BESCHIKKING VAN HET GERECHT VOOR AMBTENARENZAKEN VAN DE EUROPESE UNIE (Eerste kamer)

12 juni 2009 (*)

„Openbare dienst – Personeel van Europol – Geen verlenging van overeenkomst – Overeenkomst voor onbepaalde tijd – Ontvankelijkheid – Procesbelang – Beroep gericht tegen besluit dat op moment van instelling van beroep is verdwenen – Ontbreken van voorafgaande klacht”

In zaak F‑65/08,

betreffende een beroep ingesteld krachtens artikel 40, lid 3, van de Overeenkomst op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie tot oprichting van een Europese Politiedienst (Europol-Overeenkomst) en artikel 93, lid 1, van het statuut voor de personeelsleden van Europol,

Michael Kipp, voormalig arbeidscontractant van de Europese Politiedienst, wonende te ’s‑Gravenhage (Nederland), vertegenwoordigd door P. de Casparis, advocaat,

verzoeker,

tegen

Europese Politiedienst (Europol), vertegenwoordigd door D. Neumann en D. El Khoury als gemachtigden, bijgestaan door B. Wägenbaur en R. Van der Hout, advocaten,

verweerder,

geeft

HET GERECHT VOOR AMBTENARENZAKEN (Eerste kamer),

samengesteld als volgt: S. Gervasoni (rapporteur), kamerpresident, H. Kreppel en H. Tagaras, rechters,

griffier: W. Hakenberg,

de navolgende

Beschikking

1        Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht bij fax van 30 juli 2008 (het origineel is op 4 augustus daaraanvolgend neergelegd), vraagt Kipp om nietigverklaring van het besluit van 4 oktober 2007 waarbij de directeur van de Europese Politiedienst (Europol) heeft geweigerd om zijn overeenkomst te verlengen en hem een overeenkomst voor onbepaalde tijd aan te bieden, van het besluit van 29 april 2008 waarbij de directeur van Europol zijn klacht tegen bovenvermeld besluit van 4 oktober 2007 heeft afgewezen en van het besluit van 12 juni 2008 waarbij de directeur van Europol opnieuw heeft geweigerd zijn overeenkomst te verlengen.

 Toepasselijke bepalingen

2        Artikel 40, lid 3, van de Overeenkomst op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie tot oprichting van een Europese Politiedienst (Europol-Overeenkomst) van 26 juli 1995 (PB C 316, blz. 2) bepaalt dat „[d]e bepalingen inzake verzoeken en beroep als bedoeld in de voorschriften betreffende de regeling welke van toepassing is op de tijdelijke en hulpfunctionarissen van de Europese Gemeenschappen van overeenkomstige toepassing [zijn] op het personeel van Europol”.

3        Artikel 6 van het statuut voor de personeelsleden van Europol (hierna: „Europol-statuut”) luidt:

„Elke Europol-functionaris, of hij nu is aangesteld in een functie die uitsluitend kan worden bezet door personeelsleden die bij de in artikel 2, lid 4, van de Europol-Overeenkomst bedoelde bevoegde autoriteiten zijn aangeworven dan wel in een functie die niet aan die beperking is onderworpen, wordt aanvankelijk voor een vaste periode van één tot vijf jaar in dienst genomen.

De eerste arbeidsovereenkomst kan worden verlengd. In totaal is de duur van de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, met inbegrip van de duur van een eventuele verlenging, ten hoogste negen jaar.

Alleen personeelsleden die zijn aangesteld in een functie die niet uitsluitend kan worden bezet door personeelsleden welke bij de in artikel 2, lid 4, van de Europol-Overeenkomst bedoelde bevoegde autoriteiten zijn aangeworven, kunnen voor onbepaalde tijd in dienst worden genomen nadat zij op basis van twee arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd naar grote tevredenheid hebben gewerkt gedurende een diensttijd van ten minste zes jaar.

De raad van bestuur van Europol verleent jaarlijks toestemming, voor zover de directeur van Europol het voornemen heeft arbeidsovereenkomsten voor onbepaalde tijd te sluiten. De raad van bestuur kan maxima vaststellen voor het totale aantal van dergelijke overeenkomsten.”

4        Artikel 92, leden 1 en 2, van het Europol-statuut bepaalt:

„1. Iedere in dit statuut bedoelde persoon kan bij de directeur een verzoek indienen om jegens hem een besluit te nemen. De directeur brengt zijn met redenen omkleed besluit binnen vier maanden, te rekenen vanaf de dag van indiening van dit verzoek, ter kennis van de betrokkene. Is bij het verstrijken van deze termijn een antwoord op het verzoek uitgebleven, dan geldt dit als een stilzwijgend besluit tot afwijzing, waartegen een klacht in de zin van de volgende leden kan worden ingediend.

2. Iedere in dit statuut bedoelde persoon kan bij de directeur een klacht indienen tegen een besluit waardoor hij zich bezwaard acht, hetzij omdat de directeur een besluit heeft genomen, dan wel omdat hij geen, bij het [Europol-]statuut verplichte maatregel heeft genomen. De klacht moet binnen een termijn van drie maanden worden ingediend. [...]”

5        Artikel 93, leden 1 en 2, van het Europol-statuut luidt :

„1. Het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen is bevoegd uitspraak te doen in elk geschil tussen Europol en een van de in dit statuut bedoelde personen, dat betrekking heeft op de wettigheid van een besluit waardoor deze persoon zich bezwaard acht in de zin van artikel 92, lid 2. Bij geschillen van geldelijke aard heeft het Hof van Justitie volledige rechtsmacht.

2. Een beroep op het Hof van Justitie is slechts ontvankelijk:

–        indien men zich van tevoren tot de directeur heeft gewend met een klacht in de zin van artikel 92, lid 2, en binnen de aldaar gestelde termijn, en

–        indien op deze klacht een uitdrukkelijk of stilzwijgend besluit tot afwijzing is genomen.”

6        Artikel 94 van het Europol-statuut bepaalt:

„Behalve door overlijden eindigt de dienst van de Europol-functionaris:

1.      bij arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd:

a)      op het tijdstip, in de arbeidsovereenkomst bepaald;

[...]”

7        Artikel 7 van het besluit van de directeur van Europol van 8 december 2006 betreffende het algemeen beleid voor de toepassing van artikel 6 van het Europol-statuut luidt:

„Criteria en procedure voor de sluiting van een derde overeenkomst

7.1 De directeur onderzoekt jaarlijks of hij in het belang van Europol van plan is om in het volgende kalenderjaar overeenkomsten voor onbepaalde tijd te sluiten;

7.2 Indien de directeur overeenkomstig artikel 7.1 een overeenkomst voor onbepaalde tijd wil sluiten, moet hij tijdig toestemming krijgen van de raad van bestuur, zoals voorgeschreven in artikel 6 van het [Europol]-statuut;

7.3 [...] de belangrijkste redenen voor het algemene jaarlijkse besluit bedoeld in bovenvermelde artikelen 7.1 en 7.2 moeten door Europol naar behoren worden gedocumenteerd;

7.4 Wanneer een tweede overeenkomst [...] afloopt en de in artikel 7.2 bedoelde toestemming van de raad van bestuur is verkregen of is gevraagd, moet Europol nagaan of hij een derde overeenkomst mag aanbieden [...] op basis van de criteria genoemd in artikel 6.1 die mutatis mutandis van toepassing zijn [...]

[...]

7.6 [...] functionarissen die in aanmerking komen voor een derde overeenkomst moeten 9 maanden vóór de afloop van hun tweede overeenkomst per aangetekende brief op de hoogte worden gesteld van het besluit dat op grond van bovenvermelde artikelen 7.3 of 7.5 is genomen;

[...]

7.6.3 Indien Europol de functionaris niet op de hoogte stelt binnen de termijn genoemd in artikel 7.6 moet hij hem een verlenging van de overeenkomst aanbieden zodat de bovenvermelde termijn wel kan worden gerespecteerd; deze overeenkomst kan in geen geval worden aangemerkt als een derde overeenkomst [...];

7.7 Wanneer het besluit op basis van de artikelen 7.3 of 7.5 om administratieve redenen, met name wegens de noodzakelijke inschakeling van de raad van bestuur, niet binnen de termijn van artikel 7.6 aan de functionaris kan worden meegedeeld, [...] moet hij in elk geval binnen die termijn op de hoogte worden gesteld van de afloop van zijn tweede overeenkomst zodat hij alle noodzakelijke maatregelen kan treffen; artikel 7.6.3 geldt mutatis mutandis.” (Vrije vertaling.)

 Feiten van het geding

8        Verzoeker heeft vanaf januari 1996 voor Europol gewerkt, eerst als tijdelijk functionaris van de vennootschap Rijnhaave, vervolgens als functionaris gedetacheerd door het Nederlandse ministerie van Justitie.

9        Op 30 juni 1999 heeft verzoeker met Europol een overeenkomst voor bepaalde tijd van vier jaar gesloten voor de functie van Senior Database Architect. Deze overeenkomst is op 1 juli 1999 ingegaan.

10      Op 1 juli 2003 hebben de directeur van Europol en verzoeker een nieuwe overeenkomst voor vier jaar gesloten, voor de functie van hoofdadministrateur bij de Development Unit.

11      Bij besluit 2006/C 311/01 van de Raad van 4 december 2006 (PB C 311, blz. 1) is artikel 6 van het Europol-statuut gewijzigd. De totale duur van door Europol gesloten overeenkomsten voor bepaalde tijd, daaronder begrepen eventuele verlengingen, is daarbij van acht op negen jaar gebracht.

12      Na die wijziging hebben de directeur van Europol en verzoeker op 22 mei 2007 een nieuwe overeenkomst voor bepaalde tijd van één jaar gesloten, die op 30 juni 2008 zou aflopen.

13      Daar de overeenkomsten van verschillende functionarissen van Europol, waaronder die van verzoeker, in 2008 zouden aflopen omdat de duur van overeenkomsten voor bepaalde tijd volgens artikel 6 van het Europol-statuut beperkt was tot negen jaar, heeft de directeur van Europol de raad van bestuur toestemming gevraagd om met die functionarissen overeenkomsten voor onbepaalde tijd te sluiten.

14      Tijdens zijn bijeenkomst van 11 en 12 juli 2007 heeft de raad van bestuur van Europol geweigerd om op dat verzoek in te gaan.

15      Bij brief van 4 oktober 2007 heeft de directeur van Europol verzoeker meegedeeld dat hij wegens bovenvermeld besluit van de raad van bestuur en de bepalingen van artikel 6 van het Europol-statuut zijn overeenkomst voor bepaalde tijd niet kon verlengen en hem geen overeenkomst voor onbepaalde tijd kon aanbieden (hierna: „litigieuze besluit”). Teneinde de in de bepalingen van de artikelen 7.6 en 7.6.3 van het besluit van 8 december 2006 vastgestelde termijn van negen maanden te eerbiedigen, werd verzoekers laatste overeenkomst met één maand verlengd.

16      Bij brief van 20 januari 2008 heeft verzoeker een klacht ingediend tegen het litigieuze besluit.

17      Tijdens zijn bijeenkomst van 18 en 19 maart 2008 heeft de raad van bestuur van Europol besloten om de directeur van Europol toestemming te geven, voor de jaren 2008 en 2009 met acht functionarissen overeenkomsten voor onbepaalde tijd te sluiten.

18      Bij besluit van 29 april 2008 heeft de directeur van Europol de klacht tegen het litigieuze besluit afgewezen. In dit besluit gaf hij aan dat hij op de datum van het litigieuze besluit, gelet op het besluit dat de raad van bestuur tijdens zijn bijeenkomst van 11 en 12 juli 2007 had genomen, gedwongen was geweest om de sluiting van een overeenkomst voor onbepaalde tijd te weigeren. Hij wees verzoeker echter op het nieuwe standpunt dat de raad van bestuur in zijn bijeenkomst van 18 en 19 maart 2008 had ingenomen en preciseerde dat de betrokkene tijdig zou worden geïnformeerd over de eventuele gevolgen van dit standpunt voor zijn functie bij Europol.

19      Verzoeker behoorde uiteindelijk niet tot de functionarissen met wie één van de acht, door de raad van bestuur toegestane overeenkomsten voor onbepaalde tijd werd gesloten.

20      Bij besluit van 12 juni 2008 heeft de directeur van Europol dus zijn weigering herhaald om verzoekers overeenkomst te verlengen en hem een overeenkomst voor onbepaalde tijd aan te bieden. Voorts heeft hij verzoeker meegedeeld dat de afloop van zijn overeenkomst nog steeds op 31 juli 2008 was bepaald.

21      Bij brief van 10 september 2008 heeft verzoeker een klacht ingediend tegen het besluit van de directeur van Europol van 12 juni 2008.

 Conclusies van partijen

22      Verzoeker concludeert dat het het Gerecht behage:

–        het litigieuze besluit nietig te verklaren;

–        het besluit van 29 april 2008 waarbij de directeur van Europol zijn klacht tegen bovenvermeld besluit van 4 oktober 2007 heeft afgewezen (hierna: „besluit tot afwijzing van de klacht”), nietig te verklaren;

–        het besluit van 12 juni 2008 waarbij de directeur van Europol opnieuw heeft geweigerd om zijn overeenkomst te verlengen en hem een overeenkomst voor onbepaalde tijd aan te bieden (hierna: „besluit van 12 juni 2008”), nietig te verklaren;

–        Europol te verwijzen in de kosten.

23      Europol concludeert dat het het Gerecht behage:

–        het beroep te verwerpen;

–        verzoeker te verwijzen in de kosten.

 In rechte

24      Tot staving van zijn vorderingen voert verzoeker zes middelen aan:

–        het eerste, ontleend aan schending van richtlijn 1999/70/EG van de Raad van 28 juni 1999 betreffende de door het EVV, de UNICE en het CEEP gesloten raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd (PB L 175, blz. 43);

–        het tweede, ontleend aan de exceptie van onwettigheid van het besluit van de raad van bestuur van Europol om het aantal personen die voor de jaren 2008 en 2009 in aanmerking kunnen komen voor een overeenkomst voor onbepaalde tijd, te beperken tot acht;

–        het derde, ontleend aan een ontoereikende motivering van de bestreden besluiten;

–        het vierde, ontleend aan schending van het beginsel van de rechten van de verdediging;

–        het vijfde, ontleend aan schending van de procedureregels aangezien het panel niet is geraadpleegd over de kwalificatie van de functies waarvoor een overeenkomst voor onbepaalde tijd kon worden gesloten;

–        het zesde, ontleend aan een kennelijk onjuiste beoordeling, wat het belang van verzoekers functie en zijn persoonlijke situatie betreft in vergelijking met een functionaris die in aanmerking is gekomen voor een overeenkomst voor onbepaalde tijd.

 Ontvankelijkheid

 Argumenten van partijen

25      Europol stelt in de eerste plaats dat de vordering gericht tegen het besluit van 12 juni 2008 niet-ontvankelijk is, aangezien verzoeker geen klacht heeft ingediend overeenkomstig de bepalingen van artikel 92, lid 2, van het Europol-statuut alvorens beroep in te stellen bij het Gerecht. Voorts behoort het besluit van 12 juni 2008 niet tot de categorieën besluiten zoals beoordelingsrapporten of besluiten van de jury van een vergelijkend onderzoek waarvoor het niet verplicht is om eerst een klacht in te dienen.

26      In de tweede plaats voert Europol drie middelen aan inzake niet-ontvankelijkheid van de vordering gericht tegen het litigieuze besluit.

27      Om te beginnen heeft verzoeker geen belang meer om op te komen tegen het litigieuze besluit. Ook al is dit besluit niet formeel ingetrokken, het is komen te vervallen na de vaststelling van het besluit van 12 juni 2008 waarbij de directeur van Europol opnieuw heeft geweigerd om verzoeker een overeenkomst voor onbepaalde tijd aan te bieden, en wel om een andere reden dan die genoemd in het litigieuze besluit. Bovendien bestaat er in de omstandigheden van de onderhavige zaak niet het gevaar dat de onwettigheid die aan het litigieuze besluit zou kleven, zich in de toekomst opnieuw zal voordoen.

28      Voorts heeft verzoeker geen regelmatige klacht ingediend, daar zijn klacht geen middel bevatte.

29      Ten slotte bestaat er, aangenomen dat de klacht regelmatig is, geen samenhang tussen de in de klacht aangevoerde middelen en die welke in het verzoekschrift zijn aangevoerd.

30      Subsidiair, voor het geval het Gerecht van oordeel mocht zijn dat het middel ontleend aan het ontbreken van motivering van het litigieuze besluit moet worden onderzocht, omdat het om een middel van openbare orde gaat dat ambtshalve kan worden opgeworpen, stelt Europol dat verzoeker nog steeds geen belang heeft bij de nietigverklaring van het litigieuze besluit. Het is immers vaste rechtspraak dat wanneer de administratie over geen enkele beoordelingsmarge beschikt en in geval van nietigverklaring hetzelfde besluit moet nemen, een verzoeker geen belang heeft om wegens een vormfout nietigverklaring van een besluit te vragen.

31      Verzoeker stelt in de eerste plaats dat hij nog steeds een belang heeft om op te komen tegen het litigieuze besluit. Anders dan in de zaak die tot het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 18 juni 1992, Turner/Commissie (T‑49/91, Jurispr. blz. II‑1855), heeft geleid, waarnaar Europol in zijn stukken heeft verwezen, heeft de administratie dat besluit niet herroepen of ingetrokken. In de tweede plaats betoogt verzoeker dat hij bij het Gerecht eveneens rechtstreeks een beroep kan instellen tegen het besluit van 12 juni 2008, aangezien dat besluit genomen is in het kader van de contentieuze procedure die tegen het litigieuze besluit is ingeleid.

 Beoordeling door het Gerecht

32      Op grond van artikel 76 van het Reglement voor de procesvoering kan het Gerecht, wanneer een beroep geheel of ten dele kennelijk niet-ontvankelijk is, zonder de behandeling voort te zetten beslissen bij met redenen omklede beschikking.

33      In casu acht het Gerecht zich door de stukken van het dossier voldoende op de hoogte en beslist het krachtens deze bepalingen om uitspraak te doen zonder de behandeling voort te zetten.

 Vordering tot nietigverklaring van het besluit tot afwijzing van de klacht

34      Er zij aan herinnerd dat het beroep van een functionaris dat formeel gericht is tegen de stilzwijgende of uitdrukkelijke afwijzing van een voorafgaande administratieve klacht, tot gevolg heeft dat bij het Gerecht beroep wordt ingesteld tegen het bezwarend besluit waartegen die voorafgaande klacht is ingediend (arrest Hof van 17 januari 1989, Vainker/Parlement, 293/87, Jurispr. blz. 23, punt 8; arrest Gerecht van eerste aanleg van 10 december 1992, Williams/Rekenkamer, T‑33/91, Jurispr. blz. II‑2499, punt 23; arrest Gerecht van 14 november 2006, Chatziioannidou/Commissie, F‑100/05, JurAmbt. blz. I‑A‑1‑129 en II‑A‑1‑487, punt 24).

35      Derhalve moet ervan worden uitgegaan dat de vordering die formeel is gericht tegen het besluit tot afwijzing van de klacht in werkelijkheid de nietigverklaring van het litigieuze besluit beoogt.

 Vordering tot nietigverklaring van het litigieuze besluit

36      Het is vaste rechtspraak dat het procesbelang, een noodzakelijke voorwaarde voor de ontvankelijkheid van het beroep, moet bestaan in het stadium van de instelling van het beroep (arrest Hof van 7 juni 2007, Wunenburger/Commissie, C‑362/05 P, Jurispr. blz. I‑4333, punt 42; arrest Gerecht van eerste aanleg van 24 april 2001, Torre e.a./Commissie, T‑159/98, JurAmbt. blz. I‑A‑83 en II‑395, punt 28).

37      Het is eveneens vaste rechtspraak dat een na een heronderzoek genomen besluit dat in vergelijking met het eerdere besluit nieuwe elementen bevat, niet slechts een bevestiging is van een eerder besluit. Het is daarentegen een zelfstandig besluit dat in de plaats komt van het eerdere besluit (arresten Gerecht van eerste aanleg van 29 september 1999, Neumann en Neumann-Schölles/Commissie, T‑68/97, JurAmbt. blz. I‑A‑193 en II‑1005, punt 58, en 13 september 2005, Fernández Gómez/Commissie, T‑272/03, JurAmbt. blz. I‑A‑229 en II‑1049, punten 36, 42-44; zie a contrario beschikking Gerecht van 15 juli 2008, Pouzol/Rekenkamer, F‑28/08, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punten 45‑50).

38      In casu heeft de directeur van Europol bij brief van 4 oktober 2007 geweigerd om met verzoeker een overeenkomst voor onbepaalde tijd te sluiten, omdat de raad van bestuur van Europol hem niet had toegestaan dit soort overeenkomsten voor het jaar 2008 te sluiten. Vervolgens heeft de directeur van Europol, na het nieuwe besluit van de raad van bestuur van Europol, genomen tijdens de bijeenkomst daarvan van 18 en 19 maart 2008, waarbij hem werd toegestaan om voor de jaren 2008 en 2009 met acht personen overeenkomsten voor onbepaalde tijd te sluiten, bij brief van 12 juni 2008 zijn besluit herhaald om met verzoeker niet een dergelijke overeenkomst te sluiten, dit keer echter omdat de sollicitatie van andere functionarissen beter bij de belangen van Europol aansloot.

39      Het staat dus vast dat het besluit van 12 juni 2008 na heronderzoek is genomen om andere redenen en op basis van andere elementen dan die waarop Europol zich bij de vaststelling van het litigieuze besluit had gebaseerd, welke verband houden met de geldende regels en de persoonlijke situatie van verzoeker en van andere personen die in aanmerking kwamen voor een overeenkomst voor onbepaalde tijd. Het is derhalve geen bevestigend, maar een zelfstandig besluit in de zin van de in punt 37 aangehaalde rechtspraak. Dit besluit is niet alleen nieuw, maar het treedt eveneens in de plaats van het litigieuze besluit en wel wat alle gevolgen ervan betreft.

40      Daar het litigieuze besluit voor de datum van inschrijving van het verzoekschrift uit de rechtsorde is verdwenen, heeft verzoeker dus geen procesbelang meer, zodat hij niet kan opkomen tegen dat besluit (zie, mutatis mutandis, arrest Turner/Commissie, reeds aangehaald, punten 24‑26; beschikkingen Gerecht van eerste aanleg van 13 december 1996, Lebedef/Commissie, T‑128/96, JurAmbt. blz. I‑A‑629 en II‑1679, punten 19 en 21; 27 januari 2000, TAT European Airlines/Commissie, T‑49/97, Jurispr. blz. II‑51, punten 30‑36, en 5 maart 2004, Liakoura/Raad, T‑281/03, JurAmbt. blz. I‑A‑61 en II‑249, punten 36‑38).

41      Hieruit volgt dat de vordering tot nietigverklaring van het litigieuze besluit niet-ontvankelijk is en derhalve moet worden afgewezen.

 Vordering tot nietigverklaring van het besluit van 12 juni 2008

42      Het is vaste rechtspraak dat elk beroep tegen een bezwarend besluit, afgezien van beoordelingsrapporten en besluiten van een jury van een vergelijkend onderzoek, vooraf moet zijn gegaan door een klacht. Voorts is een beroep dat wordt ingesteld vóór afloop van de precontentieuze procedure voorzien in de bepalingen van artikel 92, lid 2, van het Europol-statuut, prematuur en derhalve niet-ontvankelijk (zie, voor ambtenaren die onder het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen vallen, arresten Gerecht van eerste aanleg van 20 juni 1990, Marcato/Commissie, T‑47/89 en T‑82/89, Jurispr. blz. II‑231, punt 32, en 23 maart 2000, Rudolph/Commissie, T‑197/98, JurAmbt. blz. I‑A‑55 en II‑241, punten 53‑55).

43      In casu staat vast dat verzoeker op de datum van inschrijving van het verzoekschrift geen klacht had ingediend tegen het besluit van 12 juni 2008, onder de voorwaarden voorzien in de bepalingen van artikel 92, lid 2, van het Europol-statuut. De indiening van bovenvermelde vordering kan niet worden geregulariseerd door de omstandigheid dat verzoeker bij brief van 10 september 2008 een klacht bij Europol heeft ingediend. Deze vordering is derhalve eveneens niet-ontvankelijk.

44      Uit het voorgaande volgt dat de vorderingen tot nietigverklaring van de bestreden besluiten kennelijk niet-ontvankelijk moeten worden verklaard.

 Kosten

45      Volgens artikel 87, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij, behoudens andere bepalingen van het achtste hoofdstuk van de tweede titel van dat Reglement, in de kosten verwezen, voor zover zulks is gevorderd. Op grond van artikel 87, lid 2, kan het Gerecht, wanneer de billijkheid dit vergt, beslissen dat een in het ongelijk gestelde partij slechts ten dele in de kosten wordt verwezen of zelfs niet in de kosten dient te worden verwezen.

46      Uit bovenstaande rechtsoverwegingen volgt dat verzoeker de in het ongelijk gestelde partij is. Bovendien heeft Europol in zijn conclusies uitdrukkelijk gevraagd om verzoeker te verwijzen in de kosten. Daar de omstandigheden van de zaak niet de toepassing van de bepalingen van artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering rechtvaardigen, moet verzoeker dus worden verwezen in de kosten.

HET GERECHT VOOR AMBTENARENZAKEN (Eerste kamer)

beschikt:

1)      Het beroep wordt verworpen.

2)      Kipp wordt verwezen in de kosten.

Luxemburg, 12 juni 2009.

De griffier

 

       De president van de Eerste kamer

W. Hakenberg

 

       S. Gervasoni

De teksten van deze beslissing en van de daarin aangehaalde beslissingen van de communautaire rechterlijke instanties die nog niet in de Jurisprudentie zijn gepubliceerd, zijn beschikbaar op de website van het Hof van Justitie www.curia.europa.eu


* Procestaal: Nederlands.