ARREST VAN HET GERECHT (Derde kamer)

23 mei 2019 (*)

„Niet-contractuele aansprakelijkheid – Economisch en monetair beleid – ECB – Nationale centrale banken – Herstructurering van de Griekse staatsschuld – Betrokkenheid van de particuliere sector – Collectieve-actieclausules – Verplichte ruil van Griekse schuldbewijzen – Particuliere schuldeisers – Advies van de ECB – Voldoende gekwalificeerde schending van een rechtsregel waaraan particulieren rechten ontlenen – Beginsel ,pacta sunt servanda’ – Artikel 17, leden 1 en 2, van het Handvest van de grondrechten – Artikel 63, lid 1, VWEU – Artikel 124 VWEU”

In zaak T‑107/17,

Frank Steinhoff, woonachtig te Hamburg (Duitsland),

Ewald Filbry, woonachtig te Dortmund (Duitsland),

Vereinigte Raiffeisenbanken Gräfenberg-Forchheim-Eschenau-Heroldsberg eG, gevestigd te Gräfenberg (Duitsland),

Werner Bäcker, woonachtig te Rodgau (Duitsland),

EMB Consulting SE, gevestigd te Mühltal (Duitsland),

vertegenwoordigd door O. Hoepner en D. Unrau, advocaten,

verzoekende partijen,

tegen

Europese Centrale Bank (ECB), vertegenwoordigd door O. Heinz en G. Várhelyi als gemachtigden, bijgestaan door H.‑G. Kamann, advocaat,

verweerster,

betreffende een verzoek krachtens artikel 268 VWEU tot vergoeding van de schade die verzoekende partijen stellen te hebben geleden doordat de ECB in haar advies van 17 februari 2012 (CON/2012/12) de Helleense Republiek niet heeft gewezen op het feit dat de voorgenomen herstructurering van de Griekse staatsschuld via een verplichte ruil van schuldbewijzen onrechtmatig was,

wijst

HET GERECHT (Derde kamer),

samengesteld als volgt: S. Frimodt Nielsen, president, V. Kreuschitz (rapporteur) en N. Półtorak, rechters,

griffier: S. Bukšek Tomac, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 29 mei 2018,

het navolgende

Arrest

 Voorgeschiedenis van het geding

1        In oktober 2009 is de Griekse staatsschuldencrisis ontstaan toen de Griekse regering aankondigde dat het overheidstekort 12,5 % van het bruto binnenlands product (bbp) bedroeg en niet 3,7 % zoals eerder bekendgemaakt. Door deze aankondiging is de onzekerheid over de fundamentele economische parameters van de Helleense Republiek sterk toegenomen, en zij heeft aldus geleid tot opeenvolgende ratingverlagingen van de Helleense Republiek en een voortdurende stijging van de rentevoeten die op de financiële markten worden gehanteerd voor de financiering van de Griekse staatsschuld.

2        Eind april 2010 heeft een ratingbureau de rating van Griekse schuldbewijzen verlaagd van BBB– tot BB+, een categorie die door de markten als zeer risicovolle schuld wordt beschouwd. Op 27 april 2010 heeft het ratingbureau Standard & Poor’s (S&P) de houders van Griekse schuldbewijzen dan ook gewaarschuwd dat zij gemiddeld slechts tussen 30 en 50 % kans hadden om hun geld terug te krijgen in geval van een herstructurering van de Griekse staatsschuld of van een betalingsverzuim van de Griekse Staat.

3        Gelet op het feit dat de Griekse schuldencrisis gevolgen dreigde te hebben in andere lidstaten van de eurozone en de stabiliteit van de gehele eurozone in gevaar bracht, zijn de staatshoofden en regeringsleiders van de lidstaten van de eurozone tijdens de bijeenkomst van de Europese Raad van 25 maart 2010 overeengekomen om een intergouvernementeel mechanisme voor bijstand aan de Helleense Republiek tot stand te brengen in de vorm van gecoördineerde bilaterale leningen tegen niet-concessionele rentevoeten, dat wil zeggen zonder subsidiecomponent. De uitgifte van de leningen was onderworpen aan strenge voorwaarden en werd geactiveerd op verzoek van de Helleense Republiek. Het bijstandsmechanisme omvatte ook een substantiële bijdrage van het Internationaal Monetair Fonds (IMF).

4        Op 2 mei 2010 hebben de lidstaten van de eurozone ermee ingestemd de Helleense Republiek overeenkomstig het bovengenoemde bijstandsmechanisme in het kader van een samen met het IMF toegekend pakket van 110 miljard EUR een lening van 80 miljard EUR te verstrekken.

5        Op 9 mei 2010 is in het kader van de Raad Ecofin besloten om een aantal maatregelen te nemen, waaronder de vaststelling – op de grondslag van artikel 122, lid 2, VWEU – van verordening (EU) nr. 407/2010 van de Raad van 11 mei 2010 houdende instelling van een Europees financieel stabilisatiemechanisme (PB 2010, L 118, blz. 1), en de oprichting van de Europese Faciliteit voor financiële stabiliteit (EFSF). Op 7 juni 2010 is de EFSF opgericht en hebben de lidstaten van de eurozone en de EFSF de kaderovereenkomst ondertekend waarbij de voorwaarden zijn vastgesteld waaronder de EFSF stabiliteitssteun zou verlenen.

6        Midden 2011 zijn de Helleense Republiek, de lidstaten van de eurozone en verschillende schuldeisers van de Griekse Staat gesprekken aangegaan over de invoering van een nieuw programma voor financiële bijstand. Deze gesprekken hadden als algemeen doel de financiële situatie van de Helleense Republiek opnieuw levensvatbaar te maken. Een van de mogelijkheden die aan bod kwamen, was een herstructurering van de Griekse staatsschuld, waarbij de particuliere schuldeisers van de Helleense Republiek zouden bijdragen tot een vermindering van de schuldenlast teneinde een faillissement te voorkomen.

7        In juni en juli 2011 hebben de lidstaten van de eurozone en meerdere particuliere schuldeisers van de Griekse Staat voorstellen geformuleerd om de Griekse staatsschuld te herstructureren.

8        In een perscommuniqué van 1 juli 2011 heeft het Institute for International Finance (IIF) met name verklaard:

„De raad van bestuur van het Institute of International Finance verbindt zich ertoe samen te werken met zijn leden en met de andere financiële instellingen, alsook met de openbare sector en de Griekse autoriteiten, teneinde [de Helleense Republiek] aanzienlijke kasstroomondersteuning te bieden en tevens de grondslag te leggen voor een meer houdbare schuldpositie.

De leden van de particuliere financiële gemeenschap zijn bereid om samen een vrijwillige, transparante en grootschalige inspanning te leveren ter ondersteuning van [de Helleense Republiek], gelet op de unieke en uitzonderlijke omstandigheden. [...]

De bijdrage van de particuliere beleggers zal een aanvulling zijn op de financiële hulp en de liquiditeitssteun die door openbare instanties wordt verleend, en zal gebaseerd zijn op een klein aantal opties. [...]”

9        Op 21 juli 2011 hebben de staatshoofden en regeringsleiders van de lidstaten van de eurozone en de hoofden van de instellingen van de Europese Unie vergaderd over de maatregelen die moesten worden genomen om de moeilijkheden te overwinnen waarmee de eurozone werd geconfronteerd.

10      In hun gezamenlijke verklaring van 21 juli 2011 staat onder meer het volgende te lezen:

„1.      Wij zijn ingenomen met de maatregelen die de Griekse regering heeft genomen om de overheidsfinanciën te stabiliseren en de economie te hervormen, alsmede met het nieuwe pakket maatregelen, waaronder privatiseringen, dat het Griekse parlement recentelijk heeft aangenomen. Het betreft ongekende maatregelen, maar deze inspanningen zijn nodig om de Griekse economie opnieuw duurzaam te laten groeien. Wij zijn ons bewust van de inspanningen die de aanpassingsmaatregelen van de Griekse burgers vragen, en wij zijn ervan overtuigd dat deze opofferingen onontbeerlijk zijn voor het economische herstel en zullen bijdragen tot de toekomstige stabiliteit en welvaart van het land.

2.      Wij zijn overeengekomen om samen met het IMF en de vrijwillige bijdrage van de particuliere sector een nieuw programma voor [de Helleense Republiek] te steunen, teneinde de financieringskloof volledig te dichten. De officiële financiering zal in totaal ongeveer 109 miljard EUR bedragen. Dit programma zal zodanig zijn opgebouwd, met name door lagere rentevoeten en langere looptijden van de leningen, dat het de schuldhoudbaarheid en het herfinancieringsprofiel van [de Helleense Republiek] doorslaggevend verbetert. Wij roepen het IMF op om te blijven bijdragen aan de financiering van het nieuwe programma voor [de Helleense Republiek]. Wij zijn voornemens de EFSF als financieringsinstrument te gebruiken voor de volgende betaling. Wij zullen van zeer dichtbij de strikte uitvoering van het programma volgen, op basis van de regelmatige evaluatie die de [Europese] Commissie in samenwerking met de ECB en het IMF zal verrichten.

[...]

5.      De financiële sector heeft aangegeven bereid te zijn [de Helleense Republiek] op vrijwillige basis te ondersteunen met een reeks opties waardoor de algemene houdbaarheid verder wordt versterkt. De nettobijdrage van de particuliere sector wordt geraamd op 37 miljard EUR. [...]”

11      Ten aanzien van de betrokkenheid van de particuliere sector is in punt 6 van de gezamenlijke verklaring van 21 juli 2011 het volgende opgenomen:

„Wat onze algemene benadering van de betrokkenheid van de particuliere sector bij de eurozone betreft, willen wij duidelijk stellen dat [de Helleense Republiek] een uitzonderlijke en unieke oplossing vereist.”

12      Op de Eurotop van 26 oktober 2011 hebben de staatshoofden en regeringsleiders van de lidstaten van de eurozone onder meer verklaard:

„12.      De betrokkenheid van de particuliere sector zal van cruciaal belang zijn om de [...] schuld [van de Helleense Republiek] houdbaar te maken. Daarom verwelkomen wij de huidige besprekingen tussen [de Helleense Republiek] en [haar] particuliere beleggers over een oplossing voor nauwere betrokkenheid van de particuliere sector. Samen met een ambitieus hervormingsprogramma voor de Griekse economie moet die betrokkenheid ervoor zorgen dat de Griekse schuldquote afneemt, tot uiteindelijk 120 % in 2020. Te dien einde verzoeken wij [de Helleense Republiek], de particuliere beleggers en alle betrokken partijen over te gaan tot vrijwillige obligatieruil met een nominale afwaardering van 50 % op de notionele Griekse schuld die in handen is van particuliere beleggers. De lidstaten van de eurozone zouden tot 30 miljard EUR bijdragen in het betrokkenheidspakket. Op die basis is de publieke sector bereid additionele programmafinanciering te verstrekken van maximaal 100 miljard EUR tot 2014, daaronder begrepen de vereiste herkapitalisatie van de Griekse banken. Het nieuwe programma moet eind 2011 worden afgesproken en de obligatieruil moet begin 2012 zijn beslag krijgen. Wij verzoeken het IMF verder bij te dragen in de financiering van het nieuwe Griekse programma.

[...]

15.      Wat onze algemene benadering van de betrokkenheid van de particuliere sector bij de eurozone betreft, bevestigen wij ons besluit van 21 juli 2011 dat [de Helleense Republiek] een uitzonderlijke en unieke oplossing vereist.”

13      Volgens een perscommuniqué van het Griekse ministerie van Financiën van 17 november 2011 had dit ministerie onderhandelingen aangeknoopt met de houders van Griekse schuldbewijzen teneinde een vrijwillige ruil van die schuldbewijzen voor te bereiden, die gepaard zou gaan met een nominale afwaardering van 50 % op de notionele Griekse schuld die in handen was van particuliere beleggers, overeenkomstig hetgeen bepaald was in punt 12 van de verklaring van 26 oktober 2011.

14      Op 2 februari 2012 heeft de Helleense Republiek op grond van artikel 127, lid 4, VWEU, gelezen in samenhang met artikel 282, lid 5, VWEU, de Europese Centrale Bank (ECB) verzocht om advies over het ontwerp van de Griekse wet nr. 4050/2012 tot invoering van regels inzake de wijziging van de voorwaarden voor de door de Griekse Staat uitgegeven of gegarandeerde verhandelbare schuldbewijzen, die in het kader van overeenkomsten met de houders daarvan plaatsvindt met het oog op de herstructurering van de Griekse staatsschuld die wordt doorgevoerd op basis van onder meer de toepassing van „collectieve-actieclausules” (hierna: „CAC’s”).

15      Op 17 februari 2012 heeft de ECB advies CON/2012/12 uitgebracht over de door de Griekse Staat uitgegeven of gegarandeerde verhandelbare schuldbewijzen (hierna: „litigieus advies”). Uit dit advies blijkt met name het volgende. Ten eerste „is het, mede om de financiële stabiliteit te waarborgen, van belang dat de lidstaten de mogelijkheid behouden om te allen tijde hun verplichtingen na te komen”. Ten tweede is „[h]et geval van de Helleense Republiek [...] uitzonderlijk en uniek” (paragraaf 2.1). Ten derde strekt het wetsontwerp ertoe de betrokkenheid van de particuliere sector te bevorderen en meer bepaald een procedure in te voeren die tot doel heeft overeenkomstig de CAC’s de onderhandelingen met de houders van Griekse schuldbewijzen te faciliteren alsook te bewerkstelligen dat zij gemakkelijker instemmen met een aanbod van de Helleense Republiek om dergelijke schuldbewijzen in te ruilen en aldus een mogelijke herstructurering van de Griekse staatsschuld te bevorderen (paragraaf 2.2). Ten vierde is „[d]e ECB [...] verheugd dat de voorwaarden voor een dergelijke ruil het resultaat zijn van onderhandelingen tussen de Helleense Republiek en de instellingen die de houders van schuldbewijzen vertegenwoordigen” (paragraaf 2.3). Ten vijfde is „[h]et gebruik van CAC’s als een procedure om te komen tot een ruil van schuldbewijzen [...] grotendeels in overeenstemming met de gangbare praktijk” (paragraaf 2.4). Ten zesde blijft „[d]e regering van de Helleense Republiek [...] als enige verantwoordelijk om de nodige maatregelen te treffen waardoor haar schuldenlast uiteindelijk houdbaar blijft” (paragraaf 2.6).

16      In een perscommuniqué van 21 februari 2012 heeft het Griekse ministerie van Financiën de grote lijnen van de voorgenomen operatie betreffende de vrijwillige ruil van Griekse schuldbewijzen bekendgemaakt en daarnaast aangekondigd dat daartoe een wet zou worden voorbereid en vastgesteld. Bij die operatie moest aan de particuliere houders van bepaalde Griekse schuldbewijzen een verzoek om instemming en een oproep worden gericht om die schuldbewijzen in te ruilen tegen nieuwe schuldbewijzen met een nominale waarde die 31,5 % van die van de ingeruilde schuldbewijzen zou bedragen, alsook tegen schuldbewijzen met een looptijd van 24 maanden die door de EFSF zouden worden uitgegeven en waarvan de nominale waarde 15 % van die van de ingeruilde schuldbewijzen zou bedragen. De Helleense Republiek moest die verschillende schuldbewijzen bij de sluiting van de overeenkomst afgeven. Bovendien moest zij aan alle particuliere beleggers die bij de operatie betrokken waren, afzonderlijk verhandelbare zekerheden verstrekken die gekoppeld waren aan het bbp en dezelfde notionele waarde hadden als de nieuwe schuldbewijzen.

17      Eveneens op 21 februari 2012 heeft de Eurogroep een verklaring gepubliceerd waarin stond te lezen dat hij „kennis [had] genomen van het akkoord tussen de Griekse autoriteiten en de particuliere sector over de algemene voorwaarden van het aanbod tot ruil van schuldbewijzen, dat [gold] voor alle particuliere houders van schuldbewijzen”, en dat hij had vastgesteld dat „[e]en succesvolle [betrokkenheid van particuliere investeerders, Private Sector Involvement,] [...] een noodzakelijke voorwaarde voor een vervolgprogramma [was]”. Tevens heeft de Eurogroep bevestigd dat de lidstaten van de eurozone via de EFSF extra financiële steun zouden verlenen aan de Helleense Republiek, en opgemerkt dat „[d]e bijdragen van respectievelijk de openbare en de particuliere sector [moesten] waarborgen dat de Griekse overheidsschuldquote gestaag [zou afnemen] tot 120,5 % van het bbp in 2020.”

18      Op 23 februari 2012 heeft het Griekse parlement nomós 4050, Kanónes tropopoiíseos títlon, ekdóseos í engyíseos tou Ellinikoú Dimosíou me symfonía ton Omologioúchon (wet nr. 4050/2012 tot wijziging van de door de Griekse Staat uitgegeven of gegarandeerde schuldbewijzen met instemming van de houders ervan en tot invoering van het CAC-mechanisme; FEK A’ 36 van 23 februari 2012) vastgesteld. Op grond van het CAC-mechanisme zouden de voorgestelde wijzigingen voor alle houders van onder het Griekse recht vallende en vóór 31 december 2011 uitgegeven schuldbewijzen, zoals die waren omschreven in het besluit van de ministerraad houdende goedkeuring van de oproepen tot deelname van particuliere investeerders (Private Sector Involvement; hierna: „PSI”), juridisch bindend worden mits zij gezamenlijk en zonder onderscheid tussen de verschillende reeksen werden goedgekeurd door houders van schuldbewijzen die samen minstens twee derde van de totale nominale waarde van die schuldbewijzen vertegenwoordigen. Voorts staat in de preambule van wet nr. 4050/2012 onder meer te lezen dat „de [ECB] en de andere leden van het Eurosysteem [...] met [de Helleense Republiek] bijzondere akkoorden [hebben] gesloten om te vermijden dat hun taak en hun institutionele rol alsook de rol van de [ECB] bij de uitwerking van het monetaire beleid, zoals die uit het Verdrag blijken, in gevaar zouden worden gebracht”.

19      In een perscommuniqué van 24 februari 2012 heeft het Griekse ministerie van Financiën onder verwijzing naar wet nr. 4050/2012 gepreciseerd welke voorwaarden golden voor de vrijwillige ruil van schuldbewijzen waarbij particuliere beleggers betrokken zijn. Vervolgens zijn er openbare oproepen gelanceerd om deel te nemen aan een ruil van schuldbewijzen.

20      In een perscommuniqué van 9 maart 2012 heeft het Griekse ministerie van Financiën verklaard dat in beginsel was voldaan aan de voorwaarden van wet nr. 4050/2012 en heeft zij bekendgemaakt in welke mate de particuliere schuldeisers waren ingegaan op het aanbod tot ruil. In dat communiqué staat daarover onder meer het volgende te lezen:

„[D]e houders van ongeveer 172 miljard EUR aan schuldbewijzen die zijn uitgegeven door de [Helleense] Republiek of waarvoor deze borg staat, [hebben] naar aanleiding van daartoe strekkende oproepen en verzoeken om instemming die de [Helleense] Republiek op 24 februari 2012 had gedaan, hun schuldbewijzen ter ruil [...] aangeboden of ingestemd [...] met de voorgenomen wijzigingen.

Van de ongeveer 177 miljard EUR aan onder het Griekse recht vallende schuldbewijzen die door de [Helleense] Republiek zijn uitgegeven en waarvoor oproepen zijn gedaan, heeft de [Helleense] Republiek ruilaanbiedingen en instemmingen ontvangen van houders van schuldbewijzen met een totale nominale waarde van ongeveer 152 miljard EUR, hetgeen overeenkomt met 85,8 % van het openstaande nominale bedrag van die schuldbewijzen. De houders van 5,3 % van het openstaande nominale bedrag van die schuldbewijzen hebben gereageerd op het verzoek om instemming en de voorgestelde wijzigingen afgewezen. De [Helleense] Republiek heeft haar schuldeisers van de openbare sector meegedeeld dat zij voornemens is om de ontvangen instemmingen te aanvaarden zodra deze zijn bevestigd en gecertificeerd door de [Griekse centrale bank], die overeenkomstig wet nr. 4050/2012 verantwoordelijk is voor de procedure, en om over te gaan tot wijziging van de voorwaarden van al haar schuldbewijzen die onder het Griekse recht vallen, daaronder begrepen die welke na de oproepen niet overeenkomstig de voormelde wet ter ruil zijn aangeboden. Bijgevolg zal de [Helleense] Republiek de duur van de oproep voor haar onder het Griekse recht vallende schuldbewijzen niet verlengen.

[...] Worden de instemmingen met de voorgenomen wijzigingen van de onder het Griekse recht vallende schuldbewijzen aanvaard, dan zal de totale nominale waarde van deze in te ruilen schuldbewijzen en van de overige[, niet onder het Griekse recht vallende] schuldbewijzen waarvoor oproepen zijn gedaan en waarvoor de [Helleense] Republiek ruilaanbiedingen en instemmingen met de voorgenomen wijzigingen heeft ontvangen, 197 miljard EUR bedragen, hetgeen overeenkomt met 95,7 % van de totale nominale waarde van de schuldbewijzen waarop de oproepen betrekking hadden.”

21      Verzoekende partijen – Frank Steinhoff, Ewald Filbry, Vereinigte Raiffeisenbanken Gräfenberg-Forchheim-Eschenau-Heroldsberg eG, Werner Bäcker en EMB Consulting SE – waren als houders van Griekse schuldvorderingen overeenkomstig de op grond van wet nr. 4050/2012 toegepaste PSI en CAC’s betrokken bij de herstructurering van de Griekse staatsschuld, nadat zij het aanbod om hun schuldbewijzen in te ruilen hadden afgewezen.

 Procedure en conclusies van partijen

22      Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 16 februari 2017, hebben verzoekende partijen het onderhavige beroep ingesteld.

23      Op voorstel van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht (Derde kamer) besloten tot de mondelinge behandeling over te gaan.

24      Partijen hebben ter terechtzitting van 29 mei 2018 pleidooi gehouden en geantwoord op de mondelinge vragen van het Gerecht.

25      Verzoekende partijen verzoeken het Gerecht:

–        de ECB te veroordelen tot betaling van 314 000 EUR aan Steinhoff, 54 950 EUR aan Filbry, 2 355 000 EUR aan Vereinigte Raiffeisenbanken Gräfenberg-Forchheim-Eschenau-Heroldsberg, 303 795 EUR aan Bäcker en 750 460 EUR aan EMB Consulting;

–        deze bedragen te verhogen met de basisrente vermeerderd met 5 % vanaf de datum waarop het beroep aanhangig is.

26      De ECB verzoekt het Gerecht:

–        het beroep niet-ontvankelijk en, subsidiair, ongegrond te verklaren;

–        verzoekende partijen te verwijzen in de kosten.

 In rechte

 Ontvankelijkheid

27      De ECB is van mening dat het beroep van verzoekende partijen om vier redenen niet-ontvankelijk is. Ten eerste is het beroep verjaard. Ten tweede is het Gerecht niet bevoegd om de gevorderde veroordelingen uit te spreken. Ten derde kan de ECB niet aansprakelijk worden gesteld daar zij niet bevoegd is om een juridisch bindende handeling vast te stellen. Ten vierde kan er geen sprake zijn van niet-contractuele aansprakelijkheid wegens nalaten wanneer er geen verplichting tot handelen bestaat.

28      Verzoekende partijen betwisten dat hun beroep niet-ontvankelijk is.

 Verjaring van het beroep en ontvankelijkheid van de bijlagen

29      De ECB merkt op dat de door verzoekende partijen gestelde schade voortvloeit uit de op 9 maart 2012 bekendgemaakte PSI, en dat het onderhavige beroep van verzoekende partijen, dat op 16 februari 2017 ter griffie van het Gerecht is neergelegd, het voorwerp was van verzoeken om regularisatie, waaraan verzoekers op 15 maart 2017 gevolg hebben gegeven. De ECB leidt daaruit af dat verzoekende partijen pas op 15 maart 2017 beroep hebben ingesteld bij het Gerecht, zodat dit beroep is verjaard op grond van artikel 46 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, gelezen in samenhang met artikel 76 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht.

30      Volgens artikel 46 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie verjaren de vorderingen tegen de Unie inzake niet-contractuele aansprakelijkheid vijf jaar na het feit dat tot deze vordering aanleiding heeft gegeven. De verjaring wordt gestuit door een bij het Gerecht ingesteld beroep. In artikel 46 van dat Statuut wordt gepreciseerd dat deze bepaling ook van toepassing is op vorderingen tegen de ECB inzake niet-contractuele aansprakelijkheid.

31      In casu zijn verzoekende partijen van mening dat het litigieuze advies van 17 februari 2012 het feit vormt dat tot de niet-contractuele aansprakelijkheid van de ECB aanleiding geeft. Op 16 februari 2017 hebben zij hun beroep tot schadevergoeding ingesteld. Bijgevolg is hun beroep ingesteld binnen de vijf jaar nadat het genoemde advies was uitgebracht en kan dat beroep niet worden geacht te zijn verjaard.

32      Aan deze gevolgtrekking wordt niet afgedaan door het feit dat de griffie van het Gerecht heeft verzocht het verzoekschrift te regulariseren met betrekking tot ten eerste de overlegging van de bijlagen met een paginanummering die doorlopend is maar losstaat van die van het processtuk waarbij zij zijn gevoegd [zie letter k) van bijlage 2 bij de praktische uitvoeringsbepalingen voor het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht (PB 2015, L 152, blz. 1), in de versie die van toepassing was op het ogenblik van die verzoeken; hierna: „praktische uitvoeringsbepalingen”], en ten tweede de overlegging van een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift van het verzoekschrift en de bijlagen daarbij [zie letters h), j) en m), van bijlage 2 bij de praktische uitvoeringsbepalingen], noch door het feit dat verzoekende partijen die onregelmatigheden pas op 15 maart 2017 hebben hersteld.

33      Anders dan de ECB stelt, heeft de regularisatie van een verzoekschrift immers in beginsel geen invloed op de datum waarop de zaak bij het Gerecht aanhangig is gemaakt, noch op de beoordeling of dat verzoekschrift is ingediend binnen de in artikel 263, zesde alinea, VWEU of artikel 46 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie gestelde termijnen. Volgens punt 111 van de praktische uitvoeringsbepalingen kan het feit dat een verzoekschrift niet voldoet aan de vormvoorschriften van bijlage 2 bij deze bepalingen, slechts leiden tot uitstel van de betekening ervan. Wanneer een verzoekschrift is geregulariseerd, blijft de datum van indiening ervan bij het Gerecht dus ongewijzigd. Een verzoekschrift kan enkel worden geacht te zijn ingediend op een wijze die niet-ontvankelijkheid met zich meebrengt, wanneer het niet de in artikel 76 van het Reglement voor de procesvoering genoemde wezenlijke gegevens bevat en deze gegevens pas na het verstrijken van de beroepstermijn worden overgelegd (zie in die zin arresten van 27 november 1984, Bensider e.a./Commissie, 50/84, EU:C:1984:365, punt 8, en 16 december 2011, Enviro Tech Europe en Enviro Tech International/Commissie, T‑291/04, EU:T:2011:760, punt 95), of wanneer met betrekking tot dat verzoekschrift een verzoek om regularisatie is ingediend omdat het niet voldoet aan de voorwaarden van bijlage I bij de praktische uitvoeringsbepalingen en de verzoekende partij niet overgaat tot de regularisatie waarom verzocht is (zie punt 110 van de praktische uitvoeringsbepalingen).

34      De ECB heeft tevens vastgesteld dat verschillende bij het verzoekschrift gevoegde bijlagen niet vanuit het Grieks waren vertaald in de procestaal, het Duits. Ter terechtzitting heeft de ECB in antwoord op een vraag van het Gerecht verduidelijkt dat volgens haar die bijlagen niet-ontvankelijk moesten worden verklaard omdat zij niet waren vertaald in de procestaal.

35      In dit verband zij eraan herinnerd dat krachtens artikel 46, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering elk overgelegd of in bijlage opgenomen stuk dat in een andere taal dan de procestaal is opgesteld, vergezeld moet gaan van een vertaling in de procestaal. Lid 3 van hetzelfde artikel bepaalt evenwel dat in geval van omvangrijke stukken uittreksels in vertaling kunnen worden ingediend. De vertaling van de bij het verzoekschrift gevoegde stukken in de procestaal vormt dus geen vereiste waaraan stelselmatig moet zijn voldaan. Bijgevolg kan het ontbreken van een vertaling niet automatisch de niet-ontvankelijkheid van die stukken met zich meebrengen.

36      Bovendien blijkt uit punt 108 van de praktische uitvoeringsbepalingen [thans punt 99 na de wijzigingen van de praktische uitvoeringsbepalingen voor het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht (PB 2018, L 294, blz. 40)] dat wanneer de als bijlage bij een processtuk gevoegde stukken niet vergezeld gaan van een vertaling in de procestaal, de griffier de betrokken partij verzoekt om een vertaling indien deze voor een goede procesgang noodzakelijk blijkt. In casu is dergelijk verzoek niet geformuleerd, hetgeen impliceert dat het ontbreken van een vertaling niet werd geacht de goede procesgang negatief te beïnvloeden.

37      Gelet op deze preciseringen moet worden vastgesteld dat het feit dat de betreffende bijlagen niet in de procestaal zijn vertaald, geen onregelmatigheid vormt die de niet-ontvankelijkheid van die bijlagen met zich meebrengt, noch van invloed is op de datum waarop het verzoekschrift is ingediend, zodat het niet tot gevolg heeft dat het onderhavige beroep is verjaard.

38      Om alle voorgaande redenen moeten de stellingen van de ECB dat het beroep van verzoekende partijen is verjaard en dat de niet in de procestaal vertaalde bijlagen niet-ontvankelijk zijn, worden afgewezen.

 Bevoegdheid van het Gerecht

39      De ECB is van mening dat de gestelde schade is veroorzaakt door een zuiver nationale maatregel. Bijgevolg kan er op haar geen niet-contractuele aansprakelijkheid rusten en is het Gerecht niet bevoegd.

40      Ter ondersteuning van deze stelling voert de ECB ten eerste aan dat de verliezen die verzoekende partijen menen te hebben geleden, niet voortvloeien uit haar optreden maar uit het optreden van het Griekse parlement, dat wet nr. 4050/2012 heeft vastgesteld, alsmede uit het besluit van een meerderheid van de houders van de betreffende schuldbewijzen. Ten tweede behoort de herstructurering van de staatsschuld van een lidstaat tot de exclusieve bevoegdheid van de lidstaten. Met de vaststelling van wet nr. 4050/2012 heeft de Helleense Republiek het Unierecht dus niet ten uitvoer gebracht in de zin van artikel 51, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”). Ten derde moet, los van de vraag of met wet nr. 4050/2012 het Unierecht ten uitvoer wordt gebracht, de Helleense Republiek – en niet de ECB – verzoekende partijen vergoeden voor alle gestelde verliezen, aangezien de lidstaten krachtens artikel 4, lid 3, VEU gehouden zijn alle maatregelen te treffen die geschikt zijn om de nakoming van de uit het Unierecht voortvloeiende verplichtingen te verzekeren, waaronder de verplichting om de onwettige gevolgen van een schending van het Unierecht ongedaan te maken. Ten vierde heeft het litigieuze advies geen betrekking op – en kan het geen betrekking hebben op – de specifieke kenmerken van PSI. Het besluit om PSI voor te stellen en de uitwerking ervan behoorde uitsluitend tot de bevoegdheid van de organen van de Helleense Republiek. Daarbij komt dat het besluit om de voorwaarden voor PSI te aanvaarden, is genomen met een gekwalificeerde meerderheid van de particuliere schuldeisers.

41      Verzoekende partijen zijn van mening dat het litigieuze advies beslissend is geweest voor de vaststelling en uitvoering van wet nr. 4050/2012 door de Griekse Staat.

42      Gelet op deze argumenten zij eraan herinnerd dat het Gerecht krachtens artikel 268 VWEU, gelezen in samenhang met artikel 340, derde alinea, VWEU, bevoegd is kennis te nemen van geschillen over schade die de ECB zou hebben veroorzaakt, en zulks overeenkomstig de algemene beginselen die de rechtsstelsels van de lidstaten gemeen hebben.

43      Aangezien verzoekers stellen dat zij schade hebben geleden doordat de ECB het litigieuze advies heeft uitgebracht, is het Gerecht krachtens de artikelen 268 en 340 VWEU bevoegd om deze stelling te onderzoeken.

44      Aan deze gevolgtrekking wordt niet afgedaan door het feit dat die schade volgens de ECB niet is veroorzaakt door het litigieuze advies, maar door het optreden van de Helleense Republiek en de andere houders van Griekse schuldbewijzen.

45      Die kwestie houdt namelijk verband met het onderzoek van de voorwaarden voor de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie, te weten in casu met de vaststelling van het feit dat tot die aansprakelijkheid aanleiding geeft alsook met het oorzakelijke verband tussen dat feit en de gestelde schade, die aan bod komen bij het onderzoek ten gronde van het onderhavige beroep (zie in die zin arresten van 29 januari 1998, Dubois et Fils/Raad en Commissie, T‑113/96, EU:T:1998:11, punt 34, en 3 mei 2017, Sotiropoulou e.a./Raad, T‑531/14, niet gepubliceerd, EU:T:2017:297, punten 58‑61).

46      Ingeval het Gerecht tot de slotsom zou komen dat de gestelde schade niet is veroorzaakt door het litigieuze advies, zou geen wijziging worden gebracht in de omvang van het onderhavige beroep, dat ertoe strekt de ECB te veroordelen tot het vergoeden van verzoekende partijen, noch in de bevoegdheid van het Gerecht om van dit beroep kennis te nemen. Alsdan is het Gerecht immers bevoegd om te oordelen dat de schade in kwestie niet aan de ECB kan worden toegerekend, en om het beroep ongegrond te verklaren.

47      Bijgevolg moet het argument van de ECB dat het Gerecht niet bevoegd is om te oordelen over de door verzoekende partijen gestelde niet-contractuele aansprakelijkheid, worden afgewezen.

 Geen niet-contractuele aansprakelijkheid wanneer er geen recht bestaat om juridisch bindende instructies uit te vaardigen

48      De ECB is van mening dat het beroep van verzoekende partijen niet-ontvankelijk is omdat zij bij het uitbrengen van een advies overeenkomstig artikel 127, lid 4, en artikel 282, lid 5, VWEU geen bevoegdheid uitoefent op grond waarvan zij juridisch bindende instructies kan geven. De ECB is dan ook van mening dat haar niet-contractuele aansprakelijkheid niet in het geding kan zijn doordat zij een dergelijk advies uitbrengt.

49      Ter ondersteuning van deze stelling betoogt de ECB dat uit vaste rechtspraak blijkt dat de samenwerking tussen de instellingen van de Unie en de nationale autoriteiten of de niet-bindende technische bijstand die de instellingen van de Unie verlenen, niet kan leiden tot de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie jegens particulieren. Een beroep tot schadevergoeding is niet-ontvankelijk wanneer de maatregel van de instelling van de Unie van zuiver politieke aard is. Bovendien heeft de Helleense Republiek in casu een zuiver nationale bevoegdheid uitgeoefend. Ten slotte betwist de ECB dat in recentere rechtspraak is erkend dat niet-bindende rechtshandelingen van de instellingen van de Unie tot de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie kunnen leiden wanneer zij een onrechtmatige gedraging van de nationale autoriteiten tot gevolg hebben gehad, en ontkent zij dat haar adviezen juridisch bindend zijn voor de lidstaten.

50      Verzoekers bestrijden deze argumenten.

51      In dit verband zij eraan herinnerd dat het beroep tot schadevergoeding een zelfstandige rechtsgang is die binnen het stelsel van de beroepsmogelijkheden een bijzondere functie heeft en aan de aanwending waarvan voorwaarden zijn verbonden die verband houden met het specifieke doel ervan. Terwijl de beroepen tot nietigverklaring en wegens nalaten ertoe strekken de onrechtmatigheid van een juridisch bindende handeling of het ontbreken van een dergelijke handeling te bestraffen, betreft het beroep tot schadevergoeding de vordering tot vergoeding van schade die voortvloeit uit een onrechtmatige handeling of gedraging die aan een instelling of een orgaan van de Unie toe te rekenen is (arrest van 7 oktober 2015, Accorinti e.a./ECB, T‑79/13, EU:T:2015:756, punt 61).

52      Volgens vaste rechtspraak die betrekking heeft op de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie voor schade welke aan particulieren wordt berokkend door een aan een instelling of een orgaan van de Unie toe te rekenen schending van het Unierecht – en die mutatis mutandis geldt voor de in artikel 340, derde alinea, VWEU bedoelde niet-contractuele aansprakelijkheid van de ECB – wordt een recht op schadevergoeding toegekend wanneer voldaan is aan drie voorwaarden, te weten dat de geschonden rechtsregel ertoe strekt aan particulieren rechten toe te kennen en er sprake is van een voldoende gekwalificeerde schending, dat het bestaan van de schade wordt aangetoond en, ten slotte, dat er een rechtstreeks causaal verband bestaat tussen de door de benadeelde personen geleden schade en de schending van de verplichting die rust op degene die de handeling heeft vastgesteld (zie in die zin arresten van 10 juli 2003, Commissie/Fresh Marine, C‑472/00 P, EU:C:2003:399, punt 25; 23 maart 2004, Ombudsman/Lamberts, C‑234/02 P, EU:C:2004:174, punt 49 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 4 april 2017, Ombudsman/Staelen, C‑337/15 P, EU:C:2017:256, punt 31).

53      Alleen een onrechtmatige handeling van een instelling die een voldoende gekwalificeerde schending oplevert, kan dus tot de non-contractuele aansprakelijkheid van de Unie leiden. Het beslissende criterium om vast te stellen dat een schending van het Unierecht voldoende gekwalificeerd is, houdt in dat een instelling de grenzen van haar beoordelingsbevoegdheid kennelijk en ernstig heeft overschreden (zie arresten van 4 juli 2000, Bergaderm en Goupil/Commissie, C‑352/98 P, EU:C:2000:361, punt 43 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 4 april 2017, Ombudsman/Staelen, C‑337/15 P, EU:C:2017:256, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Enkel wanneer die instelling of dat orgaan slechts een zeer beperkte of zelfs geen beoordelingsmarge heeft, kan de op het Unierecht gemaakte inbreuk op zichzelf voldoende zijn voor de vaststelling dat sprake is van een voldoende gekwalificeerde schending (zie arrest van 7 oktober 2015, Accorinti e.a./ECB, T‑79/13, EU:T:2015:756, punt 67 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Bovendien is het criterium van een voldoende gekwalificeerde schending van een rechtsregel niet alleen van toepassing wanneer een individuele handeling in het geding is, maar ook in geval van een individueel verzuim (zie in die zin arrest van 16 november 2017, Acquafarm/Commissie, T‑458/16, niet gepubliceerd, EU:T:2017:810, punt 44 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

54      Om de niet-contractuele aansprakelijkheid van een instelling vast te stellen, moet derhalve de gedraging van die instelling worden beoordeeld waardoor de gestelde schade is veroorzaakt (zie in die zin arrest van 23 maart 2004, Ombudsman/Lamberts, C‑234/02 P, EU:C:2004:174, punt 60), dat wil in casu zeggen dat moet worden nagegaan of de vaststelling van het litigieuze advies door de ECB een voldoende gekwalificeerde schending van een Unierechtelijke regel vormde die de door verzoekende partijen gestelde schade heeft veroorzaakt.

55      Anders dan bij een beroep tot nietigverklaring het geval is, hangt de ontvankelijkheid van een beroep tot schadevergoeding niet af van de vraag of de handeling die de gestelde schade heeft veroorzaakt, een besluit is of dwingend is. Elke schadeveroorzakende handeling kan aanleiding geven tot niet-contractuele aansprakelijkheid (zie in die zin arrest van 23 maart 2004, Ombudsman/Lamberts, C‑234/02 P, EU:C:2004:174, punten 50‑52 en 60; zie ook, met betrekking tot de niet-nakoming van een verplichting om iets te doen of na te laten, arrest van 20 september 2016, Ledra Advertising e.a./Commissie en ECB, C‑8/15 P–C‑10/15 P, EU:C:2016:701, punten 55‑59, 67 en 68; met betrekking tot een met redenen omkleed advies, arrest van 18 december 2009, Arizmendi e.a./Raad en Commissie, T‑440/03, T‑121/04, T‑171/04, T‑208/04, T‑365/04 en T‑484/04, EU:T:2009:530, punten 66‑69, en met betrekking tot een individueel verzuim, arrest van 16 november 2017, Acquafarm/Commissie, T‑458/16, niet gepubliceerd, EU:T:2017:810, punt 44 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Indien de Unierechter de rechtmatigheid van een gedraging van een instelling of orgaan van de Unie niet zou mogen beoordelen, zou dat immers de procedure van artikel 268 en artikel 340, tweede en derde alinea, VWEU haar nuttige effect ontnemen (zie in die zin arrest van 23 maart 2004, Ombudsman/Lamberts, C‑234/02 P, EU:C:2004:174, punt 61).

56      Bijgevolg kan de ECB zich niet beroepen op de rechtspraak die dateert van vóór het arrest van 23 maart 2004, Ombudsman/Lamberts (C‑234/02 P, EU:C:2004:174, punten 31‑94), waarin beroepen tot schadevergoeding niet-ontvankelijk waren verklaard op de enkele grond dat de gestelde onrechtmatigheid verband hield met een handeling zonder rechtsgevolgen (beschikkingen van 13 juni 1991, Sunzest/Commissie, C‑50/90, EU:C:1991:253, punten 17‑20; 4 oktober 1991, Bosman/Commissie, C‑117/91, EU:C:1991:382, punt 20, en 10 december 1996, Söktas/Commissie, T‑75/96, EU:T:1996:183, punt 49). De ontvankelijkheid van een beroep tot schadevergoeding tegen een advies van de ECB kan dus niet afhangen van de vraag of dit advies juridisch bindend is. Indien een beroep tot schadevergoeding niet-ontvankelijk wordt verklaard op de enkele grond dat de handeling die de gestelde schade heeft veroorzaakt, niet bindend is, zou dit indruisen tegen de doelstelling en de doeltreffendheid van dat rechtsmiddel.

57      Dat het litigieuze advies een politieke maatregel is en dat de ECB niet verplicht was dit advies uit te brengen, heeft evenmin invloed op de ontvankelijkheid van het onderhavige beroep. De discretionaire bevoegdheid waarover een instelling beschikt, bevrijdt haar immers niet van haar verplichting om te handelen in overeenstemming met zowel de hogere rechtsnormen – zoals het Verdrag en de algemene beginselen van het Unierecht – als het relevante afgeleide recht. Wanneer de rechtmatigheid van de betreffende handeling in het kader van een beroep tot schadevergoeding aan de orde wordt gesteld, kan deze handeling dus worden beoordeeld uit het oogpunt van de op die instelling rustende verplichtingen (arrest van 18 december 2009, Arizmendi e.a./Raad en Commissie, T‑440/03, T‑121/04, T‑171/04, T‑208/04, T‑365/04 en T‑484/04, EU:T:2009:530, punt 66). Ten slotte doet de omstandigheid dat de Helleense Republiek volgens de ECB een zuiver nationale bevoegdheid heeft uitgeoefend, niet af aan het feit dat verzoekende partijen in casu het optreden van de ECB ter discussie stellen en dat het Gerecht bevoegd is deze grief ten gronde te onderzoeken.

58      Het argument van de ECB dat het beroep van verzoekende partijen niet-ontvankelijk is omdat zij met de vaststelling van het litigieuze advies geen bevoegdheid heeft uitgeoefend op grond waarvan zij juridisch bindende instructies kan uitvaardigen ten aanzien van de Helleense Republiek, moet dan ook worden afgewezen.

 Geen niet-contractuele aansprakelijkheid wegens nalaten bij gebreke van een juridische verplichting tot handelen

59      De ECB stelt dat het beroep van verzoekende partijen niet-ontvankelijk is omdat zij door het gestelde stilzitten niet is tekortgeschoten in een verplichting tot handelen die kan leiden tot haar niet-contractuele aansprakelijkheid. Met name betwist zij om de volgende redenen dat zij verplicht is de eigendomsrechten van verzoekende partijen te beschermen. Ten eerste zijn de adviezen die de ECB heeft uitgebracht, op grond van artikel 127, lid 4, VWEU, gelezen in samenhang met artikel 288, vijfde alinea, VWEU, niet juridisch bindend. Aangezien de lidstaten niet gebonden zijn door adviezen van de ECB, kan de ECB met dit instrument niet waarborgen dat de grondrechten van verzoekende partijen effectief worden beschermd. Bovendien is zij volgens dezelfde bepalingen niet verplicht om adviezen bekend te maken. Ten tweede merkt de ECB op dat zij volgens artikel 17, lid 1, VEU niet verplicht is het algemeen belang van de Unie te bevorderen en toe te zien op de toepassing van het Unierecht. De ECB stelt dat zij niet is geraadpleegd over en dat het litigieuze advies geen verband hield met de wenselijkheid van PSI, maar dat die raadpleging en dat advies betrekking hadden op de technische details van de invoering van de op de Griekse schuldbewijzen van toepassing zijnde CAC’s. Ten derde is de Helleense Republiek noch – naar analogie – de ECB op enigerlei wijze verplicht de investeringen en de eigendom van verzoekende partijen te beschermen.

60      Verzoekende partijen bestrijden deze argumenten.

61      Gelet op die argumenten moet worden vastgesteld dat de vraag of de ECB al dan niet aansprakelijk kon worden gehouden voor het feit dat zij op grond van de overweging dat zij niet verplicht was te handelen, in het litigieuze advies heeft nagelaten de Helleense Republiek in kennis te stellen van de mogelijke onrechtmatigheid van haar ontwerp van wet nr. 4050/2012, betrekking heeft op de gegrondheid van het beroep tot schadevergoeding en niet op de ontvankelijkheid ervan.

62      De vraag of de ECB onrechtmatig heeft gehandeld doordat zij de Helleense Republiek niet op de hoogte heeft gebracht van de gestelde onrechtmatigheid van haar ontwerp van wet nr. 4050/2012, betreft namelijk de vraag of dat nalaten van de ECB een voldoende gekwalificeerde schending oplevert van een rechtsregel waaraan particulieren rechten ontlenen.

63      De stelling van de ECB dat het beroep van verzoekende partijen niet-ontvankelijk is omdat geen sprake is van een juridische verplichting tot handelen en van niet-contractuele aansprakelijkheid wegens nalaten, moet dan ook worden afgewezen.

 Ten gronde

 Opmerkingen vooraf

64      Volgens verzoekende partijen is de ECB verplicht in het kader van al haar activiteiten de grondrechten in acht te nemen, zodat zij in een advies over een wetsontwerp van een lidstaat de aandacht dient te vestigen op de schendingen van grondrechten die verband houden met de vaststelling en uitvoering van de geplande wet. Verzoekende partijen zijn in casu van mening dat de ECB in het litigieuze advies heeft nagelaten om op te merken dat wet nr. 4050/2012 in strijd was met ten eerste het beginsel „pacta sunt servanda”, ten tweede artikel 17, leden 1 en 2, van het Handvest, ten derde artikel 63 VWEU en ten vierde artikel 124 VWEU. Daardoor is volgens hen schade veroorzaakt ten belope van 314 000 EUR voor Steinhoff, 54 950 EUR voor Filbry, 2 355 000 EUR voor Vereinigte Raiffeisenbanken Gräfenberg-Forchheim-Eschenau-Heroldsberg, 303 795 EUR voor Bäcker en 750 460 EUR voor EMB Consulting.

65      De ECB is van mening dat in casu aan geen van de voorwaarden voor niet-contractuele aansprakelijkheid is voldaan.

66      Voordat elk van de gestelde schendingen en het causale verband tussen deze schendingen en de gestelde schade wordt onderzocht, zij eraan herinnerd dat de in artikel 340, derde alinea, VWEU bedoelde niet-contractuele aansprakelijkheid van de ECB onderstelt dat aan drie cumulatieve voorwaarden is voldaan, te weten dat de geschonden rechtsregel ertoe strekt aan particulieren rechten toe te kennen en er sprake is van een voldoende gekwalificeerde schending, dat het bestaan van de schade wordt aangetoond en, ten slotte, dat er een rechtstreeks causaal verband bestaat tussen de door de benadeelde personen geleden schade en de schending van de verplichting die rust op degene die de handeling heeft vastgesteld (zie punten 52‑54 hierboven).

67      Voorts dient te worden herinnerd aan de omvang van de bevoegdheid van de ECB om advies uit te brengen.

68      Artikel 127, lid 4, VWEU bepaalt dat de ECB door de nationale autoriteiten wordt geraadpleegd over elk ontwerp van wettelijke bepaling op de gebieden die onder haar bevoegdheid vallen, doch binnen de grenzen en onder de voorwaarden die de Raad van de Europese Unie vaststelt. Evenzo is in artikel 282, lid 5, VWEU bepaald dat de ECB op de gebieden die onder haar bevoegdheid vallen, wordt geraadpleegd over elk ontwerp van een handeling van de Unie, alsmede over elk ontwerp van regelgeving op nationaal niveau, en dat zij advies kan uitbrengen.

69      In overweging 3 van beschikking 98/415/EG van de Raad van 29 juni 1998 betreffende de raadpleging van de Europese Centrale Bank door de nationale autoriteiten over ontwerpen van wettelijke bepalingen (PB 1998, L 189, blz. 42) wordt gepreciseerd dat het noodzakelijk is dat die verplichting tot raadpleging voor de autoriteiten van de lidstaten niet afdoet aan de verantwoordelijkheid van deze autoriteiten ten aanzien van de aangelegenheden waarop de ontwerpen betrekking hebben, en dat de lidstaten de ECB dienen te raadplegen over alle ontwerpwetgeving op de gebieden die onder haar bevoegdheid vallen. Bovendien staat in overweging 6 van beschikking 98/415 te lezen dat de procedures voor de aanneming van wettelijke bepalingen in de lidstaten geen onnodige vertraging mogen oplopen ten gevolge van het raadplegen van de ECB, en dat de termijn waarbinnen de ECB haar advies moet uitbrengen, lang genoeg moet zijn om haar in staat te stellen de nodige zorg te besteden aan de bestudering van de voorgelegde teksten.

70      De inhoud van die overwegingen komt voor in de bepalingen van beschikking 98/415. Zo moeten de autoriteiten van de lidstaten krachtens artikel 2 van beschikking 98/415 de ECB raadplegen over elk ontwerp van wettelijke bepaling op de gebieden die krachtens het VWEU onder de bevoegdheid van de ECB vallen, met name monetaire aangelegenheden, betaalmiddelen, nationale centrale banken, het verzamelen, opmaken en verspreiden van monetaire, financiële en bankstatistieken, statistieken betreffende betalingssystemen en betalingsbalansstatistieken, betalings- en afrekeningssystemen, en voorschriften voor financiële instellingen, voor zover deze voorschriften wezenlijk van invloed zijn op de stabiliteit van de financiële instellingen en markten. Voorts bepaalt artikel 4 van beschikking 98/415 dat elke lidstaat verplicht is om erop toe te zien dat de ECB tijdig geraadpleegd wordt, zodat de autoriteit die het initiatief tot een ontwerp van wettelijke bepaling neemt, met het advies van de ECB rekening kan houden voordat zij een inhoudelijke beslissing neemt, en om ervoor te zorgen dat het advies van de ECB ter kennis wordt gebracht van de autoriteit die de bepaling dient vast te stellen, indien deze een andere is dan die welke het ontwerp heeft opgesteld.

71      In de eerste plaats blijkt uit die bepalingen dat de adviezen van de ECB de nationale autoriteiten niet binden. Volgens overweging 3 en artikel 4 van beschikking 98/415 moeten de nationale autoriteiten immers enkel rekening houden met die adviezen en doen deze geen afbreuk aan de verantwoordelijkheden van die autoriteiten op de gebieden waarop de betreffende ontwerpen betrekking hebben. Hieruit volgt dat de verplichting tot raadpleging van de ECB weliswaar vereist dat deze haar standpunt naar behoren kenbaar kan maken aan de nationale autoriteiten, maar dat deze autoriteiten niet verplicht kunnen worden zich naar dat standpunt te richten. Indien de wetgever de bedoeling had gehad de inhoud van het optreden van de ECB juridisch bindend te maken, zou hij haar een goedkeuringsbevoegdheid hebben verleend in plaats van een adviesbevoegdheid. Om de in punt 55 hierboven genoemde redenen sluit de vaststelling dat de adviezen van de ECB de nationale autoriteiten niet binden, echter niet a priori uit dat deze adviezen de aansprakelijkheid van de ECB met zich kunnen meebrengen.

72      In de tweede plaats dient te worden vastgesteld dat de ECB bij het uitbrengen van haar adviezen over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikt. In die zin is reeds geoordeeld dat de artikelen 127 en 282 VWEU alsook artikel 18 van de statuten van het Europees Stelsel van centrale banken (ESCB) de ECB een ruime beoordelingsbevoegdheid verlenen, waarvan de uitoefening noopt tot een complexe evaluatie van economische en sociale gegevens en van snel evoluerende situaties, die moet worden verricht binnen de context van het Eurosysteem of zelfs van de Unie als geheel. Meer bepaald is geoordeeld dat de ECB bij de uitoefening van deze beoordelingsbevoegdheid zowel moet anticiperen op complexe en onzekere economische evoluties – zoals de evolutie van de kapitaalmarkten, de geldvoorraad en het inflatiepercentage – die de goede werking van het Eurosysteem en de betaal- en kredietsystemen beïnvloeden, als deze evoluties moet evalueren, en daarnaast politieke, economische en sociale keuzes moet maken die impliceren dat een afweging moet worden gemaakt van of dat moet worden gestreefd naar een evenwicht tussen de verschillende doelstellingen van artikel 127, lid 1, VWEU, dat in de eerste plaats tot doel heeft de prijsstabiliteit te handhaven (zie in die zin arrest van 24 januari 2017, Nausicaa Anadyomène en Banque d’escompte/ECB, T‑749/15, niet gepubliceerd, EU:T:2017:21, punt 70 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en conclusie van advocaat-generaal Cruz Villalón in de zaak Gauweiler e.a., C‑62/14, EU:C:2015:7, punt 111 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

73      De ruime beoordelingsbevoegdheid van de ECB bij de vaststelling van haar adviezen betekent dus dat enkel een kennelijke en ernstige overschrijding van die bevoegdheid kan leiden tot haar niet-contractuele aansprakelijkheid (zie de in de punten 53 en 72 hierboven aangehaalde rechtspraak).

 Schending van het beginsel „pacta sunt servanda”

74      Volgens verzoekende partijen kon de Helleense Republiek door middel van wet nr. 4050/2012 niet rechtsgeldig herzieningsclausules opnemen in de voorwaarden van de bestaande schuldbewijzen. Daartegen verzet zich namelijk het internationaalrechtelijke beginsel „pacta sunt servanda”, dat neergelegd is in artikel 26 van het Verdrag van Wenen van 23 mei 1969 inzake het verdragenrecht – waarbij de Helleense Republiek partij is – en dat erkend is door het Bundesgerichtshof (hoogste federale rechter in burgerlijke en strafzaken, Duitsland) en het Hof. Volgens verzoekende partijen had de ECB in het litigieuze advies dan ook moeten constateren dat de Helleense Republiek dat beginsel zou schenden door een wet vast te stellen die voorziet in de verplichte ruil van Griekse schuldbewijzen voor particuliere schuldeisers die zich tegen een dergelijke ruil verzetten. Dat de ECB dit niet heeft gedaan, is een verzuim dat in strijd is met haar verplichtingen.

75      Voorts betwisten verzoekende partijen dat de Helleense Republiek zich in casu op de leer van de clausula rebus sic stantibus kunnen beroepen om de wijzigingen van hun contractuele rechten te rechtvaardigen. Ter ondersteuning van dit argument benadrukken verzoekende partijen ten eerste dat de litigieuze schuldbewijzen zijn uitgegeven in een periode waarin de internationale monetaire gemeenschap reeds unaniem had geëist dat de schuldbewijzen van de overheid vergezeld zouden gaan van CAC’s. Ten tweede heeft de Helleense Republiek ondanks de verzoeken van verzoekende partijen bewust ervan afgezien om bij de uitgifte van de litigieuze schuldbewijzen gebruik te maken van CAC’s. Ten derde zijn de lidstaten het in april 2003 erover eens geraakt dat bij de uitgifte van internationale obligaties CAC’s moeten worden aangewend [zie bijlage 1 bij het verslag van het economisch en financieel comité ECFIN/CEFCPE (2004) REP 50483 definitief van 12 november 2004, blz. 7] en heeft het economisch en financieel comité in september 2003 een kernbestand van bedingen goedgekeurd waarvan werd verondersteld dat zij zouden worden opgenomen in de uitgiftevoorwaarden van obligaties. Ten vierde hebben de „presidenten van de centrale banken van de staten van de G20” sinds november 2004 aanbevolen om in de overeenkomsten betreffende de uitgifte van schuldbewijzen CAC’s op te nemen teneinde de tenuitvoerlegging van meerderheidsbeslissingen te vergemakkelijken (zie de aanbeveling van 26 oktober 2004 met als titel „Report to the EFC – Implementation of the EU commitment on Collective Action Clauses in documentation of International Debt Issuance”). Ten vijfde wordt de vrees dat CAC’s kunnen leiden tot hogere risicopremies en aldus de kosten van de financiering van de staat verhogen, niet bevestigd door het in 2003 uitgevoerde onderzoek van A. Richards en M. Gugiatti [„The Use of Collective Action Clauses in New York Law Bonds of Sovereign Borrowers”, Journal of International Law, 2004, blz. 815 e.v.; Szodruch, A., Staateninsolvenz und private Gläubiger, BWV Verlag, 2008, blz. 226]. Verzoekende partijen zijn bijgevolg van mening dat aangezien de Helleense Republiek had besloten om in haar Griekse schuldbewijzen geen CAC’s op te nemen terwijl de discussie over de opname daarvan in schuldbewijzen van de overheid reeds had plaatsgevonden, zij bij het intreden van de gewijzigde omstandigheden waaraan de CAC’s juist geacht worden het hoofd te bieden, niet mocht proberen een herstructurering door te voeren die gepaard zou gaan met de uitoefening van dwang.

76      De ECB betwist deze argumentatie. Zij is om te beginnen van mening dat het niet haar taak was om in het litigieuze advies op te merken dat wet nr. 4050/2012 mogelijk in strijd was met het beginsel „pacta sunt servanda”, vervolgens dat zij dit beginsel niet zelf kan hebben geschonden, en ten slotte dat dit beginsel niet is geschonden aangezien de leer van de clausula rebus sic stantibus van toepassing is.

77      Zoals in punt 52 hierboven in herinnering is gebracht, kan alleen een voldoende gekwalificeerde schending van een rechtsregel waarbij rechten worden toegekend aan particulieren, tot de niet-contractuele aansprakelijkheid van de ECB leiden. Om de nuttige werking te waarborgen van de voorwaarde dat er sprake is van schending van een rechtsregel waarbij rechten worden toegekend aan particulieren, is vereist dat de door de aangevoerde regel geboden bescherming werkzaam is ten aanzien van de persoon die zich erop beroept en dat deze persoon dus deel uitmaakt van de groep van personen aan wie de betreffende regel rechten toekent. Een recht op schadevergoeding kan niet voortvloeien uit een regel die niet de particulier beschermt tegen de door hem gestelde onrechtmatigheid, maar die een andere particulier beschermt (zie in die zin arresten van 19 oktober 2005, Cofradía de pescadores „San Pedro de Bermeo” e.a./Raad, T‑415/03, EU:T:2005:365, punt 96, en 3 december 2015, CN/Parlement, T‑343/13, EU:T:2015:926, punt 86 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

78      In casu heeft de inschrijving door verzoekende partijen op de door de Helleense Republiek uitgegeven en gegarandeerde litigieuze schuldbewijzen een contractuele verhouding doen ontstaan tussen hen en de Helleense Republiek. Op deze contractuele verhouding is het in artikel 26 van het Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht neergelegde beginsel „pacta sunt servanda” niet van toepassing. Dit verdrag is volgens artikel 1 ervan immers enkel van toepassing op verdragen tussen staten. Bijgevolg is artikel 26 van het Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht geen rechtsregel waarbij rechten worden toegekend aan verzoekende partijen.

79      Het Hof heeft evenwel geoordeeld dat het beginsel „pacta sunt servanda” een fundamenteel beginsel van elke rechtsorde vormt (arrest van 16 juni 1998, Racke, C‑162/96, EU:C:1998:293, punt 49). Het beginsel „pacta sunt servanda” is dus eveneens een algemeen Unierechtelijk beginsel dat van toepassing is op overeenkomsten en dat bepaalt dat een rechtsgeldig gesloten overeenkomst bindend is voor degenen die haar zijn aangegaan (zie in die zin conclusie van advocaat-generaal Trstenjak in de zaak Dominguez, C‑282/10, EU:C:2011:559, punt 96, en van advocaat-generaal Kokott in de zaak Pujante Rivera, C‑422/14, EU:C:2015:544, punt 55).

80      De rechten en verplichtingen van de partijen bij een overeenkomst binden in beginsel evenwel enkel deze partijen. De algemene beginselen van het overeenkomstenrecht, waaronder het beginsel „pacta sunt servanda”, doen niet af aan de relativiteit van de rechten van een contractant.

81      Daarbij komt dat de adviezen van de ECB niet zijn gericht tot particulieren en niet in eerste instantie betrekking hebben op de contractuele verhoudingen die tussen een particulier en een lidstaat bestaan ten gevolge van de uitgifte van schuldbewijzen door deze lidstaat. In artikel 2 van beschikking 98/415 is namelijk bepaald dat de adviezen van de ECB gericht zijn tot de autoriteiten van de lidstaten die de ECB moeten raadplegen, en niet tot particulieren. Bovendien heeft de adviesbevoegdheid van de ECB niet tot doel de rechten en verplichtingen van de contractpartijen te beoordelen, maar houdt zij verband met de fundamentele taken van de ECB op het gebied van het monetaire beleid en in het bijzonder met haar verplichting om de prijsstabiliteit te handhaven in de zin van artikel 127, leden 1 en 2, VWEU.

82      Wanneer de ECB, zoals in casu, door de Helleense Republiek wordt geraadpleegd over een ontwerp van wettelijke bepaling inzake de nationale banken en de voorschriften voor financiële instellingen, voor zover die wezenlijk van invloed zijn op de stabiliteit van de financiële instellingen en markten, hoeft zij zich dus niet uit te spreken over de vraag of die lidstaat het algemene contractenrechtelijke beginsel „pacta sunt servanda” heeft nageleefd ten aanzien van de houders van schuldbewijzen van de overheid.

83      De adviesbevoegdheid van de ECB brengt dus niet met zich mee dat verzoekende partijen er aanspraak op kunnen maken dat die instantie vaststelt dat er sprake is van een inbreuk op een contractueel recht dat zij jegens de Helleense Republiek bezitten doordat zij hebben ingeschreven op Griekse schuldbewijzen die door de Helleense Republiek zijn uitgegeven en door haar worden gewaarborgd. Aangezien verzoekende partijen er geen aanspraak op kunnen maken dat de ECB zich over deze kwestie uitspreekt, kan de ECB niet onrechtmatig hebben gehandeld doordat zij zich – naar aanleiding van het raadplegingsverzoek van de Helleense Republiek – in het litigieuze advies niet heeft uitgesproken over de inachtneming van het beginsel „pacta sunt servanda”.

84      Bovendien is hoe dan ook niet gebleken dat de vaststelling van wet nr. 4050/2012 heeft geleid tot een schending van het beginsel „pacta sunt servanda”. De belegging in schuldbewijzen van de overheid sluit immers niet het risico van vermogensschade uit, ook al voorzag het op deze schuldbewijzen van toepassing zijnde recht niet in de mogelijkheid om vóór de vervaldatum opnieuw te onderhandelen over bepaalde modaliteiten, zoals de nominale waarde, de opgelopen rente en de vervaldag. Zoals de Symvoulio tis Epikrateias (hoogste bestuursrechter, Griekenland) heeft opgemerkt, is dat risico met name te wijten aan het feit dat na de uitgifte van de schuldbewijzen veel tijd verstrijkt tijdens welke onvoorziene omstandigheden de financiële capaciteiten van de staat die deze bewijzen uitgeeft of waarborgt, aanzienlijk kunnen beperken of zelfs tenietdoen. Zoals het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: „EHRM”) heeft geoordeeld, heeft de staat van uitgifte bij het intreden van dergelijke onvoorziene omstandigheden – zoals in casu de Griekse staatsschuldencrisis – het recht om een poging tot heronderhandeling te ondernemen op basis van de leer van de clausula rebus sic stantibus (zie het arrest van de Simvoulio tis Epikrateias, zoals samengevat in punt 29 van het arrest van het EHRM van 21 juli 2016, Mamatas e.a. tegen Griekenland, CE:ECHR:2016:0721JUD006306614).

85      Verzoekende partijen stellen derhalve ten onrechte dat de ECB onrechtmatig heeft gehandeld op een wijze die tot haar niet-contractuele aansprakelijkheid kan leiden, doordat zij in het litigieuze advies niet heeft geconstateerd dat de vaststelling van wet nr. 4050/2012 jegens verzoekende partijen een schending van het beginsel „pacta sunt servanda” oplevert.

 Schending van artikel 17, leden 1 en 2, van het Handvest

86      Volgens verzoekende partijen had de ECB in het litigieuze advies moeten constateren dat de Helleense Republiek met de vaststelling van het ontwerp van wet nr. 4050/2010 inbreuk heeft gemaakt op de rechten van schuldeisers die in het buitenland zijn gevestigd en die niet hun instemming hadden gegeven, alsook dat deze inbreuk neerkwam op onteigening. Dat de ECB dit niet heeft gedaan, is een verzuim dat in strijd is met haar verplichtingen.

87      Ter ondersteuning van deze grief brengen verzoekende partijen ten eerste in herinnering dat wet nr. 4050/2010 tot doel had particuliere schuldeisers die uitdrukkelijk hebben geweigerd om in te stemmen met de herstructurering, via de latere invoering van de CAC’s te dwingen tot deelname aan de vermindering van de Griekse staatsschuld.

88      Ten tweede zijn verzoekende partijen van mening dat de Griekse schuldbewijzen „eigendom” zijn, zoals deze wordt beschermd door artikel 17 van het Handvest. Die schuldbewijzen zijn schuldvorderingen waarvoor in het nationale recht een voldoende grondslag bestaat opdat zij die bescherming genieten. Volgens verzoekende partijen was een insolventie van de Griekse overheid juridisch gesproken immers ondenkbaar en werden de genoemde schuldbewijzen in het algemeen geacht veilig te zijn, met name wanneer zij geen herzieningsclausule bevatten. Bovendien werden zij geacht veilig te zijn op grond van de Solvabilitätsverordnung (solvabiliteitsbesluit) van 14 december 2006 (BGBl. I, blz. 2926) [zie met name § 26, punt 2, onder b), van het solvabiliteitsbesluit] – ook al hadden de ratingbureaus de rating van de Helleense Republiek verlaagd en was de koers van Griekse schuldbewijzen gedaald – omdat zij moesten worden ingedeeld in de categorie van blootstellingen „centrale overheden”, aangezien zij door een buitenlandse regering of centrale bank moesten worden voldaan. Dit laatste wordt bevestigd door artikel 15 van nomós 2469, Periorismós kai veltíosi tis apotelesmatikótitas ton kratikón dapanón kai álles diatáxeis (wet nr. 2469/1997 betreffende de grenzen en de verbetering van de efficiëntie van de overheidsuitgaven) van 14 maart 1997 (FEK A’ 38/14.3.1997, blz. 592). Aangezien de bescherming van de eigendom een van de algemene Unierechtelijke beginselen is die het Hof in zijn rechtspraak heeft erkend, zijn verzoekende partijen van mening dat zij bescherming van eigendom genieten wat betreft de schuldbewijzen van de overheid.

89      Ten derde stellen verzoekende partijen dat de aantasting van hun eigendomsrecht door overheidshandelingen is veroorzaakt. Volgens hen heeft de Symvoulio tis Epikrateias in het arrest van 22 maart 2014, Symvoulio tis Epikrateias (ref. 1117/2014), namelijk de gehele procedure voor de herstructurering van de Griekse staatsschuld aangemerkt als een verkapte overheidshandeling.

90      Ten vierde zijn verzoekende partijen van mening dat het verkrijgen van 15 % van de nominale waarde van de voorheen aangehouden schuldbewijzen in de vorm van twee door de EFSF uitgegeven obligaties, en daarnaast – voor 31,5 % van de nog verschuldigde nominale waarde van die schuldbewijzen – van nieuwe schuldbewijzen van de Helleense Republiek waarin een CAC is opgenomen – zodat de voorwaarden voor de uitgifte ervan naderhand eventueel kunnen worden gewijzigd ten nadele van de schuldeisers zonder dat dit a priori in rechte kan worden aangevochten – en die pas tussen 2022 en 2042 vervallen, geen billijke en tijdig betaalde compensatie vormt. Volgens verzoekende partijen komt daarbij de verzwarende omstandigheid dat, zoals de Symvoulio tis Epikrateias in zijn arrest van 22 maart 2014 heeft vastgesteld, de verlaging van de schuldvordering uit economisch oogpunt niet 46,5 % maar 78,5 % bedraagt, omdat een lagere rente wordt uitgekeerd en de in het kader van de verplichte ruil overgedragen schuldbewijzen bovendien pas tussen 2022 en 2042 vervallen, met uitzondering van de reeds in 2013 en 2014 vervallen obligaties van de EFSF. Deze waardering door de Griekse overheid is volledig in overeenstemming met die van het ratingagentschap Moody’s.

91      Verzoekende partijen menen bijgevolg dat de vaststelling van wet nr. 4050/2010 te hunnen aanzien een met onteigening gelijk te stellen inbreuk impliceert. Enkel een dergelijke uitlegging strookt met het vereiste van een doeltreffende rechtsbescherming zoals het EHRM dit heeft erkend in zijn arrest van 23 september 1982, Sporrong en Lönnroth tegen Zweden (CE:ECHR:1982:0923JUD 000715175, punt 63 en aldaar aangehaalde rechtspraak), dat, gelet op artikel 52, lid 3, eerste volzin, van het Handvest, eveneens beslissend is voor de uitlegging van artikel 17 ervan.

92      Tot slot zijn verzoekende partijen van mening dat het arrest van het EHRM van 21 juli 2016, Mamatas e.a. tegen Griekenland (CE:ECHR:2016:0721JUD 006306614), niet relevant is, omdat het geen betrekking heeft op de onteigening van buitenlandse particuliere schuldeisers die niet in Griekenland zijn gevestigd en alleen al om deze reden de criteria aan de hand waarvan wordt nagegaan of de inbreuk evenredig is, anders moeten worden beoordeeld dan in het geval waarin de overheid de eigendom van haar eigen burgers aantast. Bovendien heeft het EHRM in dat arrest voor de beoordeling van de evenredigheid in het kader van de berekening van de schade verwezen naar de in ruil ontvangen nominale waarde van 46,5 % en niet naar het daadwerkelijke verlies aan economische waarde van 78,5 %.

93      De ECB bestrijdt de grieven van verzoekende partijen. Zij is ten eerste van mening dat de aangevoerde grieven tegen de Helleense Republiek moeten worden gericht, omdat de PSI uitsluitend door de Griekse autoriteiten is uitgewerkt en ingevoerd, en ten tweede dat geen inbreuk is gemaakt op het eigendomsrecht van verzoekende partijen, omdat de beperkingen van dat recht noodzakelijk waren en gerechtvaardigd waren uit hoofde van doelstellingen van algemeen belang die door de Unie worden erkend.

94      Gelet op deze argumenten zij eraan herinnerd dat volgens artikel 17, lid 1, van het Handvest eenieder het recht heeft de goederen die hij rechtmatig heeft verkregen, in eigendom te bezitten en te gebruiken alsook over die goederen te beschikken en ze te vermaken. Niemand mag zijn eigendom worden ontnomen, behalve in het algemeen belang, in de gevallen en onder de voorwaarden waarin de wet voorziet en mits het verlies tijdig op billijke wijze wordt vergoed. Het gebruik van de goederen kan bij wet worden geregeld, voor zover het algemeen belang dit vereist.

95      Bovendien zijn de bepalingen van het Handvest volgens artikel 51 ervan onder meer gericht tot de instellingen van de Unie – waaronder de ECB (zie artikel 13 VEU) – en zijn deze verplicht de daarin vervatte rechten te eerbiedigen, de daarin neergelegde beginselen na te leven en de toepassing ervan te bevorderen.

96      Het in artikel 17, lid 1, van het Handvest neergelegde eigendomsrecht is in het Unierecht een grondrecht (zie arrest van 18 juli 2013, Schindler Holding e.a./Commissie, C‑501/11 P, EU:C:2013:522, punt 124 en aldaar aangehaalde rechtspraak), waarvan de eerbiediging een voorwaarde is voor de rechtmatigheid van handelingen van de Unie (zie in die zin arrest van 3 september 2008, Kadi en Al Barakaat International Foundation/Raad en Commissie, C‑402/05 P en C‑415/05 P, EU:C:2008:461, punt 284 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Bovendien bevat die bepaling waarin het recht is neergelegd van eenieder om rechtmatig verkregen goederen in eigendom te bezitten, een rechtsregel die ertoe strekt rechten toe te kennen aan particulieren (zie in die zin arrest van 20 september 2016, Ledra Advertising e.a./Commissie en ECB, C‑8/15 P–C‑10/15 P, EU:C:2016:701, punt 66).

97      Hieruit volgt dat een voldoende gekwalificeerde schending van artikel 17, lid 1, van het Handvest door de ECB in beginsel op grond van artikel 340, derde alinea, VWEU kan leiden tot de niet-contractuele aansprakelijkheid van de ECB.

98      Voorts impliceren het fundamentele karakter van een regel ter bescherming van particulieren en de overeenkomstige verplichting van de ECB om de naleving van deze regel te bevorderen dat die particulieren mogen verwachten dat de ECB bij de uitoefening van haar bevoegdheden erop wijst dat die regel wordt geschonden. In dit verband zij eraan herinnerd dat in het kader van een door het Europees Stabiliteitsmechanisme aan de Republiek Cyprus toegekende financiëlebijstandfaciliteit reeds is geoordeeld dat de Europese Commissie artikel 17, lid 1, van het Handvest niet alleen kan schenden door een positieve handeling, maar ook door een „passieve” gedraging en zelfs door na te laten een maatregel vast te stellen terwijl zij daartoe op grond van een specifieke verplichting gehouden was (zie in die zin arrest van 20 september 2016, Ledra Advertising e.a./Commissie en ECB, C‑8/15 P–C‑10/15 P, EU:C:2016:701, punten 57, 59 en 66‑75). Voorts ontslaat de bijzondere status die in het institutionele kader van de Verdragen aan de ECB wordt toegekend, haar niet van de verplichting om de grondrechten van de Unie te eerbiedigen, noch van haar verplichting om bij te dragen tot de verwezenlijking van de in de artikelen 2, 3 en 6 VEU genoemde doelstellingen van de Unie (zie in die zin arrest van 10 juli 2003, Commissie/ECB, C‑11/00, EU:C:2003:395, punt 91).

99      In dit verband dient evenwel tevens in herinnering te worden gebracht dat het door artikel 17, lid 1, van het Handvest gewaarborgde eigendomsrecht geen absolute gelding heeft en dat de uitoefening ervan kan worden onderworpen aan beperkingen die hun rechtvaardiging vinden in doelstellingen van algemeen belang die door de Unie worden nagestreefd (zie arrest van 20 september 2016, Ledra Advertising e.a./Commissie en ECB, C‑8/15 P–C 10/15 P, EU:C:2016:701, punt 69 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

100    Zoals blijkt uit artikel 52, lid 1, van het Handvest, kan de uitoefening van het eigendomsrecht derhalve aan beperkingen worden onderworpen, mits deze beperkingen daadwerkelijk beantwoorden aan doelstellingen van algemeen belang en uit het oogpunt van het nagestreefde doel geen onevenredige en onduldbare ingreep opleveren waardoor het gewaarborgde recht in zijn kern wordt aangetast (zie arrest van 20 september 2016, Ledra Advertising e.a./Commissie en ECB, C‑8/15 P–C‑10/15 P, EU:C:2016:701, punt 70 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

101    In casu staat vast dat wet nr. 4050/2012, die het voorwerp was van het litigieuze advies, het mogelijk heeft gemaakt de nominale waarde van de door verzoekende partijen gehouden litigieuze schuldbewijzen te verminderen en dus af te doen aan hun recht op terugbetaling van die waarde op het tijdstip waarop deze schuldbewijzen vervallen.

102    De vervallen schuldbewijzen moeten immers in beginsel tegen de nominale waarde ervan worden terugbetaald. Op de vervaldag van hun schuldbewijzen beschikten verzoekende partijen dus in beginsel over een geldvordering op de Griekse Staat voor een bedrag dat gelijk was aan de nominale waarde van deze schuldbewijzen. Deze voorwaarden zijn gewijzigd door de vaststelling van wet nr. 4050/2012, waarbij de CAC’s zijn ingevoerd. Zoals hierboven in punt 18 is uiteengezet, waren die CAC’s van toepassing op bepaalde Griekse schuldbewijzen en voorzagen zij meer bepaald in de mogelijkheid om de desbetreffende voorwaarden te wijzigen door middel van een overeenkomst tussen enerzijds de Griekse Staat en anderzijds een meerderheid van houders van Griekse schuldbewijzen die samen minstens twee derde van de nominale waarde van die schuldbewijzen vertegenwoordigen. Op grond van de relevante bepalingen van die wet wordt een uit een dergelijke overeenkomst voortvloeiende wijziging juridisch bindend voor alle houders van Griekse schuldbewijzen, ook die welke niet met de voorgestelde wijziging hebben ingestemd.

103    Wet nr. 4050/2012 heeft het dus mogelijk gemaakt om houders van Griekse schuldbewijzen te dwingen deel te nemen aan de vermindering van de Griekse staatsschuld via een devaluatie van deze schuldbewijzen vanaf het ogenblik waarop die vermindering was goedgekeurd door het quorum van de houders ervan. Die wet heeft aldus de rechten van houders van Griekse schuldbewijzen gewijzigd, niettegenstaande het feit dat de voorwaarden voor de uitgifte van deze schuldbewijzen geen herzieningsclausules bevatten.

104    Na de vaststelling van die wet hebben de Griekse autoriteiten de kenmerken van een PSI in het kader van de verlaging van de Griekse staatsschuld bekendgemaakt en hebben zij de houders van de betreffende schuldbewijzen verzocht om deel te nemen aan een ruil van schuldbewijzen. Aangezien het voor de voorgenomen ruil van schuldbewijzen vereiste quorum en de daarvoor vereiste meerderheid waren bereikt, zijn de schuldbewijzen van alle houders van Griekse schuldbewijzen, daaronder begrepen die welke zich tegen deze ruil verzetten, ingeruild overeenkomstig wet nr. 4050/2012 en derhalve verminderd in waarde.

105    Ofschoon wet nr. 4050/2012 aldus tot gevolg heeft gehad dat inbreuk is gemaakt op het eigendomsrecht van verzoekende partijen, dient te worden vastgesteld dat deze wet beantwoordt aan doelstellingen van algemeen belang, waaronder het waarborgen van de stabiliteit van het bankwezen van de eurozone in haar geheel. Bij gebreke van een herstructurering van de Griekse staatsschuld bestond immers het niet te verwaarlozen risico dat de toenmalige economische situatie verder zou verslechteren of zelfs dat de Helleense Republiek insolvent zou worden, wat ertoe zou kunnen leiden dat de ECB en de nationale centrale banken de schuldbewijzen die deze lidstaat mogelijkerwijs niet meer kon terugbetalen, niet langer zouden aanvaarden als zekerheden in het kader van de krediettransacties van het Eurosysteem. Daarnaast waren aan een dergelijke evolutie risico’s voor de stabiliteit van het financiële systeem en voor de werking van het Eurosysteem in zijn geheel verbonden.

106    Zowel het EHRM als het Hof heeft deze doelstellingen van algemeen belang erkend. Zo heeft het EHRM in het arrest van 21 juli 2016, Mamatas e.a. tegen Griekenland (CE:ECHR:2016:0721JUD006306614, punt 103), in het kader van zijn onderzoek van de eerbiediging van het eigendomsrecht na een overeenkomstig wet nr. 4050/2012 doorgevoerde devaluatie van de Griekse schuldbewijzen vastgesteld dat de Helleense Republiek in het algemeen belang van de gemeenschap rechtmatig maatregelen kon nemen ter verwezenlijking van de doelstellingen die bestaan in het behoud van de economische stabiliteit en de herstructurering van de schuld. Evenzo heeft het Hof in zijn arrest van 20 september 2016, Ledra Advertising e.a./Commissie en ECB (C‑8/15 P–C‑10/15 P, EU:C:2016:701, punt 71), dat betrekking had op de Cypriotische staatsschuldencrisis, geoordeeld dat het waarborgen van de stabiliteit van het bankwezen van de eurozone in haar geheel een door de Unie nagestreefde doelstelling van algemeen belang was.

107    Wat betreft de vraag of de vermindering van de waarde van de door verzoekende partijen gehouden litigieuze schuldbewijzen uit het oogpunt van het nagestreefde doel geen onevenredige en onduldbare ingreep vormt waardoor het aldus gewaarborgde recht in zijn kern wordt aangetast, moet het volgende in herinnering worden gebracht.

108    Ten eerste moet iedere schuldeiser, zoals het Gerecht reeds heeft geoordeeld, het risico van insolventie van zijn schuldenaar dragen, ook wanneer deze schuldenaar een staat is. De aankoop van schuldbewijzen van de overheid door een belegger is per definitie een transactie die een zeker financieel risico inhoudt, omdat zij onderhevig is aan de onzekere evolutie van de kapitaalmarkten. Bovendien moesten verzoekende partijen weten dat de aankoop van Griekse schuldbewijzen reeds vóór het begin van de financiële crisis een risico inhield, aangezien de Griekse Staat – de emittent – toen al veel schulden en een groot overheidstekort had (zie in die zin arrest van 7 oktober 2015, Accorinti e.a./ECB, T‑79/13, EU:T:2015:756, punten 82 en 121).

109    Daarbij komt dat verzoekende partijen in casu de Griekse schuldbewijzen hebben verworven in de periode waarin de Helleense Republiek werd geteisterd door de financiële crisis. Zoals in punt 1 hierboven is uiteengezet, is de Griekse staatsschuldencrisis immers ontstaan in oktober 2009 en heeft Steinhoff de Griekse schuldbewijzen verworven in september 2011, Filbry vanaf juli 2011, Vereinigte Raiffeisenbanken Gräfenberg-Forchheim-Eschenau-Heroldsberg in december 2009, en Bäcker vanaf april 2011. Deze verzoekende partijen dienden bijgevolg bij hun aankoop op de hoogte te zijn van de uitermate onstabiele economische toestand, die bepaalde hoe de waarde van de Griekse schuldbewijzen zou evolueren, alsook van het niet te verwaarlozen risico op een – al was het maar gedeeltelijke – wanbetaling door de Helleense Republiek. EMB Consulting heeft in 2017 de rechten van houders van Griekse schuldbewijzen verworven die deze voordien zelf hadden verworven. In de schrifturen is gepreciseerd dat de aan EMB Consulting overgedragen rechten grotendeels waren verworven voordat het idee van een gedwongen ruil was geopperd. Ter terechtzitting heeft de vertegenwoordiger van verzoekende partijen opgemerkt dat die rechten in 2011 en 2012 waren verworven. Aangezien EMB Consulting in de rechten van bovengenoemde houders van Griekse schuldbewijzen is getreden, kan zij niet als argument aanvoeren dat zij bij de aankoop van die schuldbewijzen geen kennis droeg van de uitermate onstabiele economische toestand.

110    Bovendien konden de meningsverschillen die tussen de lidstaten van de eurozone onderling en bij de andere betrokken organen zoals de Commissie, het IMF en de ECB bestonden over een herstructurering van de Griekse staatsschuld, niet worden genegeerd door particuliere schuldeisers zoals verzoekende partijen. In dergelijke omstandigheden kon een voorzichtige en bezonnen marktdeelnemer het risico op een herstructurering van de Griekse staatsschuld niet uitsluiten (zie in die zin arresten van 7 oktober 2015, Accorinti e.a./ECB, T‑79/13, EU:T:2015:756, punten 82 en 121, en 24 januari 2017, Nausicaa Anadyomène en Banque d’escompte/ECB, T‑749/15, niet gepubliceerd, EU:T:2017:21, punt 97).

111    Ten slotte waren de aan wet nr. 4050/2012 ten grondslag liggende omstandigheden werkelijk uitzonderlijk. De Griekse staatsschuldencrisis was immers buitengewoon en bij gebreke van een herstructurering van de Griekse staatsschuld was het een geloofwaardig vooruitzicht dat de Helleense Republiek op korte termijn minstens gedeeltelijk in betalingsverzuim zou geraken (zie in die zin arrest van 24 januari 2017, Nausicaa Anadyomène en Banque d’escompte/ECB, T‑749/15, niet gepubliceerd, EU:T:2017:21, punt 97).

112    Ten tweede hebben zowel de Griekse en de Europese instanties als de grote meerderheid van de particuliere sector de in de onderhavige zaak aan de orde zijnde maatregelen tot verlaging van de Griekse staatsschuld beoordeeld en hebben zij daarmee ingestemd. Zoals het EHRM in wezen uiteenzet in het arrest van 21 juli 2016, Mamatas e.a. tegen Griekenland (CE:ECHR:2016:0721JUD006306614, punt 116), was het bestaan en de toepassing van CAC’s een van de voorwaarden die door de internationale institutionele investeerders werden gesteld aan de vermindering van hun schuldvorderingen. Bij gebreke van deze CAC’s zou een groter verminderingspercentage zijn toegepast op Griekse schuldbewijzen die werden gehouden door hen die bereid waren om een afwaardering te aanvaarden, waardoor een groot aantal houders van die schuldbewijzen ervan zou worden weerhouden om deel te nemen aan het schuldverlichtingsproces. Derhalve blijkt dat de CAC’s en de dankzij deze CAC’s doorgevoerde herstructurering van de Griekse staatsschuld een maatregel vormden die passend en noodzakelijk was om deze schuld te verminderen en de insolventie van de Griekse Staat te voorkomen. Afgezien van het bijgevolg ongegronde argument dat de deelname van de particuliere sector aan de herstructurering van de Griekse staatsschuld had kunnen worden beperkt tot de houders van schuldbewijzen die hadden ingestemd met de ruil van hun schuldbewijzen, hebben verzoekende partijen hoe dan ook niet gesteld dat wet nr. 4050/2012 kennelijk ongeschikt was voor of onevenredig was aan het bereiken van die doelstellingen, noch dat de nagestreefde doelstellingen van algemeen belang hadden kunnen worden bereikt met een even doeltreffende maar minder dwingende maatregel.

113    Ten derde lijdt het geen twijfel dat de verplichte ruil van Griekse schuldbewijzen ten gevolge van wet nr. 4050/2012 en van de instemming van een meerderheid van de houders van deze schuldbewijzen heeft geleid tot een zeer sterke daling van de nominale waarde ervan. Verzoekende partijen, die niet hadden ingestemd met de voorgestelde wijziging van de voorwaarden van hun schuldbewijzen, werden immers geconfronteerd met de nieuwe voorwaarden van die wet en in het bijzonder met een vermindering van de nominale waarde van die schuldbewijzen. Zoals het EHRM heeft benadrukt in zijn arrest van 21 juli 2016, Mamatas e.a. tegen Griekenland (CE:ECHR:2016:0721JUD 006306614, punt 112), kan bij de beoordeling van het door verzoekende partijen geleden verlies evenwel niet worden uitgegaan van het bedrag dat zij hoopten te innen op de vervaldatum van hun schuldbewijzen. De nominale waarde van een schuldbewijs weerspiegelt weliswaar de omvang van de schuldvordering van de houder ervan op de vervaldatum, maar komt niet overeen met de werkelijke marktwaarde op de datum waarop de Griekse Staat de litigieuze regeling heeft vastgesteld, in casu op 23 februari 2012, de datum waarop wet nr. 4050/2012 is aangenomen. Die marktwaarde was ongetwijfeld reeds beïnvloed door de afnemende solvabiliteit van de Griekse Staat, die reeds midden 2010 had ingezet en tot eind 2011 had voortgeduurd. Deze daling van de marktwaarde van de schuldbewijzen van verzoekende partijen wees erop dat de Staat op 20 augustus 2015 niet in staat zou zijn geweest de verplichtingen na te komen die op hem rusten krachtens de contractuele bedingen van de oude schuldbewijzen, dat wil zeggen die van vóór de vaststelling van wet nr. 4050/2012.

114    Gelet op al het voorgaande moet worden geoordeeld dat de vermindering van de waarde van de litigieuze schuldbewijzen uit het oogpunt van het nagestreefde doel geen onevenredige en onduldbare ingreep vormde waardoor het aldus gewaarborgde recht in zijn kern zou worden aangetast. Gelet op de aard van de betreffende eigendomstitel, op de omvang van de Griekse staatsschuldencrisis, op het feit dat zowel de Griekse Staat als de meerderheid van de houders van Griekse schuldbewijzen instemde met een ruil die gepaard zou gaan met een vermindering van de waarde van deze schuldbewijzen, en op de omvang van de geleden verliezen, vormde die ingreep immers geen onduldbare inbreuk op het eigendomsrecht van verzoekende partijen.

115    Aan deze gevolgtrekking wordt niet afgedaan door de verschillende argumenten van verzoekende partijen. Zo is de vaststelling dat de verplichte ruil en de devaluatie van de litigieuze schuldbewijzen van verzoekende partijen maatregelen zijn die hun oorsprong vinden in besluiten die de Griekse Staat heeft genomen als overheid, niet voldoende voor het bewijs dat inbreuk wordt gemaakt op het eigendomsrecht in de zin van artikel 17, lid 1, van het Handvest. De omstandigheid dat obligaties in het algemeen als veilig worden beschouwd, met name op grond van het solvabiliteitsbesluit (zie punt 88 hierboven), doet niet af aan de beoordeling dat de aankoop van schuldbewijzen van de overheid per definitie een transactie is die enig financieel risico inhoudt (zie punt 108 hierboven). De door verzoekende partijen gestelde financiële verliezen volstaan – zo zij al bewezen zijn – evenmin voor het bewijs dat artikel 17, lid 1, van het Handvest is geschonden. De obligaties hebben namelijk een restwaarde, en bij gebreke van CAC’s en de dankzij deze CAC’s doorgevoerde herstructurering van de Griekse staatsschuld zou de waarschijnlijkheid van wanbetaling door de Helleense Republiek duidelijk zijn toegenomen, hetgeen niet alleen de instorting van de Griekse economie en een risico voor de eurozone zou hebben meegebracht, maar eveneens zou hebben geleid tot een nog sterkere vermindering van de waarde van de litigieuze schuldbewijzen van verzoekende partijen. Ten slotte dient met betrekking tot de stelling van verzoekende partijen dat geen relevantie toekomt aan het arrest van het EHRM van 21 juli 2016, Mamatas e.a. tegen Griekenland (CE:ECHR:2016:0721JUD006306614), omdat het enkel betrekking heeft op de onteigening van Griekse particuliere schuldeisers en niet op die van buitenlandse particuliere schuldeisers die niet in Griekenland gevestigd zijn, te worden opgemerkt dat verzoekende partijen geen enkel overtuigend argument aanvoeren om aan te tonen dat het EHRM anders zou hebben geoordeeld indien het zich uitdrukkelijk had moeten uitspreken over de situatie van dergelijke buitenlandse schuldeisers, die bovendien krachtens het Griekse verbintenissenrecht gebonden waren door dezelfde contractuele voorwaarden als Griekse schuldeisers.

116    Bijgevolg vormt de vermindering van de waarde van de door verzoekende partijen gehouden litigieuze schuldbewijzen geen maatregel die onevenredig is aan het doel de economie van de Helleense Republiek en de eurozone te beschermen tegen het risico op wanbetaling door de Helleense Republiek en op instorting van haar economie. Verzoekende partijen stellen dus ten onrechte dat de betreffende maatregelen artikel 17, lid 1, van het Handvest schenden. Bovendien kan de ECB bij gebreke van schending van deze bepaling niet worden verweten dat zij een dergelijke schending niet aan de orde heeft gesteld in het litigieuze advies.

 Schending van artikel 63 VWEU

117    Verzoekende partijen stellen zich op het standpunt dat de ECB in het litigieuze advies absoluut had moeten opmerken dat de uitvoering van wet nr. 4050/2012 een schending van artikel 63 VWEU inhield. Zij zijn van mening dat wet nr. 4050/2012 een beperking van het kapitaalverkeer met zich meebracht, aangezien dit begrip volgens hen aldus moet worden opgevat dat het zich mede uitstrekt tot een wettelijke ontneming van de rechten van schuldeisers wanneer deze niet berust op een rechtsgeldige herzieningsclausule. De uitstroom van het kapitaal dat is verkregen uit de aflossing van de vervallen schuldbewijzen en uit rente, wordt beperkt doordat de schuldeisers die niet hebben ingestemd, niet het volledige geïnvesteerde kapitaal verkrijgen, maar slechts fracties daarvan in de vorm van nieuwe schuldbewijzen of obligaties die pas tussen 2022 en 2042 zullen vervallen. Volgens verzoekende partijen kan die beperking niet worden gerechtvaardigd op grond van de openbare orde als bedoeld in artikel 65, lid 1, onder b), VWEU, omdat de schuldeisers die niet hebben ingestemd met de vermindering van de nominale waarde van de Griekse schuldbewijzen het bestaan van de Griekse staat niet in gevaar brengen door hun schuldvorderingen.

118    De ECB betwist zowel het feit dat haar een schending van artikel 63 VWEU kan worden toegerekend, als het feit dat deze bepaling in casu is geschonden.

119    Artikel 63, lid 1, VWEU verbiedt alle beperkingen van het kapitaalverkeer tussen lidstaten onderling alsook tussen lidstaten en derde landen. Als dergelijke beperkingen dienen onder meer door een lidstaat opgelegde maatregelen te worden aangemerkt die investeerders uit andere lidstaten ervan kunnen weerhouden in die lidstaat te investeren dan wel hun dit kunnen beletten of hun daarbij beperkingen kunnen opleggen, of die omgekeerd investeerders uit die lidstaat ervan kunnen weerhouden in andere lidstaten te investeren dan wel hun dit kunnen beletten of hun daarbij beperkingen kunnen opleggen [zie in die zin arresten van 26 september 2000, Commissie/België, C‑478/98, EU:C:2000:497, punt 18; 23 oktober 2007, Commissie/Duitsland, C‑112/05, EU:C:2007:623, punt 19, en 26 mei 2016, NN (L) International, C‑48/15, EU:C:2016:356, punt 44].

120    Het in artikel 63, lid 1, VWEU neergelegde beginsel van het vrije verkeer van kapitaal is een van de fundamentele vrijheden van de Unie (zie in die zin arresten van 1 juli 2010, Dijkman en Dijkman-Lavaleije, C‑233/09, EU:C:2010:397, punten 40 en 41, en 6 maart 2018, SEGRO en Horváth, C‑52/16 en C‑113/16, EU:C:2018:157, punt 66), die zowel door de lidstaten als door de instellingen van de Unie moeten worden geëerbiedigd (zie in die zin arresten van 29 februari 1984, Rewe-Zentrale, 37/83, EU:C:1984:89, punt 18; 2 maart 2010, Arcelor/Parlement en Raad, T‑16/04, EU:T:2010:54, punt 177, en 12 december 2012, Evropaïki Dynamiki/EFSA, T‑457/07, niet gepubliceerd, EU:T:2012:671, punt 36), en dus ook door de ECB.

121    Ongeacht of de uitvoering van wet nr. 4050/2012 heeft geleid tot een beperking van het kapitaalverkeer in de zin van artikel 63, lid 1, VWEU, moet worden vastgesteld dat een dergelijke beperking, mocht zij aangetoond zijn, gerechtvaardigd zou zijn om dwingende redenen van algemeen belang.

122    Het Hof heeft namelijk geoordeeld dat het vrije verkeer van kapitaal mag worden beperkt door een nationale regeling mits deze op basis van objectieve overwegingen die losstaan van de herkomst van het betreffende kapitaal, gerechtvaardigd is om dwingende redenen van algemeen belang en het evenredigheidsbeginsel eerbiedigt, wat inhoudt dat zij geschikt is om de verwezenlijking van het rechtmatig nagestreefde doel te verzekeren en niet verder gaat dan noodzakelijk is om dit doel te bereiken (zie arrest van 6 maart 2018, SEGRO en Horváth, C‑52/16 en C‑113/16, EU:C:2018:157, punt 76 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

123    In casu waren de maatregelen in kwestie gerechtvaardigd om dwingende redenen van algemeen belang. Zoals in punt 111 hierboven is uiteengezet, waren de aan wet nr. 4050/2012 ten grondslag liggende omstandigheden immers werkelijk uitzonderlijk, aangezien het bij gebreke van een herstructurering een geloofwaardig vooruitzicht was dat de Helleense Republiek op korte termijn minstens gedeeltelijk in betalingsverzuim zou geraken. Bovendien hadden de betreffende maatregelen, zoals in de punten 105 en 106 hierboven is toegelicht, tot doel de stabiliteit van het bankwezen van de eurozone in haar geheel te waarborgen. Dit doel vormt een dwingende reden van algemeen belang.

124    Voorts hebben verzoekende partijen niet aangetoond dat de maatregelen in kwestie onevenredig waren. Deze maatregelen hebben het mogelijk gemaakt de stabiliteit van het bankwezen van de eurozone in haar geheel te herstellen, en er is niet aangetoond dat zij verder gingen dan noodzakelijk was om die stabiliteit te herstellen. Met name zou het niet mogelijk zijn geweest het succes van de ruil van Griekse schuldbewijzen te verzekeren indien de deelname van particuliere schuldeisers aan die ruil uitsluitend vrijwillig was geweest, zoals door verzoekende partijen wordt voorgestaan. Indien niet was gewaarborgd dat particuliere schuldeisers gelijk zouden worden behandeld, zouden namelijk weinigen onder hen deze ruil hebben aanvaard, gelet op de daarmee gepaard gaande „moral hazard”, namelijk dat zij de gevolgen zouden dragen van de risico’s die werden genomen door de schuldeisers die niet deelnamen aan de ruil van Griekse schuldbewijzen. Het succes van de ruil van schuldbewijzen was echter beslissend voor de herstructurering van de Griekse staatsschuld, die op haar beurt nodig was om het banksysteem van de eurozone te stabiliseren.

125    Bijgevolg verwijten verzoekende partijen de ECB ten onrechte dat zij in het litigieuze advies niet heeft vastgesteld dat het vrije verkeer van kapitaal in de zin van artikel 63 VWEU was geschonden.

 Schending van artikel 124 VWEU

–       Opmerkingen vooraf

126    Verzoekende partijen stellen dat de Helleense Republiek artikel 124 VWEU heeft geschonden doordat zij de schuldeisers die niet hadden ingestemd, de verplichting heeft opgelegd om hun bestaande Griekse schuldbewijzen in te ruilen tegen nieuwe schuldbewijzen.

127    De ECB betwist zowel de stelling dat zij artikel 124 VWEU heeft geschonden, als de stelling dat de Helleense Republiek deze bepaling heeft geschonden. Bovendien is de ECB van mening dat op haar rechten van verdediging inbreuk is gemaakt doordat de door verzoekende partijen vermelde punten 55 en 56 van bijlage A.8 niet voorkomen in het verzoekschrift.

–       Rechten van verdediging van de ECB

128    In het verzoekschrift hebben verzoekende partijen gesteld dat de Commissie had bevestigd dat artikel 124 VWEU wordt geschonden in geval van onteigening. Om deze stelling te onderbouwen, hebben verzoekende partijen verwezen naar de in bijlage A.8 opgenomen punten 55 en 56 van de opmerkingen van de Commissie van 19 augustus 2013 die bij het Hof zijn ingediend in de zaken C‑226/13, C‑245/13 en C‑247/13. De punten 55 en 56 van deze opmerkingen zijn echter niet vervat in bijlage A.8, aangezien de bladzijden 13 tot en met 15 van die opmerkingen ontbraken. De ECB leidt daaruit af dat zij met betrekking tot die punten haar rechten van verdediging niet heeft kunnen uitoefenen.

129    In dit verband zij eraan herinnerd dat uit het beginsel van de bewijsvrijheid voortvloeit dat een partij voor het Gerecht in beginsel het recht heeft om zich voor het bewijs te beroepen op stukken die in de loop van een andere gerechtelijke procedure zijn overgelegd. De goede rechtsbedeling staat aan de overlegging van deze stukken voor het Gerecht enkel in de weg wanneer die partij daartoe onrechtmatig toegang heeft gehad of wanneer die stukken vertrouwelijk zijn (zie in die zin arrest van 4 juli 2017, European Dynamics Luxembourg e.a./Spoorwegbureau van de Europese Unie, T‑392/15, EU:T:2017:462, punt 55).

130    Voorts zij opgemerkt dat verzoekende partijen de ontbrekende bladzijden van bijlage A.8 hebben overgelegd in de fase van de repliek (zie bijlage C.5), zodat de ECB in de fase van de dupliek en ter terechtzitting haar standpunt over deze punten kenbaar heeft kunnen maken. Daarbij komt dat het argument van verzoekende partijen niet alleen is gebaseerd op bijlage A.8, maar ook op bijlage A.9. De punten 48 en 49 van laatstgenoemde bijlage, die de bij het Hof in zaak C‑578/13 ingediende opmerkingen van de Commissie van 21 februari 2014 bevat, zijn identiek aan de in bijlage C.5 opgenomen punten 55 en 56 van de opmerkingen van de Commissie van 19 augustus 2013.

131    Gelet op een en ander stelt de ECB ten onrechte dat inbreuk is gemaakt op haar rechten van verdediging en dat de op de punten 55 en 56 van bijlage A.8 gebaseerde argumentatie van verzoekende partijen moet worden afgewezen.

–       Artikel 124 VWEU

132    Artikel 124 VWEU verbiedt alle niet op overwegingen van bedrijfseconomisch toezicht gebaseerde maatregelen waardoor instellingen, organen of instanties van de Unie, centrale overheden, regionale, lokale of andere overheden, andere publiekrechtelijke lichamen of openbare bedrijven van de lidstaten een bevoorrechte toegang tot de financiële instellingen krijgen.

133    Verzoekende partijen zijn van mening dat het de lidstaten op grond van die bepaling en van verordening (EG) nr. 3604/93 van de Raad van 13 december 1993 tot vaststelling van de definities voor de toepassing van het in artikel [124 VWEU] vastgelegde verbod op bevoorrechte toegang (PB 1993, L 332, blz. 4) niet is toegestaan kredietinstellingen een bevoorrechte toegang te verlenen door middel van overheidsmaatregelen. Volgens verzoekende partijen behoorden tot de schuldeisers die niet hadden ingestemd met de herstructurering van de Griekse staatsschuld, echter onder meer kredietinstellingen die „financiële instellingen” waren in de zin van artikel 4, lid 1, van verordening nr. 3604/93, gelezen in samenhang met artikel 1, eerste streepje, van de Eerste richtlijn (77/780/EEG) van de Raad van 12 december 1977 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen (PB 1977, L 322, blz. 30). Volgens verzoekende partijen waren die financiële instellingen ten gevolge van de bij wet nr. 4050/2012 ingevoerde verplichte ruil van Griekse schuldbewijzen genoodzaakt de nieuwe schuldbewijzen in bewaring te nemen tegen voorwaarden die kennelijk niet marktconform waren. Die ruil is derhalve in strijd met artikel 124 VWEU. Ter ondersteuning van dit argument merken verzoekende partijen ten eerste op dat ten tijde van de verplichte ruil van Griekse schuldbewijzen in maart 2012 de nominale waarde van de „nieuwe” schuldbewijzen slechts 46,5 % bedroeg van die van de „oude”, ingeruilde schuldbewijzen, en ten tweede dat de waarde van die „nieuwe” schuldbewijzen vanuit economisch oogpunt slechts 21,5 % bedroeg van die van de „oude” schuldbewijzen (zie arrest van de Symvoulio tis Epikrateias van 22 maart 2014).

134    Verzoekende partijen verwijten de ECB dus in wezen dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan een voldoende gekwalificeerde schending, doordat zij niet heeft vastgesteld dat het ontwerp van wet nr. 4050/2012 schending van artikel 124 VWEU opleverde.

135    Wet nr. 4050/2012 verleent evenwel geen bevoorrechte toegang tot de financiële instellingen die in strijd is met artikel 124 VWEU.

136    Artikel 124 VWEU verbiedt immers alle niet op overwegingen van bedrijfseconomisch toezicht gebaseerde maatregelen waardoor onder meer aan de lidstaten een bevoorrechte toegang wordt verleend tot de financiële instellingen. Dit verbod strekt ertoe de lidstaten ertoe aan te zetten een gezond begrotingsbeleid te voeren door te voorkomen dat een monetaire financiering van overheidstekorten of een bevoorrechte toegang van overheden tot de kapitaalmarkten leidt tot een bovenmatige schuldenlast of buitensporige begrotingstekorten van de lidstaten (zie in die zin eerste overweging van verordening nr. 3604/93 en arrest van 1 oktober 2015, Bara e.a., C‑201/14, EU:C:2015:638, punt 22 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

137    Wet nr. 4050/2012 heeft evenwel niet tot doel de schuldenlast van de Helleense Republiek te verhogen, maar juist om deze – gelet op het buitensporige karakter ervan – te verlagen door de waarde van de door verzoekende partijen gehouden schuldbewijzen te verminderen.

138    Bovendien is de vaststelling van wet nr. 4050/2012 gerechtvaardigd op grond van overwegingen van bedrijfseconomisch toezicht in de zin van artikel 124 VWEU. Deze worden in artikel 2 van verordening nr. 3604/93 namelijk gedefinieerd als overwegingen die ten grondslag liggen aan nationale wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen of nationale bestuursmaatregelen die gebaseerd zijn op of verenigbaar zijn met het Unierecht en die beogen de soliditeit van de financiële instellingen te bevorderen, teneinde de stabiliteit van het financiële stelsel in zijn geheel en de bescherming van de cliënten van deze instellingen te versterken. Het ontwerp van wet nr. 4050/2012 droeg bij tot de bescherming van zowel de Griekse overheidsfinanciën als de stabiliteit van het financiële stelsel van de eurozone (zie punten 105 en 106 hierboven).

139    Daarbij komt dat artikel 124 VWEU niet tot doel heeft verzoekende partijen te beschermen en dat hun bij deze bepaling geen rechten worden toegekend.

140    Zoals hierboven in punt 77 is uiteengezet, kan een vordering tot schadevergoeding niet worden gebaseerd op een rechtsregel waarbij geen rechten worden toegekend aan degene die zich op deze rechtsregel beroept. Een regel die een persoon niet beschermt tegen de door hem aangevoerde onrechtmatigheid, maar die strekt tot bescherming van een andere persoon, kan dan ook niet in aanmerking worden genomen. Een rechtsregel strekt ertoe rechten aan particulieren toe te kennen wanneer hij hun een voordeel verschaft dat als verworven recht kan worden aangemerkt, hun belangen beoogt te beschermen of hun rechten toekent waarvan de inhoud voldoende kan worden vastgesteld (zie arrest van 19 oktober 2005, Cofradía de pescadores „San Pedro de Bermeo” e.a./Raad, T‑415/03, EU:T:2005:365, punt 86 en aldaar aangehaalde rechtspraak). In casu heeft de in artikel 124 VWEU neergelegde regel tot doel de instellingen van de Unie en de lidstaten te beschermen tegen de begrotingsrisico’s die een bevoorrechte toegang tot de financiële instellingen met zich meebrengt. Het in artikel 124 VWEU vervatte verbod beoogt dus niet de particulieren en de ondernemingen – zoals in casu verzoekende partijen – te beschermen, maar strekt ertoe de Unie als zodanig – met inbegrip van de lidstaten – te beschermen tegen gedragingen die de economische en financiële stabiliteit van de Unie in haar geheel in gevaar kunnen brengen.

141    Bijgevolg kan artikel 124 VWEU niet worden beschouwd als een bepaling waarbij rechten worden toegekend aan verzoekende partijen, zodat zij hun vordering tot schadevergoeding niet op die bepaling kunnen doen steunen.

142    Om al deze redenen voeren verzoekende partijen ten onrechte aan dat er sprake is van een onrechtmatigheid waarvoor de ECB jegens hen aansprakelijk is, omdat de ECB in casu niet heeft vastgesteld dat artikel 124 VWEU is geschonden.

143    Aangezien de voorwaarden voor de niet-contractuele aansprakelijkheid van de ECB cumulatief zijn, moet het beroep in zijn geheel worden verworpen indien aan één ervan niet is voldaan (zie in die zin arrest van 24 januari 2017, Nausicaa Anadyomène en Banque d’escompte/ECB, T‑749/15, niet gepubliceerd, EU:T:2017:21, punt 68 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

144    Gelet op het voorgaande moet in casu worden geoordeeld dat uit geen van de door verzoekende partijen aangevoerde argumenten het bewijs kan volgen dat de ECB zich schuldig heeft gemaakt aan een voldoende gekwalificeerde schending van rechtsregels waarbij rechten worden toegekend aan particulieren. Derhalve dient de schadevordering van verzoekende partijen alleen al om die reden te worden afgewezen, zonder dat hoeft te worden nagegaan of daadwerkelijk schade is geleden en of er een oorzakelijk verband bestaat tussen de gewraakte gedraging van de ECB en de gestelde schade.

 Kosten

145    Volgens artikel 134, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dat is gevorderd. Aangezien verzoekende partijen in het ongelijk zijn gesteld, dienen zij overeenkomstig de vordering van de ECB te worden verwezen in de kosten.

HET GERECHT (Derde kamer),

rechtdoende, verklaart:

1)      Het beroep wordt verworpen.

2)      Frank Steinhoff en Ewald Filbry, Vereinigte Raiffeisenbanken Gräfenberg-Forchheim-Eschenau-Heroldsberg eG, Werner Bäcker en EMB Consulting SE worden verwezen in de kosten.

Frimodt Nielsen

Kreuschitz

Półtorak

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 23 mei 2019.

ondertekeningen


*      Procestaal: Duits.