Arrest van het Hof (Grote kamer) van 18 oktober 2016 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Bundesarbeitsgericht - Duitsland) – Republik Griechenland/ Grigorios Nikiforidis

(Zaak C-135/15)1

[Prejudiciële verwijzing – Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken – Recht dat van toepassing is op de arbeidsovereenkomst – Verordening (EG) nr. 593/2008 – Artikel 28 – Werkingssfeer ratione temporis – Artikel 9 – Begrip „bepalingen van bijzonder dwingend recht” – Toepassing van bepalingen van bijzonder dwingend recht van andere lidstaten dan de forumstaat – Wetgeving van een lidstaat waarin is bepaald dat de salarissen in de publieke sector worden verlaagd vanwege een budgettaire crisis – Verplichting tot loyale samenwerking]

Procestaal: Duits

Verwijzende rechter

Bundesarbeitsgericht

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Republik Griechenland

Verwerende partij: Grigorios Nikiforidis

Dictum

Artikel 28 van verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I) dient aldus te worden uitgelegd dat een contractuele arbeidsverhouding die voor 17 december 2009 is ontstaan, slechts binnen de werkingssfeer van die verordening valt voor zover die verhouding als gevolg van een vanaf die datum tot uiting gekomen onderlinge toestemming van de contractpartijen, een wijziging heeft ondergaan die zo ingrijpend is dat moet worden aangenomen dat vanaf die datum een nieuwe arbeidsovereenkomst is gesloten, hetgeen aan de verwijzende rechter staat om vast te stellen.

Artikel 9, lid 3, van verordening nr. 593/2008 dient aldus te worden uitgelegd dat het uitsluit dat andere bepalingen van bijzonder dwingend recht dan die van de forumstaat of de staat waar de verbintenissen krachtens de overeenkomst moeten worden nagekomen of zijn nagekomen, door de aangezochte rechter als rechtsregels kunnen worden toegepast, maar er niet aan in de weg staat dat hij met dergelijke andere bepalingen van bijzonder dwingend recht rekening houdt als feitelijk element, voor zover het nationale recht dat krachtens de bepalingen van die verordening op de overeenkomst toepasselijk is, daarin voorziet. Aan die uitlegging wordt niet afgedaan door het in artikel 4, lid 3, VEU vermelde beginsel van loyale samenwerking.

____________

1 PB C 198 van 15.6.2015.