Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Svea Hovrätt (Zweden) op 10 maart 2021 – Italiaanse Republiek / Athena Investments A/S (voorheen Greentech Energy Systems A/S), NovEnergia II Energy & Environment (SCA) SICAR, NovEnergia II Italian Portfolio SA

(Zaak C-155/21)

Procestaal: Zweeds

Verwijzende rechter

Svea Hovrätt

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Italiaanse Republiek

Verwerende partijen: Athena Investments A/S (voorheen Greentech Energy Systems A/S), NovEnergia II Energy & Environment (SCA) SICAR, NovEnergia II Italian Portfolio SA

Prejudiciële vragen

Moet het Verdrag inzake het Energiehandvest1 aldus worden uitgelegd dat de in artikel 262 vervatte bepaling inzake arbitrage – die impliceert dat de verdragsluitende partijen ermee hebben ingestemd dat geschillen tussen een verdragsluitende partij en een investeerder uit een andere verdragsluitende partij die betrekking hebben op een investering die deze investeerder heeft gedaan op het grondgebied van eerstgenoemde verdragsluitende partij, worden onderworpen aan een internationale arbitrageprocedure – zich mede uitstrekt tot een geschil tussen enerzijds een lidstaat van de Europese Unie en anderzijds een investeerder uit een andere lidstaat van de Europese Unie?

Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord:

Moeten artikel 19 en artikel 4, lid 3, VEU alsook de artikelen 267 en 344 VWEU aldus worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan de in artikel 26 van het Verdrag inzake het Energiehandvest vervatte bepaling inzake arbitrage of aan de toepassing van deze bepaling wanneer een investeerder uit een lidstaat van de Europese Unie, bij het rijzen van een geschil over een investering in een andere lidstaat van de Europese Unie, tegen laatstgenoemde lidstaat overeenkomstig artikel 26 van dat verdrag een procedure kan instellen bij een scheidsgerecht, waarvan de bevoegdheid en de beslissing door deze lidstaat moeten worden erkend?

Indien de tweede vraag bevestigend wordt beantwoord:

Moet het Unierecht, met name het beginsel van voorrang van het Unierecht en het doeltreffendheidsbeginsel, aldus worden uitgelegd dat het in de weg staat aan de toepassing van een nationaalrechtelijke uitsluitingsbepaling als § 34, tweede alinea, van de wet inzake arbitrageprocedures, indien deze toepassing ertoe leidt dat het een partij in de vernietigingsprocedure niet is toegestaan aan te voeren dat er geen sprake is van een geldige arbitrageovereenkomst, op grond dat de in artikel 26 van het Verdrag inzake het Energiehandvest vervatte bepaling inzake arbitrage of het overeenkomstig deze bepaling gedane aanbod ongeldig of niet van toepassing is wegens strijdigheid met het Unierecht?

____________

1 Besluit 98/181/EG van de Commissie en de Raad van 23 september 1997 betreffende sluiting door de Europese Gemeenschappen van het Verdrag inzake het Energiehandvest en het protocol bij het Energiehandvest betreffende energie-efficiëntie en daarmee samenhangende milieuaspecten (PB 1998, L 69, blz. 1).

2 Slotakte bij de Conferentie over het Europese Energiehandvest - Bijlage 1: Verdrag inzake het Energiehandvest - Bijlage 2: Besluiten met betrekking tot het Verdrag inzake het Energiehandvest (PB 1994, L 380, blz. 24).