Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle (Nederland) op 29 januari 2021 – O.T. E. tegen Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid

(Zaak C-66/21)

Procestaal: Nederlands

Verwijzende rechter

Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle

Partijen in het hoofdgeding

Verzoeker: O.T. E.

Verweerder: Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid

Prejudiciële vragen

a. Moet, nu Nederland heeft verzuimd de aanvang van de in artikel 6, eerste lid, van richtlijn 2004/81/EG1 gegarandeerde bedenktijd overeenkomstig het nationale recht vast te stellen, die bepaling zo worden uitgelegd dat de bedenktijd van rechtswege aanvangt met de melding (mededeling) door de derdelander van mensenhandel aan de Nederlandse autoriteiten?

b. Moet, nu Nederland heeft verzuimd de duur van de in artikel 6, eerste lid, van richtlijn 2004/81/EG gegarandeerde bedenktijd overeenkomstig het nationale recht vast te stellen, die bepaling zo worden uitgelegd dat de bedenktijd van rechtswege eindigt nadat aangifte van mensenhandel is gedaan of de betrokken onderdaan van een derde land te kennen geeft af te zien van het doen van aangifte?

Moeten onder verwijderingsmaatregelen in de zin van artikel 6, tweede lid, van richtlijn 2004/81/EG ook worden verstaan maatregelen ter verwijdering van een derdelander van het grondgebied van de lidstaat naar het grondgebied van een andere lidstaat?

a. Staat artikel 6, tweede lid, van richtlijn 2004/81/EG eraan in de weg om tijdens de bedenktijd, gegarandeerd in het eerste lid van dat artikel, een overdrachtsbesluit te nemen?

b. Staat artikel 6, tweede lid, van richtlijn 2004/81/EG eraan in de weg om tijdens de bedenktijd, gegarandeerd in het eerste lid van dat artikel, een al genomen overdrachtsbesluit uit te voeren of de uitvoering ervan voor te bereiden?

____________

1     Richtlijn van de Raad van 29 april 2004 betreffende de verblijfstitel die in ruil voor samenwerking met de bevoegde autoriteiten wordt afgegeven aan onderdanen van derde landen die het slachtoffer zijn van mensenhandel of hulp hebben gekregen bij illegale immigratie (PB 2004, L 261, blz. 19)