BESCHIKKING VAN HET GERECHT (Derde kamer)

15 september 2004 (*)

„Begroting van kosten”

In zaak T‑178/98 DEP,

Fresh Marine Co. A/S, gevestigd te Trondheim (Noorwegen), vertegenwoordigd door J.‑F. Bellis en B. Servais, advocaten, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,

verzoekster,

tegen

Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door V. Kreuschitz en T. Scharf als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,

verweerster,

betreffende een verzoek om begroting van de kosten na het arrest van het Gerecht van 24 oktober 2000, Fresh Marine/Commissie (T‑178/98, Jurispr. blz. II‑3331),

geeft

HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Derde kamer),

samengesteld als volgt: J. Azizi, kamerpresident, M. Jaeger en O. Czúcz, rechters,

griffier: H. Jung,

de navolgende

Beschikking

 Feiten en procesverloop

1       Bij arrest van 24 oktober 2000, Fresh Marine/Commissie (T‑178/98, Jurispr. blz. II‑3331; hierna: „in de hoofdzaak bestreden arrest”) heeft het Gerecht de Commissie veroordeeld tot betaling aan verzoekster van een bedrag van 431 000 Noorse kronen (NOK) tot vergoeding van de schade die zij heeft geleden als gevolg van door de Commissie begane onregelmatigheden bij de instelling van voorlopige antidumpingrechten op de invoer van gekweekte Atlantische zalm in de Gemeenschap. Het Gerecht heeft de Commissie ook verwezen in haar eigen kosten alsmede in drie vierde van de aan verzoekster opgekomen kosten.

2       Bij brief van 29 november 2000 heeft verzoekster verweerster meegedeeld dat het totaalbedrag van haar in de hoofdzaak invorderbare kosten 2 200 000 Belgische francs (BEF) bedroeg. Verzoekster heeft verweerster verzocht 1 650 000 BEF, zijnde drie vierde van deze kosten, op haar bankrekening over te schrijven.

3       Op 13 december 2000 heeft verweerster verzoekster om de afrekening van haar invorderbare kosten gevraagd. Op 20 december 2000 heeft verzoekster verweerster een opgave van de door haar advocaten gefactureerde arbeidsuren meegedeeld en verzocht om betaling van haar kosten overeenkomstig het arrest in de hoofdzaak.

4       Op 29 december 2000 heeft verweerster hogere voorziening tegen het arrest in de hoofdzaak ingesteld. Op 11 januari 2001 heeft de Commissie een voorstel ten bedrage van 18 592,01 EUR voor de kosten in de hoofdzaak gedaan. Verzoekster stelt evenwel dit voorstel eerst na hernieuwde verzending door de Commissie op 9 september 2003 te hebben ontvangen. Bij arrest van 10 juli 2003, Commissie/Fresh Marine (C‑472/00 P, Jurispr. blz. I‑7541) heeft het Hof verweersters hogere voorziening afgewezen en enerzijds de Commissie verwezen in de kosten van de hogere voorziening in de hoofdzaak en anderzijds Fresh Marine verwezen in de kosten van de incidentele hogere voorziening. Op 28 juli 2003 heeft verzoekster verweerster verzocht om betaling van haar kosten in de hoofdzaak ten bedrage van 40 902,43 EUR (ongeveer 1 650 000 BEF), vermeerderd met 7 444,24 EUR rente, berekend op basis van het wettelijk percentage van 7 % per jaar vanaf de uitspraak van het arrest in de hoofdzaak, dat wil zeggen over een periode van twee jaar, zeven maanden en negen dagen.

5       Bij brief van 1 september 2003 heeft verweerster geweigerd de door verzoekster gevraagde kosten en rente volledig te betalen, die zij ongerechtvaardigd achtte, en verwezen naar het voorstel in haar brief van 11 januari 2001 tot betaling van een bedrag van 18 592,01 EUR. Bij brief van 10 september 2003 heeft verzoekster haar verzoek om rentebetaling ingetrokken, maar haar verzoek tot betaling van 40 902,43 EUR gehandhaafd.

6       Bij op 15 september 2003 ter griffie van het Gerecht neergelegde akte heeft verzoekster verzocht om begroting van de kosten krachtens artikel 92, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht.

7       Bij op 5 november 2003 ter griffie van het Gerecht neergelegde akte heeft de Commissie haar opmerkingen over dit verzoek ingediend.

 Conclusies van partijen

8       Verzoekster concludeert dat het het Gerecht behage, het bedrag van de door de Commissie verschuldigde kosten vast te stellen op 41 791,96 EUR.

9       De Commissie concludeert dat het het Gerecht behage, het bedrag van de invorderbare kosten vast te stellen op 18 592,01 EUR.

 In rechte

 Argumenten van partijen

10     Onder verwijzing naar haar faxbericht van 20 december 2000 detailleert verzoekster het bedrag van haar invorderbare kosten als volgt:

–       voor het verzoekschrift: 61 uur en 45 minuten in totaal, waarvan 18 uur en 30 minuten voor J.‑F. Bellis tegen een uurtarief van 15 000 BEF, 6 uur voor B. Servais tegen een uurtarief van 12 000 BEF, en 37 uur en 15 minuten voor R. Granberg tegen een uurtarief van 8 000 BEF;

–       voor de repliek: 76 uur in totaal, waarvan 14 uur en 30 minuten voor Bellis tegen een uurtarief van 15 000 BEF, 15 uur voor Servais tegen een uurtarief van 12 000 BEF, en 46 uur en 30 minuten voor Granberg tegen een uurtarief van 8 000 BEF;

–       voor de terechtzitting en de voorbereiding ervan: 73 uur en 15 minuten in totaal, waarvan 17 uur en 45 minuten voor Bellis tegen een uurtarief van 15 000 BEF, 24 uur en 15 minuten voor Servais tegen een uurtarief van 12 000 BEF, en 31 uur en 15 minuten voor T. Louko tegen een uurtarief van 8 000 BEF.

11     Volgens verzoekster vereiste de hoofdzaak dus 211 arbeidsuren en bedragen de invorderbare kosten in totaal 2 224 250 BEF. Dit bedrag is afgerond naar 2 200 000 BEF, waarvan drie vierde, namelijk 1 650 000 BEF of 40 902,43 EUR, overeenkomstig het arrest in de hoofdzaak van de Commissie zijn gevorderd.

12     In de onderhavige procedure verzoekt verzoekster bovendien om vergoeding van bijkomende kosten ad 889,53 EUR voor reiskosten tussen Brussel en Luxemburg en voor verblijfskosten te Luxemburg vóór de terechtzitting van 10 mei 2000.

13     Na de op de invorderbare kosten toepasselijke beginselen te hebben uiteengezet (beschikking Gerecht van 30 oktober 1998, Kaysersberg/Commissie, T‑290/94 DEP, Jurispr. blz. II‑4105, punt 17) en erop te hebben gewezen dat zij de brief van de Commissie van 11 januari 2001 toentertijd niet had ontvangen, voert verzoekster verschillende argumenten ter ondersteuning van haar verzoek aan.

14     Zij herinnert om te beginnen aan het doel en de aard van de hoofdzaak en wijst op het belang ervan vanuit het oogpunt van het gemeenschapsrecht. Dit was de eerste zaak over antidumpingmaatregelen waarin de Commissie niet-contractueel aansprakelijk werd gehouden en de mate van zorgvuldigheid en goed bestuur werd bepaald, die de Commissie bij de vaststelling van antidumpingmaatregelen in acht moet nemen. Het belang van de zaak blijkt uit haar precedentwerking, de commentaren erop van vooraanstaande rechtsgeleerden en haar invloed op de toekomstige praktijk van de instellingen.

15     Voorts betrof de hoofdzaak ingewikkelde rechtsbeginselen en kwamen er moeilijke en nieuwe punten aan de orde die een aanzienlijke hoeveelheid werk vereisten.

16     In het bijzonder wijst verzoekster op het ontbreken van precedenten in de rechtspraak met betrekking tot vergelijkbare feiten, de geleidelijke wijzigingen in de rechtspraak over de mate van zorgvuldigheid en goed bestuur die de Commissie bij de vaststelling van wetgevende handelingen aan de dag moet leggen, en ten slotte de lengte van haar betoog over de ontvankelijkheid van het beroep tot schadevergoeding en over de schadetaxatie.

17     Bovendien rechtvaardigde de ingewikkeldheid van de hoofdzaak volgens verzoekster de inschakeling van verschillende advocaten. Blijkens de rechtspraak moet bij de vaststelling van de invorderbare kosten vooral rekening worden gehouden met het totale aantal arbeidsuren dat objectief gezien nodig lijkt voor de procedure voor het Gerecht, ongeacht het aantal advocaten die de betrokken diensten hebben verricht (beschikking Kaysersberg/Commissie, reeds aangehaald, punt 20). Voorts was de aan de voorbereiding van de terechtzitting bestede tijd volgens verzoekster gerechtvaardigd om de in de memories van de Commissie opgeworpen problemen op te lossen en te kunnen antwoorden op de mogelijke vragen van het Gerecht

18     Ten slotte, aldus verzoekster, was het voor haar van vitaal belang het beroep in de hoofdzaak in te stellen. Zij wijst in het bijzonder op haar significante financiële verlies als gevolg van de door de Commissie opgelegde voorlopige rechten, haar terugtrekking uit de gemeenschapsmarkt zolang deze rechten gehandhaafd bleven, en de bedreiging van haar zakelijke relaties met klanten in de Gemeenschap.

19     Verweerster wijst om te beginnen erop dat zij in de brief van 11 januari 2001 het totaalbedrag van de door verzoekster gevorderde kosten had betwist en een vergoeding van 18 592,01 EUR had voorgesteld, en dat verzoekster haar twee latere voorstellen tot vergoeding van een hoger bedrag, namelijk dat van 1 september 2003 ten belope van tweemaal het bedrag van 18 592,01 EUR voor de kosten voor de hoofdzaak voor het Gerecht respectievelijk de hogere voorziening voor het Hof, en dat van 24 september 2003 ad 50 000 EUR voor de kosten voor de procedure voor het Gerecht en de procedure voor het Hof, op onredelijke wijze heeft afgewezen.

20     Verweerster ontkent niet het belang van de hoofdzaak vanuit het oogpunt van het gemeenschapsrecht; het was immers de eerste zaak over antidumpingrechten waarin de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Commissie aanleiding heeft gegeven tot een schadevergoeding. Zij betwist evenwel dat de door verzoekster gevorderde kosten noodzakelijke en dus invorderbare kosten zijn.

21     Volgens verweerster toont verzoekster niet aan, bijzondere moeilijkheden in de hoofdzaak te hebben gehad. In die zaak heeft het Gerecht haars inziens alleen de vaste rechtspraak inzake niet-contractuele aansprakelijkheid, ook wat betreft de van de Commissie geëiste mate van zorgvuldigheid en goed bestuur, op de feiten toegepast. Bovendien moet de ontvankelijkheid van elke schadevordering en de taxatie van de geleden schade steeds in detail worden beargumenteerd. Ten slotte, aldus verweerster, bewijst de beknoptheid van de over en weer gewisselde memories dat de hoofdzaak niet bijzonder ingewikkeld was.

22     Voorts heeft verzoekster volgens verweerster niet aangetoond waarom in de hoofdzaak 209 arbeidsuren van gespecialiseerde advocaten noodzakelijk waren. Haars inziens vergde deze zaak niet meer onderzoekwerk dan andere antidumpingzaken; evenmin was de inschakeling van drie advocaten tijdens de gehele schriftelijke procedure of de inschakeling van een vierde advocaat of een vervanger van de derde advocaat voor de voorbereiding van de terechtzitting noodzakelijk geweest. Volgens verweerster kon die voorbereiding geen 72 arbeidsuren van drie advocaten, van wie twee ervaren en in antidumpingrecht gespecialiseerde advocaten (namelijk Bellis en Servais) vereisen in verband met het oplossen van de door verweerster in haar memories opgeworpen vragen en voorbereiden van de antwoorden op eventuele vragen van het Gerecht. Deze werkzaamheden behoren volgens verweerster tot de normale en noodzakelijke voorbereiding van elke terechtzitting. Bovendien, aldus verweerster, zijn de door verzoeksters advocaten toegepaste uurtarieven weliswaar niet onredelijk, maar niettemin hoog, hetgeen de ervaring van deze advocaten bewijst. Advocaten met zoveel ervaring hadden, anders dan verzoekster stelt, deze zaak vlot moeten kunnen afhandelen.

23     Volgens verweerster toont verzoekster evenmin aan in hoeverre het beroep in de hoofdzaak voor haar van beslissend financieel of zelfs vitaal belang was. Haar werkelijk financieel belang becijfert of bewijst zij niet.

24     Bovendien, aldus verweerster, is het thans voor het eerst ingediende verzoek om vergoeding van bijkomende kosten ten bedrage van 889,53 EUR niet-ontvankelijk en ongegrond. Dit bedrag kon niet worden „betwist”. Onder verwijzing naar artikel 92, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht en de rechtspraak inzake artikel 74 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, waarvan de formulering overeenkomt met die van artikel 92, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht (beschikking Hof van 26 mei 1967, Simet e.a./Hoge autoriteit EGKS, 25/65, Jurispr. blz. 145), stelt verweerster dat alleen een „betwist” verzoek om vergoeding van kosten het voorwerp van een procedure voor het Gerecht kan zijn. Haars inziens is dit verzoek dus niet-ontvankelijk. Bovendien is dit bijkomend verzoek volgens verweerster hoe dan ook ongegrond daar nadere gegevens over deze kosten en afrekeningen van de werkelijke kostenbedragen ontbreken. Voorzover deze bedragen betrekking hebben op de kosten van meer dan een advocaat, heeft verzoekster niet verklaard waarom ter terechtzitting verschillende advocaten aanwezig moesten zijn.

25     Ten slotte voert verweerster bij wijze van voorbeeld aan dat het Gerecht in het arrest van 29 januari 1998, Sinochem/Raad (T‑97/95, Jurispr. blz. II‑85), dat van bijzonder belang en ingewikkeld was, het bedrag van 23 637,02 EUR (ongeveer 953 515 BEF) een redelijke taxering van de door de Raad invorderbare kosten achtte (beschikking Gerecht van 22 maart 2000, Sinochem/Raad, T‑97/95 DEP II, Jurispr. blz.  II-1715, punten 33 en 35). Derhalve is het haars inziens in casu redelijk het bedrag van de invorderbare kosten op 18 592,01 EUR vast te stellen.

 Beoordeling door het Gerecht

26     Volgens artikel 91, sub b, van het Reglement voor de procesvoering worden als invorderbare kosten aangemerkt „de door partijen in verband met de procedure gemaakte noodzakelijke kosten, in het bijzonder de reis‑ en verblijfkosten en het honorarium van de gemachtigde, raadsman of advocaat”. Uit deze bepaling volgt dat de invorderbare kosten zijn beperkt tot enerzijds de kosten die in verband met de procedure voor het Gerecht zijn gemaakt, en anderzijds de daartoe noodzakelijke kosten (beschikkingen Gerecht van 24 januari 2002, Groupe Origny/Commissie, T‑38/95 DEP, Jurispr. blz. II‑217, punt 28, en 6 maart 2003, Nan Ya Plastics/Raad, T‑226/00 DEP en T‑227/00 DEP, Jurispr. blz. II‑685, punt 33).

27     Het is vaste rechtspraak dat het Gerecht, aangezien een tariefregeling in het gemeenschapsrecht ontbreekt, de gegevens van de zaak vrijelijk beoordeelt, daarbij rekening houdend met het onderwerp en de aard van het geschil, het belang ervan vanuit het oogpunt van het gemeenschapsrecht, de moeilijkheid van de zaak, de hoeveelheid werk die de gemachtigden of de raadslieden aan de contentieuze procedure kunnen hebben gehad, en het economisch belang van het geschil voor de partijen (beschikkingen Gerecht van 8 maart 1995, Air France/Commissie, T‑2/93 DEP, Jurispr. blz. II‑533, punt 16, en 19 september 2001, UK Coal/Commissie, T‑64/99 DEP, Jurispr. blz. II‑2547, punt 27). De mogelijkheid voor de gemeenschapsrechter om de waarde van het verrichte werk te beoordelen, is afhankelijk van de nauwkeurigheid van de door de partijen dienaangaande verstrekte informatie (beschikkingen Gerecht van 8 november 1996, Stahlwerke Peine-Salzgitter/Commissie, T‑120/89 DEP, Jurispr. blz. II‑1547, punt 31, en 15 maart 2000, Enso-Gutzeit/Commissie, T‑337/94 DEP, Jurispr. blz. II‑479, punt 16).

28     Eveneens volgens vaste rechtspraak is het niet aan de gemeenschapsrechter om de door de partijen aan hun eigen advocaten verschuldigde honoraria vast te stellen, maar dient hij te bepalen, tot welk bedrag die vergoedingen kunnen worden teruggevorderd van de partij die in de kosten is verwezen. Bijgevolg behoeft het Gerecht bij de beslissing op een verzoek tot begroting van kosten geen rekening te houden met een nationaal tarief van advocatenhonoraria of met een eventuele overeenkomst dienaangaande tussen de belanghebbende partij en haar gemachtigden of raadslieden (beschikkingen Stahlwerke Peine-Salzgitter/Commissie, punt 27 supra, en UK Coal/Commissie, beide reeds aangehaald, punt 27 respectievelijk punt 26)

29     Op basis van deze criteria dient het bedrag van de in casu invorderbare kosten te worden beoordeeld.

30     Wat in de eerste plaats het bedrag van de invorderbare advocatenhonoraria betreft, dient om te beginnen te worden opgemerkt dat de hoofdzaak van bijzonder belang was uit het oogpunt van het gemeenschapsrecht.

31     In het arrest in de hoofdzaak is uitgemaakt dat de handelingen van de gemeenschapsinstellingen die verband houden met een procedure voor de eventuele vaststelling van antidumpingmaatregelen, weliswaar in beginsel moeten worden beschouwd als normatieve handelingen die economische beleidskeuzen impliceren, zodat de Gemeenschap voor dergelijke handelingen slechts aansprakelijk kan worden gesteld in geval van een voldoende gekwalificeerde schending van een ter bescherming van particulieren gegeven hogere rechtsregel, maar dat wanneer de betrokken maatregelen slechts van administratieve aard zijn, geen economische beleidskeuze inhouden en slechts een zeer beperkte, of zelfs in het geheel geen beoordelingsmarge verlenen, uit de vaststelling van een onregelmatigheid die een met de normale voorzichtigheid en zorgvuldigheid handelende administratie in vergelijkbare omstandigheden niet zou hebben begaan, kan worden geconcludeerd dat de gedraging van de instelling een onwettigheid vormt die de aansprakelijkheid van de Gemeenschap uit hoofde van artikel 288 EG meebrengt.

32     Bovendien is de Commissie in dat arrest voor het eerst veroordeeld tot betaling van een vergoeding aan een onderneming die was geschaad doordat de Commissie tegen haar onrechtmatig antidumpingmaatregelen had vastgesteld en gehandhaafd.

33     Met betrekking tot de moeilijkheden van de hoofdzaak dient te worden aanvaard dat het ontbreken van precedenten in de rechtspraak met betrekking tot vergelijkbare feiten voor verzoekster grotere onzekerheid over de uitkomst van het beroep meebracht en dus tot een diepgaander onderzoek en een grondigere analyse dan gewoonlijk kan leiden. Ook de gelijktijdige analyse van de ingewikkelde aspecten van een zaak betreffende antidumpingmaatregelen met die van een beroep inzake niet-contractuele aansprakelijkheid is een kenmerk van de moeilijkheden van de hoofdzaak.

34     Naast deze aspecten stelde de hoofdzaak echter ook een aantal vragen aan de orde die zich in elke zaak inzake antidumping of niet-contractuele aansprakelijkheid voordoen.

35     Wat vervolgens de hoeveelheid werk betreft die verzoeksters advocaten aan de hoofdzaak kunnen hebben gehad, dient erop te worden gewezen dat weliswaar in beginsel alleen de vergoeding van een enkele advocaat invorderbaar is, maar dat afhankelijk van de bijzonderheden van de zaak, vooral de complexiteit ervan, ook de vergoeding van verschillende advocaten tot de noodzakelijke kosten kan worden gerekend (beschikking Hof van 6 januari 2004, Mulder e.a./Raad en Commissie, C‑104/89 DEP, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 62). Niettemin moet voornamelijk rekening worden gehouden met het totale aantal arbeidsuren dat objectief gezien nodig lijkt voor de contentieuze procedure, ongeacht het aantal advocaten die de betrokken diensten onderling hebben verdeeld (beschikking Kaysersberg/Commissie, reeds aangehaald, punt 20).

36     In casu lijken de door verzoeksters advocaten aan de hoofdzaak bestede 211 arbeidsuren niet objectief noodzakelijk. In het bijzonder lijkt de door twee ervaren en gespecialiseerde advocaten en een minder ervaren advocaat aan de opstelling van de memories bestede tijd overdreven. Voorts zijn de 73 uur overdreven, die twee ervaren en gespecialiseerde advocaten en een derde minder ervaren advocaat die zich nog niet met de zaak had beziggehouden, aan de terechtzitting en de voorbereiding ervan hebben besteed in verband met de oplossing van de in verweersters memories opgeworpen problemen en de voorbereiding op eventuele vragen van het Gerecht.

37     Ook dient het economisch belang van het geschil voor de partijen te worden beoordeeld. Blijkens het arrest in de hoofdzaak heeft verzoekster, die hoofdzakelijk op de gemeenschapsmarkt actief was, zich als gevolg van de voorlopige antidumpingmaatregelen van de Commissie tijdelijk uit deze markt moeten terugtrekken en was haar handelsactiviteit gedurende deze periode uiterst gering. De door verzoekster geleden financiële schade is in het arrest in de hoofdzaak begroot op 431 000 NOK. Het financiële belang van de hoofdzaak voor verzoekster kan dus niet worden betwist.

38     Gelet op alle omstandigheden van de onderhavige zaak blijkt het door verzoeksters advocaten aan de hoofdzaak bestede aantal arbeidsuren te hoog. Derhalve dient het totaalbedrag van de kosten voor advocatenhonoraria in de onderhavige zaak op 30 000 EUR te worden vastgesteld.

39     Wat in de tweede plaats de reis‑ en verblijfkosten betreft, dient eraan te worden herinnerd dat het Gerecht krachtens artikel 92, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering in geval van geschil beslist over de invorderbare kosten.

40     Het verzoek om vergoeding van kosten is door de Commissie op 11 januari 2001 en 1 september 2003 betwist. Dit verzoek betrof aanvankelijk weliswaar alleen de advocatenhonoraria en is pas bij het onderhavige verzoek tot begroting van de kosten uitgebreid met de reiskosten, maar niettemin bestond tussen partijen reeds geschil over de invorderbare kosten ten tijde van de indiening van het onderhavige verzoek. Op dat tijdstip werd het verzoek tot vergoeding van de honoraria van verzoeksters advocaten namelijk door de Commissie betwist. Derhalve beroept de Commissie zich ten onrechte op de beschikking Simet e.a./Hoge autoriteit EGKS, reeds aangehaald. In die zaak was er geen geschil tussen partijen over het bedrag van de invorderbare kosten of over de afrekening ervan, terwijl in casu het verzoek tot vergoeding van de invorderbare kosten door de Commissie is betwist. Het verzoek tot vergoeding van de reis‑ en verblijfkosten van verzoekster is dus ontvankelijk.

41     Evenals de andere kosten moeten de reis‑ en verblijfkosten in verband met de procedure in de hoofdzaak voor het Gerecht als invorderbare kosten worden beschouwd voorzover zij noodzakelijk waren. Bij gebreke van nadere gegevens over de bestemming en de verdeling van deze reis‑ en verblijfkosten van 889,53 EUR dienen de invorderbare kosten voor reis‑ en verblijfuitgaven ex aequo et bono op 150 EUR te worden vastgesteld.

42     Gelet op al het voorgaande is het billijk om het bedrag van de door verzoekster in de hoofdzaak invorderbare kosten vast te stellen op in totaal 30 150 EUR. Aangezien de Commissie in het arrest in de hoofdzaak is verwezen in drie vierde van de aan verzoekster opgekomen kosten, moet de Commissie een bedrag van 22 612,5 EUR betalen.

43     Daar dit bedrag rekening houdt met alle omstandigheden van de zaak tot vandaag, behoeft niet afzonderlijk te worden beslist over de kosten die partijen voor de onderhavige procedure tot begroting van de kosten hebben gemaakt (zie in die zin beschikking Gerecht van 10 januari 2002, Starway/Raad, T‑80/97 DEP, Jurispr. blz. II‑1, punt 39).

HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Derde kamer)

beschikt:

Het totaalbedrag van de door de Commissie aan verzoekster te vergoeden kosten wordt vastgesteld op 22 612,5 EUR.

Luxemburg, 15 september 2004.

De griffier

 

      De president van de Derde kamer

H. Jung

 

      J. Azizi


* Procestaal: Engels.