BESCHIKKING VAN HET GERECHT VOOR AMBTENARENZAKEN
VAN DE EUROPESE UNIE

(Derde kamer)

30 mei 2013

Zaak F‑141/11

Luigi Marcuccio

tegen

Europese Commissie

„Openbare dienst – Artikel 34, leden 1 en 6, van het Reglement voor de procesvoering – Binnen de beroepstermijn per fax ingediend verzoekschrift – Handgeschreven ondertekening van advocaat die verschilt van die op het per post verzonden originele verzoekschrift – Te laat ingesteld beroep – Kennelijke niet-ontvankelijkheid”

Betreft:      Beroep, ingesteld krachtens artikel 270 VWEU, van toepassing op het EGA-Verdrag op grond van artikel 106 bis ervan, waarmee Marcuccio met name vraagt om nietigverklaring van de besluiten van de Europese Commissie tot afwijzing van zijn verzoeken van 5 oktober 2010, 2 november 2010, 6 december 2010, 3 januari 2011 en 3 februari 2011. De neerlegging per post van het originele verzoekschrift is voorafgegaan door de toezending per fax op 23 december 2011 aan de griffie van het Gerecht, die het diezelfde dag heeft ontvangen, van een document dat werd gepresenteerd als een kopie van het originele per post neergelegde verzoekschrift.

Beslissing:      Het beroep wordt kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Marcuccio draagt zijn eigen kosten en wordt verwezen in de kosten van de Commissie.

Samenvatting

1.      Gerechtelijke procedure – Inleidend verzoekschrift – Vormvereisten – Handgeschreven ondertekening van advocaat – Wezenlijk voorschrift dat strikt moet worden toegepast – Ontbreken – Niet-ontvankelijkheid

(Statuut van het Hof van Justitie, art. 19, derde alinea, 21, eerste alinea, en bijlage I, art. 7, lid 1; Reglement voor de procesvoering van het Gerecht voor ambtenarenzaken, art. 34, lid 1)

2.      Gerechtelijke procedure – Inleidend verzoekschrift – Vormvereisten – Binnen beroepstermijn per fax ingediend verzoekschrift – Handgeschreven ondertekening van advocaat die verschilt van die op het per post verzonden originele verzoekschrift – Gevolg – Niet-inaanmerkingneming van datum van ontvangst van fax voor beoordeling van eerbiediging van beroepstermijn

(Reglement voor de procesvoering van het Gerecht voor ambtenarenzaken, art. 34; Ambtenarenstatuut, art. 91, lid 3)

3.      Beroepen van ambtenaren – Verzoek om verklaring van non-existentie van administratieve handeling – Voorwaarden voor ontvankelijkheid

(Art. 288 VWEU; Ambtenarenstatuut, art. 90 en 91)

1.      Uit de artikelen 19, derde alinea, en 21, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie volgt dat verzoekers zich moeten laten vertegenwoordigen door een daartoe bevoegd persoon, zodat een zaak enkel door middel van een door die persoon ondertekend verzoekschrift rechtsgeldig bij de rechterlijke instanties van de Unie aanhangig kan worden gemaakt. Krachtens artikel 7, lid 1, van bijlage I bij het Statuut van het Hof zijn die bepalingen ook van toepassing op de procedure voor het Gerecht voor ambtenarenzaken. Noch in het Statuut van het Hof noch in het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht is enige afwijking van of uitzondering op die verplichting voorzien.

Met het vereiste van de handgeschreven ondertekening van de vertegenwoordiger van de verzoekende partij wordt immers met het oog op de rechtszekerheid de authenticiteit van het verzoekschrift gewaarborgd en het risico uitgesloten dat dit niet het werk is van de daartoe bevoegde advocaat of raadsman. Laatstgenoemde persoon heeft als dienaar van het recht dus de belangrijkste taak, welke hem door het Statuut van het Hof van Justitie en het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht voor ambtenarenzaken wordt toebedeeld, aangezien de verzoekende partij door de uitoefening van zijn werkzaamheden toegang kan krijgen tot het Gerecht. Dat vereiste moet derhalve worden beschouwd als een wezenlijk vormvoorschrift en strikt worden toegepast, met dien verstande dat de niet-inachtneming daarvan tot de niet-ontvankelijkheid van het beroep leidt.

(cf. punten 20 en 21)

Referentie:

Hof: 5 december 1996, Lopes/Hof van Justitie, C‑174/96 P, punt 8 en aldaar aangehaalde rechtspraak

Gerecht van eerste aanleg: 23 mei 2007, Parlement/Eistrup, T‑223/06 P, punten 50‑52

2.      In het kader van geschillen van de openbare dienst van de Unie, staat artikel 34 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht voor ambtenarenzaken voor de indiening van het origineel van processtukken binnen de gestelde termijn niet toe dat de vertegenwoordiger van de betrokken partij twee verschillende handgeschreven ondertekeningen plaatst, ook al zijn zij echt, de ene op het per fax aan de griffie van het Gerecht verzonden document en de andere op het origineel dat per post wordt verzonden of persoonlijk wordt overhandigd aan die griffie.

Indien in deze omstandigheden dan blijkt dat het origineel van het stuk dat fysiek ter griffie wordt neergelegd binnen tien dagen nadat een kopie van het origineel per fax is verzonden aan het Gerecht voor ambtenarenzaken, een andere ondertekening heeft dan die welke op het per fax verzonden document staat, dient te worden vastgesteld dat de griffie van het Gerecht twee verschillende processtukken heeft ontvangen, elk met een eigen ondertekening, ook al werden beide ondertekeningen door dezelfde persoon geplaatst. Aangezien de toezending van de gefaxte tekst niet voldoet aan de rechtszekerheidsvereisten van artikel 34 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht voor ambtenarenzaken, kan met de datum van toezending van het gefaxte document geen rekening worden gehouden voor de inachtneming van de beroepstermijn.

De beroepstermijn wordt overigens bepaald door artikel 91, lid 3, van het Statuut waarvan het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht voor ambtenarenzaken niet kan afwijken. Het originele verzoekschrift moet dus uiterlijk bij het verstrijken van die termijn zijn opgesteld. In dit verband is de verzending per fax niet alleen een manier om een document toe te zenden, maar ook een manier om aan te tonen dat het originele verzoekschrift dat door de griffie van dat Gerecht buiten de gestelde termijn is ontvangen, reeds binnen de beroepstermijn was opgesteld.

(cf. punten 23‑25)

Referentie:

Hof: 22 september 2011, Bell & Ross BV/BHIM, C‑426/10 P, punten 37‑43

3.      Om de ontvankelijkheid te rechtvaardigen van een dermate ernstig verzoek als een verzoek om een verklaring van non-existentie van een administratieve handeling, moeten de stellingen van een verzoeker op het eerste gezicht hetzij een feit kunnen onderbouwen dat als een uiterst extreem geval wordt beschouwd hetzij een onregelmatigheid die van een zo klaarblijkelijke ernst is dat zij door de rechtsorde van de Unie niet kan worden getolereerd.

(cf. punt 32)

Referentie:

Gerecht van de Europese Unie: 24 november 2010, T‑9/09 P, Marcuccio/Commissie, punten 37 e.v.