Conseil d'Etat de Belgique, 4 février 2025, nr. 262241

Teljes szöveg 262241 2025-08-06 14-41-3 544 - 115,39K PDF dokumentum, új lapon nyílik meg
Sajtóközlemény / összefoglaló címe -
Sajtóközlemény / összefoglaló száma -
Sajtóközlemény teljes szövege -
ECLI-szám -
ELI-szám -
A határozat eredeti nyelve néerlandais
Dokumentum dátuma 2025.02.04
Kibocsátó bíróság Conseil d'État (BE)
Tárgy -
EUROVOC-tágy
  • pénzbüntetés
  • trópusi fa
  • ellátási lánc
Nemzeti jogi rendelkezés -
Hivatkozott uniós jogi rendelkezés
Nemzetközi jogi rendelkezés -
Leírás

Te dezen voert verzoeker in het eerste middel van zijn verzoekschrift in essentie een schending aan van de artikelen 2 en 3 van de wet van 1991, wat onder meer blijkt uit de algemene toelichting bij dat middel. Hij onderscheidt daarbij twee aspecten. Zo beklaagt hij er zich over dat een geldboete wordt opgelegd voor alle overtredingen en het, bij gebrek aan verantwoording, volstrekt onmogelijk is om na te gaan in welke mate de (vermeende) overtredingen in Land A of in Land B (daarin begrepen enige (boete)verminderingen) hebben bijgedragen tot het totaalbedrag van de geldboete en in welke verhoudingen, zodat hij daarover geen verweer kan voeren, ook niet wat de (on)evenredigheid tussen de weerhouden feiten en de boete betreft. Daarnaast voert hij in het licht van de door hem geschonden geachte motiveringsplicht aan dat evenmin met zekerheid kan worden bepaald welke, vaak nevengeschikte, overwegingen van de verwerende partij er wel of niet (en in welke mate) toe hebben bijgedragen dat een overtreding werd vastgesteld, waarmee hij zich in wezen beklaagt over een gebrekkige motivering om in zijn hoofde tot een overtreding van het “stelsel van zorgvuldigheidseisen” (wat de risicobeoordeling en -beperking betreft) te besluiten, wat hij nader uitwerkt in de vier aparte middelonderdelen waarop deze betrekking hebben en waarin verzoekers kritieken op deze, naar zijn oordeel, gebrekkige motivering telkens aan bod komen. Het onafwendbare gevolg van die vermenging in de bestreden beslissing, aldus verzoeker, is dat haar diverse samenstellende onderdelen onsplitsbaar zijn waardoor de onwettigheid van een deel ervan onmiddellijk de wettigheid van het geheel aantast. De bestreden beslissing bevat – wat de straftoemeting betreft –onder titel III ‘Aangaande het boetebedrag’, punt A. ‘Wettelijk kader’ een bondige weergave/informatie omtrent het ter zake geldende wettelijk kader waaronder de geldende wettelijke minima en maxima voor de weerhouden inbreuken, de vermenigvuldigheidsfactor van de strafrechtelijke opdeciemen en de straftoemetingscriteria, namelijk dat de straf doeltreffend, evenredig en afschrikkend moet zijn, en een algemene toelichting bij die straftoemetingscriteria. Onder punt B. ‘Toepassing’ wordt, wat de te dezen opgelegde boete van 133.000 euro betreft, toegelicht. Artikel 19, lid 2, van verordening (EU) 995/2010 bepaalt dat de administratieve sanctie “doeltreffend, evenredig en afschrikkend” moet zijn en onder andere het volgende kan omvatten: “a) boetes die evenredig zijn aan de milieuschade, aan de waarde van het betrokken hout of de betrokken houtproducten en aan de belastingderving en economische nadelen die het gevolg zijn van de inbreuk; het niveau van deze boetes wordt zo berekend dat wordt gewaarborgd dat aan de verantwoordelijke personen de economische voordelen die zij aan hun ernstige inbreuken te danken hebben, effectief worden ontnomen, onverminderd hun legitieme recht een beroep uit te oefenen; bij herhaling van een ernstige inbreuk worden de boetes geleidelijk verhoogd.”. Aan die bepaling is uitvoering gegeven bij de wet van 21 december 1998. De inbreuken op artikel 4 van verordening (EU) 995/2010 en uitvoeringsverordening (EU) 607/2012 zijn strafbaar gesteld in artikel 17, § 1, 15°, van de wet van 21 december 1998.