Conseil d'Etat de Belgique 10 janvier 2024

Text integral 258383 - 160,56K (document PDF, se deschide într-un tab nou)
Titlul comunicatului de presă/rezumat -
Numărul comunicatului de presă/rezumat -
Textul integral al comunicatului de presă -
Număr ECLI -
Număr ELI -
Limba originală a deciziei néerlandais
Data documentului 10.01.2024
Instanța autor Conseil d'État (BE)
Materie
  • Achiziții publice ale Uniunii Europene
Materie EUROVOC
  • achiziții publice
  • furnizarea de armament
  • transparență administrativă
Dispoziție de drept național -
Dispoziție de drept al Uniunii citată -
Dispoziție de drept internațional -
Descriptiv

Overheidsopdrachten in de sectoren defensie en veiligheid vallen in beginsel onder het toepassingsgebied van de wet overheidsopdrachten defensie- en veiligheid 2011 en richtlijn 2009/81/EG. Art. 346, lid 1, b), VWEU biedt de lidstaten evenwel de – restrictief te interpreteren – mogelijkheid om van de verdragsregels en het secundaire EU-recht af te wijken voor het nemen van maatregelen die betrekking hebben op de productie van of de handel in wapens, munitie of oorlogsmateriaal, en die noodzakelijk zijn om de wezenlijke veiligheidsbelangen te beschermen, op voorwaarde dat deze maatregelen de mededinging niet aantasten op markten voor producten die niet specifiek gebruikt worden voor militaire doeleinden. De lidstaat moet daarbij wel bewijzen dat het noodzakelijk is om van die afwijkingsmogelijkheid gebruik te maken. Een afgeleid economisch of maatschappelijk voordeel van de maatregel lijkt geen probleem te vormen, voor zover de genomen maatregel primair de veiligheidsbelangen dient. De discretionaire bevoegdheid om van de afwijkingsmogelijkheid gebruik te maken, is weliswaar ruim, maar niet onbeperkt. De lidstaat dient immers aan te tonen dat in de behoefte aan de bescherming van de essentiële veiligheidsbelangen niet had kunnen worden voorzien in het kader van een oproep tot mededinging als bedoeld in richtlijn 2009/81/EG. (Interpretatieve Mededeling van de Europese Commissie van 7 december 2006 en rechtspraak van het HvJ) Ingevolge de beginselen afgeleid uit de artt. 49 en 56 VWEU, dienen ook overeenkomsten die zijn uitgesloten van de werkingssfeer van overheidsopdrachtenrichtlijnen in beginsel het voorwerp uit te maken van voorafgaande bekendmaking en marktbevraging wanneer een overeenkomst wordt gesloten die een duidelijk grensoverschrijdend belang heeft. Het HvJ aanvaardt evenwel ook dat de overheid van de op haar rustende transparantieplicht kan afwijken wanneer zulks kan worden gerechtvaardigd om “dwingende redenen van algemeen belang”. Bovendien laat art. 346, lid, b), VWEU toe om ter bescherming van essentiële veiligheidsbelangen de mededinging niet toe te passen. Te dezen vloeit het gegeven dat de plaatsingsprocedure zal worden opgestart via de onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking, rechtstreeks voort uit de toepassing van dat art. 346, lid 1, b), VWEU. Een marktbevraging met voorafgaande bekendmaking lijkt in die context per definitie in conflict te komen met de keuze om te dezen de mededinging uit te sluiten ter bescherming van de essentiële veiligheidsbelangen van de staat. De verw. partij lijkt op het eerste gezicht terecht te stellen dat deze keuze vervolgens elk nut aan het organiseren van een mededinging of voorafgaande bekendmaking ontneemt.