ARREST VAN HET HOF (Derde kamer)

13 februari 2014 (*)

„Prejudiciële verwijzing – Intellectuele eigendom – Gemeenschapsmodellen – Verordening (EG) nr. 6/2002 – Artikelen 7, lid 1, 11, lid 2, 19, lid 2, 88 en 89, lid 1, sub a en d – Niet-ingeschreven gemeenschapsmodel – Bescherming – Beschikbaarstelling voor publiek – Nieuwheid – Inbreukprocedure – Bewijslast – Verjaring – Verval van recht – Toepasselijk recht”

In zaak C‑479/12,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Bundesgerichtshof (Duitsland) bij beslissing van 16 augustus 2012, ingekomen bij het Hof op 25 oktober 2012, in de procedure

H. Gautzsch Großhandel GmbH & Co. KG

tegen

Münchener Boulevard Möbel Joseph Duna GmbH,

wijst

HET HOF (Derde kamer),

samengesteld als volgt: M. Ilešič, kamerpresident, C. G. Fernlund, A. Ó Caoimh, C. Toader en E. Jarašiūnas (rapporteur), rechters,

advocaat-generaal: M. Wathelet,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

–        Münchener Boulevard Möbel Joseph Duna GmbH, vertegenwoordigd door A. Rinkler, Rechtsanwalt,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door G. Braun en F. Bulst als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 5 september 2013,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de artikelen 7, lid 1, 11, lid 2, 19, lid 2, en 89, lid 1, sub a en d, van verordening (EG) nr. 6/2002 van de Raad van 12 december 2001 betreffende gemeenschapsmodellen (PB 2002, L 3, blz. 1).

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen H. Gautzsch Großhandel GmbH & Co. KG (hierna: „Gautzsch Großhandel”) en Münchener Boulevard Möbel Joseph Duna GmbH (hierna: „MBM Joseph Duna”), betreffende een wegens inbreuk op een niet-ingeschreven gemeenschapsmodel door MBM Joseph Duna tegen Gautzsch Großhandel ingestelde vordering.

 Toepasselijke bepalingen

3        Punt 1 van de considerans van verordening nr. 6/2002 preciseert:

„Een uniform stelsel ter verkrijging van gemeenschapsmodellen waaraan overal op het grondgebied van de Gemeenschap dezelfde bescherming met dezelfde rechtsgevolgen wordt verleend, zal tot de in het Verdrag neergelegde doelstellingen van de Gemeenschap bijdragen.”

4        De punten 21 en 22 van de considerans van deze verordening luiden als volgt:

„(21)      Het uitsluitende karakter van het recht dat aan het ingeschreven gemeenschapsmodel wordt ontleend, gaat met grotere rechtszekerheid ervan gepaard. Aan het niet-ingeschreven gemeenschapsmodel dient echter alleen het recht verbonden te zijn om namaak te beletten. De bescherming kan zich derhalve niet uitstrekken tot voortbrengselen waarop modellen zijn toegepast die het resultaat vormen van een model dat op onafhankelijke wijze door een andere ontwerper gecreëerd is. Dit recht moet zich ook uitstrekken tot de handel in voortbrengselen waarin inbreukmakende modellen zijn verwerkt.

(22)      Het doen naleven van deze rechten dient een zaak van nationaal recht te zijn en het is derhalve noodzakelijk dat in een aantal, voor alle lidstaten uniforme, basissancties wordt voorzien. Deze moeten het mogelijk maken om, ongeacht de daartoe aangezochte rechterlijke instantie, de inbreukmakende handelingen te doen staken.”

5        In punt 31 van de considerans van die verordening staat te lezen:

„Deze verordening sluit niet uit dat op als gemeenschapsmodel beschermde modellen wetgeving inzake de industriële eigendom of andere relevante wetgeving van de lidstaten van toepassing is, onder meer die betreffende door inschrijving verworven modellenbescherming of betreffende niet-ingeschreven modellen, alsook betreffende merken, octrooien en gebruiksmodellen, oneerlijke mededinging en burgerrechtelijke aansprakelijkheid.”

6        Volgens artikel 1, leden 1 en 2, sub a, van verordening nr. 6/2002, wordt een model dat aan de voorwaarden van deze verordening voldoet, beschermd als een „niet-ingeschreven gemeenschapsmodel”, indien het op de bij deze verordening bepaalde wijze voor het publiek beschikbaar is gesteld.

7        Artikel 4 van verordening nr. 6/2002, met als opschrift „Beschermingsvoorwaarden”, preciseert in lid 1 dat een model wordt beschermd als gemeenschapsmodel voor zover het nieuw is en een eigen karakter heeft.

8        Artikel 5 van deze verordening, met als opschrift „Nieuwheid”, bepaalt in lid 1:

„Een model wordt als nieuw beschouwd, indien geen identieke tekening of geen identiek model voor het publiek beschikbaar is gesteld:

a)      bij een niet-ingeschreven gemeenschapsmodel, vóór de datum waarop het model waarvoor bescherming wordt aangevraagd voor het eerst voor het publiek beschikbaar is gesteld;

[...]”

9        Artikel 6 van deze verordening, met als opschrift „Eigen karakter”, bepaalt in lid 1:

„Een model wordt geacht een eigen karakter te hebben, indien de algemene indruk die het bij de geïnformeerde gebruiker wekt, verschilt van de algemene indruk die bij die gebruiker wordt gewekt door modellen die voor het publiek beschikbaar zijn gesteld:

a)      bij een niet-ingeschreven gemeenschapsmodel, vóór de datum waarop het model waarvoor bescherming wordt aangevraagd voor het eerst voor het publiek beschikbaar is gesteld;

[...]”

10      Artikel 7 van die verordening, met als opschrift „Openbaarmaking”, bepaalt in lid 1:

„Voor de toepassing van de artikelen 5 en 6 wordt een model geacht voor het publiek beschikbaar te zijn gesteld, indien dit gepubliceerd is na inschrijving of op andere wijze, of tentoongesteld, in de handel gebracht of anderszins openbaar gemaakt is vóór de in artikel 5, lid 1, sub a, en artikel 6, lid 1, sub a, genoemde datum of de in artikel 5, lid 1, sub b, en artikel 6, lid 1, sub b, genoemde datum, tenzij deze feiten bij een normale gang van zaken redelijkerwijs niet ter kennis konden zijn gekomen van ingewijden in de betrokken sector die in de Gemeenschap werkzaam zijn. Het model wordt echter niet geacht voor het publiek beschikbaar te zijn gesteld, louter omdat het onder uitdrukkelijke of stilzwijgende voorwaarde van geheimhouding aan een derde bekendgemaakt is.”

11      Artikel 11 van verordening nr. 6/2002, met als opschrift „Aanvang en duur van de bescherming van het niet-ingeschreven gemeenschapsmodel”, luidt als volgt:

„1.      Een model dat aan de in afdeling 1 vastgestelde voorwaarden voldoet, wordt gedurende drie jaar met ingang van de datum waarop het model voor het eerst binnen de Gemeenschap voor het publiek beschikbaar is gesteld, als niet-ingeschreven gemeenschapsmodel beschermd.  

2.      Voor de toepassing van lid 1 wordt een model geacht binnen de Gemeenschap voor het publiek beschikbaar te zijn gesteld, indien het gepubliceerd is, tentoongesteld, in de handel gebracht of anderszins openbaar gemaakt is, en wel op zodanige wijze dat deze feiten bij een normale gang van zaken redelijkerwijs ter kennis konden zijn gekomen van ingewijden in de betrokken sector die in de Gemeenschap werkzaam zijn. Een tekening of model wordt echter niet geacht voor het publiek beschikbaar te zijn gesteld louter omdat het onder uitdrukkelijke of stilzwijgende voorwaarde van geheimhouding aan een derde bekendgemaakt is.”

12      Artikel 19, leden 1 en 2, van deze verordening, met als opschrift „Aan het gemeenschapsmodel verbonden rechten”, bepaalt:

„1.      Een ingeschreven gemeenschapsmodel verleent aan de houder ervan het uitsluitende recht om het te gebruiken en om derden aan wie hij daartoe geen toestemming heeft gegeven, te beletten het te gebruiken. Onder dit gebruik wordt met name verstaan het vervaardigen, aanbieden, in de handel brengen, invoeren, uitvoeren of gebruiken van een voortbrengsel waarin het model is verwerkt of waarop het is toegepast, alsmede het voor deze doeleinden in voorraad hebben van dat voortbrengsel.

2.      Aan een niet-ingeschreven gemeenschapsmodel is voor de houder echter alleen het recht verbonden om de in lid 1 genoemde handelingen te beletten, als het aangevochten gebruik voortvloeit uit het namaken van het beschermde model.

Het aangevochten gebruik wordt niet beschouwd als voortvloeiende uit het namaken van het beschermde model indien dit gebruik voortvloeit uit onafhankelijk scheppend werk door een ontwerper van wie redelijkerwijs mag worden aangenomen dat hij het door de rechthebbende openbaar gemaakte model niet kende.”

13      In artikel 88 van die verordening, met als opschrift „Toepasselijk recht”, valt te lezen:

„1.      De rechtbanken voor het gemeenschapsmodel passen de bepalingen van deze verordening toe.

2.      Op alle zaken die niet in deze verordening zijn geregeld, past de rechtbank voor het gemeenschapsmodel het nationale recht toe, met inbegrip van zijn internationaal privaatrecht.

3.      Tenzij in deze verordening anders wordt bepaald, past een rechtbank voor het gemeenschapsmodel het procesrecht toe dat geldt voor soortgelijke rechtsvorderingen betreffende een nationaal modelrecht in de lidstaat waar de rechtbank gelegen is.”

14      Van artikel 89 van deze verordening, met als opschrift „Sancties ter zake van inbreuken”, luidt lid 1 als volgt:

„Wanneer een rechtbank voor het gemeenschapsmodel in een procedure betreffende een inbreuk of dreigende inbreuk van oordeel is dat de gedaagde inbreuk op een gemeenschapsmodel heeft gemaakt of heeft gedreigd te maken, gelast zij, tenzij er bijzondere redenen zijn om dit niet te doen, de volgende maatregelen:

a)      een verbod aan de gedaagde de handelingen te verrichten die inbreuk hebben gemaakt of zouden maken op het gemeenschapsmodel;

b)      inbeslagname van de inbreukmakende voortbrengselen;

c)      inbeslagname van de materialen en gereedschappen die voornamelijk worden gebruikt voor de vervaardiging van de inbreukmakende voortbrengselen, indien de eigenaar ervan op de hoogte is van het doel waarvoor deze materialen en gereedschappen worden gebruikt of indien dit doel duidelijk uit de omstandigheden blijkt;

d)      oplegging van andere passende sancties waarin wordt voorzien in het recht, met inbegrip van het internationaal privaatrecht, van de lidstaat waar de handelingen die inbreuk maken of dreigen te maken, zijn verricht.”

 Hoofdgeding en prejudiciële vragen

15      Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat partijen in het hoofdgeding tuinmeubelen verhandelen. MBM Joseph Duna verkoopt in Duitsland onder meer een tuinpaviljoen met een baldakijn, waarvan het model in de herfst van 2004 door haar zaakvoerder is ontworpen. In de loop van 2006 is Gautzsch Großhandel harerzijds begonnen met de verkoop van een tuinpaviljoen genaamd „Athen”, dat door de in China gevestigde onderneming Zhengte wordt vervaardigd.

16      MBM Joseph Duna heeft voor haar model aanspraak gemaakt op bescherming als niet-ingeschreven gemeenschapsmodel en zij heeft bij het Landgericht Düsseldorf (regionale rechtbank te Düsseldorf) (Duitsland) een inbreukprocedure ingeleid tegen Gautzsch Großhandel, omvattende een vordering tot staking van de verkoop door deze onderneming van voornoemd paviljoen, een vordering tot afgifte – met het oog op de vernietiging ervan – van de inbreukmakende voortbrengselen die nog in het bezit of de eigendom van laatstgenoemde waren, alsook een vordering tot nadere informatieverstrekking over haar activiteiten en een vordering tot vergoeding van de uit deze activiteiten voortvloeiende schade.

17      Ter onderbouwing van haar vorderingen heeft MBM Joseph Duna met name aangevoerd dat het paviljoen „Athen” namaak vormde van haar eigen model, waarvan zij in april en mei 2005 een afbeelding had opgenomen in haar cataloog „MBM-Neuheitenblätter” die zij aan de voornaamste meubel‑ en tuinmeubelverkopers en aan Duitse meubelinkooporganisaties heeft doen toekomen.

18      Gautzsch Großhandel heeft deze vorderingen betwist en daartegen aangevoerd dat haar paviljoen „Athen” begin 2005 op onafhankelijke wijze was ontworpen door de onderneming Zhengte, zonder dat deze laatste het model van MBM Joseph Duna kende. Zij heeft erop gewezen dat dit paviljoen in maart 2005 in de tentoonstellingsruimten van deze onderneming in China aan Europese afnemers is voorgesteld en dat een model van dit paviljoen in juni van datzelfde jaar aan de in België gevestigde onderneming Kosmos is bezorgd. Zij stelt dat MBM Joseph Duna sinds september 2005 op de hoogte was van het bestaan van dit model en van het feit dat zij dit paviljoen vanaf augustus 2006 verhandelde. Bij wege van exceptie heeft zij zich dan ook op verjaring en verval van recht beroepen.

19      De rechter in eerste aanleg heeft vastgesteld dat geen uitspraak meer hoefde te worden gedaan over de eerste en de tweede vordering, te weten de vordering tot staking van het gebruik van het paviljoen „Athen” en de vordering tot afgifte van de inbreukmakende voortbrengselen, gelet op het verstrijken van de voor niet-ingeschreven modellen geldende beschermingstermijn van drie jaar. Wat de andere vorderingen betreft, heeft hij Gautzsch Großhandel gelast informatie te verstrekken over haar verrichtingen en geoordeeld dat deze laatste gehouden was om de uit haar activiteiten voortvloeiende schade te vergoeden.

20      Het door Gautzsch Großhandel tegen deze beslissing ingestelde hogere beroep is verworpen door de appelrechter. Deze was van oordeel dat de eerste twee vorderingen volgens artikel 19, lid 2, en artikel 89, lid 1, sub a en d, van verordening nr. 6/2002 alsook de Duitse wet betreffende de rechtsbescherming van modellen aanvankelijk gegrond waren en dat MBM Joseph Duna daadwerkelijk aanspraak kon maken op informatieverstrekking en schadevergoeding.

21      In het kader van het beroep in „Revision” dat Gautzsch Großhandel heeft ingesteld bij de verwijzende rechter, vraagt deze laatste zich af – gelet op de feiten in het hoofdgeding – welke draagwijdte moet worden gegeven aan het begrip „openbaarmaking” dat onder meer in de artikelen 7, lid 1, en 11, lid 2, van verordening nr. 6/2002 is gebruikt, bij de beoordeling van de vraag of het niet-ingeschreven model waarvoor aanspraak op bescherming wordt gemaakt, voor het publiek beschikbaar is gesteld in de zin van deze verordening, alsook de vraag of het tegengeworpen model daarvóór openbaar is gemaakt.

22      Bovendien vraagt de verwijzende rechter zich af of het bewijs van de inbreuk op het niet-ingeschreven model alsook de verjaring en het verval van recht die tegen de inbreukvordering kunnen worden aangevoerd, onder het recht van de Unie dan wel onder het nationale recht vallen. Hij vraagt zich verder ook af of hij op de vorderingen waarmee voor de gehele Europese Unie wordt verzocht om vernietiging van de inbreukmakende voortbrengselen, om verstrekking van informatie over de activiteiten van de inbreukpleger en om vergoeding van de schade die uit diens activiteiten zijn voortgevloeid, zijn nationaal recht dan wel het recht van de lidstaat waar de inbreuken zijn gepleegd, dient toe te passen.

23      In die omstandigheden heeft het Bundesgerichtshof de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

„1)      Moet artikel 11, lid 2, van verordening [nr. 6/2002] aldus worden uitgelegd dat een model bij een normale gang van zaken redelijkerwijs ter kennis kan zijn gekomen van ingewijden in de betrokken sector die in de Unie werkzaam zijn, wanneer afbeeldingen ervan aan handelaars zijn gedistribueerd?

2)      Moet artikel 7, lid 1, eerste zin, van verordening [nr. 6/2002] aldus worden uitgelegd dat een model, hoewel het zonder een uitdrukkelijke of stilzwijgende voorwaarde van geheimhouding aan derden is bekendgemaakt, bij een normale gang van zaken niet redelijkerwijs ter kennis kan zijn gekomen van ingewijden in de betrokken sector die in de Unie werkzaam zijn, wanneer:

a)      het enkel voor bepaalde ondernemingen van de betrokken sector beschikbaar is gesteld, of

b)      het is tentoongesteld in een tentoonstellingsruimte van een onderneming in China die buiten het gebruikelijke waarnemingsveld van de analisten van de betrokken markt is gelegen?

3)       a)     Moet artikel 19, lid 2, van verordening [nr. 6/2002] aldus worden uitgelegd dat de houder van een niet-ingeschreven gemeenschapsmodel het bewijs moet leveren dat het aangevochten gebruik voortvloeit uit het namaken van het beschermde model?

b)      Indien de derde vraag, sub a, bevestigend wordt beantwoord:

Wordt de bewijslast omgekeerd of kan de houder van een niet-ingeschreven gemeenschapsmodel aanspraak maken op een lichtere bewijslast, wanneer het model en het aangevochten gebruik ervan in grote mate overeenstemmen?

4)      a)     Kan het recht om volgens artikel 19, lid 2, juncto artikel 89, lid 1, sub a, van verordening [nr. 6/2002] een verbodsvordering in te stellen op grond dat inbreuk op een niet-ingeschreven gemeenschapsmodel is gemaakt, verjaren?

b)      Indien de vierde vraag, sub a, bevestigend wordt beantwoord:

Wordt deze verjaring geregeld door het Unierecht, en zo ja, door welke bepaling?

5)      a)       Kan met betrekking tot het recht om volgens artikel 19, lid 2, juncto artikel 89, lid 1, sub a, van verordening [nr. 6/2002] een verbodsvordering in te stellen op grond dat inbreuk op een niet-ingeschreven gemeenschapsmodel is gemaakt, sprake zijn van verval van recht?

b)      Indien de vijfde vraag, sub a, bevestigend wordt beantwoord:

Wordt dit verval van recht geregeld door het Unierecht, en zo ja, door welke bepaling?

6)      Moet artikel 89, lid 1, sub d, van verordening [nr. 6/2002] aldus worden uitgelegd dat op vorderingen tot vernietiging [van nagemaakte goederen], informatieverstrekking en schadevergoeding die wegens inbreuk op een niet-ingeschreven gemeenschapsmodel voor de volledige Unie worden ingesteld, het recht dient te worden toegepast van de lidstaat waar de inbreukmakende handelingen zijn verricht?”

 Beantwoording van de prejudiciële vragen

 Eerste vraag

24      De verwijzende rechter merkt op dat de appelrechter ervan is uitgegaan dat het in het hoofdgeding aan de orde zijnde model van MBM Joseph Duna voor het eerst voor het publiek beschikbaar is gesteld toen de zogenoemde cataloog „MBM-Neuheitenblätter” met afbeeldingen van dit model in april en mei 2005 in een oplage van 300 tot 500 exemplaren is bezorgd aan verkopers en intermediaire handelaars en aan twee grote Duitse meubelinkooporganisaties.

25      Gelet op deze feiten vraagt de verwijzende rechter zich af of de distributie van afbeeldingen van dat model aan handelaars volstaat om te concluderen dat dit model bij een normale gang van zaken redelijkerwijs ter kennis kon zijn gekomen van ingewijden in de betrokken sector die in de Unie werkzaam zijn, in de zin van artikel 11, lid 2, van verordening nr. 6/2002. Hij wijst er in dit verband op dat tot die kring van ingewijden volgens sommigen enkel de personen behoren die in de betrokken sector met het ontwerp en de ontwikkeling of de productie van de op basis van die creatie vervaardigde voortbrengselen belast zijn. Volgens deze benadering behoren niet alle verkopers tot de kring van ingewijden, maar is dat enkel het geval indien zij het ontwerp en het design van het door hen verkochte product beïnvloeden.

26      Vastgesteld moet evenwel worden dat een dergelijke uitlegging van het begrip „ingewijden” niet met de bewoordingen van artikel 11, lid 2, van verordening nr. 6/2002 strookt.

27      Zoals de Commissie in de door haar bij het Hof ingediende opmerkingen alsook de advocaat-generaal in de punten 34 en volgende van zijn conclusie hebben benadrukt, stelt artikel 11, lid 2, van deze verordening immers geen beperkingen aangaande het type activiteit van de natuurlijke en rechtspersonen van wie mag worden aangenomen dat zij tot de ingewijden in de betrokken sector behoren. Voorts kan uit de formulering van deze bepaling, en inzonderheid uit de vermelding daarin van het in de handel brengen als één van de wijzen waarop niet-ingeschreven modellen voor het publiek beschikbaar worden gesteld en gelet op het feit dat daarin tevens is gepreciseerd dat rekening moet worden gehouden met de „normale gang van zaken” om te bepalen of de feiten die tot de openbaarmaking hebben geleid redelijkerwijs ter kennis kunnen zijn gekomen van ingewijden, worden afgeleid dat de handelaars die niet aan het ontwerp van het betrokken product hebben deelgenomen, in beginsel niet kunnen worden uitgesloten van de kring van personen die moeten worden geacht tot die ingewijden te behoren.

28      Bovendien zou een dergelijke uitsluiting leiden tot een beperking van de bescherming van niet-ingeschreven gemeenschapsmodellen, waarvoor noch de andere bepalingen, noch de considerans van verordening nr. 6/2002 steun bieden.

29      De vraag of de distributie van het niet-ingeschreven model aan handelaars van de betrokken sector die in de Unie werkzaam zijn, volstaat voor de vaststelling dat dit model bij een normale gang van zaken redelijkerwijs ter kennis kon zijn gekomen van ingewijden in de betrokken sector, is echter een feitelijke vraag waarvan het antwoord afhangt van de wijze waarop de rechtbank voor het gemeenschapsmodel de specifieke omstandigheden van elke zaak beoordeelt.

30      Bijgevolg dient op de eerste gestelde vraag te worden geantwoord dat artikel 11, lid 2, van verordening nr. 6/2002 aldus moet worden uitgelegd dat kan worden geoordeeld dat een niet-ingeschreven model bij een normale gang van zaken redelijkerwijs ter kennis kon zijn gekomen van ingewijden in de betrokken sector die in de Unie werkzaam zijn, wanneer afbeeldingen van dit model zijn gedistribueerd aan handelaars die actief zijn in deze sector, waarbij het aan de rechtbank voor het gemeenschapsmodel staat om dit laatste te beoordelen op basis van de omstandigheden van de bij haar aanhangige zaak.

 Tweede vraag

31      De verwijzende rechter preciseert dat de appelrechter het in het hoofdgeding aan de orde zijnde model van MBM Joseph Duna als nieuw in de zin van artikel 5, lid 1, sub a, van verordening nr. 6/2002 heeft beschouwd, aangezien volgens deze rechter de ingewijden in de betrokken sector bij een normale gang van zaken geen kennis konden hebben verkregen van het model „Athen” dat in maart 2005 in de tentoonstellingsruimte van de onderneming Zhengte in China was getoond en dat aan de onderneming Kosmos in België was voorgesteld.

32      Gelet op die overwegingen vraagt de verwijzende rechter zich af of artikel 7, lid 1, eerste zin, van verordening nr. 6/2002 aldus moet worden uitgelegd dat een model, hoewel het zonder een uitdrukkelijke of stilzwijgende voorwaarde van geheimhouding aan derden is bekendgemaakt, bij een normale gang van zaken niet redelijkerwijs ter kennis kan zijn gekomen van ingewijden in de betrokken sector die in de Unie werkzaam zijn, wanneer het slechts voor één enkele onderneming beschikbaar is gesteld of louter is voorgesteld in een tentoonstellingsruimte van een onderneming die buiten het „gebruikelijke waarnemingsveld van de marktanalisten” is gelegen.

33      Dienaangaande moet erop worden gewezen dat uit de bewoordingen van artikel 7, lid 1, eerste zin, van verordening nr. 6/2002 blijkt dat het, om een model als voor het publiek beschikbaar gesteld aan te merken wat de toepassing van de artikelen 5 en 6 van deze verordening betreft, niet is vereist dat de feiten die de openbaarmaking opleveren, op het grondgebied van de Unie hebben plaatsgevonden.

34      Volgens dit artikel kan een model evenwel niet worden geacht voor het publiek beschikbaar te zijn gesteld, indien de feiten die aan de openbaarmaking ten grondslag liggen, bij een normale gang van zaken redelijkerwijs niet ter kennis konden zijn gekomen van ingewijden in de betrokken sector die in de Unie werkzaam zijn. De vraag of de tot deze ingewijden behorende personen redelijkerwijs kennis kunnen hebben verkregen van gebeurtenissen die buiten het grondgebied van de Unie hebben plaatsgevonden, is een feitelijke vraag waarvan het antwoord afhangt van de beoordeling door de rechtbank voor het gemeenschapsmodel van de omstandigheden die eigen zijn aan elke zaak.

35      Hetzelfde geldt voor de vraag of de openbaarmaking van een model aan één enkele onderneming van de betrokken sector – op het grondgebied van de Unie – voldoende is om te oordelen dat dit model bij een normale gang van zaken niet redelijkerwijs ter kennis kon zijn gekomen van ingewijden in de betrokken sector. Het kan immers niet worden uitgesloten dat een dergelijke openbaarmaking in bepaalde omstandigheden daartoe volstaat.

36      Gelet op deze overwegingen dient op de tweede gestelde vraag te worden geantwoord dat artikel 7, lid 1, eerste zin, van verordening nr. 6/2002 aldus moet worden uitgelegd dat kan worden geoordeeld dat een niet-ingeschreven model, hoewel het zonder een uitdrukkelijke of stilzwijgende voorwaarde van geheimhouding aan derden is bekendgemaakt, bij een normale gang van zaken niet redelijkerwijs ter kennis kon zijn gekomen van ingewijden in de betrokken sector die in de Unie werkzaam zijn, wanneer het slechts voor één enkele onderneming beschikbaar is gesteld of louter is voorgesteld in de tentoonstellingsruimten van een onderneming die buiten het grondgebied van de Unie is gevestigd, waarbij het aan de rechtbank voor het gemeenschapsmodel staat om dit laatste te beoordelen, rekening houdend met de omstandigheden van de bij haar aanhangige zaak.

 Derde vraag

37      De verwijzende rechter wijst erop dat de appelrechter heeft geoordeeld dat het model van Gautzsch Großhandel geen onafhankelijk scheppend werk vormde, maar namaak was van het model van MBM Joseph Duna, waarbij laatstgenoemde volgens die rechter aanspraak kon maken op een lichtere bewijslast, gelet op de „wezenlijke objectieve gelijkenissen” tussen beide modellen.

38      Gelet op een en ander vraagt de verwijzende rechter zich af of artikel 19, lid 2, van verordening nr. 6/2002 aldus moet worden uitgelegd dat de houder van een niet-ingeschreven gemeenschapsmodel het bewijs moet leveren dat het aangevochten gebruik voortvloeit uit het namaken van dit model en zo ja, of de bewijslast wordt omgekeerd dan wel lichter wordt wanneer er sprake is van „wezenlijke gelijkenissen” tussen dit model en het model waarvan het gebruik wordt aangevochten.

39      In dit verband moet worden geconstateerd dat artikel 19 van verordening nr. 6/2002, welk artikel – zoals het opschrift ervan aangeeft – de aan het gemeenschapsmodel verbonden rechten betreft, geen uitdrukkelijke regels aangaande de bewijsvoering bevat.

40      Indien echter de bewijslast inzake de vraag of het betwiste gebruik uit namaak van het beschermde model voortvloeit, onder het nationale recht van de lidstaten zou vallen, zou dit ertoe kunnen leiden, zoals de advocaat-generaal in de punten 67 tot en met 74 van zijn conclusie onder verwijzing naar het merkenrecht heeft aangegeven, dat de bescherming van de houders van gemeenschapsmodellen verschilt naargelang de betrokken regeling, zodat de doelstelling van een uniforme bescherming waaraan overal op het grondgebied van de Unie dezelfde rechtsgevolgen zijn verbonden, zoals deze met name uit punt 1 van de considerans van verordening nr. 6/2002 blijkt, niet zou worden bereikt (zie naar analogie arrest van 18 oktober 2005, Class International, C‑405/03, Jurispr. blz. I‑8735, punt 73).

41      Gelet op deze doelstelling alsook op de structuur en de opzet van artikel 19, lid 2, van verordening nr. 6/2002, moet worden geoordeeld dat wanneer de houder van een beschermd model zich op het bij de eerste alinea van deze bepaling verleende recht beroept, de bewijslast betreffende de vraag of het betwiste gebruik uit namaak van dit model voortvloeit, op die houder rust, terwijl het in het kader van de tweede alinea van die bepaling aan de tegenpartij staat om aan te tonen dat het aangevochten gebruik het resultaat is van onafhankelijk scheppend werk.

42      Aangezien verordening nr. 6/2002 geen bewijsregeling bevat, volgt uit artikel 88 van deze verordening dat de bewijsvoering voor het overige wordt geregeld door het recht van de lidstaten. Volgens de rechtspraak moeten deze laatste er evenwel overeenkomstig de beginselen van gelijkwaardigheid en doeltreffendheid voor zorgen dat die regels niet ongunstiger zijn dan die voor soortgelijke nationale vorderingen en de uitoefening van de door de rechtsorde van de Unie aan de justitiabele verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken (zie in die zin arrest van 24 april 2008, Arcor, C‑55/06, Jurispr. blz. I‑2931, punt 191).

43      Zoals de Commissie opmerkt, moet de rechtbank voor het gemeenschapsmodel dus, teneinde de eerbiediging van het doeltreffendheidsbeginsel te verzekeren, wanneer zij vaststelt dat het feit dat de bewijslast op de houder van het beschermde model rust het onmogelijk of uiterst moeilijk kan maken dit bewijs te leveren, gebruikmaken van alle procedurele middelen die haar door het nationale recht ter beschikking worden gesteld om die moeilijkheid te ondervangen (zie naar analogie arresten van 7 september 2006, Laboratoires Boiron, C‑526/04, Jurispr. blz. I‑7529, punt 55, en 28 januari 2010, Direct Parcel Distribution Belgium, C‑264/08, Jurispr. blz. I‑731, punt 35). Zij kan derhalve in voorkomend geval de regels van het nationale recht toepassen die de bewijslast aanpassen of minder zwaar maken.

44      Bijgevolg moet op de derde vraag worden geantwoord dat artikel 19, lid 2, eerste alinea, van verordening nr. 6/2002 aldus moet worden uitgelegd dat het aan de houder van het beschermde model staat om het bewijs te leveren dat het aangevochten gebruik voortvloeit uit het namaken van dit model. Indien de rechtbank voor het gemeenschapsmodel echter vaststelt dat het feit dat de bewijslast op deze houder van het beschermde model rust het onmogelijk of uiterst moeilijk kan maken om dit bewijs te leveren, dient zij, teneinde de eerbiediging van het doeltreffendheidsbeginsel te verzekeren, gebruik te maken van alle procedurele middelen die haar door het nationale recht ter beschikking worden gesteld om die moeilijkheid te ondervangen, daaronder begrepen een eventuele toepassing van de regels van het nationale recht die de bewijslast aanpassen of minder zwaar maken.

 Vierde en vijfde vraag

45      De verwijzende rechter merkt in de eerste plaats op dat de appelrechter heeft vastgesteld dat de verbodsvordering die krachtens artikel 19, lid 2, en artikel 89, lid 1, sub a, van verordening nr. 6/2002 kon worden ingesteld, op het tijdstip waarop deze procedure is ingeleid, niet was verjaard. Gelet op deze vaststelling vraagt hij zich af of het recht om een verbodsvordering in te stellen wegens inbreuk op een gemeenschapsmodel kan verjaren, en zo ja, of deze verjaring onder het recht van de Unie valt. De verwijzende rechter wijst er in dit verband op dat verordening nr. 6/2002 ter zake geen specifieke bepalingen bevat, maar dat artikel 89, lid 1, bepaalt dat de rechtbank voor het gemeenschapsmodel in geval van inbreuk een sanctie oplegt, „tenzij er bijzondere redenen zijn om dit niet te doen”.

46      In de tweede plaats geeft de verwijzende rechter aan dat de appelrechter de door Gautzsch Großhandel met betrekking tot verval van recht opgeworpen exceptie heeft afgewezen en hij vraagt zich af of, en zo ja onder welke voorwaarden, het recht om krachtens de artikelen 19, lid 2, en 89, lid 1, sub a, van verordening nr. 6/2002 een verbodsvordering in te stellen wegens inbreuk op een niet-ingeschreven gemeenschapsmodel vatbaar is voor verval van recht. Volgens hem moet worden nagegaan of de omstandigheden waaruit Gautzsch Großhandel verval van recht afleidt, „bijzondere redenen” in de zin van laatstgenoemde bepaling vormen.

47      Dienaangaande moet worden geconstateerd dat verordening nr. 6/2002 niets zegt over de verjaring en het verval van recht die als verweermiddel kunnen worden aangevoerd tegen de vordering die krachtens de artikelen 19, lid 2, en 89, lid 1, sub a, van verordening nr. 6/2002 is ingesteld.

48      Het begrip „bijzondere redenen” in de zin van artikel 89, lid 1, van deze verordening ziet op feitelijke omstandigheden die eigen zijn aan een bepaald geval (zie naar analogie arrest van 14 december 2006, Nokia, C‑316/05, Jurispr. blz. I‑12083, punt 38). Het heeft dus geen betrekking op verjaring en verval van recht, die elementen rechtens vormen.

49      De verjaring en het verval van recht die mogelijkerwijs als verweermiddel tegen de krachtens de artikelen 19, lid 2, en 89, lid 1, sub a, van verordening nr. 6/2002 ingestelde vordering worden aangevoerd, vallen overeenkomstig artikel 88, lid 2, van deze verordening dan ook onder het nationale recht, dat moet worden toegepast met inachtneming van de beginselen van gelijkwaardigheid en doeltreffendheid, waarvan de draagwijdte in punt 42 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht [zie eveneens, naar analogie, arresten van 13 juli 2006, Manfredi e.a., C‑295/04–C‑298/04, Jurispr. blz. I‑6619, punten 77‑80; 28 januari 2010, Uniplex (UK), C‑406/08, Jurispr. blz. I‑817, punten 32 en 40; 8 juli 2010, Bulicke, C‑246/09, Jurispr. blz. I‑7003, punt 25; 8 september 2011, Rosado Santana, C‑177/10, Jurispr. blz. I‑7907, punten 89, 90, 92 en 93, en 19 juli 2012, Littlewoods Retail e.a., C‑591/10, punt 27].

50      Bijgevolg dient op de vierde en de vijfde gestelde vraag te worden geantwoord dat de verjaring en het verval van recht die als verweermiddel tegen de krachtens de artikelen 19, lid 2, en 89, lid 1, sub a, van verordening nr. 6/2002 ingestelde vordering kunnen worden aangevoerd, onder het nationale recht vallen, dat met eerbiediging van de beginselen van gelijkwaardigheid en doeltreffendheid moet worden toegepast.

 Zesde vraag

51      De verwijzende rechter stelt vast dat de appelrechter niet heeft aangegeven welk recht van toepassing was op de vorderingen tot vernietiging van de inbreukmakende voortbrengselen, tot verstrekking van informatie over de activiteiten van Gautzsch Großhandel en tot vergoeding van de uit deze activiteiten voortvloeiende schade, en hij vraagt zich dan ook af of deze vorderingen onder het nationale recht vallen van de lidstaat op het grondgebied waarvan deze rechten worden ingeroepen dan wel of artikel 89, lid 1, sub d, van verordening nr. 6/2002 aldus moet worden opgevat dat die vorderingen worden geregeld door het recht van de lidstaten waar de inbreukmakende handelingen zijn verricht. Hij wijst er dienaangaande op dat voor een uniforme aanknoping bij het recht van één enkele lidstaat met name overwegingen van effectieve rechtshandhaving pleiten, maar dat artikel 89, lid 1, sub d, van verordening nr. 6/2002 zich daartegen mogelijkerwijs verzet.

52      Wat in de eerste plaats de vordering tot vernietiging van de namaakproducten betreft, volgt uit artikel 89, lid 1, van verordening nr. 6/2002, waarvan het bepaalde sub a ziet op het verbod op het voortzetten van de handelingen die inbreuk maken of dreigen te maken op het gemeenschapsmodel en het bepaalde sub b en c ziet op de inbeslagname van de inbreukmakende voortbrengselen en van de materialen en gereedschappen die voor de vervaardiging daarvan zijn gebruikt, dat de vernietiging van deze voortbrengselen tot de sub d vermelde „andere passende sancties” behoort. Hieruit volgt dat het op deze vordering toepasselijke recht overeenkomstig artikel 89, lid 1, sub d, van deze verordening het recht is, met inbegrip van het internationaal privaatrecht, van de lidstaat waar de handelingen die inbreuk maken of dreigen te maken, zijn verricht.

53      Wat in de tweede plaats de vorderingen betreft tot vergoeding van de schade die is voortgevloeid uit de activiteiten van degene die met deze handelingen inbreuk op het model heeft gemaakt of dreigde te maken, alsook tot verkrijging van informatie over die activiteiten teneinde de schade te kunnen bepalen, moet worden vastgesteld dat de verplichting om dergelijke inlichtingen te verschaffen en om de schade te vergoeden daarentegen geen sanctie in de zin van artikel 89 van verordening nr. 6/2002 vormt.

54      Bijgevolg is het op de in het vorige punt van het onderhavige arrest genoemde vorderingen toepasselijke recht volgens artikel 88, lid 2, van verordening nr. 6/2002 het nationale recht van de rechtbank voor het gemeenschapsmodel waarbij de zaak is ingeleid, met inbegrip van zijn internationaal privaatrecht. Dit wordt overigens bevestigd door punt 31 van de considerans van deze verordening, waarin is gepreciseerd dat die verordening niet uitsluit dat op als gemeenschapsmodel beschermde modellen wetgeving van de lidstaten betreffende onder meer de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van toepassing is.

55      Gelet op een en ander dient op de zesde gestelde vraag te worden geantwoord dat artikel 89, lid 1, sub d, van verordening nr. 6/2002 aldus moet worden uitgelegd dat de vorderingen tot vernietiging van de inbreukmakende voortbrengselen worden geregeld door het recht, met inbegrip van het internationaal privaatrecht, van de lidstaat waar de handelingen die inbreuk maken of dreigen te maken, zijn verricht. De vorderingen strekkende tot vergoeding van de schade die is voortgevloeid uit de activiteiten van degene die deze handelingen heeft gesteld en strekkende tot verkrijging van informatie over deze activiteiten teneinde die schade te kunnen bepalen, vallen overeenkomstig artikel 88, lid 2, van verordening nr. 6/2002 onder het nationale recht, met inbegrip van het internationaal privaatrecht, van de rechtbank voor het gemeenschapsmodel waarbij de zaak is ingeleid.

 Kosten

56      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Derde kamer) verklaart voor recht:

1)      Artikel 11, lid 2, van verordening (EG) nr. 6/2002 van de Raad van 12 december 2001 betreffende gemeenschapsmodellen moet aldus worden uitgelegd dat kan worden geoordeeld dat een niet-ingeschreven model bij een normale gang van zaken redelijkerwijs ter kennis kon zijn gekomen van ingewijden in de betrokken sector die in de Europese Unie werkzaam zijn, wanneer afbeeldingen van dit model zijn gedistribueerd aan handelaars die actief zijn in deze sector, waarbij het aan de rechtbank voor het gemeenschapsmodel staat om dit laatste te beoordelen op basis van de omstandigheden van de bij haar aanhangige zaak.

2)      Artikel 7, lid 1, eerste zin, van verordening nr. 6/2002 moet aldus worden uitgelegd dat kan worden geoordeeld dat een niet-ingeschreven model, hoewel het zonder een uitdrukkelijke of stilzwijgende voorwaarde van geheimhouding aan derden is bekendgemaakt, bij een normale gang van zaken niet redelijkerwijs ter kennis kon zijn gekomen van ingewijden in de betrokken sector die in de Europese Unie werkzaam zijn, wanneer het slechts voor één enkele onderneming beschikbaar is gesteld of louter is voorgesteld in de tentoonstellingsruimten van een onderneming die buiten het grondgebied van de Unie is gevestigd, waarbij het aan de rechtbank voor het gemeenschapsmodel staat om dit laatste te beoordelen, rekening houdend met de omstandigheden van de bij haar aanhangige zaak.

3)      Artikel 19, lid 2, eerste alinea, van verordening nr. 6/2002 moet aldus worden uitgelegd dat het aan de houder van het beschermde model staat om het bewijs te leveren dat het aangevochten gebruik voortvloeit uit het namaken van dit model. Indien de rechtbank voor het gemeenschapsmodel echter vaststelt dat het feit dat de bewijslast op deze houder van het beschermde model rust het onmogelijk of uiterst moeilijk kan maken om dit bewijs te leveren, dient zij, teneinde de eerbiediging van het doeltreffendheidsbeginsel te verzekeren, gebruik te maken van alle procedurele middelen die haar door het nationale recht ter beschikking worden gesteld om die moeilijkheid te ondervangen, daaronder begrepen een eventuele toepassing van de regels van het nationale recht die de bewijslast aanpassen of minder zwaar maken.

4)      De verjaring en het verval van recht die als verweermiddel tegen de krachtens de artikelen 19, lid 2, en 89, lid 1, sub a, van verordening nr. 6/2002 ingestelde vordering kunnen worden aangevoerd, vallen onder het nationale recht, dat met eerbiediging van de beginselen van gelijkwaardigheid en doeltreffendheid moet worden toegepast.

5)      Artikel 89, lid 1, sub d, van verordening nr. 6/2002 moet aldus worden uitgelegd dat de vorderingen tot vernietiging van de inbreukmakende voortbrengselen worden geregeld door het recht, met inbegrip van het internationaal privaatrecht, van de lidstaat waar de handelingen die inbreuk maken of dreigen te maken, zijn verricht. De vorderingen strekkende tot vergoeding van de schade die is voortgevloeid uit de activiteiten van degene die deze handelingen heeft gesteld en strekkende tot verkrijging van informatie over deze activiteiten teneinde die schade te kunnen bepalen, vallen overeenkomstig artikel 88, lid 2, van verordening nr. 6/2002 onder het nationale recht, met inbegrip van het internationaal privaatrecht, van de rechtbank voor het gemeenschapsmodel waarbij de zaak is ingeleid.

ondertekeningen


* Procestaal: Duits.