ARREST VAN HET GERECHT VOOR AMBTENARENZAKEN
VAN DE EUROPESE UNIE

(Tweede kamer)

12 juni 2013

Zaak F‑5/12

Slawomir Bogusz

tegen

Europees Agentschap voor het beheer van de operationele samenwerking aan de buitengrenzen van de lidstaten van de Europese Unie (Frontex)

„Openbare dienst – Tijdelijk functionarissen – Personeel van Frontex – Wijziging van voorwaarden voor verloop van proeftijd voorzien in artikel 14 van de RAP – Ontslag na afloop van de proeftijd – Vaststelling van doelstellingen – Voor het eerst ter terechtzitting aangevoerd middel”

Betreft:      Beroep, ingesteld krachtens artikel 270 VWEU, van toepassing op het EGA-Verdrag op grond van artikel 106 bis ervan, waarmee Bogusz vraagt om nietigverklaring van, ten eerste, het besluit van 15 april 2011 houdende intrekking van zijn toegangsrechten als administrateur tot het netwerk van het Europees Agentschap voor het beheer van de operationele samenwerking aan de buitengrenzen van de lidstaten van de Europese Unie (Frontex) alsmede zijn fysieke toegang tot de netwerkcomputers en tot bepaalde technische ruimten van de afdeling Informatie‑ en Communicatietechnologie van Frontex en, ten tweede, van het besluit van 24 mei 2011 om zijn overeenkomst na afloop van zijn proeftijd te beëindigen.

Beslissing:      Het beroep wordt verworpen. Het Europees Agentschap voor het beheer van de operationele samenwerking aan de buitengrenzen van de lidstaten van de Europese Unie draagt zijn eigen kosten en wordt verwezen in één vierde van de kosten van Bogusz. Bogusz draagt drie vierde van zijn eigen kosten.

Samenvatting

1.      Ambtenaren – Tijdelijk functionarissen – Aanwerving – Proeftijd – Doel – Voorwaarden voor verloop – Wijziging van die voorwaarden tijdens proeftijd – Verplichting voor beoordelaar om rekening te houden met die wijziging – Geen verplichting indien wijziging verband houdt met gedrag van functionaris

(Regeling andere personeelsleden, art. 14)

2.      Ambtenaren – Tijdelijk functionarissen – Aanwerving – Proeftijd – Ontslagbesluit na afloop van proeftijd – Motivering – Vereisten

(Regeling andere personeelsleden, art. 14)

3.      Ambtenaren – Tijdelijk functionarissen – Aanwerving – Proeftijd – Rapport aan het einde van de proeftijd – Opstelling van rapport vóór afloop van proeftijd – Toelaatbaarheid

(Regeling andere personeelsleden, art. 14, lid 3)

4.      Ambtenaren – Tijdelijk functionarissen – Aanwerving – Proeftijd – Vaststelling van te bereiken doelstellingen – Wijziging van lijst van doelstellingen in het stadium van de opstelling van het rapport aan het einde van de proeftijd – Ontoelaatbaarheid

(Regeling andere personeelsleden, art. 14, lid 3)

1.      Een proeftijd beoogt weliswaar te bepalen of de overeenkomst van een functionaris, gelet op zijn prestaties, moet worden gehandhaafd, doch de functionaris op proef moet gedurende die periode ook in staat worden gesteld om het bewijs van zijn kwaliteiten te leveren, hetgeen in de praktijk betekent dat voor de ambtenaar of functionaris op proef adequate materiële voorwaarden moeten gelden om de hem toebedeelde taken te kunnen vervullen.

Wanneer de administratie besluit om de voorwaarden voor het verloop van een proeftijd te wijzigen om redenen die geen verband houden met de betrokken ambtenaar of functionaris, moet de beoordelaar daarmee rekening houden teneinde te bepalen in welke mate die ambtenaar of functionaris zijn doelstellingen heeft bereikt en, vervolgens, om zijn prestaties te beoordelen. Is die wijziging echter het gevolg van het gedrag van de betrokkene, dan kan hij die wijziging niet gebruiken om te stellen dat hij niet in staat is gesteld om de aan hem toevertrouwde taken te vervullen en, dientengevolge, om te rechtvaardigen dat hij de voor hem vastgestelde doelstellingen niet heeft bereikt. Een ambtenaar of functionaris kan immers geen argumenten ontlenen aan zijn eigen gedrag om zich vrij te stellen van zijn beroepsmatige verplichtingen.

(cf. punten 56 en 57)

Referentie:

Gerecht van eerste aanleg: 5 maart 1997, Rozand-Lambiotte/Commissie, T‑96/95, punt 95

Gerecht voor ambtenarenzaken: 3 maart 2009, Patsarika/Cedefop, F‑63/07, punt 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak

2.      Wanneer een besluit om een overeenkomst van tijdelijk functionaris na afloop van de proeftijd te beëindigen is gebaseerd op verschillende redenen, volstaat het voor de rechtmatigheid van dat besluit dat een aantal van die redenen geldig is en dat duidelijk is dat de administratie alleen op basis van die redenen tot dezelfde conclusie zou zijn gekomen.

Dit geldt temeer daar een besluit om een overeenkomst aan het einde van de proeftijd te beëindigen op zich verschilt van het ontslag van een functionaris na het verstrijken van die proeftijd. Terwijl in dit laatste geval een nauwgezet onderzoek moet plaatsvinden van de redenen die de beëindiging van een gevestigde arbeidsverhouding kunnen rechtvaardigen, is het onderzoek in het eerste geval slechts globaal en heeft het alleen betrekking op het al dan niet aanwezig zijn van een aantal positieve factoren die tijdens de proeftijd aan het licht zijn gekomen en waaruit valt op te maken dat het in het belang van de dienst is om de functionaris in dienst te houden.

(cf. punt 75)

Referentie:

Gerecht voor ambtenarenzaken: 9 juli 2009, Notarnicola/Rekenkamer, F‑85/08, punten 70 e.v.; 28 maart 2012, BD/Commissie, F‑36/11, punt 83

3.      De administratie behoeft niet de afloop van de proeftijd af te wachten om te beoordelen of de voor de duur van de proeftijd vastgestelde doelstellingen al dan niet zijn bereikt. Artikel 14, lid 3, van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden bepaalt weliswaar dat het tot het aangaan van aanstellingsovereenkomsten bevoegd gezag een functionaris op basis van het rapport aan het einde van de proeftijd wegens kennelijke ongeschiktheid kan ontslaan, doch dit ontslag moet plaatsvinden vóór het verstrijken van de proeftijd, hetgeen dus veronderstelt dat het rapport daarvoor wordt opgesteld. De omstandigheid dat het proeftijdrapport vóór het verstrijken van de proeftijd wordt opgesteld staat er niet aan in de weg dat de bekwaamheid van de betrokken functionaris om zijn doelstellingen vóór het einde van de proeftijd te verwezenlijken, volledig wordt beoordeeld.

(cf. punten 78 en 79)

4.      Een beoordelaar kan in beginsel niet de lijst van aan een ambtenaar of functionaris op proef toegewezen doelstellingen in het stadium van de opstelling van het rapport aan het einde van de proeftijd wijzigen, aangezien dit erop neerkomt dat hem wordt verweten dat hij doelstellingen waarvan hij aan het begin van zijn proeftijd geen kennis had, niet heeft bereikt. Wanneer een ambtenaar of functionaris feitelijk andere doelstellingen heeft gekregen dan die welke aan het begin van zijn proeftijd oorspronkelijk waren overeengekomen, mag de beoordelaar weliswaar laatstgenoemde doelstellingen buiten beschouwing laten en in het proeftijdrapport melding maken van andere doelstellingen. In dat geval dient de administratie echter aan te tonen dat die nieuwe doelstellingen inderdaad gedurende de proeftijd aan de betrokkene waren toegewezen. Zijn hem in de loop van de proeftijd nieuwe doelstellingen opgedragen, dan moet het proeftijdrapport daarvan melding maken, opdat de beoordelingsautoriteit met name ervan op de hoogte is dat de ambtenaar of functionaris op proef over minder dan de voorziene tijd heeft beschikt om deze te verwezenlijken en daarmee rekening kan houden.

(cf. punten 80‑82)

Referentie:

Gerecht voor ambtenarenzaken: 14 september 2010, Rossi Ferreras/Commissie, F‑85/09, punt 58