BESCHIKKING VAN HET GERECHT VOOR AMBTENARENZAKEN
VAN DE EUROPESE UNIE

(Derde kamer)

28 februari 2013

Zaak F‑33/12

Jean Pepi

tegen

Uitvoerend Agentschap Europese Onderzoeksraad (ERCEA)

„Openbare dienst – Arbeidscontractanten – Arbeidscontractanten voor hulptaken – Aanwerving – Indeling bij aanwerving – Artikelen 3 bis, 3 ter en 86 van het RAP – ERCEA – Interne indelingsregels voor arbeidscontractanten”

Betreft:      Beroep, ingesteld krachtens artikel 270 VWEU, van toepassing op het EGA-Verdrag op grond van artikel 106 bis ervan, waarmee Pepi verzoekt om nietigverklaring van de op 3 oktober 2011 gesloten overeenkomst met het Uitvoerend Agentschap Europese Onderzoeksraad (ERCEA), voor zover hij hierbij is ingedeeld in rang 10, salaristrap 1, van functiegroep III, alsmede om vergoeding van de beweerdelijk geleden schade.

Beslissing: Het beroep wordt kennelijk ongegrond verklaard. Verzoeker draagt zijn eigen kosten en wordt verwezen in de kosten van het ERCEA. De Raad van de Europese Unie, die in het geding is tussengekomen, draagt zijn eigen kosten.

Samenvatting

Ambtenaren – Gelijke behandeling – Verschillende behandeling van diverse categorieën functionarissen wat betreft statutaire waarborgen en voordelen inzake sociale zekerheid – Geen discriminatie

(Regeling andere personeelsleden, art. 3 bis en 3 ter; richtlijn 1999/70 van de Raad)

Daar de Uniewetgever vrij is om nieuwe categorieën functionarissen te creëren die beantwoorden aan de rechtmatige behoeften van de administratie van de Unie, kunnen de statutaire verschillen tussen de diverse categorieën personen die door de Unie worden tewerkgesteld, hetzij als ambtenaar hetzij als functionaris van een van de in de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden bedoelde categorieën, niet in geding worden gebracht, aangezien de omschrijving van elk van die categorieën beantwoordt aan de rechtmatige behoeften van de administratie van de Unie en aan de aard van de vaste of tijdelijke werkzaamheden waarmee zij is belast. Derhalve kan het feit dat bepaalde categorieën personeelsleden van de Unie op het vlak van de statutaire waarborgen en voordelen van sociale zekerheid waarborgen of voordelen genieten waarvan andere categorieën verstoken blijven, niet als discriminatie worden aangemerkt.

Inzonderheid de verschillen in arbeidsvoorwaarden tussen de arbeidscontractanten in de zin van artikel 3 bis van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden enerzijds, en de onder artikel 3 ter van die Regeling vallende arbeidscontractanten voor hulptaken anderzijds, rechtvaardigen dat op hen respectievelijk een verschillende indeling en, bijgevolg, verschillende bezoldigingsniveaus worden toegepast. Hun relatief precaire arbeidsverhouding kan derhalve rechtvaardigen dat arbeidscontractanten voor hulptaken een betere indeling krijgen dan arbeidscontractanten in de zin van artikel 3 bis van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden. Hieruit volgt dat er geen sprake kan zijn van ongelijke behandeling, ook niet wanneer arbeidscontractanten in de zin van voornoemd artikel 3 bis en arbeidscontractanten in de zin van voornoemd artikel 3 ter die tot dezelfde functiegroep behoren, dezelfde taken dienen te verrichten, en de aanwerving, binnen diezelfde functiegroep, van deze twee categorieën van arbeidscontractanten, hetzelfde niveau van diploma of beroepservaring vereist.

Bovendien is er evenmin sprake van schending van richtlijn 1999/70 betreffende de door het EVV, de UNICE en het CEEP gesloten raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, daar de situatie van arbeidscontractanten in de zin van artikel 3 bis van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden, niet vergelijkbaar is met die van arbeidscontractanten voor hulptaken.

(cf. punten 40, 41, 43, 44 en 58)

Referentie:

Hof: 6 oktober 1983, Celant e.a./Commissie, 118/82–123/82, punt 22

Gerecht van eerste aanleg: 30 september 1998, Ryan/Rekenkamer, T‑121/97, punten 98 en 104

Gerecht van de Europese Unie: 21 september 2011, Adjemian e.a./Commissie, T‑325/09 P, punt 83 en aldaar aangehaalde rechtspraak

Gerecht voor ambtenarenzaken: 19 oktober 2006, De Smedt/Commissie, F‑59/05, punten 71 en 76; 12 maart 2009, Arpaillange e.a./Commissie, F‑104/06, punten 60, 61 en 63