Gerechtelijke statistieken van het Hof van Justitie - 2022

Kort overzicht van de belangrijkste statistische trends van het afgelopen jaar

Door Marc-André Gaudissart, adjunct-griffier van het Hof van Justitie

Deze bijdrage, die vroeger was opgenomen in het corpus van het Jaarverslag van het Hof van Justitie van de Europese Unie І Gerechtelijke werkzaamheden, wil zoals elk jaar een kort overzicht geven van de belangrijkste trends die uit de gerechtelijke statistieken van het afgelopen jaar naar voren komen. Zij gaat in op het voorwerp, de herkomst en de aard van de zaken die in 2022 bij het Hof van Justitie aanhangig zijn gemaakt, en verschaft een aantal elementen die nodig zijn voor een goed begrip van de gegevens over zaken die door het Hof van Justitie zijn afgedaan.

Het afgelopen jaar eindigde in dit laatste opzicht vrij positief, aangezien het aantal afgedane zaken hoger lag dan het aantal aanhangig gemaakte zaken, dat ten opzichte van het voorgaande jaar licht was gedaald. 2022 werd echter ook gekenmerkt door een stijging van de gemiddelde behandelingsduur van prejudiciële zaken, waarin steeds complexere en soms zeer gevoelige kwesties aan de orde komen. Het is in deze context dat het Hof van Justitie op 30 november 2022 een regelgevingsverzoek heeft ingediend om de materiële werkingssfeer van het mechanisme voor de voorafgaande toelating van beroepen uit te breiden en een gedeeltelijke overdracht van de prejudiciële bevoegdheid van het Hof aan het Gerecht te bewerkstelligen, waardoor het Gerecht in staat zou zijn uitspraak te doen over door de nationale rechterlijke instanties krachtens artikel 267 VWEU voorgelegde vragen in specifieke, in het Statuut vastgelegde aangelegenheden.

Aanhangig gemaakte zaken

Zoals reeds vermeld, is het aantal zaken dat in 2022 bij het Hof aanhangig is gemaakt (806 zaken) licht gedaald ten opzichte van het voorgaande jaar, toen 838 nieuwe zaken door de griffie werden geregistreerd. Deze daling betreft zowel de verzoeken om een prejudiciële beslissing als de hogere voorzieningen tegen beslissingen van het Gerecht, maar is beperkt in omvang en heeft met name geen fundamentele gevolgen voor de verdeling van de geschillen volgens de aard van de zaken, aangezien de prejudiciële verwijzingen en de hogere voorzieningen op zich nog steeds meer dan 90 % van alle bij het Hof aanhangig gemaakte zaken uitmaken (met respectievelijk 546 nieuwe verzoeken om een prejudiciële beslissing en 209 hogere voorzieningen in alle categorieën samen bedroeg dat percentage in 2022 zelfs 93 %).

In het licht van deze cijfers lijkt het aandeel van de rechtstreekse beroepen in de zaken die in 2022 aanhangig zijn gemaakt (4,60 %) relatief gering, ook al is het aantal dergelijke beroepen (37) vorig jaar licht gestegen ten opzichte van het voorgaande jaar, toen een historisch dieptepunt werd bereikt (met slechts 29 nieuwe zaken). Onder de in 2022 ingestelde beroepen wegens niet-nakoming is met name het eerste beroep vermeldenswaard dat tegen een derde staat – het Verenigd Koninkrijk – is ingesteld op grond van artikel 87, lid 1, van het Akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie[1].[2]

De zaken die in 2022 bij het Hof aanhangig zijn gemaakt, bestreken opnieuw een zeer breed scala aan rechtsgebieden, ongeacht of het om prejudiciële verwijzingen, rechtstreekse beroepen of hogere voorzieningen ging. Met iets minder dan honderd zaken (95) bleef de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht een prominente plaats innemen in de activiteit van het Hof, samen met geschillen op het gebied van belastingen, consumentenbescherming en bescherming van persoonsgegevens. In meerdere verzoeken om een prejudiciële beslissing op laatstgenoemd gebied, werd het Hof verzocht de contouren van zijn rechtspraak over de uitlegging van de algemene verordening gegevensbescherming[3] verder te verduidelijken. Het aantal zaken op het gebied van intellectuele eigendom, dat voorheen vrij hoog was, is daarentegen het afgelopen jaar nogal sterk gedaald, van 83 nieuwe zaken in 2021 naar slechts 49 zaken in 2022, terwijl op andere, meer traditionele gebieden het aantal nieuwe zaken juist is toegenomen. Dit geldt met name voor zaken die verband houden met de vier fundamentele vrijheden, maar ook voor zaken op het gebied van landbouw, mededinging en overheidsopdrachten, alsmede op het gebied van de openbare dienst.

Wat de geografische herkomst van de in het afgelopen jaar aan het Hof voorgelegde verzoeken om een prejudiciële beslissing betreft, is er sprake van een relatieve stabiliteit ten opzichte van het voorgaande jaar. Net als in 2021 stonden Duitsland, Italië en Bulgarije nog steeds bovenaan in de „geografische” rangschikking van de verwijzingen (met respectievelijk 98, 63 en 43 verzoeken om een prejudiciële beslissing die in 2022 bij het Hof zijn ingediend), maar laatstgenoemde staat werd op de voet gevolgd door Spanje en Polen, waarvan de rechterlijke instanties zich in dat jaar 41 en 39 keer tot het Hof hebben gewend. Het aantal door de Oostenrijkse rechterlijke instanties ingediende verzoeken om een prejudiciële beslissing is met 34 zaken vrij dicht bij het niveau van het voorgaande jaar gebleven (37 verzoeken in 2021), terwijl de Nederlandse, de Roemeense en de Belgische rechterlijke instanties met respectievelijk 28, 29 en 30 verzoeken regelmatige correspondenten van het Hof blijven. Overigens is het aantal verwijzingen door de Portugese rechters aanzienlijk toegenomen, aangezien deze laatsten in 2022 het Hof 28 keer vragen hebben gesteld (tegenover 20 verwijzingen in 2021).

Wat ten slotte spoedeisende zaken betreft, is het aantal verzoeken om toepassing van de versnelde procedure of de spoedprocedure aanzienlijk gedaald. Terwijl dit aantal in 2021 een hoogtepunt had bereikt (met maar liefst 90 verzoeken), is dit het afgelopen jaar gedaald naar 54 verzoeken. In 2022 heeft geen enkel verzoek om toepassing van de versnelde procedure geleid tot de daadwerkelijke inleiding van deze procedure, terwijl de prejudiciële spoedprocedure zeven keer is ingeleid in zaken die betrekking hadden op de uitlegging van de regelgeving inzake het verlenen of het intrekken van internationale bescherming, en in zaken betreffende de regelgeving inzake justitiële samenwerking in burgerlijke en strafzaken, waarin het met name gaat over het recht op vertolking en vertaling in strafprocedures of de toepassing van het „ne bis in idem”-beginsel van artikel 54 van de Schengenuitvoeringsovereenkomst.

Afgedane zaken

Terwijl het aantal ingeleide zaken in 2022 licht daalde, vertoonde het aantal zaken dat in het afgelopen jaar door het Hof werd afgedaan een tegenovergestelde tendens: het steeg namelijk van 772 zaken in 2021 tot 808 zaken in 2022. Dit is zeker een uitstekend resultaat, want met uitzondering van 2019 – waarin het Hof niet minder dan 865 zaken heeft afgedaan – was de grens van 800 in één jaar afgedane zaken nog nooit overschreden.

De prejudiciële verwijzingen en de hogere voorzieningen vormen het leeuwendeel van de bij het Hof aanhangig gemaakte zaken. Het is dan ook niet verwonderlijk dat zij het grootste aandeel hebben in de afgedane zaken, waarbij het Hof in 2022 uitspraak heeft gedaan over niet minder dan 564 verzoeken om een prejudiciële beslissing en 196 hogere voorzieningen. In het afgelopen jaar diende het Hof niettemin ook uitspraak te doen over meerdere belangrijke beroepen wegens niet-nakoming of beroepen tot nietigverklaring, waaronder met name de beroepen van respectievelijk Hongarije en de Republiek Polen tegen verordening (EU, Euratom) 2020/2092 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2020 betreffende een algemeen conditionaliteitsregime ter bescherming van de Uniebegroting[4]. In plenaire zitting heeft het Hof de middelen verworpen die door deze twee lidstaten tegen die verordening werden aangevoerd, en aldus het in deze verordening vastgestelde verband tussen de eerbiediging van de rechtsstaat en de efficiënte uitvoering van de begroting van de Unie in overeenstemming met de beginselen van goed financieel beheer bekrachtigd.[5]

Van een andere aard is de beslissing die het Hof heeft gegeven op het verzoek van het Koninkrijk België om advies betreffende de verenigbaarheid van het ontwerp voor het gemoderniseerd Verdrag inzake het Energiehandvest met de Verdragen, met name artikel 19 VEU en artikel 344 VWEU. In zijn advies van 16 juni 2022 heeft het Hof (Vierde kamer) dit verzoek niet-ontvankelijk verklaard omdat het voorbarig was, aangezien het Hof niet beschikte over voldoende informatie met betrekking tot de inhoud van het voorgenomen verdrag – en met name over de werkingssfeer van artikel 26 ervan betreffende de regeling van geschillen tussen een investeerder en een verdragsluitende partij – om zich uit te spreken over de verenigbaarheid ervan met de Verdragen.[6]

Het totale aantal arresten, adviezen en beschikkingen van het Hof lag in het afgelopen jaar (732) iets hoger dan in het voorgaande jaar (708), en daarbij zal vooral het toegenomen aandeel van beschikkingen van gerechtelijke aard, met name in hogere voorzieningen, de aandacht van de lezer trekken. Terwijl dit aandeel 37 % van de afgesloten hogere voorzieningen bedroeg in 2020 en 47 % in 2021, is het in 2022 gestegen tot bijna 57 %, wat veel meer is dan het percentage hogere voorzieningen dat bij arrest is afgedaan. Verschillende factoren verklaren deze stijging. Ze houdt om te beginnen verband met het hoge werkritme van de Kamer voor toelating van hogere voorzieningen, die opnieuw uitspraak heeft gedaan over een groot aantal hogere voorzieningen tegen uitspraken van het Gerecht in verband met beslissingen van de kamers van beroep van het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie[7], en voorts met het toenemende gebruik dat wordt gemaakt van de mogelijkheden die worden geboden door de artikelen 181 en 182 van het Reglement voor de procesvoering. Terwijl artikel 182 in 2019 slechts eenmaal is toegepast, werden in 2022 op basis van die bepaling niet minder dan zes zaken afgedaan[8].

Het feit dat op prejudiciële zaken of op hogere voorzieningen in toenemende mate bij wege van beschikking werd beslist, verklaart deels een ander opvallend kenmerk van het afgelopen jaar, namelijk het grote aantal zaken dat door de kamers van drie rechters is afgedaan. In 2022 waren deze zaken goed voor meer dan 50 % van alle door het Hof afgedane zaken (tegenover 36 % voor de zaken die door de kamers van vijf rechters werden afgedaan). Ter vergelijking: deze cijfers bedroegen in het voorgaande jaar 45 % van het totaal voor de kamers van drie rechters en 40 % voor de kamers van vijf rechters.

Een soortgelijke tendens kan worden vastgesteld voor de zaken die door de vicepresident van het Hof werden afgedaan. Aangezien in 2022 een groot aantal hogere voorzieningen is ingesteld tegen beslissingen van het Gerecht tot afwijzing van verzoeken tot interventie of tegen beslissingen van het Gerecht op grond van artikel 278 of 279 VWEU, heeft de vicepresident, die belast is met de behandeling van deze hogere voorzieningen, in 2022 een groot aantal beslissingen moeten nemen. Zo heeft hij tweemaal zoveel beschikkingen als in het voorgaande jaar gegeven.

Het aantal zaken dat door de Grote kamer is afgedaan, is het afgelopen jaar daarentegen zeer stabiel gebleven. Met de 77 zaken die deze rechtsprekende formatie in 2022 heeft afgesloten, is het Hof binnen het gemiddelde van de vier voorgaande jaren gebleven, waarbij het aantal zaken dat door de Grote kamer bij arrest of bij beschikking is afgedaan, schommelde tussen 70 en 83 zaken.

De kortere gemiddelde behandelingsduur van de zaken is een ander logisch gevolg van het toegenomen gebruik van beschikkingen, omdat het Hof hierdoor in de voorgelegde zaken uitspraak kan doen zonder mondelinge of zelfs schriftelijke behandeling. In 2022 bedroeg de gemiddelde duur van de zaken, alle soorten zaken samen bezien, 16,4 maanden, wat een lichte daling is ten opzichte van het voorgaande jaar (16,6 maanden in 2021).

Een uitvoeriger analyse van de statistische gegevens laat echter een meer gemengd beeld zien, want de gemiddelde duur van de behandeling van de hogere voorzieningen mag dan sterk zijn gedaald (van 15,1 maanden in 2021 naar 11,9 maanden in 2022), bij de rechtstreekse beroepen en vooral bij de prejudiciële verwijzingen is hij blijven stijgen. De gemiddelde duur van de behandeling van verzoeken om een prejudiciële beslissing bedroeg in 2016 namelijk 15 maanden en in 2019 15,5 maanden, en is geleidelijk verder opgelopen tot 15,9 maanden in 2020, 16,7 maanden in 2021 en 17,3 maanden in 2022. Deze stijging is te wijten aan de toenemende complexiteit van de zaken die voor het Hof worden gebracht, waardoor de vragen van de verwijzende rechter een steeds grondiger onderzoek vereisen, en is ook een reden tot bezorgdheid voor het Hof, omdat de duur van de behandeling van de zaken bij het Hof bovenop de duur van de nationale procedure komt. Elke verlenging van de behandelingsduur van de zaken bij het Hof heeft dus onmiddellijk gevolgen voor de totale duur van de procedure bij de verwijzende rechter, en voor de mogelijkheid van deze laatste om de bij hem aanhangige zaak te beslechten. Dit is een van de factoren die ten grondslag liggen aan het wetgevingsverzoek dat hierna wordt toegelicht.

Aanhangige zaken

Op 31 december 2022 waren er 1 111 zaken aanhangig bij het Hof van Justitie, dat wil zeggen, op twee na hetzelfde aantal als op 31 december van het voorgaande jaar (1 113 zaken). Het merendeel van deze zaken bestond uit verzoeken om een prejudiciële beslissing (774 zaken) en hogere voorzieningen (259 zaken).

Om deze zaken op bevredigende wijze en binnen redelijke termijnen te kunnen blijven behandelen, heeft het Hof van Justitie zich op 30 november 2022 tot de wetgever van de Unie gericht met een verzoek tot wijziging van Protocol nr. 3 betreffende het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie. Dit verzoek heeft een tweeledig doel.

Om te beginnen is het verzoek erop gericht de werkingssfeer van het in artikel 58 bis van het Statuut neergelegde mechanisme voor voorafgaande toelating van hogere voorzieningen uit te breiden tot hogere voorzieningen tegen beslissingen van het Gerecht inzake beslissingen van de onafhankelijke kamers van beroep van zes organen of instanties van de Unie die al bestonden toen het bovengenoemde mechanisme op 1 mei 2019 in werking trad, maar nog niet in artikel 58 bis van het Statuut worden genoemd[9], alsmede tot hogere voorzieningen tegen beslissingen van het Gerecht op grond van artikel 272 VWEU.

Voorts wordt met het verzoek beoogd gebruik te maken van de mogelijkheid die artikel 256, lid 3, VWEU biedt om de prejudiciële bevoegdheid van het Hof van Justitie gedeeltelijk aan het Gerecht over te dragen in zes nader genoemde specifieke aangelegenheden: het gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde, accijns, het douanewetboek en de tariefindeling van goederen in de gecombineerde nomenclatuur, de compensatie voor en bijstand aan reizigers, en de regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten.

Deze overdracht van bevoegdheid laat uiteraard de mogelijkheid voor het Gerecht onverlet om de zaak naar het Hof te verwijzen indien het van oordeel is dat daarin een principiële beslissing moet worden genomen die van invloed kan zijn op de eenheid of de samenhang van het recht van de Unie, zoals overigens uitdrukkelijk is bepaald in artikel 256, lid 3, tweede alinea, VWEU. Toch zou de maatregel moeten leiden tot een aanzienlijke vermindering van de werklast van het Hof (en het Hof in staat moeten stellen zich op zijn andere zaken te concentreren), aangezien de zaken die in de bovengenoemde aangelegenheden bij het Hof aanhangig worden gemaakt momenteel ongeveer 20 % van alle prejudiciële zaken uitmaken.


[1]      PB L 29 van 31 januari 2020, blz. 7.

[2]      Zaak C-516/22, Commissie/Verenigd Koninkrijk, waarin de Commissie het Verenigd Koninkrijk in wezen verwijt dat het zijn verplichtingen krachtens de Verdragen en het terugtrekkingsakkoord niet is nagekomen doordat in een arrest van Hooggerechtshof van die staat de tenuitvoerlegging werd gelast van een arbitraal vonnis dat door de Commissie en vervolgens door het Hof van Justitie in strijd met het Unierecht is bevonden. Volgens de verzoekende partij had de hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken van het Verenigd Koninkrijk de tenuitvoerlegging van dit vonnis moeten opschorten in afwachting van de uitkomst van de procedures die bij de rechterlijke instanties van de Unie aanhangig waren, dan wel het Hof van Justitie op grond van artikel 267 VWEU, gelezen in samenhang met artikel 127, lid 1, van het terugtrekkingsakkoord, een vraag over de geldigheid ervan moeten voorleggen.

[3]      Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG (PB L 119 van 4 mei 2016, blz. 1).

[4]      PB L 433 van 22 december 2020, blz. 1, met rectificatie in PB L 373 van 21 oktober 2021, blz. 94.

[5]      Arresten van 16 februari 2022 in de zaken Hongarije//Parlement en Raad (C-156/21, EU:C:2022:97) en Polen/Parlement en Raad
(C-157/21, EU:C:2022:98).

[6]      Advies 1/20 (Gemoderniseerd Verdrag inzake het Energiehandvest) van 16 juni 2022  (EU:C:2022:485).

[7]      In 2022 heeft de Kamer voor toelating van hogere voorzieningen 41 beschikkingen gegeven. In twee zaken (C-801/21 P, EUIPO/Indo European Foods, en C-337/22 P, EUIPO/Nowhere), is het beroep toegelaten en wordt de procedure dus voortgezet, overeenkomstig de relevante bepalingen van titel V van het Reglement voor de procesvoering van het Hof.

[8]      Het betreft respectievelijk de zaken C-663/20 P, GAR/Hypo Vorarlberg Bank, en C-664/20 P, GAR/Portigon en Commissie, afgedaan bij beschikkingen van 3 maart 2022 (EU:C:2022:162 en EU:C:2022:161), de gevoegde zaken C-313/21 P en C-314/21 P, Raad/FI en Commissie/FI, afgedaan bij beschikking van 22 december 2022 (EU:C:2022:1045), alsook de gevoegde zaken C-341/21 P en C-357/21 P, Commissie/KM en Raad/KM, eveneens afgedaan bij beschikking van 22 december 2022 (EU:C:2022:1042).

[9]     Het betreft respectievelijk het Agentschap van de Europese Unie voor de samenwerking tussen energieregulators, de Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad, de Europese Bankautoriteit, de Europese Autoriteit voor effecten en markten, de Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen en het Spoorwegbureau van de Europese Unie.