gehoord overeenkomstig artikel 9, lid 2, van verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 september 2013 betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad en verordening (Euratom) nr. 1074/1999 van de Raad (PB 2013, L 248, blz. 1).

23      Op 27 juli 2018 is verzoekster uitgenodigd om, overeenkomstig artikel 9, lid 4, van verordening nr. 883/2013, haar oordeel te geven over de samenvatting van de door OLAF verzamelde feiten, wat zij in een schrijven van 17 augustus 2018 heeft gedaan.

24      Bij brief van 28 november 2018 heeft OLAF, overeenkomstig artikel 11, leden 1 en 4, van verordening nr. 883/2013, de secretaris-generaal van het Parlement een aanbeveling doen toekomen om een tuchtprocedure in te leiden tegen, onder andere, verzoekster wegens niet‑nakoming van de verplichtingen bedoeld in de artikelen 21 en 21 bis van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie (hierna: „Statuut”).

25      Uit de samenvatting van de feiten van OLAF, die op 27 juli 2018 aan verzoekster is toegezonden, blijkt dat haar met name werd verweten een rol te hebben gespeeld in procedures die niet in overeenstemming waren met de regels inzake overheidsopdrachten, aangezien, om te beginnen, gebruik was gemaakt van uitzonderlijke spoedprocedures terwijl tussen het besluit om de betrokken gebouwen te huren en het sluiten van de overeenkomsten een periode van acht respectievelijk tien maanden was verstreken, en, voorts, geen adequaat marktonderzoek had plaatsgevonden.

26      OLAF heeft voorts opgemerkt dat de geraamde kosten voor het gebouw op het eiland Lesbos in augustus 2017 811 478 EUR bedroegen, terwijl het voorlopig budget in februari 2017 351 120 EUR bedroeg en dat er voor het gebouw op het eiland Chios sprake was geweest van een ongerechtvaardigde uitgave van ten minste 85 000 EUR.

E.      Tuchtprocedure

27      Bij brief van 4 februari 2019 heeft de secretaris-generaal van het Parlement verzoekster meegedeeld dat hij overeenkomstig de artikelen 1 en 2 van bijlage IX bij het Statuut en artikel 2 van de algemene uitvoeringsvoorschriften betreffende het voeren van administratieve onderzoeken en tuchtprocedures van 18 mei 2004 (hierna: „algemene uitvoeringsvoorschriften”), had besloten een administratief onderzoek tegen haar in te leiden, wegens, in voorkomend geval, niet-nakoming van de haar bij artikel 21 bis van het Statuut opgelegde verplichting tot melding van onregelmatigheden en ernstige fouten tijdens de periode waarin zij bij het EASO was aangesteld.

28      Op 7 maart 2019 is verzoekster gehoord door de personen die door de secretaris-generaal van het Parlement waren aangesteld om het administratief onderzoek te verrichten.

29      Op 29 maart 2019 heeft verzoekster aan de onderzoekers aanvullende mededelingen verstrekt bij haar verklaringen van 7 maart 2019.

30      Op 7 juni 2019 hebben de onderzoekers van het Parlement, overeenkomstig artikel 2, lid 3, van de algemene uitvoeringsvoorschriften, het eindrapport van het administratief onderzoek opgesteld waarin zij van oordeel waren dat verzoekster artikel 21 bis van het Statuut niet was nagekomen door haar hiërarchieke meerdere of de bevoegde autoriteiten niet in kennis te stellen van de niet‑naleving van de financiële regels bij de ondertekening van de twee overeenkomsten met betrekking tot de gebouwen op de eilanden Lesbos en Chios. De niet-naleving van de financiële regels was tweeledig: om te beginnen was, „gezien de tijd waarover het Bureau beschikte, het gebruik van de uitzonderingsprocedures niet strikt vereist waardoor het een normale procedure had kunnen volgen”, en voorts had „er geen echt onderzoek van de plaatselijke markt plaatsgevonden, wat tot twijfelachtige keuzen [had] geleid”. De onderzoekers waren ook van mening dat verzoekster als ervaren ambtenaar en juriste wist of had moeten weten dat de financiële regels niet waren nageleefd.

31      Bij brief van 18 juni 2019 heeft het Parlement, overeenkomstig artikel 2, lid 2, van bijlage IX bij het Statuut en artikel 2, lid 3, van de algemene uitvoeringsvoorschriften, dat rapport aan verzoekster toegezonden en haar meegedeeld dat de secretaris-generaal van het Parlement had besloten over te gaan tot de hoorzitting voorafgaand aan een eventuele tuchtprocedure, in overeenstemming met artikel 3, lid 1, van bijlage IX bij het Statuut en artikel 3 van de algemene uitvoeringsvoorschriften.

32      Bij e-mail van 9 juli 2019 heeft verzoekster haar opmerkingen over het onderzoeksrapport meegedeeld.

33      Op 10 juli 2019 is verzoekster overeenkomstig artikel 3, lid 1, van bijlage IX bij het Statuut en artikel 3 van de algemene uitvoeringsvoorschriften gehoord door de directeur-generaal Personeelszaken.

34      Bij brief van 8 november 2019 heeft de secretaris-generaal van het Parlement verzoekster meegedeeld dat hij had besloten de zaak niet aan de tuchtraad voor te leggen, aangezien „er reden was om rekening te houden met zowel de bijzonder moeilijke omstandigheden waarin [zij haar] functies [had] uitgeoefend in de context van een humanitaire crisis op de Griekse eilanden, hetgeen onmiddellijk optreden op operationeel niveau impliceerde, als het feit dat er pas aan het einde van de twee betrokken procedures sprake was van haar bemoeienis, respectievelijk één en twee maanden voor het einde ervan”. Hij heeft haar voorts meegedeeld dat hij niettemin van plan was haar een berisping te geven omdat zij de niet‑nakoming van het Financieel Reglement niet aan haar hiërarchieke meerdere of aan de bevoegde autoriteiten had gemeld en dus niet had voldaan aan de verplichtingen die voortvloeien uit artikel 21 bis van het Statuut. Bijgevolg werd zij door hem uitgenodigd om overeenkomstig artikel 11 van bijlage IX bij het Statuut eventuele opmerkingen in te dienen.

35      Bij e-mail van 22 november 2019 heeft verzoekster haar opmerkingen aan de secretaris-generaal van het Parlement doen toekomen.

36      Bij besluit van 19 december 2019 (hierna: „bestreden besluit”), meegedeeld bij brief van 9 januari 2020, heeft de secretaris-generaal van het Parlement verzoekster een berisping gegeven, omdat zij „in strijd met artikel 21 bis van het Statuut had verzuimd haar hiërarchieke meerdere of de bevoegde autoriteiten in kennis te stellen van situaties van niet-naleving van het Financieel Reglement”.

37      In de brief waarin dat besluit aan verzoekster is meegedeeld, staat het volgende:

„Alvorens mijn besluit vast te stellen, heb ik, naast alle elementen van het dossier, zeer zorgvuldig de elementen geanalyseerd die u mij heeft doen toekomen in uw schrijven van 22 november waarin u nadruk heeft gelegd op de specifieke context, die werd gekenmerkt door urgentie in verband met een humanitaire crisis tijdens uw missie bij het EASO. In dit verband vermeldt u met name het zeer regelmatige gebruik van uitzonderingsprocedures voor de gunning van opdrachten in deze context en het feit dat u van uw collega’s die verantwoordelijk zijn voor aanbestedingen en operaties, de verzekering hebt gekregen dat alles in overeenstemming was met de wettelijke vereisten. Ik heb ook ter kennis genomen dat uw bemoeienis met de dossiers volgens u beperkt was en dat uw werklast toen erg zwaar was.

Om deze reden heb ik besloten tot deze tuchtmaatregel, die mild is gelet op de feiten die u worden verweten, waarbij ik rekening houd met, om te beginnen, de bijzonder moeilijke omstandigheden waarin u uw taken moest uitoefenen en, voorts, het feit dat er pas op het einde van de procedure sprake was van uw bemoeienis en dat u dus niet verantwoordelijk kunt worden gehouden voor de initiële keuzes voor de gunning van opdrachten. Ten slotte heb ik kennisgenomen van uw verder onberispelijke staat van dienst voor het Europees Parlement.”

38      Op 10 april 2020 heeft verzoekster op grond van artikel 90, lid 2, van het Statuut een klacht ingediend tegen het bestreden besluit.

39      Bij besluit van 15 september 2020 (hierna: „besluit tot afwijzing van de klacht”), waarvan verzoekster op dezelfde dag in kennis is gesteld, heeft de voorzitter van het Parlement de klacht afgewezen.

40      In het besluit tot afwijzing van de klacht heeft de voorzitter van het Parlement het volgende overwogen:

„[U]it het dossier, en in het bijzonder de verklaringen van uw cliënte, blijkt dat zij de algemene instructie heeft opgevolgd die inherent is aan haar functie, te weten de verdere behandeling van de aan haar overgedragen financiële dossiers, zonder zich in deze dossiers te verdiepen, terwijl er sprake was van een stelselmatig gebruik van uitzonderingsprocedures. Daarnaast heeft uw cliënte verklaard dat zij zich door haar hiërarchieke meerdere verplicht voelde om het werk af te maken dat door haar collega’s was begonnen, dat de uitvoerend directeur sterk had aangedrongen op de uitvoering van de projecten voor september 2017 en dat hij de procedures koste wat kost wilde versnellen. Bijgevolg staat vast dat er sprake was van opdrachten in de zin van artikel 21 bis van het Statuut.

[U]w cliënte, zijnde juriste, had zich – gelet op artikel 104 van het Financieel Reglement (verordening nr. 966/2012) en artikel 134, lid 1, onder c), van de uitvoeringsvoorschriften voor het Financieel Reglement die ten tijde van de feiten van toepassing waren (verordening nr. 1268/2012) – rekenschap moeten geven van de onregelmatigheden en van de mogelijke gevolgen ervan. Als juriste werd zij geacht het beginsel te kennen dat wetteksten die uitzonderingen op algemene regels bevatten, restrictief moeten worden uitgelegd. Artikel 104 van het Financieel Reglement moet worden gelezen in samenhang met artikel 134, lid 1, onder c), van de bovengenoemde uitvoeringsvoorschriften (‚voor zover zulks strikt noodzakelijk is, ingeval dwingende spoed als gevolg van onvoorziene gebeurtenissen [...] ertoe noopt’), wat tot waakzaamheid van uw cliënte had moeten leiden, temeer omdat zij op de hoogte was van het bestaan van 36 uitzonderingsnota’s in 2016, waaruit een gebruik blijkt dat stelselmatig op gespannen voet staat met de bewoordingen van de twee bovengenoemde bepalingen.

[...]”

II.    Procedure en conclusies van partijen

41      Bij verzoekschrift, ingediend ter griffie van het Gerecht op 21 december 2020, heeft verzoekster het onderhavige beroep ingesteld.

42      Bij brief, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 21 januari 2021, heeft verzoekster verzocht om anonimiteit. Het Gerecht heeft dit verzoek bij beslissing van 4 februari 2021 ingewilligd.

43      Het verweerschrift, de repliek en de dupliek zijn ingediend op respectievelijk 24 maart, 7 mei en 21 juni 2021.

44      Op voorstel van de Vierde kamer heeft het Gerecht overeenkomstig artikel 28 van zijn Reglement voor de procesvoering besloten om de zaak naar een uitgebreide kamer te verwijzen.

45      Het Gerecht (Vierde kamer – uitgebreid) heeft op voorstel van de rechter‑rapporteur besloten om tot de mondelinge behandeling over te gaan.

46      Bij brieven van 9 augustus, 14 oktober en 10 november 2021 heeft het Gerecht (Vierde kamer), op voorstel van de rechter-rapporteur, in het kader van maatregelen tot organisatie van de procesgang als bedoeld in artikel 89 van het Reglement voor de procesvoering, het Parlement verzocht om bepaalde documenten in te dienen, en heeft het vragen aan partijen gesteld. Partijen hebben binnen de gestelde termijn op deze verzoeken gereageerd.

47      Ter terechtzitting van 26 november 2021 hebben partijen pleidooi gehouden en mondelinge vragen van het Gerecht beantwoord.

48      Verzoekster verzoekt het Gerecht:

–        het bestreden besluit en, voor zover nodig, het besluit tot afwijzing van de klacht nietig te verklaren;

–        het Parlement te verwijzen in de kosten.

49      Het Parlement verzoekt het Gerecht:

–        primair, het beroep gedeeltelijk niet-ontvankelijk en gedeeltelijk ongegrond te verklaren;

–        subsidiair, het beroep in zijn geheel ongegrond te verklaren;

–        verzoekster te verwijzen in alle kosten.

III. In rechte

A.      Voorwerp van het geding

50      Met haar eerste vordering verzoekt verzoekster om nietigverklaring van het bestreden besluit en, voor zover nodig, het besluit tot afwijzing van de klacht.

51      Volgens vaste rechtspraak hebben vorderingen tot nietigverklaring die formeel zijn gericht tegen het besluit tot afwijzing van een klacht tot gevolg dat bij het Gerecht beroep wordt ingesteld tegen de handeling waartegen de klacht is ingediend, wanneer zij als zodanig geen zelfstandige betekenis hebben (arrest van 6 april 2006, Camós Grau/Commissie, T‑309/03, EU:T:2006:110, punt 43; zie ook arrest van 13 juli 2018, Curto/Parlement, T‑275/17, EU:T:2018:479, punt 63 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

52      Aangezien het besluit tot afwijzing van de klacht in casu slechts het bestreden besluit bevestigt en de gronden ervan specificeert, moet worden vastgesteld dat de vordering tot nietigverklaring van het besluit tot afwijzing van de klacht geen zelfstandige betekenis heeft en dat daarover dus niet specifiek hoeft te worden beslist. Niettemin moet bij de toetsing van de rechtmatigheid van het bestreden besluit rekening worden gehouden met de in het besluit tot afwijzing van de klacht opgenomen motivering, omdat die motivering wordt geacht samen te vallen met die van het bestreden besluit (zie in die zin arrest van 30 april 2019, Wattiau/Parlement, T‑737/17, EU:T:2019:273, punt 43 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

53      Tot de motivering van het bestreden besluit behoren ook de overwegingen die zijn uiteengezet in de brief van 9 januari 2020, waarbij dat besluit aan verzoekster is meegedeeld. Het bestreden besluit en de begeleidende brief zijn namelijk beide afkomstig van de secretaris‑generaal van het Parlement en zijn op dezelfde dag aan verzoekster verzonden.

B.      Middelen en argumenten

54      Verzoekster voert twee middelen aan. Het eerste is ontleend aan een kennelijk onjuiste beoordeling en schending van artikel 21 bis van het Statuut en bestaat uit drie onderdelen. Het tweede middel is ontleend aan een gebrek aan motivering van het bestreden besluit wat betreft de redenen waarom zij wist of had moeten weten dat verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad (PB 2012, L 298, blz. 1; hierna: „Financieel Reglement”) en gedelegeerde verordening (EU) nr. 1268/2012 van de Commissie van 29 oktober 2012 houdende uitvoeringsvoorschriften voor verordening nr. 966/2012 (PB 2012, L 362, blz. 1; hierna: „uitvoeringsvoorschriften voor het Financieel Reglement”) waren geschonden.

1.      Meldingsplicht bedoeld in artikel 21 bis van het Statuut

55      Artikel 21 bis van het Statuut – dat verzoekster, volgens het Parlement, niet is nagekomen – bepaalt het volgende:

„1.      Wanneer een ambtenaar een opdracht krijgt die hem onregelmatig voorkomt of waarvan de uitvoering naar zijn mening ernstige gevolgen kan hebben, dient hij zijn directe chef daarvan al dan niet schriftelijk op de hoogte te brengen; wordt de mededeling schriftelijk gedaan, dan moet de directe chef schriftelijk antwoorden. Als de opdracht door de directe chef schriftelijk wordt bevestigd, en de ambtenaar van oordeel is dat daarbij niet voldoende rekening is gehouden met de redenen van zijn bezorgdheid, legt hij, onverminderd het bepaalde in lid 2, de kwestie schriftelijk voor aan de hiërarchieke meerdere van zijn chef. Als deze de opdracht schriftelijk bevestigt, is de ambtenaar verplicht ze uit te voeren, tenzij de opdracht duidelijk in strijd is met de wet of met de geldende veiligheidsvoorschriften.

2.      Als de directe chef van oordeel is dat de opdracht onmiddellijk moet worden uitgevoerd, is de ambtenaar verplicht ze uit te voeren, tenzij de opdracht duidelijk in strijd is met de wet of met de geldende veiligheidsvoorschriften. De directe chef is verplicht dit soort opdrachten schriftelijk te geven, als de ambtenaar daarom verzoekt.

3.      Een ambtenaar die zijn meerderen in kennis stelt van opdrachten die hem onregelmatig voorkwamen of waarvan de uitvoering naar zijn mening ernstige gevolgen zou kunnen hebben, mag om die reden geen nadelige gevolgen ondervinden.”

56      Lid 1 van die bepaling staat een ambtenaar die een hem onregelmatig voorkomende opdracht heeft ontvangen, om te beginnen toe om zich daaraan te onttrekken, mits de daarin beschreven procedure wordt nageleefd, en schept met betrekking tot deze ambtenaar voorts de verplichting om volgens dezelfde procedure zijn chef van deze opdracht op de hoogte te brengen.

57      Het is dit tweede aspect van artikel 21 bis van het Statuut dat in casu aan de orde is.

2.      Inhoud van tuchtrechtelijke besluiten betreffende niet-nakoming van artikel 21 bis van het Statuut

58      In herinnering moet worden gebracht dat artikel 41, lid 2, onder c), van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, artikel 296 VWEU en artikel 25, tweede alinea, van het Statuut tot doel hebben om, ten eerste, de betrokkene voldoende gegevens te verschaffen om te beoordelen of het voor hem bezwarend besluit gegrond is en, ten tweede, het rechterlijk toezicht daarop mogelijk te maken (zie arresten van 26 november 1981, Michel/Parlement, 195/80, EU:C:1981:284, punt 22, en 19 november 2014, EH/Commissie, F‑42/14, EU:F:2014:250, punt 130).

59      De vraag of een besluit waarbij een tuchtmaatregel wordt getroffen aan deze vereisten voldoet, moet niet alleen worden beoordeeld aan de hand van de bewoordingen ervan, maar ook van de context van de maatregel en van alle rechtsregels die op de betrokken materie van toepassing zijn (zie in die zin arresten van 19 mei 1999, Connolly/Commissie, T‑34/96 en T‑163/96, EU:T:1999:102, punt 93, en 21 oktober 2015, AQ/Commissie, F‑57/14, EU:F:2015:122, F‑57/14, punt 113).

60      Volgens de rechtspraak is het tot aanstelling bevoegd gezag (hierna: „TABG”) dat een tuchtrechtelijk besluit neemt niet verplicht om systematisch alle door de betrokkene tijdens de procedure aan de orde gestelde feitelijke en juridische punten te bespreken (zie in die zin arresten van 19 mei 1999, Connolly/Commissie, T‑34/96 en T‑163/96, EU:T:1999:102, punt 93, en 30 mei 2002, Onidi/Commissie, T‑197/00, EU:T:2002:135, punt 156). Anders zou de administratie namelijk zelfs verplicht zijn te reageren op argumenten van de ambtenaar die oeverloos en zonder enige relevantie zijn.

61      Daarentegen vereist de rechtspraak dat het TABG in een dergelijk besluit nauwkeurig de feiten vermeldt die de ambtenaar worden verweten, evenals de overwegingen die hem ertoe hebben gebracht de opgelegde maatregel te kiezen (arrest van 21 oktober 2015, AQ/Commissie, F‑57/14, EU:F:2015:122, punt 113).

62      Vormt de aan een ambtenaar verweten niet-nakoming een schending van artikel 21 bis van het Statuut, dan verplichten de in de punten 58 tot en met 61 hierboven in herinnering gebrachte regels het TABG om aan te geven waarin, volgens hem, de onregelmatigheid bestond van de opdracht waarvan de betrokken ambtenaar zijn hiërarchieke meerdere niet in kennis heeft gesteld, en de redenen waarom de opdracht hem onregelmatig had moeten voorkomen, zodat hij verplicht was geweest deze ter kennis te brengen. Deze elementen zijn in feite bepalend voor de niet-nakoming die de ambtenaar wordt verweten.

63      Het TABG moet in het tuchtrechtelijk besluit tevens de verzachtende en verzwarende omstandigheden vermelden die de keuze van de maatregel rechtvaardigen, zodat de rechter bij een aan hem gericht verzoek kan nagaan of deze maatregel niet kennelijk onevenredig is ten opzichte van hetgeen de betrokkene wordt verweten.

64      Zonder de in de punten 62 en 63 hierboven genoemde gegevens zou de betrokkene niet in staat zijn om zijn rechten van verdediging daadwerkelijk uit te oefenen. Bijgevolg is, wat betreft de betrokken punten, een algemene verwijzing naar de documenten van de tuchtprocedure die tal van andere elementen bevatten, niet voldoende.

3.      Eerste middel

65      Het eerste middel bestaat uit drie onderdelen, waarin verzoekster stelt dat het Parlement artikel 21 bis van het Statuut heeft geschonden en een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt door te oordelen dat zij een opdracht in de zin van die bepaling had ontvangen (eerste onderdeel), door ervan uit te gaan dat zij wist of had moeten weten dat het Financieel Reglement en zijn uitvoeringsvoorschriften waren genegeerd (tweede onderdeel) en door haar een tuchtmaatregel op te leggen (derde onderdeel).

a)      Eerste onderdeel van het eerste middel

66      Met het eerste onderdeel van het eerste middel stelt verzoekster dat het TABG van het Parlement artikel 21 bis van het Statuut heeft geschonden en een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt, op grond dat zij geen specifieke opdracht van de uitvoerend directeur van het EASO had ontvangen om de nota’s van 11 mei en 11 juni 2017 te ondertekenen (hierna: „litigieuze nota’s”), maar dat zij met de ondertekening van die nota’s enkel haar werk had gedaan.

67      In zijn verweerschrift stelt het Parlement dat, zowel wat het Chios‑gebouw als het Lesbos-gebouw betreft, uit de verklaringen van verzoekster tijdens het onderzoek, uit een e-mail van de uitvoerend directeur van 1 april 2017 en uit het verzoekschrift volgt dat haar bemoeienis met de gunning van de opdrachten werd voorafgegaan door „precieze instructies” van de uitvoerend directeur van het EASO, die opdrachten voor verzoekster vormden in de zin van artikel 21 bis van het Statuut.

68      In repliek stelt verzoekster dat dit betoog niet-ontvankelijk is, omdat het gaat om een vervanging van de motivering die in het besluit tot afwijzing van de klacht is opgenomen. In dit laatste besluit zou de voorzitter van het Parlement hebben verklaard dat uit het dossier en de verklaringen van verzoekster blijkt dat zij de „algemene instructie” die inherent is aan haar functie, namelijk de verdere behandeling van de aan haar overgedragen financiële dossiers, had opgevolgd, zonder zich te verdiepen in deze dossiers, terwijl stelselmatig gebruik werd gemaakt van uitzonderingsprocedures.

69      Ten gronde is verzoekster van mening dat de door het Parlement in het verweerschrift aangehaalde documenten niet bewijzen dat zij van de uitvoerend directeur van het EASO een opdracht in de zin van artikel 21 bis van het Statuut heeft ontvangen.

70      Het Parlement betwist deze twee argumenten.

1)      Ontvankelijkheid van de argumenten van het Parlement in het verweerschrift

71      Volgens de rechtspraak in ambtenarenzaken mag de verwerende instelling de oorspronkelijke onjuiste motivering van de bestreden handeling niet vervangen door een volledig nieuwe, maar mag zij wel in de loop van het geding preciseringen geven op een eerder aangevoerde motivering (zie in die zin arrest van 24 april 2017, HF/Parlement, T‑584/16, EU:T:2017:282, punt 132 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

72      In het onderhavige geval heeft de voorzitter van het Parlement in het besluit tot afwijzing van de klacht geoordeeld dat het bestaan van een opdracht in de zin van artikel 21 bis van het Statuut niet alleen was vastgesteld omdat dit uit het dossier bleek, en met name uit de verklaringen van verzoekster dat zij „de algemene instructie heeft opgevolgd die inherent is aan haar functie, te weten de verdere behandeling van de aan haar overgedragen financiële dossiers, zonder zich in deze dossiers te verdiepen”, maar ook omdat zij had verklaard dat „zij zich door haar hiërarchieke meerdere verplicht voelde om het werk af te maken dat door haar collega’s was begonnen, dat de uitvoerend directeur sterk had aangedrongen op de uitvoering van de projecten voor september 2017 en dat hij de procedures koste wat kost wilde versnellen”.

73      Door in het verweerschrift aan te geven dat uit de verschillende in punt 67 hierboven genoemde documenten bleek dat verzoekster specifieke instructies had ontvangen van de uitvoerend directeur van het EASO heeft het Parlement deze verklaring in haar geheel en niet alleen het eerste onderdeel ervan verduidelijkt.

74      Bijgevolg moet ervan worden uitgegaan dat het Parlement met deze precisering in het verweerschrift de motivering in het bestreden besluit niet heeft vervangen door een nieuwe motivering in de zin van de in punt 71 hierboven aangehaalde rechtspraak.

75      Hieruit volgt dat de door het Parlement in het verweerschrift aangevoerde argumenten ontvankelijk moeten worden geacht.

2)      Gegrondheid van het eerste onderdeel van het eerste middel

76      In het verweerschrift zet het Parlement uiteen dat het zich voor de vaststelling dat verzoekster een opdracht in de zin van artikel 21 bis van het Statuut had ontvangen, op de navolgende elementen heeft gebaseerd:

–        een van de uitvoerend directeur van het EASO afkomstige e-mail van 1 april 2017, met daarin directe en nauwkeurige instructies over de te volgen procedure en de keuze van de gebouwen;

–        de verklaring van verzoekster in haar opmerkingen van 17 augustus 2018 over de samenvatting van de feiten van OLAF, volgens welke „[d]e procedure [was] uitgevoerd door de afdelingen ‚Administratie’ en ‚Operaties’, en druk op haar [was] uitgeoefend door de uitvoerend directeur na diens rechtstreekse contact met de Griekse autoriteiten op het hoogste niveau”;

–        de verklaring van verzoekster tijdens het gesprek van 9 juli 2019 dat plaatsvond in het kader van de administratieve procedure, volgens welke haar „directeur met de Griekse regering [had] afgesproken een gebouw te vinden”, haar leiding meerdere „dringende verzoeken tot ondertekening van documenten aan haar had gericht”, „zij zich verplicht [had gevoeld] om het werk dat door [haar] collega’s was begonnen door ondertekening af te ronden”, haar „voor het eerst, in mei 2017, was verzocht om de ondertekening van een wijziging van dit contract, vervolgens in juni 2017 om de ondertekening van een nieuwe uitzonderingsnota”;

–        de uitlating van verzoekster in haar opmerkingen van 9 juli 2019 over het administratief onderzoeksrapport, volgens welke, „[w]at Chios betreft, de uitvoerend directeur met klem aandrong op ondertekening van de uitzonderingsnota”.

77      Uit deze elementen blijkt dat de uitvoerend directeur van het EASO, die de hiërarchieke meerdere van verzoekster was, instructies heeft gegeven om de kantoren van Lesbos en Chios zo snel mogelijk te verplaatsen, dat deze instructies verzoekster hebben bereikt, zelfs indirect, en dat zij haar ertoe hebben gebracht de litigieuze nota’s te ondertekenen, wat voor haar een verplichting vormde in de uitoefening van haar functie. Deze elementen vormen een opdracht in de zin van artikel 21 bis van het Statuut.

78      Zoals het Parlement heeft opgemerkt, vindt deze conclusie steun in punt 34 van het verzoekschrift, waarin verzoekster heeft gesteld dat „de uitvoerend directeur van het EASO eind 2016 het besluit had genomen uitzonderingsprocedures in te leiden om de operationele ondersteuning van het EASO en de Griekse asieldienst feitelijk buiten de genoemde hotspots te brengen”.

79      Deze conclusie wordt evenwel bestreden door verzoekster.

80      In de eerste plaats stelt zij dat de e-mail van de uitvoerend directeur van het EASO van 1 april 2017 gericht is aan alle partijen die betrokken waren bij de situatie in de vluchtelingenkampen en bij de verplaatsing van de centra voor de behandeling van de asielaanvragen buiten deze kampen en dat, aangenomen dat deze e-mail instructies bevatte, deze bedoeld waren voor A, hoofd van de afdeling „Operaties”, die hierop overigens op 3 april 2017 zou hebben geantwoord, zonder dit bericht mede aan haar te verzenden. Bovendien zou de e-mail van 1 april 2017 betrekking hebben gehad op het eiland Chios, en niet op het eiland Lesbos.

81      Dienaangaande moet allereerst worden opgemerkt dat de e-mail van 1 april 2017 instructies bevat voor de verplaatsing van de kantoren buiten de vluchtelingenkampen en dat verzoekster, evenals de hoofden van andere diensten, een van de ontvangers was. Weliswaar ging het aanvankelijk vooral om A, die aan het hoofd stond van de afdeling „Operaties” en als zodanig de gevraagde nota moest ondertekenen, maar daarna ging het ook om verzoekster toen haar werd gevraagd laatstgenoemde te vervangen.

82      Voorts is het onjuist dat de daaropvolgende e-mail van A van 3 april 2017 een antwoord was op de e-mail van 1 april 2017. De e-mail van 3 april 2017 was bedoeld om de instructies van de uitvoerend directeur door de bevoegde personen te laten uitvoeren. Aangezien verzoekster destijds niet verantwoordelijk was voor deze uitvoering, was het niet abnormaal dat A deze mail niet ook aan haar had verstuurd.

83      Ten slotte, hoewel de e-mail van 1 april 2017 voornamelijk betrekking had op het eiland Chios, ging het hierin ook over het eiland Lesbos, aangezien in de zevende alinea ervan wordt opgemerkt dat „[m]inister Mouzalas het belang en de urgentie onderstreepte van het opzetten van kantoorruimte buiten de kampen van Chios en Lesbos, en verzekerde dat de Griekse regering steun zal verlenen door alle noodzakelijke regelingen te treffen”.

84      Het eerste argument van verzoekster moet dus worden afgewezen.

85      In de tweede plaats stelt verzoekster dat de „dringende verzoeken tot ondertekening van documenten” waarnaar zij tijdens haar onderhoud van 7 maart 2019 in het kader van de administratieve procedure heeft verwezen, niet naar de litigieuze nota’s verwezen, maar deel uitmaakten van een algemene opmerking met betrekking tot de noodsituatie waarin zij honderden documenten van financiële aard moest ondertekenen. Bovendien kwamen die verzoeken niet van de uitvoerend directeur van het EASO, maar van de afdeling „Administratie” en meer bepaald van de secties „Financiën” en „Openbare aanbestedingen”.

86      Toen verzoekster tijdens datzelfde onderhoud verklaarde dat „haar voor het eerst in mei 2017 [was] gevraagd om een wijziging [van het] contract [van Lesbos] te ondertekenen, en [haar] vervolgens in juni 2017 [was] gevraagd een nieuwe uitzonderingsnota [voor Chios] te ondertekenen”, zou zij eveneens hebben verwezen naar verzoeken van de afdeling „Administratie” en niet van de uitvoerend directeur van het EASO, zoals zou blijken uit haar antwoord als geheel.

87      Anders dan verzoekster lijkt te denken, vereist artikel 21 bis van het Statuut niet dat de onregelmatige opdracht formeel, rechtstreeks en individueel wordt gericht tot de ambtenaar of het personeelslid ten aanzien van wie wordt aangenomen dat hij deze bepaling niet is nagekomen, maar volstaat het dat deze laatste door kennis te nemen van instructies van een hiërarchieke meerdere verplicht was onregelmatig te handelen.

88      Bijgevolg is het feit dat het verzoek om ondertekening van de litigieuze nota’s afkomstig was van de afdeling „Administratie” en niet rechtstreeks van de uitvoerend directeur van het EASO, niet relevant, aangezien het bij lezing van de andere door het Parlement aangedragen elementen duidelijk is dat de mensen van deze afdeling gevolg hebben gegeven aan de van deze directeur afkomstige instructies om de uitvoering van de betrokken projecten te versnellen.

89      Evenzo doet het er weinig toe dat de verzoeken om ondertekeningen niet specifiek betrekking hadden op de litigieuze nota’s, aangezien deze deel uitmaakten van die verzoeken, hetgeen verzoekster niet betwist.

90      Bijgevolg moet verzoeksters tweede argument worden afgewezen.

91      In de derde plaats stelt verzoekster dat zij met de verklaring in haar opmerkingen van 9 juli 2019 over het administratief onderzoeksrapport dat, „[w]at Chios betreft, de uitvoerend directeur met klem aandrong op ondertekening van de uitzonderingsnota”, verwees naar de noodsituatie ten gevolge van de door de lidstaten en de Griekse regering uitgeoefende druk.

92      Die kritiek doet niets af aan de vaststelling dat de uitvoerend directeur van het EASO van verzoekster verwachtte dat zij de nota van 11 juni 2017 zou ondertekenen en dat die handtekening zijns inziens een verplichting vormde.

93      Verzoeksters derde argument moet dus eveneens worden afgewezen.

94      In die omstandigheden moet worden vastgesteld dat het Parlement artikel 21 bis van het Statuut niet heeft geschonden en geen kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt door te oordelen dat verzoekster een opdracht in de zin van deze bepaling had ontvangen.

95      Het eerste onderdeel van het eerste middel moet dus worden afgewezen.

b)      Tweede onderdeel van het eerste middel

96      In het tweede onderdeel van het eerste middel stelt verzoekster dat het Parlement een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt door in het besluit tot afwijzing van de klacht te overwegen dat zij, als juriste, bij de ondertekening van de litigieuze nota’s wist, had kunnen of moeten weten dat niet was voldaan aan de voorwaarden van het Financieel Reglement en artikel 134, lid 1, onder c), van de uitvoeringsvoorschriften ervoor.

97      Dienaangaande stelt verzoekster, ten eerste, dat het EASO zich in een situatie van absolute urgentie bevond in de zin van artikel 134, lid 1, onder c), van de uitvoeringsvoorschriften voor het Financieel Reglement, waardoor het gebruik kon maken van de onderhandelingsprocedure zonder voorafgaande bekendmaking, ten tweede, dat de keuze voor deze procedure binnen het EASO op geen enkel bezwaar is gestuit en, ten derde, dat van haar bemoeienis pas sprake was aan het einde van het besluitvormingsproces.

98      Volgens artikel 21 bis van het Statuut, dat in punt 55 hierboven is weergegeven, geldt voor de op de ambtenaar rustende meldingsplicht de voorwaarde dat de opdracht die hij heeft gekregen hem onregelmatig „voorkomt” en, ingeval deze opdracht door zijn directe chef schriftelijk wordt bevestigd, dat hij „van oordeel is” dat daarbij niet voldoende rekening is gehouden met de redenen van zijn bezorgdheid.

99      Dienaangaande moet worden opgemerkt dat de verplichting voor de ambtenaar om zijn directe chef in kennis te stellen van de opdracht die hem onregelmatig voorkomt, niet mag afhangen van de voorwaarde dat deze onregelmatigheid duidelijk is. Artikel 21 bis, lid 1, van het Statuut kent namelijk verschillende gevolgen toe aan een opdracht die onregelmatig lijkt te zijn en een opdracht die kennelijk onrechtmatig is. Terwijl de ambtenaar die melding heeft gemaakt van de opdracht die hem onregelmatig voorkomt, in het eerste geval deze opdracht uiteindelijk moet uitvoeren als deze wordt bevestigd door de hiërarchieke meerdere van zijn chef, mag hij zich in het tweede geval in weerwil van een dergelijke bevestiging aan de uitvoering ervan onttrekken.

100    Heeft de ambtenaar alleen twijfel over de regelmatigheid van de door hem ontvangen opdracht, dan is evenwel niet verplicht om zijn directe chef daarvan in kennis te stellen. Zou de ambtenaar krachtens artikel 21 bis van het Statuut verplicht zijn om zijn directe chef en, in voorkomend geval, de hiërarchieke meerdere van zijn chef in kennis te stellen van elke twijfel over een ontvangen opdracht, dan zou het functioneren van de administratie immers in gevaar kunnen komen door het in twijfel trekken van een groot aantal opdrachten die door hiërarchieke meerderen aan hun ondergeschikten worden gegeven.

101    Een ambtenaar kan dus niet uit hoofde van niet-nakoming van de verplichting van artikel 21 bis van het Statuut tuchtrechtelijk aansprakelijk worden gehouden, wanneer de dienst er niet in slaagt om op zijn minst aan te tonen dat de regelmatigheid van de ontvangen opdracht van dien aard was dat deze bij die ambtenaar ernstige twijfels moest doen rijzen, met name gelet op de mate van zorgvuldigheid die bij de uitoefening van zijn functie van hem wordt verwacht en de omstandigheden waarin hem de opdracht werd gegeven.

102    Om te beoordelen of de betrokken ambtenaar verplicht was zijn directe chef overeenkomstig artikel 21 bis van het Statuut in kennis te stellen van een hem onregelmatig voorkomende opdracht, moet daarom het navolgende in aanmerking worden genomen:

–        ten eerste, de toegankelijkheid en complexiteit van de toepasselijke regels;

–        ten tweede, de opleiding van de ambtenaar, zijn verantwoordelijkheidsniveau binnen de instellingen en agentschappen van de Europese Unie en zijn ervaring;

–        ten derde, de context waarin deze opdracht is ontvangen.

103    Bij de vraag of de opdracht aanleiding kon geven tot ernstige twijfel die de ambtenaar verplichtte deze te melden, moet worden uitgegaan van het moment waarop deze opdracht werd ontvangen.

1)      Toegankelijkheid en complexiteit van de toepasselijke regels

104    In casu blijkt uit het besluit tot afwijzing van de klacht dat het oordeel van het Parlement dat verzoekster wist of had moeten weten dat de ontvangen opdracht niet in overeenstemming was met artikel 104 van het Financieel Reglement en artikel 134, lid 1, onder c), van de uitvoeringsvoorschriften ervoor en dat zij bijgevolg haar verplichting om een hiërarchieke meerdere in kennis te stellen niet was nagekomen, was gebaseerd op het feit dat zij juriste is en wist dat er eerder 36 uitzonderingsnota’s waren ondertekend, „waaruit een gebruik [bleek] dat stelselmatig op gespannen voet met de bewoordingen van de twee bovengenoemde bepalingen staat”.

105    Deze elementen ondersteunen echter niet de slotsom dat verzoekster verplicht was haar directe chef in kennis te stellen van de beweerdelijk onregelmatige opdracht.

106    Overheidsopdrachten worden namelijk beheerst door complexe regels en van een juriste met een generalistische opleiding kan niet worden verwacht dat zij weet dat – zoals blijkt uit artikel 2, lid 1, punt 5, en artikel 10, onder a), van richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten en tot intrekking van richtlijn 2004/18/EG (PB 2014, L 94, blz. 65), zijnde de algemene regeling betreffende overheidsopdrachten die in de lidstaten van toepassing is – deze regels niet zien op opdrachten betreffende onroerende zaken. Hierin wijkt deze richtlijn af van het Financieel Reglement en de uitvoeringsvoorschriften ervoor, die in dit geval van toepassing zijn.

107    Hoe complex de regels inzake overheidsopdrachten zijn blijkt eens te meer uit het feit dat het Parlement in het besluit tot afwijzing van de klacht verzoekster heeft verweten een hiërarchieke meerdere niet in kennis te hebben gesteld van de strijdigheid van de opdracht met artikel 134, lid 1, onder c), van de uitvoeringsvoorschriften voor het Financieel Reglement, waarin de voorwaarden zijn vastgesteld waaraan het gebruik van de onderhandelingsprocedure zonder voorafgaande bekendmaking is onderworpen in gevallen van absolute urgentie, maar geen melding heeft gemaakt van artikel 134, lid 1, onder g), van die voorschriften, dat de aanbestedende dienst, wat onroerendgoedopdrachten betreft, verplicht de plaatselijke markt te onderzoeken, terwijl het Parlement in zijn memories – maar niet in het bestreden besluit – stelt dat laatstgenoemde bepaling ook door het EASO is geschonden. Deze omissie laat zien hoe moeilijk het is voor een niet-gespecialiseerde jurist om alle aspecten van de materie te beheersen.

108    Bovendien was het feit dat 36 uitzonderingsnota’s waren opgesteld voordat verzoekster de litigieuze nota’s ondertekende, niet voldoende om ernstige twijfel te doen rijzen over de regelmatigheid van de door haar ontvangen opdracht. De kwalificatie van deze nota’s als „uitzonderingsnota’s” betekende immers niet dat ze onrechtmatig waren, maar alleen dat ze bedoeld waren ter rechtvaardiging van het gebruik van een andere procedure voor het plaatsen van overheidsopdrachten dan de openbare of niet-openbare procedure die, zoals blijkt uit artikel 104, lid 5, onder a), van het Financieel Reglement, van toepassing is op elke „aankoop” door de instellingen van de Unie.

109    Veeleer deed de frequentie waarmee binnen het EASO uitzonderingsnota’s werden opgesteld bij verzoekster het vermoeden postvatten dat aan de voorwaarden voor het gebruik van een onderhandelingsprocedure zonder voorafgaande bekendmaking was voldaan, gelet op de omstandigheden waarin het EASO moest optreden.

110    De door het Parlement in het bestreden besluit aangevoerde redenen ter rechtvaardiging van het feit dat verzoekster wist of had moeten weten dat de door haar ontvangen opdracht onrechtmatig was, en dat dus ernstig kon worden getwijfeld aan de regelmatigheid ervan, zijn derhalve ongegrond.

2)      Opleiding van de ambtenaar, zijn verantwoordelijkheidsniveau binnen de instellingen en agentschappen van de Unie en zijn ervaring

111    Volgens het Parlement impliceerde de door verzoekster uitgeoefende functie, met name door de informatie waartoe zij toegang had, dat zij wist of had moeten weten dat de door haar ontvangen opdracht onregelmatig was.

112    Dienaangaande voert het Parlement drie argumenten aan.

113    In de eerste plaats heeft het Parlement ter terechtzitting betoogd dat verzoekster wist of had moeten weten dat de opdracht onrechtmatig was, aangezien zij, als hoofd van de afdeling „Operaties” van het EASO en ordonnateur, een hoge mate van verantwoordelijkheid had.

114    Deze onderbouwing wordt echter niet genoemd in het bestreden besluit, hoewel het een essentieel element is om aan te nemen dat verzoekster op grond van artikel 21 bis van het Statuut een meldingsplicht had. Zoals vermeld in punt 62 hierboven, is het inderdaad van belang dat het besluit waarbij een tuchtmaatregel wordt opgelegd wegens niet‑nakoming van artikel 21 bis van het Statuut, alle elementen bevat op grond waarvan de instelling meende dat de litigieuze opdracht ernstige twijfels deed rijzen wat betreft de rechtmatigheid ervan.

115    In ieder geval zij erop gewezen dat verzoekster bij de ondertekening van de litigieuze nota’s hoofd van de afdeling „Ondersteuning asielzaken” was en dat haar was gevraagd haar collega, hoofd van de afdeling „Operaties”, te vervangen. Zoals blijkt uit bijlage A 6 bij het verzoekschrift, is verzoekster pas op 16 juli 2017, dus na de ondertekening van de litigieuze nota’s, interim-hoofd van laatstgenoemde afdeling geworden. Bovendien waren bij deze afdeling niet de secties „Financiën” en „Overheidsopdrachten” ondergebracht, die onder de afdeling „Administratie” vielen.

116    Hoewel verzoekster als ordonnateur inderdaad een bijzondere verantwoordelijkheid had, zoals omschreven in artikel 65, lid 5, en artikel 66, lid 1, van het Financieel Reglement en in artikel 44, lid 1, van besluit nr. 20 van de raad van bestuur van het EASO, vastgesteld krachtens artikel 37 van verordening nr. 439/2010, moet voorts worden opgemerkt dat zij als zodanig was aangesteld op 20 april 2017, dat wil zeggen enkele weken vóór de ondertekening van de litigieuze nota’s, en op het moment van deze ondertekening nog geen significante ervaring op het gebied van overheidsopdrachten had kunnen opdoen. Zoals verzoekster ter terechtzitting heeft opgemerkt, volgt bovendien uit artikel 44, lid 2, en artikel 45, lid 1, van bovengenoemd besluit nr. 20 dat de ordonnateur moet kunnen vertrouwen op procedures voor interne controles. In casu wordt niet betwist dat de litigieuze nota’s waren bekrachtigd door de secties „Financiën” en „Overheidsopdrachten” van de afdeling „Administratie” van het EASO.

117    Het in punt 113 hierboven genoemde argument van het Parlement moet dus worden afgewezen.

118    In de tweede plaats heeft het Parlement in zijn memories en ter terechtzitting betoogd dat het bewijs dat verzoekster wist of had moeten weten dat de opdracht onregelmatig was en dat zij dus verplicht was haar hiërarchieke meerdere hiervan in kennis te stellen, was geleverd door het feit dat in 2018 voor de inrichting van het Chios-gebouw een normale procedure was gevolgd en dat zij in augustus 2018 maatregelen had genomen om de procedures met betrekking tot de twee gebouwen te regulariseren.

119    Dit argument komt evenmin voor in de motivering van het bestreden besluit, hoewel het geacht wordt te verklaren waarom de litigieuze opdracht de indruk had moeten wekken onregelmatig te zijn (zie punten 62 en 114 hierboven).

120    Bovendien hebben deze regularisaties plaatsgevonden na de ondertekening van de litigieuze nota’s, zodat zij, in tegenstelling tot de in punt 103 hierboven uiteengezette regel, geen verband houden met de context waarin de opdracht is ontvangen.

121    Verzoekster mag dan de verschillende procedures hebben geregulariseerd, maar dat is hoe dan ook niet omdat zij op het moment van ondertekening van de litigieuze nota’s wist dat de litigieuze opdracht onregelmatig was, maar omdat in juli en augustus 2017 twee nieuwe hoofden werden aangesteld voor de secties „Financiën” en „Overheidsopdrachten” van de afdeling „Administratie” van het EASO, die haar aandacht vestigden op de vermeende onregelmatigheden. Bovendien was verzoekster in december 2017 door OLAF ervan in kennis gesteld dat laatstgenoemde een onderzoek had ingesteld naar onregelmatigheden en ernstig wangedrag dat zou zijn begaan door de uitvoerend directeur en andere personeelsleden van het EASO, met name bij procedures voor overheidsopdrachten. Meer in het bijzonder heeft verzoekster op 17 augustus 2018 haar opmerkingen ingediend over de samenvatting van de feiten die haar door OLAF was toegezonden (zie punt 23 hierboven).

122    Het in punt 118 hierboven genoemde argument van het Parlement moet dus worden afgewezen.

123    In de derde plaats stelt het Parlement in het verweerschrift dat het contract voor het Chios-gebouw was gesloten tegen het advies van hogere leidinggevenden in.

124    Afgezien van het feit dat ook deze bewering niet in het bestreden besluit, maar alleen in de samenvatting van de feiten van OLAF voorkomt, is zij in de verdere procedure niet verduidelijkt. Zo werd niet gezegd wie de hogere leidinggevenden waren die tegen het project gekant zouden zijn geweest en werd niet aangetoond dat verzoekster op de hoogte was gesteld van hun mening.

125    Het in punt 123 hierboven genoemde argument van het Parlement moet dus worden afgewezen.

126    Uit de voorgaande overwegingen volgt dat de door het Parlement aangevoerde bewijzen met betrekking tot de door verzoekster binnen het EASO uitgeoefende functie en verantwoordelijkheden, niet de slotsom toelaten dat de door laatstgenoemde ontvangen opdracht ernstige twijfel deed rijzen wat betreft de rechtmatigheid ervan en dat zij bijgevolg, overeenkomstig artikel 21 bis van het Statuut, haar directe chef hiervan in kennis had moeten stellen.

3)      Context waarin de opdracht is ontvangen

127    Aangezien de door het Parlement aangevoerde elementen zijn afgewezen, moet voor zover nodig worden opgemerkt dat het Parlement bij de beoordeling van de bestrafte gedraging onvoldoende rekening heeft gehouden met de verschillende omstandigheden waarin de vermeend onrechtmatige opdracht is gegeven, hoewel deze een beslissende rol speelden in het proces van ondertekening van de litigieuze nota’s.

128    In de eerste plaats had de massale toestroom van migranten die het door oorlog verscheurde Syrië ontvluchtten, zoals verzoekster in haar memories heeft uiteengezet zonder dat het Parlement dit heeft betwist, een migratie- en humanitaire crisis veroorzaakt, met name op de Griekse eilanden Lesbos en Chios.

129    Meer in het bijzonder had een brand het op het eiland Lesbos gelegen vluchtelingenkamp Moria verwoest. Daarnaast deden zich in dit kamp en dat van Vial, op het eiland Chios, steeds meer rellen voor, zodat de arbeidsomstandigheden voor het personeel en de deskundigen die door de lidstaten op deze twee eilanden waren gestationeerd, dermate gevaarlijk waren geworden dat zij hen begonnen terug te roepen.

130    Deze omstandigheden vormden een noodsituatie aangezien de veiligheid moest worden gewaarborgd van personeel en deskundigen die op de eilanden Lesbos en Chios werden ingezet om de toestroom van migranten in goede banen te leiden.

131    In de tweede plaats was, zoals in punt 116 hierboven reeds is opgemerkt, de keuze voor de onderhandelingsprocedure zonder voorafgaande bekendmaking goedgekeurd door de secties „Financiën” en „Overheidsopdrachten” van de afdeling „Administratie” van het EASO, die specifiek belast waren met deze aangelegenheid. Bovendien was noch door de raad van bestuur van het EASO, noch door de Europese Commissie, vertegenwoordigd in deze raad van bestuur, bezwaar hiertegen gemaakt. Integendeel, zoals blijkt uit zijn activiteitenverslag voor het jaar 2016, had de raad van bestuur de 36 in de loop van het betrokken jaar opgestelde uitzonderingsnota’s goedgekeurd.

132    Zoals verzoekster opmerkt, vond de ondertekening van de litigieuze nota’s bovendien plaats aan het einde van een reeds langlopend besluitvormingsproces. Toen verzoekster op 11 mei 2017 als vervanger van A de nota betreffende het gebouw op het eiland Lesbos ondertekende, was immers de keuze van de gebouwen voor Lesbos al gemaakt in de brief van februari 2017 en voor Chios in die van april 2017, zoals blijkt uit de bijlagen A 19, A 20 en A 34 bij het verzoekschrift. Daarnaast is de nota van 11 mei 2017 betreffende het gebouw op het eiland Lesbos aangevuld met een eerste nota die op 22 februari daaraan voorafgaand door A was ondertekend teneinde twaalf extra werkruimten te creëren, de door deze nota aangewezen doelstellingen te bereiken en de naleving te verzekeren van de normen opgelegd bij richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (PB 2013, L 180, blz. 60).

133    In de derde plaats werd verzoekster bij de ondertekening van de litigieuze nota’s geconfronteerd met een zeer zware werklast omdat zij de taken van hoofd van de afdeling „Ondersteuning asielzaken” van het EASO moest uitoefenen en tegelijkertijd belast was – zij het samen met het hoofd van de afdeling „Administratie” – met de dagelijkse leiding van de afdeling „Operaties”, waarvan het hoofd, A, afwezig was wegens ziekte.

134    Deze omstandigheid had het Parlement niet alleen als verzachtende omstandigheid in aanmerking moeten nemen bij de vaststelling van de aan verzoekster op te leggen tuchtmaatregel, maar ook bij de beoordeling of zij artikel 21 bis van het Statuut niet was nagekomen.

135    Op basis van deze verschillende elementen blijkt dat verzoekster op grond van de omstandigheden waaronder de litigieuze nota’s zijn ondertekend, niet kan worden geacht de bovengenoemde bepaling te hebben geschonden.

136    Dit standpunt wordt betwist door het Parlement, dat twee bezwaren opwerpt tegen de opmerkingen die respectievelijk in de punten 128 en 129 en in de punten 131 en 132 hierboven zijn vermeld.

137    Om te beginnen stelt het Parlement dat, ook al was er sprake van een urgente situatie, de procedures inzake de huur van de gebouwen op Lesbos en Chios respectievelijk acht en tien maanden hebben geduurd, zodat het EASO voldoende tijd zou hebben gehad om de normale aanbestedingsprocedure overeenkomstig het Financieel Reglement en zijn uitvoeringsvoorschriften te volgen. De voorwaarde van artikel 134, lid 1, onder c), van deze uitvoeringsvoorschriften dat een situatie waarin sprake is van spoed onverenigbaar moet zijn met de termijnen die zijn voorgeschreven in geval van een oproep tot mededinging, zou dus niet in acht zijn genomen.

138    Dit argument is echter niet relevant. In de context van artikel 21 bis van het Statuut moet de instelling niet aantonen dat de opdracht onrechtmatig is, maar dat de ambtenaar ondanks ernstige twijfels over de rechtmatigheid ervan, zoals gedefinieerd in de punten 101 en 102 hierboven, hiervan geen melding heeft gemaakt.

139    Bovendien kan het bestaan van die ernstige twijfel niet worden beoordeeld op basis van omstandigheden die na ontvangst van de vermeend onrechtmatige opdracht zijn ontstaan (zie punten 103 en 119 hierboven).

140    Het betoog van het Parlement moet dus worden afgewezen.

141    Vervolgens stelt het Parlement dat de verantwoordelijkheid voor de fouten die door het personeel van de secties „Financiën” en „Overheidsopdrachten” zouden zijn begaan, bij verzoekster ligt. Uit artikel 21, tweede alinea, van het Statuut zou namelijk volgen dat de eigen verantwoordelijkheid van zijn ondergeschikten, de ambtenaar die belast is met de zorg voor de gang van zaken in een tak van dienst, niet ontheft van de verantwoordelijkheid die hij zelf draagt. Bovendien zou artikel 65, lid 5, van het Financieel Reglement bepalen dat het personeel dat belast is met bepaalde voor de uitvoering van de begroting en het afleggen van rekening en verantwoording benodigde handelingen, onder de verantwoordelijkheid van de ordonnateur handelt.

142    Dit argument kan evenwel niet standhouden.

143    Het door het Parlement aangevoerde argument met betrekking tot artikel 21 van het Statuut faalt namelijk, aangezien deze bepaling veronderstelt dat er tussen de betrokkenen een hiërarchische relatie bestaat, die in casu ontbrak, aangezien verzoekster, hoofd van de afdeling „Ondersteuning asielzaken” van het EASO, niet de hiërarchieke meerdere was van de personen die de betrokken nota’s hadden opgesteld in de secties „Financiën” en „Overheidsopdrachten” van de afdeling „Administratie”.

144    Wat betreft artikel 65, lid 5, van het Financieel Reglement moet – afgezien van het feit dat het moet worden gelezen in samenhang met artikel 44, lid 2, en artikel 45, lid 1, van besluit nr. 20, in herinnering gebracht in punt 116 hierboven – rekening worden gehouden met het feit dat verzoekster op het moment van ondertekening van de litigieuze nota’s slechts beperkt ervaring had met de functie van ordonnateur.

145    In ieder geval doen de argumenten van het Parlement niets af aan het feit dat noch de raad van bestuur van het EASO noch de Commissie bezwaar had gemaakt tegen uitzonderingsnota’s zoals de litigieuze nota’s.

146    Het betoog van het Parlement moet dus worden afgewezen.

147    Uit het voorgaande volgt dat het Parlement artikel 21 bis van het Statuut heeft miskend door tot de slotsom te komen dat verzoekster wist of had moeten weten dat de aan haar gegeven opdracht tot ondertekening van de litigieuze nota’s onregelmatig was.

c)      Derde onderdeel van het eerste middel

148    Met het derde onderdeel van het eerste middel, dat twee grieven omvat, stelt verzoekster subsidiair, dat wil zeggen voor het geval dat de niet‑nakoming van artikel 21 bis van het Statuut wordt vastgesteld, dat het Parlement, gelet op haar zware werklast, met de oplegging van de tuchtmaatregel een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt.

149    Dienaangaande stelt verzoekster dat zij ten tijde van de feiten, dat wil zeggen in mei en juni 2017, om te beginnen de afdeling „Ondersteuning asielzaken” uit hoofde van haar contract en, voorts, de afdeling „Operaties” van het EASO, vanwege het ziekteverlof van haar collega, A, moest leiden. Samen zouden deze twee afdelingen meer dan 200 mensen hebben omvat.

150    Tevens stelt verzoekster dat zij, naast de hoofdactiviteit van deze afdelingen, ook belast was met functioneringsbeoordelingen, aanwerving, de voortdurende inzet van deskundigen uit de lidstaten, het voorzitterschap van vergaderingen met de contactpunten van de lidstaten, de monitoring van de groeiende samenwerking met Turkije en het toezicht op de gunning van opdrachten in samenwerking met de afdelingen „Administratie” en „Operaties”.

151    Gezien de werklast die deze activiteiten met zich meebrachten, stelt verzoekster dat zij zeer lange dagen heeft moeten maken, zoals zou blijken uit, om te beginnen, haar agenda’s en, voorts, de aanwezigheidsregistratie.

152    Het Parlement is van oordeel dat verzoeksters argument niet-ontvankelijk en ongegrond is.

1)      Ontvankelijkheid van het derde onderdeel van het eerste middel

153    Het Parlement is van oordeel dat het derde onderdeel van het eerste middel niet-ontvankelijk is, aangezien het daarin vervatte argument niet door verzoekster in haar klacht is aangevoerd.

154    In dit verband zij eraan herinnerd dat volgens de rechtspraak de regel van overeenstemming tussen de precontentieuze klacht en het daaropvolgende verzoekschrift op straffe van niet‑ontvankelijkheid vereist dat wanneer bij de Unierechter een middel of klacht wordt aangevoerd, dit middel of deze klacht reeds in het kader van de precontentieuze procedure naar voren is gebracht, zodat het TABG kennis heeft kunnen nemen van de kritiek die de betrokkene op het bestreden besluit heeft. Deze regel wordt gerechtvaardigd door het eigenlijke doel van de precontentieuze procedure, namelijk om een minnelijke regeling van geschillen tussen ambtenaren en de dienst mogelijk te maken. Hieruit volgt dat de bij de Unierechter in ambtenarenzaken ingediende memories slechts middelen kunnen bevatten die op dezelfde grond zijn gebaseerd als die waarop de in de klacht aangevoerde middelen zijn gebaseerd, zij het dat deze middelen bij de Unierechter kunnen worden aangevuld met middelen en argumenten die niet noodzakelijk in de klacht voorkomen, maar er nauw verband mee houden (zie arrest van 16 juni 2021, Lucaccioni/Commissie, T‑316/19, niet gepubliceerd, EU:T:2021:367, punt 90 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

155    In casu zij erop gewezen dat verzoekster zich in de punten 46 tot en met 49 van haar klacht heeft gebaseerd op het in de punten 149 tot en met 151 uiteengezette betoog.

156    Het is juist dat dit betoog niet tot doel had aan te tonen dat de aan haar opgelegde tuchtmaatregel buitensporig en dus in strijd met artikel 10, onder a), van bijlage IX bij het Statuut was, maar om vast te stellen dat het feit dat zij geen grondige controle had verricht alvorens de litigieuze nota’s te ondertekenen, niet aldus kon worden opgevat dat zij artikel 21 bis van het Statuut niet was nagekomen.

157    Uit de rechtspraak blijkt echter dat, aangezien de precontentieuze procedure een informeel karakter heeft en de belanghebbenden in deze fase meestal zonder bijstand van een advocaat optreden, de dienst de klachten niet restrictief mag uitleggen, maar ze veeleer in een geest van openheid moet onderzoeken (arresten van 7 mei 2019, WP/EUIPO, T‑407/18, niet gepubliceerd, EU:T:2019:290, punt 119, en 8 september 2021, AH/Eurofound, T‑630/19, niet gepubliceerd, EU:T:2021:538, punt 42).

158    Bovendien is artikel 91 van het Statuut, waaruit de regel van overeenstemming voortvloeit, niet bedoeld om de omvang van een eventueel beroep in rechte nauwkeurig en definitief af te bakenen, zolang de grond of het voorwerp van de klacht maar geen wijziging ondergaat (arrest van 7 mei 2019, WP/EUIPO, T‑407/18, niet gepubliceerd, EU:T:2019:290, punt 119, en 14 december 2018, TP/Commissie, T‑464/17, niet gepubliceerd, EU:T:2018:1006, punt 33).

159    Gelet op het nauwe verband tussen de opgelegde tuchtmaatregel en de vaststelling van het plichtsverzuim in een tuchtprocedure en gelet op de geest van openheid die de uitlegging van klachten in ambtenarenzaken moet beheersen, moet overeenkomstig de in de punten 157 en 158 aangehaalde rechtspraak worden geoordeeld dat het in het derde onderdeel van het eerste middel aangevoerde betoog ontvankelijk is.

2)      Gegrondheid van het derde onderdeel van het eerste middel

i)      Eerste grief: omvang van de werklast van verzoekster op het betrokken tijdstip

160    Met haar eerste grief verwijt verzoekster het TABG van het Parlement de omvang van de werklast die ten tijde van de feiten op haar rustte, niet in aanmerking te hebben genomen als verzachtende omstandigheid.

161    In dit verband zij erop gewezen dat verzoekster in haar brief van 22 november 2019 de secretaris-generaal van het Parlement heeft verzocht rekening te houden met de volgende omstandigheden: de context van de humanitaire crisis; het feit dat zij pas aan het einde van de twee betrokken procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten daarbij betrokken was geweest; haar buitensporige werklast, die uitvoerig is beschreven; haar totale staat van dienst en haar volledige medewerking in alle stadia van het onderzoek.

162    In de begeleidende brief bij het bestreden besluit van 9 januari 2020 heeft de secretaris-generaal van het Parlement verklaard „zeer zorgvuldig alle elementen [te hebben] geanalyseerd die [verzoekster hem had] gestuurd in [haar] brief van 22 november 2019, te hebben „vastgesteld dat [haar] werklast toen erg zwaar was” en „volledig rekening [te hebben gehouden] met de bijzonder moeilijke omstandigheden waarin [zij haar] taken moest uitoefenen”.

163    In deze omstandigheden moet, in tegenstelling tot wat verzoekster stelt, ervan worden uitgegaan dat de secretaris-generaal van het Parlement bij de vaststelling van het besluit waarbij haar een tuchtmaatregel is opgelegd, rekening heeft gehouden met de zwaarte van de werklast die ten tijde van de feiten op haar rustte.

ii)    Tweede grief: besluit van het Parlement om aan verzoekster een tuchtmaatregel op te leggen

164    Met de in de punten 148 tot en met 151 hierboven genoemde argumenten komt verzoekster meer in het algemeen op tegen het besluit om haar een tuchtmaatregel op te leggen. Zij is van oordeel dat zelfs al had niet‑nakoming van artikel 21 bis van het Statuut moeten worden vastgesteld, het TABG van het Parlement had moeten afzien van het opleggen van een tuchtmaatregel.

165    Dienaangaande zij eraan herinnerd dat artikel 10 van bijlage IX bij het Statuut niet voorziet in een vaste verhouding tussen de daarin vermelde tuchtmaatregelen en de categorieën van de door ambtenaren begane fouten (zie in die zin arresten van 5 juni 2019, Bernaldo de Quirós/Commissie, T‑273/18, niet gepubliceerd, EU:T:2019:371, punt 126, en 11 april 2016, FU/Commissie, F‑49/15, EU:F:2016:72, punt 122).

166    Deze bepaling schrijft evenwel uitdrukkelijk voor dat de opgelegde tuchtmaatregel in verhouding moet staan tot de ernst van de begane fout.

167    Daartoe somt zij, zonder uitputtend te zijn, de criteria op waarmee het TABG bij de keuze van de tuchtmaatregel rekening moet houden om te voldoen aan het evenredigheidsvereiste. Deze criteria houden onder andere in dat rekening moet worden gehouden met „de omstandigheden waarin de fout is gemaakt”.

168    Uit deze elementen heeft de rechtspraak, wat de evenredigheid betreft, afgeleid dat de vaststelling van de tuchtmaatregel dient te berusten op een globale beoordeling – uit te voeren door het TABG met inachtneming van de criteria van artikel 10 van bijlage IX bij het Statuut – van alle concrete feiten en van alle omstandigheden van het individuele geval (zie in die zin arresten van 5 juni 2019, Bernaldo de Quirós/Commissie, T‑273/18, niet gepubliceerd, EU:T:2019:371, punt 126, en 11 april 2016, FU/Commissie, F‑49/15, EU:F:2016:72, punt 122).

169    Zo moet het TABG in het besluit waarbij de tuchtmaatregel wordt opgelegd, de redenen aangeven die hem ertoe hebben gebracht om, gelet op de feiten en omstandigheden van het geval, een bepaalde tuchtmaatregel op te leggen (zie punten 61 en 63 hierboven).

170    Van zijn kant moet de Unierechter, wanneer hij met een vraag over dit punt is aangezocht, nagaan of de concrete feiten en omstandigheden van het geval, die door het TABG worden genoemd in het besluit waarbij een tuchtmaatregel wordt opgelegd, vallen onder de juridische begrippen verzwarende of verzachtende omstandigheden (zie in die zin arrest van 9 juni 2021, DI/ECB, T‑514/19, waartegen hogere voorziening is ingesteld, EU:T:2021:332, punt 196).

171    In het kader van zijn controle dient de Unierechter ook na te gaan of de weging van de omstandigheden door de tuchtrechtelijke autoriteit op evenredige wijze is uitgevoerd, ongeacht of die omstandigheden verzwarend of verzachtend waren (zie in die zin arresten van 16 maart 2004, Afari/ECB, T‑11/03, EU:T:2004:77, punt 203, en 9 september 2010, Andreasen/Commissie, T‑17/08 P, EU:T:2010:374, punten 146 en 147).

172    Dit vereiste vloeit voort uit artikel 47 van het Handvest van de grondrechten, volgens hetwelk eenieder wiens door het recht van de Unie gewaarborgde rechten en vrijheden zijn geschonden, recht heeft op een doeltreffende voorziening in rechte.

173    Wil een voorziening in rechte doeltreffend zijn, dan houdt deze namelijk in dat een „sanctie” kan worden onderworpen aan een latere toetsing door een rechterlijke instantie die bevoegd is om de evenredigheid tussen de fout en de sanctie volledig te verifiëren wanneer deze is opgelegd door een bestuursorgaan dat – zoals in casu het geval is voor de secretaris‑generaal van het Parlement – zelf niet voldoet aan de in artikel 47 van het Handvest van de grondrechten gestelde voorwaarden (zie in die zin arresten van 15 mei 2012, Nijs/Rekenkamer, T‑184/11 P, EU:T:2012:236, punt 85 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 9 juni 2021, DI/ECB, T‑514/19, waartegen hogere voorziening is ingesteld, EU:T:2021:332, punt 197; zie in die zin ook arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, 31 maart 2015, Andreasen tegen Verenigd Koninkrijk en 26 andere lidstaten van de Europese Unie, CE:ECHR:2015:0331DEC002882711, § 73).

174    Op grond van artikel 3 van bijlage IX bij het Statuut kon de secretaris‑generaal van het Parlement, toen hij besloot dat niet‑nakoming van artikel 21 bis van het Statuut door verzoekster moest worden vastgesteld, uit onderstaande mogelijkheden de volgens hem in het licht van de feiten van de zaak meest geschikte mogelijkheid kiezen.

175    In de eerste plaats kon hij besluiten om geen tuchtmaatregel te treffen [artikel 3, lid 1, onder b), van bijlage IX bij het Statuut].

176    In de tweede plaats kon hij, zonder een dergelijke maatregel te treffen, besluiten om de betrokken ambtenaar een terechtwijzing te geven [artikel 3, lid 1, onder b), van bijlage IX bij het Statuut].

177    In de derde plaats kon hij een tuchtprocedure inleiden zonder de tuchtraad te raadplegen, wat kan leiden tot de oplegging van een schriftelijke waarschuwing of berisping [artikel 3, lid 1, onder c), i), en artikel 11 van bijlage IX bij het Statuut].

178    In de vierde plaats kon hij een tuchtprocedure inleiden bij de tuchtraad, wat het mogelijk zou hebben gemaakt om zwaardere tuchtmaatregelen op te leggen [artikel 3, lid 1, onder c), ii), en artikel 9 van bijlage IX bij het Statuut].

179    In casu blijkt uit het dossier dat de secretaris-generaal van het Parlement op 8 november 2019 met zijn besluit om verzoekster een tuchtmaatregel op te leggen zonder de tuchtraad in te schakelen, heeft gekozen voor de derde mogelijkheid, aangegeven in punt 177 hierboven.

180    In de begeleidende brief bij het bestreden besluit van 9 januari 2020 heeft de secretaris-generaal van het Parlement zijn besluit met de volgende elementen gerechtvaardigd:

–        de specifieke context, gekenmerkt door urgentie in verband met een humanitaire crisis;

–        het zeer regelmatige gebruik door het EASO van uitzonderingsprocedures voor het plaatsen van opdrachten in deze context;

–        het feit dat verzoekster van haar voor aanbestedingen en operaties verantwoordelijke collega’s de verzekering had gekregen dat alles aan de wettelijke vereisten voldeed;

–        het feit dat verzoekster in beperkte omvang en aan het einde van de procedure bij de dossiers betrokken was en niet verantwoordelijk was voor de initiële keuzen in verband met de aanbestedingen;

–        de destijds zeer zware werklast van verzoekster;

–        haar onberispelijke staat van dienst.

181    Zoals verzoekster ter terechtzitting heeft opgemerkt, zijn die – zes – omstandigheden zonder meer gunstig voor haar en doen zij vermoeden dat ten aanzien van haar aansprakelijkheid, indien deze zouden worden erkend, verzachtende omstandigheden zouden moeten gelden.

182    Zoals vermeld in de brief van 9 januari 2020 zouden die omstandigheden dus van dien aard geweest kunnen zijn dat zij het TABG van het Parlement tot de slotsom hadden kunnen brengen om niet-nakoming vast te stellen zonder een tuchtmaatregel op te leggen, en verzoekster een terechtwijzing of ten hoogste een schriftelijke waarschuwing te geven als bedoeld in artikel 11 van bijlage IX bij het Statuut.

183    Daarentegen bieden de door het TABG van het Parlement in de brief van 9 januari 2020 genoemde omstandigheden geen enkele grondslag om de keuze voor de zwaarst mogelijke tuchtmaatregel bij ontstentenis van raadpleging van de tuchtraad, te weten berisping, te rechtvaardigen.

184    Uit het voorgaande moet worden afgeleid dat, gelet op de door het TABG van het Parlement ter staving van het bestreden besluit verstrekte bewijzen, de aan verzoekster opgelegde tuchtmaatregel onevenredig is aan de haar verweten niet-nakoming.

185    Ter terechtzitting heeft het Parlement aangevoerd dat de zwaarste van de in artikel 11 van bijlage IX bij het Statuut genoemde tuchtmaatregelen was gekozen, omdat de ondertekening van de litigieuze nota’s de Unie aanzienlijke schade had berokkend.

186    Voorts heeft het Parlement gepreciseerd dat dat element is beschreven op bladzijde 3 van het rapport van het administratief onderzoek, zijnde het rapport waarnaar de vijfde overweging van het bestreden besluit verwijst.

187    Er zij echter op gewezen dat de vijfde overweging van het bestreden besluit als volgt luidt: „gezien de conclusies van het administratief onderzoeksrapport van 7 juni 2019”.

188    Deze overweging verwijst dus niet naar het volledige rapport van het administratief onderzoek, maar alleen in het algemeen naar de conclusies van dat rapport, waarin geenszins melding wordt gemaakt van de schade die de Unie zou zijn berokkend door de ondertekening van de litigieuze nota’s.

189    Hoe dan ook zij eraan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak (zie in die zin arresten van 28 maart 1996, V/Commissie, T‑40/95, EU:T:1996:45, punt 36; 10 september 2019, DK/EDEO, T‑217/18, niet gepubliceerd, EU:T:2019:571, punt 149, en 21 oktober 2015, AQ/Commissie, F‑57/14, EU:F:2015:122, punt 113), de verzwarende omstandigheden, evenals de verzachtende omstandigheden, in het bestreden besluit moeten worden beschreven. Om de in de punten 165 tot en met 173 hierboven uiteengezette redenen is het van belang dat de overwegingen waarop het TABG het besluit om een tuchtmaatregel op te leggen baseert, van dien aard zijn dat zij de aan de betrokkene opgelegde maatregel kunnen rechtvaardigen.

190    Om dezelfde reden kunnen de in punt VI van het administratief onderzoeksrapport vermelde omstandigheden die tegen verzoekster spreken, namelijk dat zij „als ervaren ambtenaar, juriste en voormalig rechter in België, had moeten toezien op de naleving van de geldende regels en procedures” en dat zij „een functie heeft aanvaard, waarvoor zij, naar eigen zeggen, niet goed was voorbereid”, niet in aanmerking worden genomen ter rechtvaardiging van het feit dat – voor zover haar een tuchtmaatregel diende te worden opgelegd – haar een berisping in plaats van een waarschuwing of enkel een terechtwijzing was opgelegd, ook al was de tuchtprocedure ingeleid zonder raadpleging van de tuchtraad.

191    In die omstandigheden moet worden vastgesteld dat op grond van de door het Parlement in het bestreden besluit verstrekte bewijzen niet kan worden vastgesteld dat de aan verzoekster opgelegde tuchtmaatregel voldoet aan het evenredigheidsvereiste van artikel 10 van bijlage IX bij het Statuut.

192    Nu er sprake is van een dergelijke fout moet de tweede grief van het derde onderdeel van het eerste middel ontvankelijk en gegrond worden verklaard.

193    Aangezien het eerste middel wat betreft het tweede onderdeel en de tweede grief van het derde onderdeel ervan gegrond is verklaard, moet het bestreden besluit nietig worden verklaard zonder dat het tweede middel hoeft te worden onderzocht.

IV.    Kosten

194    Volgens artikel 134, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dat is gevorderd.

195    Aangezien het Parlement in casu in het ongelijk is gesteld, dient het overeenkomstig de vordering van verzoekster te worden verwezen in de kosten.


HET GERECHT (Vierde kamer – uitgebreid),

rechtdoende, verklaart:

1)      Het besluit van het Europees Parlement van 19 december 2019 waarbij OT een berisping is gegeven, wordt nietig verklaard.

2)      Het Parlement wordt verwezen in de kosten.

Gervasoni

Madise

Nihoul

Frendo

 

      Martín y Pérez de Nanclares

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 23 maart 2022.

ondertekeningen


*      Procestaal: Frans.