Beschikking van het Gerecht van 28 februari 2016 – NF / Europese Raad

(Zaak T-192/16)1

(„Beroep tot nietigverklaring – Verklaring EU Turkije van 18 maart 2016 – Persmededeling – Begrip ‚internationale overeenkomst’ – Identificatie van degene die de handeling heeft verricht – Strekking van de handeling – Zitting van de Europese Raad – Bijeenkomst van de staatshoofden en regeringsleiders van de lidstaten van de Europese Unie in het gebouw van de Raad van de Europese Unie – Hoedanigheid van vertegenwoordigers van de lidstaten van de Unie tijdens een ontmoeting met de vertegenwoordiger van een derde land – Artikel 263, eerste alinea, VWEU – Onbevoegdheid”)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: NF (vertegenwoordigers: B. Burns, solicitor, P. O’Shea en I. Whelan, barristers)

Verwerende partij: Europese Raad (vertegenwoordigers: K. Pleśniak, Á. de Elera-San Miguel Hurtado en S. Boelaert, gemachtigden)

Voorwerp

Verzoek krachtens artikel 263 VWEU tot nietigverklaring van een overeenkomst, de „Verklaring EU Turkije, 18 maart 2016”, die naar verluidt zou zijn gesloten tussen de Europese Raad en de Republiek Turkije op 18 maart 2016

Dictum

Het beroep wordt verworpen, wegens onbevoegdheid van het Gerecht om het te behandelen.

Er behoeft geen uitspraak te worden gedaan op de verzoeken tot interventie die zijn ingediend door NQ, NR, NS, NT, NU en NV, alsmede door het Koninkrijk België, de Helleense Republiek en de Europese Commissie.

NF en de Europese Raad zullen hun eigen kosten dragen.

NQ, NR, NS, NT, NU en NV, alsmede het Koninkrijk België, de Helleense Republiek en de Europese Commissie zullen hun eigen kosten dragen.

____________

1     PB C 232 van 27.6.2016.