Over het Hof van Justitie
Het Hof van Justitie is de hoogste rechterlijke instantie van de Europese Unie. Zijn taak is om ervoor te zorgen dat het recht van de Unie in de hele EU op dezelfde wijze wordt gevolgd en toegepast.
Het is één van de twee rechterlijke instanties die samen de instelling vormen die het Hof van Justitie van de Europese Unie wordt genoemd.
Het telt 27 rechters en 11 advocaten-generaal.
Bij het Hof van Justitie worden allerlei verschillende soorten zaken behandeld. Het grootste deel daarvan betreft vragen over het Unierecht die worden gesteld door nationale rechters en zaken die door de Commissie tegen lidstaten van de Unie worden aangespannen wegens schending van het Unierecht. Ook behandelt het beroepen (hogere voorzieningen) tegen beslissingen van het Gerecht.
Wie werken er bij het Hof?
De rechters
Het Hof telt 27 rechters, één uit elke lidstaat van de Unie.
Elke lidstaat benoemt zijn eigen rechter. Er zijn geen vaste regels voor de manier waarop een rechter moet worden gekozen en elke lidstaat kan zijn eigen procedure volgen. De gekozen persoon moet echter wel onafhankelijk zijn en ofwel gekwalificeerd zijn om het hoogste rechterlijke ambt te bekleden in de lidstaat die hem benoemt, ofwel een erkend deskundige zijn op het gebied van het Unierecht. Een speciaal comité screent de kandidaten om er zeker van te zijn dat zij geschikt zijn om het ambt van rechter of advocaat-generaal uit te oefenen. Dit comité staat bekend als het artikel 255-comité, genoemd naar artikel 255 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), op grond waarvan het is opgericht. De rechters worden vervolgens officieel benoemd door alle lidstaten samen.
De rechters worden benoemd voor een (verlengbare) periode van zes jaar.
De langstzittende rechter bij het Hof is de huidige president, Koen Lenaerts, die voor het eerst werd benoemd in 2003.
De rechters kiezen een president en een vicepresident voor een periode van drie jaar.
De huidige president, Koen Lenaerts, werd in 2015 voor het eerst verkozen.

Hoeveel rechters behandelen een zaak?
Niet elke zaak wordt door alle rechters samen behandeld. Elke zaak wordt toegewezen aan een kamer. Het aantal rechters geeft aan hoe belangrijk of ingewikkeld de zaak is.
Het Hof beschikt over kamers van
- 15 rechters, bekend als de Grote kamer
- 5 rechters
- 3 rechters
Het Hof kan ook zitting houden met alle 27 rechters samen (de “voltallige zitting”). Dit gebeurt alleen bij zaken van uitzonderlijk belang.
De Grote kamer wordt voorgezeten door de president van het Hof. Ook de vicepresident houdt zitting in de Grote kamer, samen met drie presidenten van de kamers van 5 rechters. De overige tien rechters worden gekozen volgens een vast roulatiesysteem om te zorgen voor een evenwichtige verdeling van de zaken.
De Grote kamer wordt ingezet in zaken die bijzonder complex zijn of belangrijk zijn voor de ontwikkeling van het Unierecht, of wanneer een lidstaat of een instelling van de Unie daar om verzoekt.
De overige zaken worden behandeld door kamers van 3 of van 5 rechters. De presidenten van de kamers van 5 rechters worden voor drie jaar gekozen; die van de kamers van 3 rechters voor één jaar.
Van alle zaken wordt ongeveer 45 % behandeld door kamers van 3 rechters, ongeveer 40 % door een kamer van 5 rechters, en ongeveer 10 % door de Grote kamer.
De advocaten-generaal
Het Hof wordt bijgestaan door 11 advocaten-generaal. Deze worden op dezelfde manier benoemd als de rechters.
Omdat er minder advocaten-generaal dan lidstaten zijn, kan niet elk land tegelijkertijd een advocaat-generaal benoemen. De 5 grootste lidstaten (Spanje, Duitsland, Frankrijk, Italië en Polen) hebben een permanent recht om een advocaat-generaal te benoemen. De resterende zes posten rouleren tussen de overige 22 lidstaten. Elke lidstaat benoemt een advocaat-generaal voor één periode van zes jaar. Het recht om een advocaat-generaal te benoemen gaat vervolgens over naar de volgende lidstaat op de lijst. Welke dat is, wordt bepaald door de alfabetische volgorde van de naam van de lidstaat in zijn eigen taal.
De advocaten-generaal hebben een heel bijzondere rol. In tegenstelling tot de rechters doen zij geen uitspraak over de zaak.
Voorafgaand aan de uitspraak brengt de advocaat-generaal een onafhankelijk advies („conclusie”) uit aan de rechters. Daarin wordt de zaak onderzocht en wordt er voorgesteld hoe de problemen die in de zaak naar voren komen kunnen worden opgelost.
Niet elke zaak wordt door een advocaat-generaal behandeld. Die worden er alleen bij betrokken als er in een zaak nieuwe rechtsvragen (vragen die betrekking hebben op de interpretatie of de toepassing van het Unierecht) aan de orde komen en een conclusie nuttig zou zijn.
De rechters zijn vrij om over de zaak te beslissen zoals zij dat willen: zij hoeven de conclusie van de advocaat-generaal niet te volgen.
In ieder geval helpt de conclusie van de advocaat-generaal in het besluitvormingsproces van het Hof, dat daarmee beschikt over een extra, onafhankelijk standpunt.
De griffier
De griffier heeft een dubbele rol. Hij is verantwoordelijk voor het goede verloop van de procedure, maar fungeert ook als secretaris-generaal van de instelling.
Als secretaris-generaal is de griffier, onder het gezag van de president, verantwoordelijk voor verschillende gebieden.
Zo is de griffier ook verantwoordelijk voor het voorbereiden van en het onderhandelen over de jaarlijkse begroting van het HvJ-EU, en moet hij ervoor zorgen dat de middelen correct worden besteed.
Hij vertegenwoordigt ook het Hof in de samenwerking met verschillende andere instellingen en organen van de Unie en onderhoudt contacten met een breed scala van externe belanghebbenden.
De griffier wordt door de rechters en de advocaten-generaal gekozen voor een (verlengbare) periode van zes jaar.
De langstzittende griffier van het Hof was Albert van Houtte, de allereerste griffier, die bijna 29 jaar in functie was, van maart 1953 tot februari 1982. In de begindagen, toen de instelling nog relatief klein was, bood de griffier vooral juridische ondersteuning. Naarmate de instelling groeide, veranderde ook de rol van de griffier, die geleidelijk meer verantwoordelijkheden als secretaris-generaal kreeg.
De huidige griffier van het Hof is Alfredo Calot Escobar, die deze functie sinds 2010 bekleedt.
Het personeel
Het Hof heeft momenteel iets meer dan 2300 personeelsleden in dienst.
De meeste van deze personeelsleden zijn EU-ambtenaren, die via een strenge selectieprocedure zijn gekozen. Het Hof heeft personeelsleden uit elke lidstaat van de Unie.
Ongeveer de helft van alle personeelsleden van het Hof werkt voor het directoraat-generaal Meertaligheid, dat ervoor zorgt dat het werk van het Hof in alle 24 officiële talen van de Unie beschikbaar is.
Meer informatie over het werk van de personeelsleden van het Hof is te vinden op onze pagina’s over de verschillende diensten van het Hof.
Bezoek onze vacaturepagina voor meer informatie over solliciteren bij het Hof.
Wat voor soort zaken behandelt het Hof?
De missie van het Hof is om ervoor te zorgen dat het Unierecht in de hele Europese Unie op dezelfde wijze wordt uitgelegd en toegepast. Dit doet het Hof door zaken te behandelen waarin partijen van mening verschillen over wat dat recht inhoudt of hoe het moet worden toegepast. De meeste zaken worden door nationale rechterlijke instanties verwezen naar het Hof van Justitie. Deze zaken worden „prejudiciële verwijzingen” genoemd, waarin het Hof gevraagd wordt om een soort tussenvonnis te geven over het Unierecht voordat die nationale rechterlijke instantie definitief uitspraak kan doen in de nationale zaak die zij zelf behandelt. Andere zaken worden echter rechtstreeks door een partij zelf aan het Hof voorgelegd. Dit noemen we „rechtstreekse beroepen".
Prejudiciële verwijzingen
Het Unierecht maakt deel uit van het nationale recht van elke lidstaat van de Unie. Dit betekent dat het recht van de Unie rechtstreeks kan worden ingeroepen bij de nationale rechterlijke instanties binnen de Unie. Nationale rechters kunnen het Unierecht dus rechtstreeks toepassen. Dit wordt de „rechtstreekse werking” van het Unierecht genoemd.
Als het niet duidelijk is hoe het Unierecht in een zaak precies moet worden uitgelegd, kunnen de nationale rechters vragen stellen aan het Hof van Justitie. Zo kunnen ze achterhalen wat een bepaling van het Unierecht betekent en zelfs of deze wel geldig is. Hierdoor kunnen ze het recht van de Unie toepassen en beslissen of de nationale wetgeving en praktijken daarmee in overeenstemming zijn.
Elke onafhankelijke rechterlijke instantie in de Europese Unie kan deze vragen stellen wanneer dat nodig is.
Nationale rechterlijke instanties waarvan de beslissingen niet vatbaar zijn voor hoger beroep moeten deze vragen zelfs stellen als het antwoord niet duidelijk is en dat antwoord wel nodig is om over de zaak te beslissen.
Vervolgens onderzoekt het Hof van Justitie deze vragen.
Het Hof luistert naar de standpunten van:
- de partijen in de nationale zaak
- elke lidstaat van de Unie die bij de zaak betrokken wil worden (vaak ook het land waar de zaak vandaan komt)
- de Commissie en andere instellingen van de Unie die een standpunt willen innemen
Het Hof doet vervolgens uitspraak. De uitspraak geeft antwoord op de vragen die de nationale rechter heeft gesteld. Hierdoor kan deze een eindbeslissing in de zaak nemen.
De uitspraak van het Hof over het Unierecht is definitief en bindend. De nationale rechter moet het antwoord van het Hof van Justitie volgen. Ook alle andere nationale rechterlijke instanties in de hele Unie moeten deze uitspraak volgen als zij soortgelijke zaken behandelen.
Op deze manier werken het Hof van Justitie en de nationale rechters samen om ervoor te zorgen dat er in de Unie slechts één uitlegging van het Unierecht wordt toegepast.
Er zijn tal van fundamentele beginselen van het Unierecht uit dit soort zaken voortgekomen. De meeste zaken die door het Hof worden behandeld (meer dan 60 %) zijn prejudiciële verwijzingen.
De meeste van deze zaken worden behandeld door het Hof van Justitie. Zaken over btw, de regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten, douane, accijnzen of de tariefindeling van goederen en de compensatie voor vliegtuigpassagiers worden echter door het Gerecht behandeld.
Rechtstreekse beroepen
Rechtstreekse beroepen zijn zaken die rechtstreeks aan het Hof van Justitie worden voorgelegd. Alleen instellingen en lidstaten van de Unie kunnen deze zaken rechtstreeks bij het Hof aanhangig maken.
In bepaalde omstandigheden kunnen ook burgers of bedrijven zaken voorleggen aan het Gerecht. Kijk voor meer informatie hierover op onze pagina over het Gerecht.
Er bestaan verschillende soorten rechtstreekse beroepen. De meest voorkomende zijn beroepen wegens niet-nakoming en beroepen tot nietigverklaring.
Beroepen wegens niet-nakoming
Deze zaken, ook wel inbreukprocedures genoemd, worden tegen een lidstaat van de Unie aangespannen wegens niet-naleving van het Unierecht.
De meeste van deze zaken worden door de Commissie ingesteld.
Ook een lidstaat kan een procedure starten tegen een andere lidstaat, al komt dit maar zelden voor.
De Commissie controleert regelmatig of de lidstaten het Unierecht naleven. Dat doet ze niet alleen op eigen initiatief, maar ook wanneer ze klachten van burgers ontvangt.
Als de Commissie vindt dat een lidstaat het Unierecht niet naleeft, start ze een formele procedure tegen die lidstaat. Deze procedure bestaat uit drie fasen. In de eerste twee fasen wordt de lidstaat gewaarschuwd over het mogelijke probleem en krijgt hij de kans om dit te verhelpen. Als de lidstaat dit niet doet, of als de Commissie het oneens is met zijn reactie, legt ze de zaak aan het Hof voor.
Vervolgens beslist het Hof of de lidstaat het Unierecht heeft geschonden.
De laatste jaren maken deze zaken minder dan 5 % uit van alle zaken die bij het Hof aanhangig worden gemaakt.
In sommige gevallen kan er, wanneer een lidstaat geen nationale wetgeving heeft vastgesteld om bepaalde wetgeving van de Unie (de zogeheten „richtlijnen”) om te zetten in nationaal recht, onmiddellijk een boete worden opgelegd.
In andere gevallen moet de lidstaat waarvan het Hof oordeelt dat hij het Unierecht heeft geschonden, actie ondernemen om de uitspraak van het Hof na te leven.
Als een lidstaat het arrest van het Hof naast zich neerlegt, kan de Commissie een tweede zaak aanhangig maken. Als het Hof een lidstaat voor de tweede keer in het ongelijk stelt, kan het boeten opleggen. Daarbij kan het zowel gaan om een vast bedrag voor gedragingen uit het verleden als om een boete die steeds hoger wordt tot de lidstaat zich aan de uitspraak houdt.
Beroepen tot nietigverklaring
Deze zaken worden aangespannen om nietigverklaring te vorderen van een wetgevingshandeling of besluit van Unierecht. De zaak wordt aangespannen tegen de instelling, het agentschap of een ander orgaan van de Unie die of dat het besluit heeft genomen of de wetgevingshandeling heeft vastgesteld.
Beroepen van lidstaten tegen wetgevingshandelingen die door het Europees Parlement en/of de Raad zijn vastgesteld, worden behandeld door het Hof van Justitie. Een uitzondering op deze regel is de situatie waarin een lidstaat opkomt tegen een besluit van de Raad inzake staatssteun, antidumping en uitvoeringsbevoegdheden. Deze zaken moeten aan het Gerecht worden voorgelegd.
Het Hof van Justitie behandelt ook zaken die door een instelling worden aangespannen tegen een andere instelling.
Alle andere zaken, met name zaken die door burgers, bedrijven of andere organisaties aanhangig zijn gemaakt, worden door het Gerecht behandeld. Meer informatie hierover is te vinden op onze pagina over het Gerecht.
Beroepen wegens nalaten
Deze zaken zijn vergelijkbaar met beroepen tot nietigverklaring. Ze worden echter niet aangespannen wanneer een instelling een besluit heeft genomen, maar wanneer een instelling, agentschap of orgaan juist heeft nagelaten om een besluit te nemen. Zulke zaken kunnen alleen aanhangig worden gemaakt indien de instelling vooraf tot handelen was uitgenodigd en verplicht was om te handelen.
Beroepen wegens nalaten komen maar zelden voor.
Het Hof van Justitie is bevoegd voor deze zaken wanneer die door de lidstaten of de instellingen van de Unie aanhangig worden gemaakt. (Het Gerecht heeft die bevoegdheid als ze door particulieren worden ingesteld.)
Hogere voorziening
Zoals in alle rechtsstelsels bestaat er ook bij het Hof een mechanisme om tegen bepaalde beslissingen van het Gerecht (hoger) beroep in te stellen bij het Hof van Justitie. Dat heet dan een „hogere voorziening”.
Er kunnen alleen hogere voorzieningen worden ingesteld met betrekking tot rechtsvragen en niet met betrekking tot de manier waarop het Gerecht de feiten van de zaak heeft vastgesteld en beoordeeld.
In sommige soorten zaken is het Gerecht zelf rechter in tweede aanleg. Verschillende agentschappen en organen van de Unie die besluiten nemen, bijvoorbeeld het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie of het Europees Agentschap voor chemische stoffen, hebben een onafhankelijke kamer van beroep. Deze kamer heeft het oorspronkelijke besluit al onderzocht voordat de zaak aan het Gerecht wordt voorgelegd. Tegen deze uitspraken van het Gerecht kan dan ook alleen een hogere voorziening worden ingesteld als het Hof van Justitie hiervoor toestemming geeft via een speciale procedure. Die hogere voorziening wordt toegelaten wanneer daarin een vraag wordt opgeworpen die van belang is voor de eenheid, de samenhang of de ontwikkeling van het Unierecht.
Alle hogere voorzieningen moeten worden ingesteld binnen twee maanden na de beslissing van het Gerecht.
Als het Hof van Justitie de hogere voorziening gegrond verklaart, kan het de zaak zelf afwikkelen of de zaak terugverwijzen voor een nieuwe beoordeling door het Gerecht. De hogere voorziening wordt in ongeveer 25 % van de zaken toegewezen.
Ongeveer een kwart van alle zaken bij het Hof van Justitie betreft hogere voorzieningen.
Hoe verloopt de procedure?
De procedure bij het Hof wordt geregeld in het Statuut van het Hof van Justitie en het Reglement voor de procesvoering.
De procedure bij het Hof bestaat in wezen uit twee delen: de schriftelijke en de mondelinge behandeling.
Partijen leggen hun argumenten schriftelijk aan het Hof voor. De lidstaten en instellingen van de Unie kunnen ook schriftelijke opmerkingen bij het Hof indienen. Dit is de schriftelijke behandeling.
In veel zaken wordt er ook een terechtzitting gehouden. Terechtzittingen zijn openbaar, en de belangrijkste worden op onze website gestreamd. Meer informatie over het volgen van terechtzittingen is te vinden op onze pagina’s over streaming en het bijwonen van een terechtzitting. Enkele maanden na de terechtzitting neemt de advocaat-generaal een conclusie, als daar om is verzocht. Dit is de mondelinge behandeling.
Zodra de mondelinge behandeling is afgerond, beginnen de rechters met de beraadslaging en nemen ze een beslissing.
Het arrest wordt vervolgens tijdens een openbare terechtzitting uitgesproken.
Gemiddeld nemen zaken in totaal tussen de 16 en 18 maanden in beslag.
Kijk voor meer informatie op onze pagina over de procedure bij het Hof van Justitie.
