Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Administrativen sad Blagoevgrad (Roemenië) op 16 februari 2021 – МV – 98 / Nachalnik na otdel „Operativni deynosti“ – grad Sofia v glavna direktsia „Fiskalen kontrol“ pri Tsentralno upravlenie na Natsionalna agentsia za prihodite

(Zaak C-97/21)

Procestaal: Roemeens

Verwijzende rechter

Administrativen sad Blagoevgrad

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: МV – 98

Verwerende partij: Nachalnik na otdel „Operativni deynosti“ – grad Sofia v glavna direktsia „Fiskalen kontrol“ pri Tsentralno upravlenie na Natsionalna agentsia za prihodite (hoofd van de afdeling „operationele activiteiten” voor de stad Sofia van het directoraat-generaal “belastingcontrole” bij het centrale bestuur van de nationale belastingdienst)

Prejudiciële vragen

Moeten artikel 273 van richtlijn 2006/112/EG1 van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde, en artikel 50 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie aldus worden uitgelegd dat zij niet in de weg staan aan een nationale regeling zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde is, volgens welke in geval van een overtreding bestaande in het niet registreren van de verkoop van goederen en het niet vastleggen van die verkoop in verkoopbewijzen, een bestuurlijke procedure tot oplegging van een bestuurlijke dwangmaatregel aan een persoon kan worden gecumuleerd met een bestuurlijke procedure tot oplegging van een vermogenssanctie aan diezelfde persoon?

1.1)    Indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord, moeten artikel 273 van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde, en artikel 52, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie dan aldus worden uitgelegd dat zij niet in de weg staan aan een nationale regeling zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde is, volgens welke in geval van een overtreding bestaande in het niet registreren van de verkoop van goederen en het niet vastleggen van die verkoop in verkoopbewijzen, een bestuurlijke procedure tot oplegging van een bestuurlijke dwangmaatregel aan een persoon kan worden gecumuleerd met een bestuurlijke procedure tot oplegging van een vermogenssanctie aan diezelfde persoon, rekening houdend met het feit dat deze regeling de voor de uitvoering van beide procedures bevoegde autoriteiten en de rechters niet tevens de verplichting oplegt om te zorgen voor een doeltreffende toepassing van het evenredigheidsbeginsel met betrekking tot de zwaarte van het geheel van de gecumuleerde maatregelen in verhouding tot de ernst van het specifieke strafbare feit?

Indien de vraag naar de toepasselijkheid in het onderhavige geval van artikel 50 en artikel 52, lid 1, van het Handvest niet bevestigend wordt beantwoord, moeten artikel 273 van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde, en artikel 49, lid 3, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie dan aldus worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan een nationale regeling zoals die van artikel 186, lid 1, ZDDS [Zakon za danak varhu dobavenata stoynost (wet op de btw)], volgens welke in geval van een overtreding bestaande in het niet registreren van de verkoop van goederen en het niet vastleggen van die verkoop in verkoopbewijzen, aan dezelfde persoon niet alleen een vermogenssanctie op grond van artikel 185, lid 2, ZDDS wordt opgelegd maar ook de bestuurlijke dwangmaatregel „verzegeling van bedrijfsruimten” voor de duur van ten hoogste dertig dagen?

Moet artikel 47, eerste alinea, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie aldus worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen maatregelen van de nationale wetgever ter waarborging van het in artikel 273 van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde bedoelde belang, zoals de voorlopige tenuitvoerlegging van de bestuurlijke dwangmaatregel „verzegeling van bedrijfsruimten” voor de duur van ten hoogste dertig dagen, ter bescherming van een verondersteld algemeen belang, wanneer de rechterlijke bescherming daartegen beperkt is tot de beoordeling van een vergelijkbaar, tegengesteld, particulier belang?

____________

1 PB 2006, L 347, blz. 1.