ARREST VAN HET GERECHT VOOR AMBTENARENZAKEN
VAN DE EUROPESE UNIE

(Derde kamer)

11 juli 2013

Zaak F‑9/12

CC

tegen

Europees Parlement

„Openbare dienst – Beroep tot schadevergoeding – Niet-contractuele aansprakelijkheid – Algemeen vergelijkend onderzoek – Fouten bij het beheer van de lijst van geschikte kandidaten – Maatregelen ter uitvoering van een arrest – Verplichting tot bewaring van documenten – Verlies van een kans”

Betreft:      Beroep, ingesteld krachtens artikel 270 VWEU, van toepassing op het EGA-Verdrag op grond van artikel 106 bis ervan, waarmee CC in wezen vraagt om vergoeding van de schade die beweerdelijk is geleden als gevolg van verschillende fouten die het Europees Parlement heeft gemaakt bij het beheer van de lijst van geschikte kandidaten die na afloop van vergelijkend onderzoek EUR/A/151/98 was opgesteld en waarop zij was geplaatst na het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen van 5 maart 2003, [CC]/Parlement (T‑24/01).

Beslissing:      Het Europees Parlement wordt veroordeeld tot betaling van een bedrag van 15 000 EUR aan CC. Het beroep wordt verworpen voor het overige. Het Europees Parlement wordt verwezen in zijn eigen kosten en in die van CC.

Samenvatting

1.      Beroepen van ambtenaren – Beroep tot schadevergoeding – Inachtneming van redelijke termijn – Beoordelingscriteria

(Ambtenarenstatuut, art. 90 en 91)

2.      Ambtenaren – Niet-contractuele aansprakelijkheid van instellingen – Voorwaarden – Schade – Illegale vernietiging door instelling van documenten betreffende stappen die zijn ondernomen jegens geslaagde kandidaat die op lijst van geschikte kandidaten van vergelijkend onderzoek is geplaatst – Vernietiging die geslaagde kandidaat niet alle kans op schadevergoeding ontneemt – Afwezigheid van schade

(Art. 340 VWEU)

3.      Beroepen van ambtenaren – Termijnen – Aan instelling gerichte vordering tot schadevergoeding – Inachtneming van redelijke termijn – Beoordelingscriteria

(Statuut van het Hof van Justitie, art. 46; Ambtenarenstatuut, art. 90, lid 1)

4.      Ambtenaren – Aanwerving – Vergelijkend onderzoek – Verplichting van organiserende instelling om andere instellingen te informeren over uitslag – Geen – Uitzondering – In dit verband gedane toezeggingen die gewettigd vertrouwen wekken – Schending – Dienstfout

5.      Ambtenaren – Niet-contractuele aansprakelijkheid van instellingen – Voorwaarden – Onrechtmatigheid – Schade – Causaal verband – Begrip – Verlies van kans ten gevolge van onrechtmatige afwijzing van sollicitatie – Criteria ter bepaling van schade

(Art. 340 VWEU)

6.      Ambtenaren – Niet-contractuele aansprakelijkheid van instellingen – Voorwaarden – Materiële schade van voor vergelijkend onderzoek geslaagde kandidaat die niet dezelfde aanstellingsmogelijkheden heeft gehad als andere geslaagde kandidaten – Voor vergoeding in aanmerking komende schade

(Art. 340 VWEU)

7.      Ambtenaren – Niet-contractuele aansprakelijkheid van instellingen – Immateriële schade – Causaal verband – Bewijslast – Geen

(Art. 340 VWEU)

1.      De vraag of een verzoeker een vordering tot schadevergoeding binnen een redelijke termijn heeft ingesteld, mag niet in het algemeen worden beoordeeld, maar moet worden bekeken in het licht van elk van de gestelde fouten en het tijdstip waarop de door elk van die fouten veroorzaakte schade is ontstaan.

(cf. punt 54)

2.      De vernietiging door een instelling van de Unie van documenten betreffende de stappen die door deze instelling zijn ondernomen om de andere instellingen en organen van de Unie te informeren over het feit dat een verzoeker op de lijst van geschikte kandidaten van een vergelijkend onderzoek is geplaatst, welke vernietiging illegaal is omdat die documenten minder lang zijn bewaard dan de termijn waarbinnen een vordering tot schadevergoeding kan worden ingesteld, ontneemt de verzoeker niet alle kans op schadevergoeding. Indien de instelling de andere instellingen en organen van de Unie diende te informeren over de plaatsing van de verzoeker op die lijst, is het aan haar om aan te tonen dat zij aan deze verplichting heeft voldaan. De omstandigheid dat de instelling zich vrijwillig heeft begeven in een situatie waarin zij onmogelijk kan bewijzen dat haar stellingen waar zijn, kan dus slechts tot nadeel strekken van deze instelling. Hieruit volgt dat de vernietiging op zich geen schade kan doen ontstaan voor de verzoeker.

(cf. punt 71)

3.      Wanneer een vordering enkel strekt tot schadevergoeding in die zin dat niet de nietigverklaring van een bepaalde handeling wordt gevorderd, maar uitsluitend vergoeding van schade die beweerdelijk is veroorzaakt door een reeks handelingen of omissies die, bij gebreke van rechtsgevolgen, niet als bezwarende handelingen kunnen worden aangemerkt, moet de administratieve procedure op straffe van niet-ontvankelijkheid worden ingeleid met een verzoek waarmee de betrokkene van het tot aanstelling bevoegde gezag vergoeding van de beweerde schade vordert, waarna in voorkomend geval een klacht tegen de afwijzing van het verzoek moet worden ingediend. Gelet op het feit dat in artikel 90, lid 1, van het Statuut op dit punt niets wordt gezegd, moet de termijn voor de indiening van een dergelijke vordering tot schadevergoeding redelijk zijn, hetgeen dient te worden beoordeeld met inachtneming van de specifieke omstandigheden van het geval, in het bijzonder het belang ervan voor de betrokkene, de ingewikkeldheid van de zaak en het gedrag van de betrokken partijen. Bij die beoordeling kan de verjaringstermijn van vijf jaar die in artikel 46 van het Statuut van het Hof van Justitie voor niet-contractuele aansprakelijkheidsvorderingen is vastgesteld, echter dienen als vergelijkingspunt. De verjaringstermijn begint te lopen op het moment dat de door de benadeelde geleden schade daadwerkelijk is ingetreden.

(cf. punten 80, 81 en 95)

Referentie:

Hof: 17 juli 2008, Commissie/Cantina sociale di Dolianova e.a., C‑51/05 P, punt 63

Gerecht voor ambtenarenzaken: 2 mei 2007, Giraudy/Commissie, F‑23/05, punt 69; 11 mei 2010, Nanopoulos/Commissie, F‑30/08, punten 116 en 117; 8 februari 2011, Skareby/Commissie, F‑95/09, punt 52

4.      Uit de omstandigheid dat andere instellingen en organen van de Unie dan die welke een vergelijkend onderzoek hebben georganiseerd, kunnen overgaan tot aanstelling van geslaagde kandidaten die op de na afloop van dat vergelijkend onderzoek opgestelde lijst van geschikte kandidaten zijn geplaatst, kan geen verplichting worden afgeleid van de instelling die of het orgaan dat verantwoordelijk is voor de organisatie van een vergelijkend onderzoek om alle instellingen en organen van de Unie te informeren over de uitslag daarvan.

Dit ligt anders wanneer de organiserende instelling een geslaagde kandidaat meermaals te kennen heeft gegeven dat zij de andere instellingen en organen van de Unie had geïnformeerd over zijn plaatsing op de lijst van geschikte kandidaten van het vergelijkend onderzoek, en dat zij hun zijn curriculum vitae had toegezonden. Wanneer een instelling aan een persoon nauwkeurige, onvoorwaardelijke en onderling overeenstemmende toezeggingen doet afkomstig van bevoegde en betrouwbare bronnen, mag deze persoon krachtens het vertrouwensbeginsel verwachten dat de instelling zich houdt aan de gedane toezeggingen. Anders maakt de betrokken instelling een fout waarvoor de Unie aansprakelijk kan worden gesteld.

In die omstandigheden vormt het feit dat de andere instellingen en organen van de Unie niet zijn geïnformeerd, een fout waarvoor de Unie aansprakelijk kan worden gesteld. Dat de geslaagde kandidaat zelf de moeite heeft genomen om een aantal instellingen en organen van de Unie te informeren, doet niet af aan deze conclusie. Die omstandigheid kan immers slechts de door de geslaagde kandidaat geleden schade hebben beperkt, maar heeft niet tot gevolg dat het gedrag van de organiserende instelling niet meer onrechtmatig is.

(cf. punten 99, 100, 104 en 105)

5.      Wat de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie betreft, dient sprake te zijn van zekere en vaststaande schade. Hieruit volgt dat, wanneer de gestelde schade het verlies van een kans betreft, de verloren kans reëel moet zijn geweest en het verlies definitief moet zijn.

Er moet een rechtstreeks, reëel causaal verband bestaan tussen de door de betrokken instelling gemaakte fout en de gestelde schade. Deze voorwaarde sluit echter niet uit dat, wanneer de gestelde schade het gevolg is van het verdwijnen van een gunstige mogelijkheid, de betrokkene wordt vergoed voor het verlies, niet van het recht dat hij heeft op het plaatsvinden van deze mogelijkheid, maar van de kans dat zij zich voordoet.

Slechts indien is voldaan aan die voorwaarden, namelijk wanneer de verloren kans reëel was en het verlies definitief is, heeft de betrokkene recht op een vergoeding voor het verlies van een kans, dus, als sprake is van het verlies van een kans om te worden aangeworven door een instelling van de Unie, op betaling van de bezoldiging die hij zou hebben ontvangen indien hij als ambtenaar op proef was aangesteld, na toepassing van een coëfficiënt die weerspiegelt hoe waarschijnlijk het is dat die kans zich voordoet wanneer geen sprake is van de begane onrechtmatigheid.

Dat de verloren kans gering is, staat er niet aan in de weg dat er een causaal verband is tussen de gemaakte fout en de geleden schade. De omstandigheid dat het gaat om een geringe verloren kans, staat immers los van het bestaan van een causaal verband en impliceert alleen dat de geleden schade gering is. Bovendien zou de eis dat alleen een serieuze verloren kans in aanmerking komt voor vergoeding, ertoe leiden dat uitsluitend schade van een bepaalde omvang wordt vergoed, terwijl de Unie ambtenaren en andere personeelsleden volledig moet vergoeden voor de schade die zij hun heeft veroorzaakt.

De gemaakte fout moet wel de beslissende oorzaak van de niet-verwezenlijking van de gestelde kans zijn geweest. De Unie kan immers enkel aansprakelijk zijn voor schade als de schade een voldoende rechtstreeks gevolg is van de onrechtmatige gedraging van een instelling, hetgeen impliceert dat de onrechtmatigheid de beslissende oorzaak van het verlies van een kans was.

(cf. punten 115, 116, 118 en 119)

Referentie:

Hof: 21 juni 1984, Lux/Rekenkamer, 69/83, punt 13; 9 september 1999, Lucaccioni/Commissie, C‑257/98 P, punten 22 en 28

Gerecht van eerste aanleg: 5 oktober 2004, Sanders e.a./Commissie, T‑45/01, punt 150; 5 oktober 2004, Eagle e.a./Commissie, T‑144/02, punt 165; 6 juni 2006, Girardot/Commissie, T‑10/02, punt 96

Gerecht voor ambtenarenzaken: 25 november 2008, Hristova/Commissie, F‑50/07, punt 41; 12 mei 2011, Missir Mamachi di Lusignano/Commissie, F‑50/09, punt 179 en aldaar aangehaalde rechtspraak

6.      Dat een voor een vergelijkend onderzoek geslaagde kandidaat niet is aangesteld als ambtenaar, staat er niet aan in de weg dat hij vergoeding vordert van de schade die hij stelt te hebben geleden door de onrechtmatigheid van het besluit van de jury van het vergelijkend onderzoek om hem niet van meet af aan op de lijst van geschikte kandidaten van het vergelijkend onderzoek te plaatsen, welke onrechtmatigheid betrekking heeft op het verlies van de kans om te worden aangesteld als ambtenaar op proef.

De omstandigheid dat een laat op een lijst van geschikte kandidaten geplaatste persoon die uiteindelijk in dienst wordt genomen vergoeding kan krijgen voor het verlies van de kans om eerder te zijn aangesteld als ambtenaar op proef, houdt immers niet in dat een persoon die niet als ambtenaar is aangesteld, niet kan worden vergoed voor het feit dat hij niet dezelfde aanstellingsmogelijkheden heeft gehad als kandidaten die van meet af aan op een lijst van geschikte kandidaten zijn geplaatst, met name wanneer duidelijk blijkt dat die aanstellingsmogelijkheden groter waren dan die welke die persoon uiteindelijk heeft genoten.

(cf. punt 126)

Referentie:

Gerecht voor ambtenarenzaken: 13 september 2011, AA/Commissie, F‑101/09, punten 81 e.v.

7.      Met betrekking tot de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie hoeft een verzoeker niet het bestaan van immateriële schade of een causaal verband aan te tonen, aangezien die schade of dat verband kan worden afgeleid uit de omstandigheden en uit de aard van de geconstateerde fout. Derhalve staat vast dat bij het gevoel van onrechtvaardigheid en de smart die ontstaan doordat een persoon een precontentieuze en daarna een gerechtelijke procedure moet doorlopen om erkenning te krijgen van zijn rechten, sprake is van schade die reeds kan worden afgeleid uit het feit dat de administratie onrechtmatig heeft gehandeld.

(cf. punt 128)

Referentie:

Hof: 7 februari 1990, Culin/Commissie, C‑343/87, punten 27 en 28