Voorlopige editie

CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL

M. SZPUNAR

van 8 september 2022 (1)

Zaak C472/21

Monz Handelsgesellschaft International mbH & Co. KG

tegen

Büchel GmbH & Co. Fahrzeugtechnik KG

[verzoek van het Bundesgerichtshof (hoogste federale rechter in burgerlijke en strafzaken, Duitsland) om een prejudiciële beslissing]

„Prejudiciële verwijzing – Intellectuele eigendom – Ingeschreven model – Richtlijn 98/71/EG – Artikel 3, leden 3 en 4 – Beschermingsvoorwaarden voor een onderdeel van een samengesteld voortbrengsel – Begrippen ‚zichtbaarheid’ en ‚normaal gebruik’ – Nieuwheid en eigen karakter – Zichtbaarheid van een onderdeel van een samengesteld voortbrengsel bij normaal gebruik van dat voortbrengsel”






 Inleiding

1.        De voorwaarden voor de bescherming van een model in het Unierecht zijn de nieuwheid en het eigen karakter ervan. De situatie is echter ingewikkelder wanneer het voortbrengsel waarop het betrokken model is toegepast, een onderdeel van een samengesteld voortbrengsel vormt. In een dergelijk geval wordt de bescherming slechts verleend op voorwaarde dat, ten eerste, dit onderdeel, nadat het is gemonteerd, zichtbaar blijft bij het gebruik van het samengestelde voortbrengsel waarvan het deel uitmaakt en, ten tweede, de zichtbare delen van dat onderdeel de vereiste kenmerken van nieuwheid en eigen karakter bezitten. Deze aanvullende voorwaarden zijn ingevoerd om monopolisering, door middel van het modelrecht, van de vervaardiging en de verhandeling van vervangingsonderdelen van samengestelde voortbrengselen, met name in de automobielsector, te voorkomen.(2)

2.        Dit neemt niet weg dat de voorwaarden voor bescherming van modellen die worden toegepast op onderdelen van samengestelde voortbrengselen alle sectoren aangaan en het in de praktijk vaak moeilijk is om de begrippen „zichtbaarheid” en „normaal gebruik” van het voortbrengsel goed uit te leggen. De onderhavige zaak heeft betrekking op deze uitlegging.

 Toepasselijke bepalingen

 Unierecht

3.        Artikel 1 van richtlijn 98/71/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 1998 inzake de rechtsbescherming van modellen(3) luidt:

„In deze richtlijn wordt verstaan onder:

a)      ‚model’: de verschijningsvorm van een voortbrengsel of een deel ervan, die wordt afgeleid uit de kenmerken van met name de lijnen, de omtrek, de kleuren, de vorm, de textuur en/of de materialen van het voortbrengsel zelf en/of de versiering ervan;

b)      ‚voortbrengsel’: elk op industriële of ambachtelijke wijze vervaardigd voorwerp, met inbegrip van onder meer onderdelen die zijn bestemd om tot een samengesteld voortbrengsel te worden samengevoegd, verpakkingen, uitvoering, grafische symbolen en typografische lettertypen, doch niet computerprogramma’s;

c)      ‚samengesteld voortbrengsel’: een voortbrengsel dat bestaat uit meerdere onderdelen die vervangen kunnen worden, zodat het voortbrengsel uit elkaar gehaald en weer in elkaar gezet kan worden.”

4.        Artikel 3, leden 3 en 4, van die richtlijn bepaalt:

„3.      Een model dat is toegepast op of verwerkt in een voortbrengsel dat een onderdeel van een samengesteld voortbrengsel vormt, wordt slechts geacht nieuw te zijn en een eigen karakter te hebben:

a)      voor zover het onderdeel, wanneer het in het samengestelde voortbrengsel is verwerkt, bij normaal gebruik van dit laatste zichtbaar blijft, en

b)      voor zover deze zichtbare kenmerken van het onderdeel als zodanig aan de voorwaarden inzake nieuwheid en eigen karakter voldoen.

4.      ‚Normaal gebruik’ in de zin van lid 3, onder a), houdt het gebruik door de eindgebruiker in, met uitzondering van handelingen in verband met onderhoud, service of reparatie.”

 Duits recht

5.        § 1, punt 4, en § 4 van het Gesetz über den rechtlichen Schutz von Design (wet inzake de rechtsbescherming van modellen) van 24 februari 2014(4), in de versie die op het hoofdgeding van toepassing is (hierna: „DesignG”), zetten in wezen letterlijk artikel 3, leden 3 en 4, van richtlijn 98/71 in nationaal recht om. Het begrip bestimmungsgemäße Verwendung, dat in de Duitse taalversie van die richtlijn, en dus in de DesignG, wordt gehanteerd om het „normale gebruik” aan te duiden, lijkt echter te leiden tot een restrictievere uitlegging dan die welke uit andere taalversies van die richtlijn lijkt voort te vloeien.

 Feiten, hoofdgeding en prejudiciële vragen

6.        Monz Handelsgesellschaft International mbH Co. KG (hierna: „Monz”) is een vennootschap naar Duits recht en houdster van model nr. 40 2011 004 383‑0001, dat sinds 3 november 2011 bij het Deutsche Patent- und Markenamt (Duits octrooi‑ en merkenbureau; hierna: „DPMA”) is ingeschreven voor de voortbrengselen „fiets‑ en motorfietszadels”. Het model is ingeschreven met één enkele afbeelding van de onderkant van een zadel waarop het volgende te zien is:

Image not found

7.        Büchel GmbH & Co. Fahrzeugtechnik KG (hierna: „Büchel”), eveneens een vennootschap naar Duits recht, heeft op 27 juli 2016 het DPMA verzocht om het litigieuze model nietig te verklaren op grond dat het niet zou voldoen aan de beschermingsvoorwaarden inzake nieuwheid en eigen karakter. Het model zou niet in aanmerking komen voor bescherming krachtens § 4 DesignG, omdat het, als een onderdeel van het samengestelde voortbrengsel „fiets” of „motorfiets”, bij normaal gebruik daarvan niet zichtbaar is.

8.        Bij beslissing van 10 augustus 2018 heeft het DPMA de vordering tot nietigverklaring afgewezen, omdat er geen grond was om het litigieuze model van bescherming uit te sluiten krachtens § 4 van het DesignG. Volgens dit bureau is het aangevraagde model voor „fiets‑ [of] motorfietszadels” weliswaar een „onderdeel van een samengesteld voortbrengsel”, maar dit onderdeel blijft zichtbaar bij normaal gebruik van dit samengestelde voortbrengsel. Volgens het DPMA omvat een normaal gebruik ook „het demonteren en opnieuw monteren van het zadel anders dan voor onderhoud of reparatie”, temeer daar § 1, punt 4, DesignG „een uitputtende lijst van niet-normaal gebruik in de zin van § 4 DesignG bevat, die als uitzondering is bedoeld en derhalve strikt moet worden uitgelegd”.(5) Het DPMA was van mening dat uit deze bepaling bleek dat „elk gebruik door de eindgebruiker anders dan handelingen in verband met onderhoud of reparatie [...] dus een normaal gebruik vormt”.

9.        Nadat Büchel tegen deze beslissing was opgekomen, heeft het Bundespatentgericht (hoogste federale rechter in octrooizaken, Duitsland) bij beslissing van 27 februari 2020 het litigieuze model nietig verklaard op grond dat het niet voldeed aan de vereisten inzake nieuwheid en eigen karakter. Volgens deze rechter kan krachtens § 4 DesignG enkel meteen modelbescherming worden verleend aan onderdelen die „na de montage/verwerking ervan in het samengestelde voortbrengsel zichtbaar blijven als bestanddelen van dat voortbrengsel”. Omgekeerd kan het feit dat een onderdeel enkel zichtbaar is wanneer het is of wordt gescheiden van het samengestelde voortbrengsel, niet worden beschouwd als zijnde zichtbaarheid die in de weg staat aan de uitsluiting van bescherming krachtens § 4 DesignG. Voornoemde rechter heeft enkel het berijden van een fiets en het op- en afstappen van een fiets als normaal gebruik in de zin van § 1, punt 4, DesignG aangemerkt. Volgens hem is de onderkant van het fietszadel bij dergelijk gebruik noch voor de eindgebruiker, noch voor een derde zichtbaar. Tegen deze beslissing heeft Monz cassatieberoep ingesteld bij de verwijzende rechter.

10.      Het Bundesgerichtshof (hoogste federale rechter in burgerlijke en strafzaken, Duitsland) heeft de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:

„1)      Is een onderdeel waarin een model is verwerkt, ‚zichtbaar’ in de zin van artikel 3, lid 3, van [richtlijn 98/71] indien het objectief mogelijk is het model te herkennen in het onderdeel dat op zijn plaats is aangebracht, of moet de vraag of dit onderdeel zichtbaar is, worden beoordeeld onder bepaalde gebruiksomstandigheden of vanuit een bepaalde optiek van een waarnemer?

2)      Indien de eerste vraag aldus moet worden beantwoord dat de zichtbaarheid onder bepaalde gebruiksomstandigheden of vanuit een bepaalde optiek van een waarnemer de bepalende factor is:

a)      moet bij de beoordeling van het ‚normale gebruik’ van een samengesteld voortbrengsel door de eindgebruiker als bedoeld in artikel 3, leden 3 en 4, van [richtlijn 98/71] dan het door de fabrikant van het onderdeel of het samengestelde voortbrengsel beoogde gebruik in aanmerking worden genomen, dan wel het gangbare gebruik van het samengestelde voortbrengsel door de eindgebruiker?

b)      aan de hand van welke criteria moet dan worden beoordeeld of het gebruik van een samengesteld voortbrengsel door de eindgebruiker ‚normaal’ is in de zin van artikel 3, leden 3 en 4, van [richtlijn 98/71]?”

11.      Het verzoek om een prejudiciële beslissing is op 2 augustus 2021 ingekomen bij het Hof. Schriftelijke opmerkingen zijn ingediend door partijen in het hoofdgeding en de Europese Commissie. Er is geen terechtzitting gehouden.

 Analyse

12.      Ik herinner eraan dat de rechter in eerste aanleg in het hoofdgeding het model in kwestie nietig heeft verklaard door te oordelen dat het normale gebruik van een fiets bestaat in het berijden ervan en, bijkomend, in het op‑ en afstappen, waarbij de onderkant van het zadel normaal gesproken niet zichtbaar is, in strijd met het vereiste van de Duitse bepalingen tot omzetting van artikel 3, lid 3, van richtlijn 98/71.

13.      Tegen de achtergrond van deze beoordeling dienen de onderhavige prejudiciële vragen te worden begrepen. De verwijzende rechter wenst ten eerste te vernemen of de rechter in eerste aanleg terecht heeft geoordeeld dat enkel rekening diende te worden gehouden met de zichtbaarheid van een onderdeel van een samengesteld voortbrengsel in een situatie waarin een dergelijk voortbrengsel wordt gebruikt (eerste vraag), en ten tweede of enkel het gebruik van dit voortbrengsel volgens de hoofdfunctie ervan, die in casu erin bestaat zich op de fiets zittend te verplaatsen, relevant is (tweede vraag).

 Eerste prejudiciële vraag

14.      Met zijn eerste prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 3, lid 3, van richtlijn 98/71 aldus moet worden uitgelegd dat een model dat is toegepast op of verwerkt in een voortbrengsel dat een onderdeel vormt van een samengesteld voortbrengsel, voor bescherming in aanmerking komt wanneer dit onderdeel in abstracto zichtbaar is, dan wel wanneer dit onderdeel zichtbaar is in de situatie van normaal gebruik van dit samengestelde voortbrengsel.

15.      Artikel 3, lid 3, onder b), van richtlijn 98/71 vereist eveneens dat de zichtbare kenmerken van het onderdeel als zodanig voldoen aan de voorwaarden inzake nieuwheid en eigen karakter. De prejudiciële vragen stellen dit aspect weliswaar niet uitdrukkelijk aan de orde, maar het is impliciet erin vervat. Het is in het hoofdgeding immers duidelijk dat het gaat om de zichtbaarheid van de onderkant van een zadel, dat wil zeggen van de plaats waar het model in kwestie is toegepast. Voorts geldt krachtens artikel 7 van deze richtlijn een modelrecht niet voor de uiterlijke kenmerken van een voortbrengsel die uitsluitend door de technische functie worden bepaald. Dit lijkt hier echter niet het geval te zijn. Hoe dan ook lijkt een dergelijk bezwaar niet te zijn opgeworpen met betrekking tot het model dat in het hoofdgeding aan de orde is.

16.      Om te beginnen moet in navolging van de verwijzende rechter worden opgemerkt dat de rechter in eerste aanleg de fiets‑ en motorfietszadels terecht heeft gekwalificeerd als „onderdelen van een samengesteld voortbrengsel” in de zin van artikel 3, lid 3, van richtlijn 98/71.

17.      Voorts heeft deze rechter de beslissing van het DPMA terecht vernietigd, voor zover dit bureau heeft geoordeeld dat het volstond dat de onderkant van een zadel zichtbaar is bij het monteren van het zadel op een fiets en het demonteren ervan. Artikel 3, lid 3, onder a), van richtlijn 98/71 geeft immers duidelijk aan dat het onderdeel, „wanneer het in het samengestelde voortbrengsel is verwerkt”, zichtbaar moet blijven. Dit sluit uit dat rekening wordt gehouden met de zichtbaarheid van het onderdeel bij het monteren of demonteren ervan, los van de vraag of deze handelingen gangbaar zijn bij het gebruik van een voortbrengsel.

18.      Wat nu de prejudiciële vraag betreft, zijn de bewoordingen van artikel 3, lid 3, onder a), van richtlijn 98/71 niet zo duidelijk als op het eerste gezicht lijkt. Zoals Monz in haar opmerkingen benadrukt, vereist deze bepaling immers dat het onderdeel, wanneer het in het samengestelde voortbrengsel is verwerkt, bij normaal gebruik van dit voortbrengsel zichtbaar „blijft”(6). Deze formulering kan aldus worden uitgelegd dat het volstaat dat het onderdeel in kwestie na montage ervan op het samengestelde voortbrengsel niet volledig wordt bedekt, zodat het kan worden waargenomen, zelfs louter theoretisch en los van de – eventueel ongebruikelijke – invalshoek die daartoe noodzakelijk is. Aldus zouden uitsluitend modellen die zijn toegepast op onderdelen die slechts zichtbaar zijn indien maatregelen worden genomen die niet vallen onder een normaal gebruik van een voortbrengsel, met name het demonteren ervan, zijn uitgesloten van de bescherming uit hoofde van deze richtlijn.

19.      Deze uitlegging is evenwel in strijd met de bewoordingen van het tweede deel van artikel 3, lid 3, onder a), van richtlijn 98/71, volgens hetwelk het betrokken onderdeel zichtbaar moet zijn „bij”(7) normaal gebruik van het samengestelde voortbrengsel. Zoals de verwijzende rechter en de Commissie naar mijn mening terecht opmerken, sluit deze uitdrukking de gevallen uit waarin het onderdeel slechts zichtbaar is in situaties die zich niet voordoen bij normaal gebruik van het voortbrengsel in kwestie.

20.      Bovendien is, zoals de Commissie in wezen opmerkt, overeenkomstig artikel 1, onder a), van richtlijn 98/71 het voorwerp van de bescherming van modellen krachtens deze richtlijn de verschijningsvorm van een voortbrengsel of een deel ervan. Ofschoon onderdelen die zijn bestemd om te worden verwerkt in een samengesteld voortbrengsel, zelf voortbrengselen zijn in de zin van artikel 1, onder b), van deze richtlijn, genieten zij slechts bescherming indien zij na die verwerking zichtbaar zijn. Het is dus de verschijningsvorm van het onderdeel in het samengestelde voortbrengsel dat bescherming geniet. Het is mijns inziens evenwel moeilijk om te spreken over de verschijningsvorm van een voortbrengsel wanneer dit, eenmaal verwerkt in een samengesteld voortbrengsel, zelfs zonder volledig bedekt en aan het zicht onttrokken te zijn, slechts in zeldzame en ongebruikelijke situaties zichtbaar is, gelet op het normale gebruik van dit samengestelde voortbrengsel.

21.      Gelet op het voorgaande geef ik in overweging, op de eerste prejudiciële vraag te antwoorden dat artikel 3, lid 3, van richtlijn 98/71 aldus moet worden uitgelegd dat een model dat is toegepast op of verwerkt in een voortbrengsel dat een onderdeel van een samengesteld voortbrengsel vormt, slechts in aanmerking komt voor bescherming krachtens deze richtlijn indien het onderdeel in kwestie zichtbaar is in de situatie van normaal gebruik van dit samengestelde voortbrengsel.

22.      Bijgevolg is de crux in de onderhavige zaak gelegen in de uitlegging van het begrip „normaal gebruik” in de zin van artikel 3, lid 4, van richtlijn 98/71, waarop de tweede prejudiciële vraag betrekking heeft.

 Tweede prejudiciële vraag

23.      Met zijn tweede prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 3, lid 4, van richtlijn 98/71 aldus moet worden uitgelegd dat het begrip „normaal gebruik” uitsluitend ziet op het gebruik van het samengestelde voortbrengsel volgens de hoofdfunctie ervan(8), dan wel op alle situaties die zich bij het gebruik van een dergelijk voortbrengsel door de eindgebruiker redelijkerwijs kunnen voordoen(9).

24.      Deze vraag sluit aan bij de conclusie van de rechter in eerste aanleg, die het berijden van een fiets als „normaal gebruik” heeft aangemerkt, alsmede, bijkomend, het op‑ en afstappen. Volgens deze rechter is de onderkant van het fietszadel in die situaties echter niet zichtbaar, zodat een op die plaats toegepast model niet zichtbaar is bij normaal gebruik in de zin van artikel 3, lid 3, van richtlijn 98/71.

25.      Het is juist dat het Gerecht een dergelijke, en zelfs nog restrictievere, benadering heeft gekozen in zijn – overigens zeldzame – arresten betreffende de uitlegging van artikel 4, lid 2, van verordening (EG) nr. 6/2002(10), dat in het Uniestelsel van modelbescherming overeenstemt met artikel 3, lid 3, van richtlijn 98/71. Het Gerecht is van oordeel dat voor de beoordeling van de vraag of een onderdeel van een samengesteld voortbrengsel zichtbaar is, enkel moet worden uitgegaan van het oogpunt van de eindgebruiker van dit samengestelde voortbrengsel bij het gebruik volgens de hoofdfunctie ervan(11).

26.      Wanneer deze benadering wordt toegepast op fietszadels, leidt dat tot het ongewenste resultaat dat geen enkel op een zadel toegepast model voor bescherming in aanmerking komt, aangezien het zadel bij het hoofdgebruik van een fiets, dat wil zeggen tijdens het berijden ervan, volledig wordt bedekt door het zitvlak van de gebruiker, met uitzondering van de onderkant van dit zadel, die sowieso onzichtbaar blijft.

27.      De rechter in eerste aanleg in het hoofdgeding was zich bewust van dit resultaat en heeft in het begrip „normaal gebruik” de handeling bestaande in het op- en afstappen van de fiets opgenomen. Hij heeft echter met name het stallen en vervoeren van de fiets van dit begrip uitgesloten als aan het gebruik voorafgaande of daaropvolgende handelingen. Deze redenering overtuigt mij niet. Als enkel het berijden van een fiets als „normaal gebruik” wordt beschouwd, dan is het op- en afstappen – net als het stallen en vervoeren – ook een daaraan voorafgaande of daaropvolgende handeling. Het onderscheid tussen deze handelingen lijkt mij dan ook arbitrair.

28.      Mijns inziens leidt deze benadering echter tot een te enge definitie van het begrip „normaal gebruik” in de zin van artikel 3, lid 4, van richtlijn 98/71, waarbij de bescherming van modellen die worden toegepast op onderdelen van samengestelde voortbrengselen op ongerechtvaardigde wijze wordt beperkt.

29.      Algemeen wordt erkend dat de bestaansreden van de specifieke Unierechtelijke regeling inzake de bescherming van modellen die worden toegepast op onderdelen van samengestelde voortbrengselen, is gelegen in de wens om monopolisering, via het modelrecht, van de markt van vervangingsonderdelen te voorkomen. Deze regeling is echter in de rechtsleer sterk bekritiseerd(12), aangezien zij een ongerechtvaardigde beperking vormt van de bescherming die wordt verleend aan modellen die worden toegepast op onderdelen van samengestelde voortbrengselen ten opzichte van die welke wordt verleend aan modellen die worden toegepast op andere voortbrengselen.

30.      Deze kritiek is niet ongegrond. Modellen die worden toegepast op voortbrengselen die niet bedoeld zijn om in samengestelde voortbrengselen te worden verwerkt, worden beschermd ongeacht of zij „bij normaal gebruik” zichtbaar zijn. Aangezien het model wordt omschreven als de verschijningsvorm van een voortbrengsel „of een deel ervan”(13), kunnen modellen worden beschermd die zijn toegepast op delen van voortbrengselen die bij het gebruik van het voortbrengsel volgens de hoofdfunctie ervan niet zichtbaar zijn, zoals de zolen van schoenen of de voering van een jas(14).

31.      De monopolisering van de markt van een voortbrengsel via de aan modellen verbonden rechten vormt stellig misbruik dat zo veel mogelijk moet worden vermeden. Dit resultaat kan met name worden bereikt dankzij de voorwaarden van nieuwheid en eigen karakter waaraan een model moet voldoen, zoals die welke worden gesteld in artikel 3, lid 2, van richtlijn 98/71. Daarentegen dient artikel 3, lid 3, van deze richtlijn naar mijn mening aldus te worden uitgelegd dat de bescherming van modellen die zijn toegepast op vervangingsonderdelen, niet overmatig wordt beperkt. De omvang van een dergelijke uit deze bepaling voortvloeiende beperking hangt echter grotendeels af van de uitlegging van het begrip „normaal gebruik”.

32.      „Normaal gebruik” ziet volgens artikel 3, lid 4, van richtlijn 98/71 op het gebruik door de eindgebruiker, met uitzondering van handelingen in verband met onderhoud en reparatie. Dit impliceert uiteraard in de eerste plaats een gebruik. Het demonteren of het vernietigen van een voortbrengsel vormt geen gebruik ervan. Met dit voorbehoud voor ogen dient de onderstaande uiteenzetting te worden gelezen.

33.      Ten eerste verwijst deze korte definitie weliswaar naar de eindgebruiker, maar het is mijns inziens onjuist om daaruit af te leiden, zoals het Gerecht doet in de in punt 25 van deze conclusie aangehaalde arresten, dat de zichtbaarheid van een onderdeel van een samengesteld voortbrengsel uitsluitend moet worden beoordeeld uit het oogpunt van de eindgebruiker van dat voortbrengsel. Het gebruik „door de eindgebruiker” beschrijft enkel de situaties waarin deze zichtbaarheid moet worden beoordeeld, met uitsluiting van situaties die geen verband houden met de eindgebruiker, zoals de vervaardiging, de verhandeling en, eventueel, de vernietiging of recycling aan het einde van de levensduur van het voortbrengsel. Het is ook in deze logica dat artikel 3, lid 4, van richtlijn 98/71 handelingen in verband met onderhoud en reparatie uitdrukkelijk uitsluit van het begrip „normaal gebruik”. Deze handelingen worden verricht in de periode waarin een voortbrengsel door de eindgebruiker ervan wordt gebruikt, maar worden dikwijls door derden verricht.

34.      Bijgevolg vereist artikel 3, lid 3, van richtlijn 98/71, gelezen in samenhang met artikel 3, lid 4, ervan, weliswaar dat het onderdeel van een samengesteld voortbrengsel bij het gebruik van dit voortbrengsel door de eindgebruiker zichtbaar is, maar deze bepaling kan niet aldus worden opgevat dat zij vereist dat dit onderdeel zichtbaar is voor die eindgebruiker. De zichtbaarheid voor externe waarnemers telt ook. Overigens is het design bedoeld om kopers aan te trekken voor de voortbrengselen, en omvat dit ook het vermogen om deze kopers in staat te stellen indruk te maken op anderen(15).

35.      Mocht het oogpunt van de eindgebruiker doorslaggevend zijn, dan zou bovendien nauwkeurig moeten worden bepaald wie deze eindgebruiker is. Ofschoon dit relatief gemakkelijk kan zijn in het geval van een voortbrengsel als een fiets, kan dit in andere situaties veel moeilijker blijken. Wie is bijvoorbeeld de eindgebruiker van een bus: de chauffeur, de passagiers, het personeel van de vervoersonderneming die de bus exploiteert? Al deze personen hebben een ander oogpunt en andere onderdelen van de bus kunnen voor hen zichtbaar zijn, met name bij het gebruik van deze bus volgens de hoofdfunctie ervan, dat wil zeggen tijdens het traject.

36.      Evenmin mag het in artikel 3, lid 4 van richtlijn 98/71 genoemde begrip „eindgebruiker” van een samengesteld voortbrengsel worden verward met het begrip „geïnformeerde gebruiker” als bedoeld in artikel 5, lid 1, van deze richtlijn.(16) Dit tweede begrip doelt op de fictieve persoon die als standaard geldt bij de beoordeling van het eigen karakter van een model, terwijl het begrip „eindgebruiker” slaat op een louter hypothetische figuur voor wie het samengestelde voortbrengsel is bestemd dat een onderdeel bevat waarop een model is toegepast. De vraag of deze eindgebruiker in staat is om het eigen karakter van dit model te onderscheiden, en dus of hij een geïnformeerde gebruiker is, is hier van geen enkel belang.

37.      Tot slot impliceert de loutere inaanmerkingneming van het oogpunt van de eindgebruiker logischerwijze dat het begrip „normaal gebruik” aldus moet worden opgevat dat het uitsluitend betrekking heeft op het gebruik van een voortbrengsel volgens de hoofdfunctie ervan. In andere gevallen waarin een voortbrengsel wordt gebruikt, neemt de gebruiker immers geen ander gezichtspunt in dan dat van derden. Zoals ik hieronder zal uiteenzetten, is een dergelijke restrictieve uitlegging van het begrip „normaal gebruik” net zo ongerechtvaardigd als het standpunt dat moet worden uitgegaan van het enkele oogpunt van de eindgebruiker.

38.      Ten tweede, zoals ook de Commissie opmerkt, is het mijns inziens immers onjuist om het normale gebruik van een voortbrengsel gelijk te stellen met de hoofdfunctie waarvoor dit voortbrengsel is bestemd. In de praktijk vergt het gebruik van een voortbrengsel volgens de hoofdfunctie ervan vaak verschillende handelingen die kunnen worden verricht voordat of nadat het voortbrengsel zijn hoofdfunctie vervult, zoals het stallen en vervoeren ervan. Wanneer het voortbrengsel een vervoermiddel is, komen daarbij nog de handelingen bestaande in het op‑ en afstappen – c.q. in‑ en uitstappen – en het laden en lossen van bagage of goederen.

39.      Niets in de bewoordingen van artikel 3, lid 4, van richtlijn 98/71 gebiedt dat dergelijke handelingen van het begrip „normaal gebruik” worden uitgesloten. Integendeel, in de definitie van dit begrip in deze bepaling wordt enkel gesproken van „gebruik door de eindgebruiker”. Voor de kwalificatie van een gebruik als „normaal” hoeft geen aanvullend kenmerk van het gebruik te worden gezocht. Bijgevolg moeten alle handelingen die door de eindgebruiker van een voortbrengsel in het kader van het gebruik van het voortbrengsel kunnen worden ondernomen, onder het begrip „normaal gebruik” vallen, met uitzondering van die welke daarvan uitdrukkelijk zijn uitgesloten(17).

40.      Het doel van artikel 3, lid 3, van richtlijn 98/71 pleit er evenmin voor dat andere handelingen dan die welke op de hoofdfunctie van het voortbrengsel betrekking hebben, worden uitgesloten van het begrip „normaal gebruik”. Dit doel is het vermijden van monopolisering, via modelbescherming, van de markt van vervangingsonderdelen die niet zichtbaar zijn wanneer zij eenmaal in het samengestelde voortbrengsel zijn verwerkt, aangezien een model dat eventueel op een dergelijk onderdeel is toegepast, niet of slechts zeer weinig bijdraagt tot de verschijningsvorm van dit samengestelde voortbrengsel. De verschijningsvorm van een voortbrengsel blijkt evenwel niet alleen bij gebruik volgens de hoofdfunctie ervan, maar ook wanneer vóór en na dit gebruik handelingen worden verricht die daarmee verband houden. Het feit dat deze handelingen onder het begrip „normaal gebruik” vallen, doet dus niet af aan de doelstelling om monopolisering van de markt te voorkomen.

41.      Ten derde en tot slot sluit artikel 3, lid 4, van richtlijn 98/71 weliswaar uitdrukkelijk onderhoud en reparatie uit van het begrip „normaal gebruik”, maar deze uitsluiting mag mijns inziens niet te ruim worden uitgelegd. Bepaalde handelingen die met name verband houden met onderhoud, maken integrerend onderdeel uit van het gebruik van bepaalde voortbrengselen. Ik denk hier in de eerste plaats aan het wassen en het reinigen. Naar mijn mening zou het tegen iedere logica ingaan om het wassen en het reinigen uit te sluiten van het begrip „normaal gebruik”, onder meer omdat bij bepaalde voortbrengselen het regelmatig reinigen een gebruiksvoorwaarde is(18). In de tweede plaats kan worden gedacht aan de gebruikelijke onderhoudshandelingen die normaliter door de eindgebruiker van een voortbrengsel worden verricht en die vaak een voorwaarde zijn voor het gebruik ervan, zoals de vervanging van verbruiksproducten en bedrijfsvloeistoffen, het oppompen van de banden van voertuigen of het vullen van het brandstofreservoir van voortbrengselen met een verbrandingsmotor. In de derde en laatste plaats kan worden gedacht aan het oplossen van kleine storingen, zoals vastgelopen papier in een printer. Al deze handelingen zijn onontbeerlijk in het kader van het gebruik van een voortbrengsel door de eindgebruiker en moeten dus onder het begrip „normaal gebruik” vallen.

42.      Handelingen die daarentegen van dit begrip zijn uitgesloten, zijn handelingen die bovenop het gebruik van het voortbrengsel worden verricht, zoals de technische keuring, het periodiek onderhoud of de reparatie in eigenlijke zin.(19) Deze handelingen worden doorgaans niet door de eindgebruiker van het voortbrengsel, maar door gespecialiseerde personen verricht, en kunnen voorts meebrengen dat een samengesteld voortbrengsel gedeeltelijk uit elkaar wordt gehaald of vanuit een ongebruikelijke invalshoek wordt bekeken, waardoor onderdelen verschijnen die bij het gebruik van het voortbrengsel normaliter onzichtbaar blijven. Deze twee bijzonderheden rechtvaardigen dat deze handelingen van het begrip „normaal gebruik” worden uitgesloten.

43.      Wanneer bij de beoordeling van de vraag of een onderdeel van een samengesteld voortbrengsel zichtbaar is, plaats wordt ingeruimd voor het oogpunt van andere personen dan de enkele eindgebruiker van het samengestelde voortbrengsel, en onder het begrip „normaal gebruik” ook andere handelingen worden opgenomen dan het enkele gebruik van een voortbrengsel volgens de hoofdfunctie ervan, kan rekening worden gehouden met invalshoeken die net zo relevant zijn om de verschijningsvorm van een voortbrengsel te onthullen als de invalshoek die de gebruiker heeft bij het gebruik van het voortbrengsel volgens de hoofdfunctie ervan. Naar mijn mening is deze uitkomst niet alleen verenigbaar met de letter en de doelstelling van artikel 3, leden 3 en 4, van richtlijn 98/71, maar ook volkomen gerechtvaardigd. Indien een model dat op de onderkant van een schoenzool is toegepast, bescherming kan genieten krachtens deze richtlijn(20), zie ik niet in waarom een model dat is toegepast op de onderkant van een fietszadel, zoals in casu, die bescherming niet zou genieten. De enige grond die dat verschil zou kunnen rechtvaardigen, is dat het zadel van de fiets kan worden afgehaald(21), terwijl de zool niet (zo gemakkelijk) van een schoen kan worden losgemaakt.

44.      Het is juist dat een dergelijke ruime uitlegging van het begrip „normaal gebruik” nagenoeg alle situaties omvat waarin een voortbrengsel wordt gebruikt, met uitzondering van situaties waarbij het wordt gedemonteerd en het demonteren ervan geen deel uitmaakt van het normale gebruik. Men kan zich dus afvragen of het niet eenvoudiger is om de eerste prejudiciële vraag in die zin te beantwoorden dat de zichtbaarheid van het onderdeel waarop een model is toegepast, abstract wordt beoordeeld, zonder verband met enige concrete situatie waarin het samengestelde voortbrengsel in kwestie wordt gebruikt.

45.      Ik geef toe dat het verschil hoofdzakelijk begripsmatig is. Het heeft niettemin praktische gevolgen, aangezien de ene of de andere uitlegging de bewijslast zou wijzigen die rust op degene die bescherming wenst te genieten voor een model dat is toegepast op een onderdeel van een samengesteld voortbrengsel. Overigens kan het voorkomen dat een onderdeel van een samengesteld voortbrengsel, hoewel het in absolute zin zichtbaar is omdat het niet bedekt is, in geen enkele situatie van normaal gebruik zichtbaar is.(22) Bovendien zou – zoals ik in het kader van de analyse van de eerste prejudiciële vraag heb opgemerkt – de in het voorgaande punt genoemde uitlegging onverenigbaar zijn met de letter van artikel 3, lid 3, van richtlijn 98/71.

46.      Ik geef derhalve in overweging om op de tweede prejudiciële vraag te antwoorden dat artikel 3, lid 4, van richtlijn 98/71 aldus moet worden uitgelegd dat het begrip „normaal gebruik” ziet op alle situaties die zich redelijkerwijs kunnen voordoen bij het gebruik van een samengesteld voortbrengsel door de eindgebruiker.

 Conclusie

47.      Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vragen van het Bundesgerichtshof te beantwoorden als volgt:

„1)      Artikel 3, lid 3, van richtlijn 98/71/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 1998 inzake de rechtsbescherming van modellen moet aldus worden uitgelegd dat een model dat is toegepast op of verwerkt in een voortbrengsel dat een onderdeel van een samengesteld voortbrengsel vormt, slechts in aanmerking komt voor bescherming krachtens deze richtlijn indien het onderdeel in kwestie zichtbaar is in de situatie van normaal gebruik van dit samengestelde voortbrengsel.

2)      Artikel 3, lid 4, van richtlijn 98/71 moet aldus worden uitgelegd dat het begrip ‚normaal gebruik’ ziet op alle situaties die zich redelijkerwijs kunnen voordoen bij het gebruik van een samengesteld voortbrengsel door de eindgebruiker.”


1      Oorspronkelijke taal: Frans.


2      De automobielsector onderscheidt zich door de hoge prijzen van reserveonderdelen en door relatief hoge schadecijfers als gevolg van verkeersongevallen. De markt van reserveonderdelen in deze sector is dus bijzonder winstgevend.


3      PB 1998, L 289, blz. 28.


4      BGBl. I, blz. 122.


5      Het gaat om handelingen in verband met onderhoud en reparatie, die krachtens artikel 3, lid 4, van richtlijn 98/71 van het begrip „normaal gebruik” zijn uitgesloten.


6      Hetzelfde geldt onder meer in de Spaanse (sigue siendo), de Duitse (bleibt), de Engelse (remains), de Italiaanse (rimane) en de Poolse taalversie (pozostaje).


7      Alsook in onder meer de Spaanse (durante), de Duitse (bei), de Engelse (during), de Italiaanse (durante) en de Poolse taalversie (podczas).


8      In het licht van de uitleg in het verzoek om een prejudiciële beslissing vat ik het door de verwijzende rechter in de tweede prejudiciële vraag gebruikte begrip „door de fabrikant van het onderdeel of het samengestelde voortbrengsel beoogde gebruik” aldus op.


9      „Gangbaar gebruik” in de bewoordingen van de tweede prejudiciële vraag.


10      Verordening van de Raad van 12 december 2001 betreffende gemeenschapsmodellen (PB 2002, L 3, blz. 1).


11      Zie arresten van 9 september 2011, Kwang Yang Motor/BHIM – Honda Giken Kogyo (Verbrandingsmotor) (T‑10/08, niet gepubliceerd, EU:T:2011:446, punten 21 en 22), en Kwang Yang Motor/BHIM – Honda Giken Kogyo (Verbrandingsmotor) (T‑11/08, niet gepubliceerd, EU:T:2011:447, punten 21 en 22), alsmede van 14 maart 2017, Wessel-Werk/EUIPO – Wolf PVG (Mondstukken voor stofzuigers) (T‑174/16, niet gepubliceerd, EU:T:2017:161, punt 30), en Wessel-Werk/EUIPO – Wolf PVG (Mondstukken voor stofzuigers) (T‑175/16, niet gepubliceerd, EU:T:2017:160, punt 30).


12      Zie Hasselblatt, G. N., in Hasselblatt, G. N. (red.), Community Design Regulation (EC) nr. 6/2002. A Commentary, C. H. Beck, München, 2015, blz. 62 en aldaar aangehaalde literatuur.


13      Artikel 1, onder a), van richtlijn 98/71.


14      Aangezien deze delen niet kunnen worden verwijderd, worden zij niet beschouwd als onderdelen van samengestelde voortbrengselen in de zin van artikel 1, onder c), van richtlijn 98/71.


15      Om „op te scheppen”, om de gangbare uitdrukking te gebruiken.


16      Deze fout lijkt het Gerecht te hebben gemaakt in zijn arresten van 14 maart 2017, Wessel-Werk/EUIPO – Wolf PVG (Mondstukken voor stofzuigers) (T‑174/16, niet gepubliceerd, EU:T:2017:161, punt 30), en Wessel-Werk/EUIPO – Wolf PVG (Mondstukken voor stofzuigers) (T‑175/16, niet gepubliceerd, EU:T:2017:160, punt 30), door te verwijzen naar het „normale gebruik door een geïnformeerde eindgebruiker, in de zin van artikel 4, lid 2, onder a), en lid 3, van verordening nr. 6/2002, van een stofzuiger of stofzuigermondstuk voor reinigingsdoeleinden”.


17      Te weten onderhoud en reparatie.


18      Een grasmaaier of een koffiezetapparaat, om slechts twee voorbeelden te geven.


19      Niettemin moet worden opgemerkt dat voor het gebruik van modellen die zijn toegepast op vervangingsonderdelen die worden gebruikt voor de reparatie van samengestelde voortbrengselen, een bijzondere bepaling geldt, het zogenoemde „reparatiebeding”, dat is opgenomen in artikel 14 van richtlijn 98/71. Een soortgelijk beding is ook te vinden in artikel 110 van verordening nr. 6/2002.


20      Zie bij wijze van voorbeeld de gemeenschapsmodellen die het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) onder de nrs. 001918400‑0001 en 008434088‑0003 heeft ingeschreven.


21      Deze omstandigheid activeert het zichtbaarheidsvereiste van artikel 3, lid 3, van richtlijn 98/71.


22      Ik denk met name aan de onderkant van het chassis van een motorvoertuig, dat bij normaal gebruik slechts vanuit een ongebruikelijk oogpunt kan worden waargenomen.