Национална съдебна практика
На тази страница са събрани важни актове на националните съдилища, които се отнасят до правото на ЕС и са споделени в рамките на Съдебната мрежа на Европейския съюз (СМЕС).
Документите са достъпни на езиците, на които са предоставени от националните съдилища.
Достъп до националната съдебна практика
По-долу можете да намерите пълен списък на съдебните актове, подбрани от конституционните и върховните съдилища на държавите — членки на ЕС.
Допълнителни ресурси
Базата данни Dec.Nat съдържа също подбор на национална съдебна практика, която е от значение за правото на ЕС и се отнася по-конкретно до практиката на върховните административни съдилища.
Тази база данни е създадена от Асоциацията на държавните съвети и върховните административни съдилища на Европейския съюз (ACA-Европа), партньорска мрежа на Съдебната мрежа на Европейския съюз (СМЕС). Посочената база данни съдържа препратки към национална съдебна практика, постановена вследствие на решения на Съда по преюдициални запитвания. Тя е достъпна на английски и френски език.
-
- Транспорт
- ТРАНСПОРТ
- железопътна мрежа
Пълен текст
- DE PDF документ, отваря се в нов прозорец
-
Keine Berücksichtigung von Elternzeit bei der Berechnung von im Wechselschichtdienst verbrachten Dienstzeiten
- Заетост
- равно третиране
- заетост
Пълен текст
- DE PDF документ, отваря се в нов прозорец
Пълен текст на прессъобщението
- DE PDF документ, отваря се в нов прозорец
-
Kopftuchverbot für Luftsicherheitsassistentinnen - Bewerbungsverfahren - Benachteiligung aus Gründen der Religion
- Заетост
- Социална политика
- РАБОТА И УСЛОВИЯ НА ТРУД
Пълен текст
- DE PDF документ, отваря се в нов прозорец
Пълен текст на прессъобщението
- DE PDF документ, отваря се в нов прозорец
-
Der gesetzliche Verlust der deutschen Staatsangehörigkeit steht, sofern mit diesem zugleich der Verlust des Unionsbürgerstatus nach Art. 20 AEUV einhergeht, unter dem Vorbehalt einer den Grundrechten der Charta der Grundrechte der Europäischen Union Rechnung tragenden einzelfallbezogenen Feststellung der Verhältnismäßigkeit. Dem ist durch eine unionsrechtskonforme Interpretation des § 30 Abs. 1 Satz 4 und 5 StAG Rechnung zu tragen.
- Харта на основните права
- ПРАВО
- Харта за защита на човешките права
- гражданство
Пълен текст
- DE PDF документ, отваря се в нов прозорец
Пълен текст на прессъобщението
- DE PDF документ, отваря се в нов прозорец
-
Bei der Tätigkeit als Architekt im Praktikum gemäß § 4 Abs. 2 Nr. 2 ArchG BW handelt es sich um eine Ausbildung im Sinne der Richtlinie 2005/36/EG.
- Въпроси на образованието, професионалното обучение и младежта
- Заетост
- признаване на обучение
- заетост
- професионална подготовка
- учебен стаж
- професионална квалификация
- професионален статус
- свободна професия
Пълен текст
- DE PDF документ, отваря се в нов прозорец
-
- Основни права
Пълен текст
- ES PDF документ, отваря се в нов прозорец
-
Te dezen voert verzoeker in het eerste middel van zijn verzoekschrift in essentie een schending aan van de artikelen 2 en 3 van de wet van 1991, wat onder meer blijkt uit de algemene toelichting bij dat middel. Hij onderscheidt daarbij twee aspecten. Zo beklaagt hij er zich over dat een geldboete wordt opgelegd voor alle overtredingen en het, bij gebrek aan verantwoording, volstrekt onmogelijk is om na te gaan in welke mate de (vermeende) overtredingen in Land A of in Land B (daarin begrepen enige (boete)verminderingen) hebben bijgedragen tot het totaalbedrag van de geldboete en in welke verhoudingen, zodat hij daarover geen verweer kan voeren, ook niet wat de (on)evenredigheid tussen de weerhouden feiten en de boete betreft. Daarnaast voert hij in het licht van de door hem geschonden geachte motiveringsplicht aan dat evenmin met zekerheid kan worden bepaald welke, vaak nevengeschikte, overwegingen van de verwerende partij er wel of niet (en in welke mate) toe hebben bijgedragen dat een overtreding werd vastgesteld, waarmee hij zich in wezen beklaagt over een gebrekkige motivering om in zijn hoofde tot een overtreding van het “stelsel van zorgvuldigheidseisen” (wat de risicobeoordeling en -beperking betreft) te besluiten, wat hij nader uitwerkt in de vier aparte middelonderdelen waarop deze betrekking hebben en waarin verzoekers kritieken op deze, naar zijn oordeel, gebrekkige motivering telkens aan bod komen. Het onafwendbare gevolg van die vermenging in de bestreden beslissing, aldus verzoeker, is dat haar diverse samenstellende onderdelen onsplitsbaar zijn waardoor de onwettigheid van een deel ervan onmiddellijk de wettigheid van het geheel aantast. De bestreden beslissing bevat – wat de straftoemeting betreft –onder titel III ‘Aangaande het boetebedrag’, punt A. ‘Wettelijk kader’ een bondige weergave/informatie omtrent het ter zake geldende wettelijk kader waaronder de geldende wettelijke minima en maxima voor de weerhouden inbreuken, de vermenigvuldigheidsfactor van de strafrechtelijke opdeciemen en de straftoemetingscriteria, namelijk dat de straf doeltreffend, evenredig en afschrikkend moet zijn, en een algemene toelichting bij die straftoemetingscriteria. Onder punt B. ‘Toepassing’ wordt, wat de te dezen opgelegde boete van 133.000 euro betreft, toegelicht. Artikel 19, lid 2, van verordening (EU) 995/2010 bepaalt dat de administratieve sanctie “doeltreffend, evenredig en afschrikkend” moet zijn en onder andere het volgende kan omvatten: “a) boetes die evenredig zijn aan de milieuschade, aan de waarde van het betrokken hout of de betrokken houtproducten en aan de belastingderving en economische nadelen die het gevolg zijn van de inbreuk; het niveau van deze boetes wordt zo berekend dat wordt gewaarborgd dat aan de verantwoordelijke personen de economische voordelen die zij aan hun ernstige inbreuken te danken hebben, effectief worden ontnomen, onverminderd hun legitieme recht een beroep uit te oefenen; bij herhaling van een ernstige inbreuk worden de boetes geleidelijk verhoogd.”. Aan die bepaling is uitvoering gegeven bij de wet van 21 december 1998. De inbreuken op artikel 4 van verordening (EU) 995/2010 en uitvoeringsverordening (EU) 607/2012 zijn strafbaar gesteld in artikel 17, § 1, 15°, van de wet van 21 december 1998.
- глоба
- тропическо дърво
- верига на доставките
Пълен текст
- NL PDF документ, отваря се в нов прозорец
-
In de mate de verzoekende partijen een schending aanvoeren van artikel 34 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) zetten zij onvoldoende duidelijk uiteen hoe de bestreden bepaling als een kwantitatieve invoerbeperking of maatregel van gelijke werking kan worden beschouwd als bedoeld in het voormelde artikel. De bestreden bepaling regelt op geen enkele wijze de invoer van PET-scanners op de Belgische markt. Er weze trouwens opgemerkt dat het bestreden besluit ook geen invloed heeft op het aantal PET-scanners dat in België kan worden uitgebaat. Dit wordt immers geregeld via de programmatie van de PETscanners, te weten het koninklijk besluit van 25 april 2014 houdende vaststelling van het maximum aantal PETscanners en diensten nucleaire geneeskunde waarin een PET-scanner kan worden opgesteld, dat uitgebaat mag worden. Er wordt geen schending van artikel 34 VWEU aangetoond. Er wordt evenmin een schending aangetoond van de artikelen 56 en 57 VWEU. De verzoekende partijen tonen evenmin aan dat de verwerende partij artikel 168 VWEU zou hebben geschonden door PET-scanners aan te duiden als supraregionale zorg waardoor deze niet in elk ziekenhuisnetwerk mogen worden opgesteld. Het vijfde middel is niet gegrond.
- медицинска институция
- здравни технологии
Пълен текст
- NL PDF документ, отваря се в нов прозорец
-
Il ressort en substance de l’arrêt C 14/23 du 29 juillet 2024 de la Cour de justice de l’Union européenne que l'autorité pouvait rejeter la demande d’admission au séjour, même si l’article 20, paragraphe 2, sous f), de la directive 2016/801 du Parlement européen et du Conseil du 11 mai 2016 n’avait pas été transposé et donc sans que les motifs sérieux et objectifs justifiant ce rejet soient précisés par la législation. Un tel rejet d’une demande d’admission à des fins d’études pouvait être justifiée en application du principe général du droit de l’Union européenne de l’interdiction des pratiques abusives dès lors que la partie adverse estimait que la partie requérante avait introduit cette demande sans avoir l’intention réelle d’étudier.
- влизане на чужденци в страната
- национални мерки за изпълнение
- пряка приложимост
Пълен текст
- FR PDF документ, отваря се в нов прозорец
-
De artt. 3, zevende lid, 36 en 59, van richtlijn 2010/63/EU zijn omgezet in het interne recht bij wijzigingen van de dierenwelzijnswet (inzonderheid de wet van 7 februari 2014) en het koninklijk besluit van 29 mei 2013 ‘betreffende de bescherming van proefdieren’. Een richtlijnbepaling behoeft omzetting in internrechtelijke regelgeving. De schending ervan kan in beginsel dan ook niet rechtstreeks worden aangevoerd als vernietigingsgrond. In alle gevallen waarin de bepalingen van een richtlijn inhoudelijk gezien onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig zijn, mogen particulieren zich niettemin voor de nationale rechter op deze bepalingen beroepen tegenover de Staat, hetzij wanneer deze heeft verzuimd deze richtlijn binnen de gestelde termijn om te zetten in intern recht, hetzij wanneer de omzetting niet in overeenstemming is met deze richtlijn. Verzoekster zet niet uiteen dat die omzetting verkeerd is, of laattijdig, zodat het middel al minstens om die reden onontvankelijk is in de mate waarin de schending is aangevoerd van de bedoelde richtlijnbepalingen.
- Обществено здравеопазване
- защита на животните
- алтернативи на изпитванията върху животни
- национален компетентен орган
Пълен текст
- NL PDF документ, отваря се в нов прозорец
-
Door de vernietiging te beperken tot art. 3 van het bestreden besluit verkrijgt de verz. partij volledige genoegdoening, in het licht van het (gegrond bevonden) middel, dat enkel gericht is tegen deze bepaling. Gelet op de verplichting die voortvloeit uit Verordening (EU) nr. 598/2014 moet worden aangenomen dat de Koning de regeling in (het wettig bevonden) art. 2 van het bestreden KB opnieuw zou aannemen. De gedeeltelijke vernietiging kan evenwel niet beperkt worden tot art. 3 van het bestreden besluit, aangezien, bij het wegvallen van de machtiging aan de minister om exploitatiebeperkingen op te leggen, niet op voorhand vaststaat wat het lot van het eerder KB van 2003 zal zijn. Ook art. 4 van het bestreden besluit (dat dit KB opheft) moet bijgevolg vernietigd worden. De vernietiging van het bestreden besluit wordt beperkt tot de artt. 3 en 4 ervan.
- Околна среда
- ОКОЛНА СРЕДА
- шумово замърсяване
- аерогара
Пълен текст
- NL PDF документ, отваря се в нов прозорец
-
1. Aucune des dispositions de l’Accord sur le retrait du Royaume-Uni de Grande-Bretagne et d'Irlande du Nord de l'Union européenne et de la Communauté européenne de l'énergie atomique n’exige que soit confiée au Conseil d’État. la compétence pour ordonner la mesure provisoire demandée, à savoir faire délivrer à la partie requérante un document spécial de séjour prévu à l’annexe 35 de l’arrêté royal du 8 octobre 1981 par l’administration communale, 2. Étant donné que l’interprétation des dispositions de droit européen, invoquées par la partie requérante, s’impose avec une telle évidence qu’elle ne laisse place à aucun doute raisonnable à ce sujet, il n’y pas lieu d’interroger la Cour de justice de l’Union européenne.
- позволение за пребиваване
- изграждане на Европа
- административна компетенция
Пълен текст
- FR PDF документ, отваря се в нов прозорец
-
1. Dans son arrêt du 6 juillet 2023, la Cour de justice de l’Union européenne a considéré que l’article 14, paragraphe 4, sous b), de la directive 2011/95/UE doit être interprété comme impliquant que l’existence d’une menace pour la société de l’État membre dans lequel se trouve le ressortissant concerné d’un pays tiers, ne peut pas être regardée comme étant établie du seul fait que celui-ci a été condamné en dernier ressort pour un crime particulièrement grave. La Cour a également indiqué que cette disposition doit être interprétée de manière telle que son application est subordonnée à ce qu’il soit établi par l’autorité compétente que la menace représentée par le ressortissant concerné d’un pays tiers pour un intérêt fondamental de la société de l’État membre dans lequel il se trouve, revêt un caractère réel, actuel et suffisamment grave et que la révocation du statut de réfugié constitue une mesure proportionnée à cette menace. En décidant le contraire dans l’arrêt attaqué, le Conseil du contentieux des étrangers a violé la portée qui doit être donnée à l’article 55/3/1, § 1 er , de la loi du 15 décembre 1980 au regard de celle de l’article 14, paragraphe 4, sous b), de la directive 2011/95/UE. 2. La portée qu’il convient de donner à l’article 55/3/1, § 1 er , de la loi du 15 décembre 1980 doit être déterminée en fonction de celle de la disposition du droit de l’Union européenne qu’il transpose.
- пространство на свобода, сигурност и правосъдие
- международна закрила
- наказание
- бежанец
- обществен ред
Пълен текст
- FR PDF документ, отваря се в нов прозорец
-
1.Selon la Cour de justice de l'Union européenne, les particuliers sont fondés à invoquer devant le juge national, les dispositions d'une directive qui apparaissent, du point de vue de leur contenu, inconditionnelles et suffisamment précises, dans tous les cas où la pleine application de celle-ci n'est pas effectivement assurée, c'est-à-dire non seulement en cas d'absence de transposition ou de transposition incorrecte de cette directive, mais aussi dans le cas où les mesures nationales qui transposent correctement ladite directive ne sont pas appliquées de manière à atteindre le résultat qu'elle vise (CJUE, 11 juillet 2002, Marks & Spencers, C-62/00, ECLI:EU:C:2002:435, point 27). Les parties requérantes ne soutiennent pas que les dispositions du CoBAT s'écarteraient des exigences de la directive 2001/42/CE du Parlement européen et du Conseil du 27 juin 2001 relative à l'évaluation des incidences de certains plans et programmes sur l'environnement, mais bien que l'adoption de la décision litigieuse de modification du PRAS aurait eu lieu en méconnaissance tant de ces exigences que des prescriptions du CoBAT qui les respectent. Cette contestation est recevable et les violations alléguées doivent être examinées concrètement, à propos de chacun des griefs, pour autant que les parties requérantes précisent quelle disposition de la directive qu'elles invoquent aurait été violée et de quelle manière. 2.Comme l’a jugé la Cour de justice de l’Union européenne, « des dispositions de valeur purement indicative ne répondent pas à la seconde condition énoncée à l’article 3, paragraphe 2, sous a), de la directive 2001/42 » parce que « seuls les actes de nature obligatoire sont susceptibles de limiter la marge de manoeuvre dont disposent ces autorités et d’exclure ainsi des modalités de la mise en oeuvre des projets pouvant s’avérer plus favorables à l’environnement » (CJUE, 9 mars 2023, An Bord Pleanála e.a. (Site de St Teresa’s Gardens), C-9/22, ECLI:EU:C:2023:176, points 49 et 50). Puisque les stations des itinéraires en site indépendant ne figurent, en application de l’article 27.1 du PRAS, qu’à titre indicatif, c’est dès lors dans le cadre de la procédure d’examen des demandes de permis d’urbanisme concernant les futures stations de métro et en application de la rubrique 8 de l’annexe A du CoBAT qu’une étude d’incidences devra être réalisée portant sur l’implantation précise de la station prévue sur le tracé retenu par le PRAS. Il appartiendra dès lors à l’autorité de justifier du choix de la localisation de celle-ci à ce stade ultérieur, mais non au stade du choix du tracé de la ligne. 3. Selon la Cour de justice de l'Union européenne, l'exigence posée à l'article 3, § 2, sous a), de la directive 2001/42 du Parlement européen et du Conseil du 27 juin 2001 relative à l'évaluation des incidences de certains plans et programmes sur l'environnement, selon laquelle le plan ou le programme concerné doit définir le cadre dans lequel la mise en oeuvre des projets énumérés aux annexes I et II de la directive 2011/92 du Parlement européen et du Conseil du 13 décembre 2011 concernant l'évaluation des incidences de certains projets publics et privés sur l'environnement pourra être autorisée à l'avenir, doit être considérée comme remplie lorsque ce plan ou ce programme établit un ensemble significatif de critères et de modalités pour l'autorisation et la mise en oeuvre d'un ou de plusieurs de ces projets, notamment en ce qui concerne la localisation, la nature, la taille et les conditions de fonctionnement de tels projets, ou l'allocation de ressources liée à ceux-ci (CJUE, 22 février 2022, Bund Naturschutz in Bayern, C-300/20, EU:C:2022:102, point 60 et jurisprudence citée). Par conséquent, des dispositions de valeur purement indicative ne répondent pas à cette condition. Pour y répondre, des dispositions doivent revêtir à tout le moins un caractère obligatoire pour les autorités compétentes dans le domaine de la délivrance d'autorisations de projets (CJUE, 25 juin 2020, A e.a. (Éoliennes à Aalter et à Nevele), C-24/19, EU:C:2020:503, points 76 et 77). 4. L’analyse des « solutions de substitution raisonnables » doit se faire en « tenant compte des objectifs et du champ d’application géographique du plan ou du programme » (art. 5.1 de la directive 2001/42/CE du Parlement européen et du Conseil du 27 juin 2001 relative à l’évaluation des incidences de certains plans et programmes sur l’environnement). L’obligation d’examiner ces alternatives et de justifier les choix retenus doit par conséquent s’entendre dans des limites raisonnables et ne peut pas viser toute alternative théoriquement imaginable pour chacun des éléments du plan, ce qui rendrait impossible l’adoption de modifications d’une certaine ampleur. 5. La Cour de justice de l'Union européenne a jugé que la notion de " plans et programmes " au sens de la directive 2001/42 du Parlement européen et du Conseil du 27 juin 2001 relative à l'évaluation des incidences de certains plans et programmes sur l'environnement inclut non seulement leur élaboration, mais également leur modification, visant ainsi à assurer que des prescriptions susceptibles d'avoir des incidences notables sur l'environnement fassent l'objet d'une évaluation environnementale (CJUE, 12 juin 2019, CFE, C-43/18, EU:C:2019:483, point 71). 6. La décision litigieuse adoptant une modification du PRAS relative à une liaison de transports en commun ne comporte pas de disposition ayant un caractère obligatoire pour les autorités compétentes dans le domaine de la délivrance d'autorisations de projets en ce qui concerne le mode constructif ou la profondeur des actes et travaux exécutés dans son périmètre, ce qui est expressément indiqué dans la motivation de l'arrêté attaqué. Sur ces points, il ne constitue pas un plan ou un programme au sens de la directive 2001/42/CE du Parlement européen et du Conseil du 27 juin 2001 relative à l'évaluation des incidences de certains plans et programmes sur l'environnement. Le caractère obligatoire de l'acte attaqué ne concerne que les affectations prévues par la carte 3 et le tracé figurant sur la carte 6 du PRAS. La justification du choix du tracé, en ce compris en ce qu'il est lié, dans son principe, à un mode constructif déterminé, est suffisante et admissible, le Gouvernement ayant exposé en quoi, selon son appréciation et sur la base des conclusions du RIE qui renvoient aux analyses techniques émanant de plusieurs sources, et pas uniquement aux données BMN, la technique que ces derniers préconisent, est impraticable, eu égard aux risques de destruction d'habitations dans le milieu urbain dense de la section en cause.
- Околна среда
- ОКОЛНА СРЕДА
- влошаване на околната среда
- флора
- управление на област
- метро
Пълен текст
- FR PDF документ, отваря се в нов прозорец
-
Arrêt 261.648 du 6/12/2024 1) Il résulte des arrêts rendus par la Cour de justice de l’Union européenne, le 23 novembre 2023, dans les affaires C 374/22 et C 614/22 que l'arrêt attaqué n'a pas violé la portée des dispositions et principes invoqués à l'appui du présent moyen en considérant qu'ils n'imposent pas d'accorder la protection internationale au membre de la famille d'un bénéficiaire de cette protection alors que ce membre de la famille ne satisfait pas, individuellement, aux conditions d'octroi de la protection internationale. 2) L'effet direct d'une norme européenne peut supposer l'octroi d'un droit conféré par cette norme mais non la reconnaissance d'un droit qu'elle ne prévoit pas. L'effet direct de l'article 23 de la directive 2011/95/UE, allégué par la partie requérante, n'implique donc pas l'attribution de la protection internationale puisque cette disposition prévoit l'octroi des avantages visés aux articles 24 à 35 de cette directive mais non celui de la protection internationale. 3) L'interprétation conforme du droit national au droit européen ne requiert pas l'octroi de la protection internationale aux membres de la famille d'un bénéficiaire de cette protection qui, individuellement, ne remplissent pas les conditions nécessaires pour obtenir la protection internationale. En effet, dès lors que l'article 23 de la directive 2011/95/UE ne prévoit pas l'octroi de la protection internationale aux membres précités de la famille, le droit belge ne doit pas être interprété comme imposant l'attribution de la protection internationale à ces membres de la famille pour être conforme à l'article 23 de la directive 2011/95/UE. 4) Le Conseil du contentieux des étrangers a pu considérer légalement, comme cela ressort de l'arrêt C-614/22 du 23 novembre 2023 de la Cour de justice de l'Union européenne, que l'obligation de faire de l'intérêt supérieur de l'enfant une considération primordiale, n'implique pas l'obligation pour les États d'accorder la protection internationale aux membres de la famille d'un bénéficiaire de cette protection qui, individuellement, ne remplissent pas les conditions nécessaires pour obtenir la protection internationale. 5) Dès lors que le Conseil du contentieux des étrangers était saisi par la partie requérante d'une demande de protection internationale et non d'une demande d'octroi des avantages visés aux articles 24 à 35 de la directive 2011/95/UE, il ne devait pas se prononcer sur l'absence de transposition de l'article 23 de cette directive, alléguée par la partie requérante, qui impose l'attribution de ces avantages, ni suppléer cette absence de transposition que la partie requérante dénonce. Il ne devait pas davantage identifier les normes nationales qui permettraient d'assurer l'unité familiale et l'intérêt supérieur de l'enfant. Au regard de la demande dont il était saisi, le premier juge ne devait statuer que sur les conditions d'octroi de la protection internationale. Or, l'article 23 de la directive 2011/95/UE ne concerne pas la reconnaissance de cette protection.
- права на чужденци
- семейна миграция
- бежанец
Пълен текст
- FR PDF документ, отваря се в нов прозорец
-
En application de l’article 267, alinéa 3, du Traité sur le fonctionnement de l’Union européenne, la question préjudicielle suivante est posée à la Cour de justice de l’Union européenne : « L’article 4, paragraphe 1er, sous c), de la directive 2003/86/CE du Conseil du 22 septembre 2003 relative au droit au regroupement familial, le cas échéant lu en combinaison avec l’article 16, paragraphe 1er, de la même directive, doit-il être interprété comme exigeant que les ressortissants de pays tiers, pour être qualifiés d’"enfants mineurs" au sens de cette disposition, soient "mineurs" non seulement au moment de l’introduction de la demande d’admission au séjour mais également au moment où l’administration statue, in fine, quant à cette demande ?».
- право на ефективни правни средства за защита
- събиране на семейството
Пълен текст
- FR PDF документ, отваря се в нов прозорец
-
En application de l’article 267, alinéa 3, du Traité sur le fonctionnement de l’Union européenne, les questions préjudicielles suivantes sont posées à la Cour de justice de l’Union européenne : « 1) Pour garantir l’effectivité du droit de l’Union européenne et ne pas rendre impossible le bénéfice du droit au regroupement familial qui, selon la requérante, lui est conféré par l’article 4 de la directive 2003/86/CE du Conseil du 22 septembre 2003 relative au droit au regroupement familial, cette disposition doit-elle être interprétée comme impliquant que l’enfant du regroupant peut bénéficier du droit au regroupement familial lorsqu’il devient majeur durant la procédure juridictionnelle contre la décision qui lui refuse ce droit et qui a été prise alors qu’il était encore mineur ? 2) L’article 47 de la Charte des droits fondamentaux de l’Union européenne et l’article 18 de la directive 2003/86/CE doivent-ils être interprétés comme s’opposant à ce que le recours en annulation, formé contre le refus d’un droit au regroupement familial d’un enfant mineur, soit jugé irrecevable pour le motif que l’enfant est devenu majeur durant la procédure juridictionnelle, dès lors qu’il serait privé de la possibilité qu’il soit statué sur son recours contre cette décision et qu’il serait porté atteinte à son droit à un recours effectif ? ».
- право на ефективни правни средства за защита
- събиране на семейството
Пълен текст
- FR PDF документ, отваря се в нов прозорец
-
Dans la mesure où l'arrêté du Gouvernement wallon du 19 décembre 2013 adoptant les cartographies des zones soumises à l'aléa d'inondation et du risque de dommages dus aux inondations a été adopté par une autorité régionale sur le fondement de l'article D.53-2 du Code de l'eau, la condition que prévoit l'article 2, sous a), de la directive 2001/42/CE du 27 juin 2001 relative à l'évaluation des incidences de certains plans et programmes sur l'environnement est remplie. L'arrêté du Gouvernement wallon du 19 décembre 2013 adoptant les cartographies des zones soumises à l'aléa d'inondation et du risque de dommages dus aux inondations ne détermine pas "l'utilisation de petites zones au niveau local" au sens de l'article 3, § 3, de la directive 2001/42/CE du 27 juin 2001 relative à l'évaluation des incidences de certains plans et programmes sur l'environnement. Les cartographies des zones soumises à l'aléa d'inondation et du risque de dommages dus aux inondations que contient l'arrêté du Gouvernement wallon du 19 décembre 2013 devaient faire l'objet d'une évaluation environnementale, aussi tôt que possible, et en tout état de cause avant que cet arrêté ne les adopte et ce, indépendamment de l'évaluation du plan de gestion qui les reprend après les avoir ou non révisées. En n'imposant pas une évaluation environnementale de ces cartographies, en dehors de celle prévue au moment de l'élaboration des plans de gestion des risques d'inondation, les articles D.53-4 et D.53-6 du Code de l'eau ne transposent pas correctement les exigences de la directive 2001/42/CE du 27 juin 2001 relative à l'évaluation des incidences de certains plans et programmes sur l'environnement. L'effet direct de l'article 2 de la directive 2001/42/CE n'est pas remis en cause. En ce qui concerne l'article 3, il a déjà été constaté* que l'obligation qu'impose aux États membres l'article 3.2 de la directive 2001/42/CE du Parlement européen et du Conseil du 27 juin 2001, à savoir de soumettre notamment à une évaluation environnementale les plans qui donnent lieu à des projets soumis à une évaluation des incidences sur l'environnement (EIE) a un effet direct dans l'ordre juridique interne belge. Enfin, l'article 4.1 de la même rencontre également les exigences énoncées par la Cour de justice pour jouir d'un effet direct, à savoir énoncer une obligation dans des termes suffisamment précis, non équivoques et inconditionnels. La combinaison de ces dispositions, qui ont un effet direct, suffit à imposer à l'auteur de l'autorité l'obligation d'effectuer une étude d'incidences des cartographies litigieuses avant leur adoption.
- жалба за отмяна
- наводнение
- разрешение за строителство
- градоустройствени норми
- картография
Пълен текст
- FR PDF документ, отваря се в нов прозорец
-
En application de l’article 267, alinéa 3, du Traité sur le fonctionnement de l’Union européenne, les questions préjudicielles suivantes sont posées à la Cour de justice de l'Union européenne: « Pour garantir l’effectivité du droit de l’Union européenne et ne pas rendre impossible le bénéfice du droit au regroupement familial qui, selon la requérante, lui est conféré par l’article 4 de la directive 2003/86/CE du Conseil du 22 septembre 2003 relative au droit au regroupement familial, cette disposition doit-elle être interprétée comme impliquant que l’enfant du regroupant peut bénéficier du droit au regroupement familial lorsqu’il devient majeur durant la procédure juridictionnelle contre la décision qui lui refuse ce droit et qui a été prise alors qu’il était encore mineur ? ». « L’article 47 de la Charte des droits fondamentaux de l’Union européenne et l’article 18 de la directive 2003/86/CE doivent-ils être interprétés comme s’opposant à ce que le recours en annulation, formé contre le refus d’un droit au regroupement familial d’un enfant mineur, soit jugé irrecevable pour le motif que l’enfant est devenu majeur durant la procédure juridictionnelle, dès lors qu’il serait privé de la possibilité qu’il soit statué sur son recours contre cette décision et qu’il serait porté atteinte à son droit à un recours effectif ? ».
- право на ефективни правни средства за защита
- събиране на семейството
Пълен текст
- EN PDF документ, отваря се в нов прозорец
-
Il résulte des articles 9 et 10 de la directive 2007/60/CE du 23 octobre 2007 relative à l'évaluation et à la gestion des risques d'inondation, de l'article 7 de la Convention sur l'accès à l'information, la participation du public au processus décisionnel et l'accès à la justice en matière d'environnement, faite à Aarhus le 25 juin 1998, des articles D.53-6, §§ 1er à 5, D.53-3, D.53-4 et D.53-7 du Code de l'eau et des articles D.53, § 7, D.56 et D.57 du Code de l'environnement que le dossier soumis à l'enquête publique et à l'avis des instances consultées doit comprendre non seulement le plan de gestion et les cartographies mais aussi les informations qui ont été utilisées pour leur élaboration. Elles n'exigent pas que le dossier contienne une motivation individuelle justifiant le classement de chaque zone dans telle ou telle classe d'aléa ni même pour chaque zone faisant l'objet d'un changement de classement par rapport à la cartographie de 2007. En revanche, l'article 7 de la Convention d'Aarhus et l'article D.53-6, § 2, du Code de l'eau requièrent que soient fournies les informations - générales ou particulières - qui sont nécessaires pour comprendre comment la cartographie a été élaborée et comment le processus d'élaboration a pu conduire au classement des zones dans une catégorie déterminée d'aléa d'inondation.
- наводнение
- природна опасност
- картография
Пълен текст
- FR PDF документ, отваря се в нов прозорец
-
L'article 58 du décret du 24 mai 2018 "transposant la directive 2014/52/UE du Parlement européen et du Conseil de 16 avril 2014 modifiant la directive 2011/92/UE concernant l'évaluation des incidences de certains projets publics et privés sur l'environnement et modifiant le décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement en ce qui concerne la dématérialisation et la simplification administrative et diverses dispositions" ne vise pas expressément les demandes de permis d'urbanisme, de sorte qu'on peut se demander si ces dernières peuvent également bénéficier du régime transitoire. Les travaux préparatoires du décret n'apportent aucune précision. Dès lors, à défaut de disposition transitoire englobant expressément les demandes de permis d'urbanisme, il convient de se référer au principe général selon lequel les demandes de permis dont le dépôt est antérieur à une modification de la législation poursuivent leur instruction sur la base des dispositions en vigueur à la date de l'accusé de réception de la demande et appliquer ainsi aux demandes de permis d'urbanisme le même régime transitoire que celui applicable aux demandes de permis unique ou d'environnement. Raisonner autrement conduirait à ce que les demandes de permis d'urbanisme introduites avant l'entrée en vigueur du décret précité du 24 mai 2018 soient soumises au nouveau régime, et ce de manière discriminatoire par rapport aux demandes de permis uniques ou d'environnement. Il en est d'autant plus ainsi que les documents d'évaluation des incidences sur l'environnement, dûment complétés, doivent être annexés à la demande dès son introduction.
- сервитут
- пространствено планиране
- въздействие на околната среда
- разрешение за строителство
Пълен текст
- FR PDF документ, отваря се в нов прозорец
-
Le droit à un recours effectif consacré par l'article 47 de la Charte des droits fondamentaux de l'Union européenne correspond au droit à un recours effectif reconnu par l'article 13 de la Convention de sauvegarde des droits de l'homme et des libertés fondamentales. Le sens et la portée du droit à un recours effectif prescrit par l'article 47 de la Charte sont donc les mêmes que ceux que confère la Convention de sauvegarde à ce droit, conformément à l'article 52, alinéa 3, de la Charte des droits fondamentaux. Dès lors que l'étranger a fait valoir devant le Conseil du contentieux des étrangers un grief de légalité ayant la même portée juridique et tenant à la violation du droit au recours effectif, le moyen unique en tant qu'il est pris de la violation de l'article 47 de la Charte des droits fondamentaux de l'Union européenne ne peut être considéré comme nouveau. Il est donc recevable. Dans son arrêt n° 234.074 du 8 mars 2016, le Conseil d'État a décidé que si le droit de l'Union européenne s'opposait à ce que l'autorité délivrât un ordre de quitter le territoire avant l'épuisement des recours juridictionnels contre la décision du Commissaire général et avant la clôture définitive de la demande d'asile, l'étranger disposerait de l'intérêt requis à la cassation de l'arrêt du conseil du contentieux. Si dans son arrêt C-181/16 du 19 juin 2018, la Cour de justice de l'Union européenne a répondu que la directive 2008/115 doit être interprétée en ce sens qu'elle ne s'oppose pas à l'adoption d'une décision de retour au titre de son article 6, paragraphe 1, à l'encontre d'un ressortissant d'un pays tiers ayant introduit une demande de protection internationale, dès le rejet de cette demande par l'autorité responsable ou cumulativement avec celui-ci dans un même acte administratif et, partant, avant l'issue du recours juridictionnel contre ce rejet, elle a cependant précisé que l'adoption d'une telle décision de retour n'était permise qu'à condition, notamment, que l'État membre concerné garantisse que l'ensemble des effets juridiques de la décision de retour soient suspendus dans l'attente de l'issue de ce recours, que ce demandeur puisse, pendant cette période, bénéficier des droits qui découlent de la directive 2003/9 et qu'il puisse se prévaloir de tout changement de circonstances intervenu après l'adoption de la décision de retour, qui serait de nature à avoir une incidence significative sur l'appréciation de la situation de l'intéressé au regard de la directive 2008/115, notamment de l'article 5 de celle-ci. L'obligation pour l'autorité de prendre un ordre de quitter le territoire, en pareille occurrence, n'est donc pas inconditionnelle. Par ailleurs, même si la demande de protection internationale de l'étranger a été définitivement rejetée, le premier juge, qui est saisi d'un contrôle de légalité de l'ordre de quitter le territoire litigieux, serait appelé, à la suite de la cassation de l'arrêt entrepris, à apprécier sa légalité au jour de son adoption.
- международна закрила
- извеждане
- право на ефективни правни средства за защита
Пълен текст
- FR PDF документ, отваря се в нов прозорец
-
En application de l’article 267, alinéa 3, du Traité sur le fonctionnement de l’Union européenne, les questions préjudicielles suivantes sont posées à la Cour de justice de l'Union européenne : 1) «L'article 10.1 de la directive 2004/38/CE du Parlement européen et du Conseil du 29 avril 2004 relative au droit des citoyens de l'Union et des membres de leurs familles de circuler et de séjourner librement sur le territoire des États membres doit-il être interprété comme requérant que la décision relative au constat du droit de séjour soit prise et notifiée dans le délai de six mois ou comme permettant que la décision soit prise dans ce délai mais qu’elle soit notifiée ultérieurement ? Si la décision précitée peut être notifiée ultérieurement, dans quel délai doit-elle l’être ? » 2) « L'article 10.1 de la directive 2004/38/CE du Parlement européen et du Conseil du 29 avril 2004 relative au droit des citoyens de l'Union et des membres de leurs familles de circuler et de séjourner librement sur le territoire des États membres, lu en combinaison avec son article 5, avec l'article 5.4 de la directive 2003/86/CE du 22 septembre 2003 relative au droit au regroupement familial et avec les articles 7, 20, 21 et 41 de la Charte des droit fondamentaux de l'Union, doit-il être interprété et appliqué en ce sens que la décision adoptée sur cette base doit seulement être prise dans le délai de six mois qu'il prescrit, sans que n'existe aucun délai pour sa notification, ni la moindre incidence sur le droit au séjour dans le cas où la notification intervient au-delà de ce délai ? » 3) « Afin de garantir l’effectivité du droit au séjour d’un membre de la famille d'un citoyen de l'Union, le principe d’effectivité s’oppose-t-il à ce que l’autorité nationale retrouve, à la suite de l’annulation d’une décision relative au droit précité, l’entièreté du délai de six mois dont elle disposait en vertu de l’article 10.1. de la directive 2004/38/CE du Parlement européen et du Conseil du 29 avril 2004 relative au droit des citoyens de l'Union et des membres de leurs familles de circuler et de séjourner librement sur le territoire des États membres ? Dans l’affirmative, de quel délai dispose encore l’autorité nationale après l’annulation de sa décision refusant la reconnaissance du droit en cause ? » 4) « Les articles 5, 10 et 31 de la directive 2004/38/CE du Parlement européen et du Conseil du 29 avril 2004 relative au droit des citoyens de l'Union et des membres de leurs familles de circuler et de séjourner librement sur le territoire des États membres, lus en combinaison avec les articles 8 et 13 Convention de sauvegarde des droits de l’homme et des libertés fondamentales, 7, 24, 41 et 47 de la Charte des droits fondamentaux de l'Union et l'article 21 du Traité sur le fonctionnement de l’Union européenne, sont-ils compatibles avec une jurisprudence et des dispositions nationales, tels les articles 39/2, §2, 40, 40bis, 42 et 43 de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, l'établissement, le séjour et l'éloignement des étrangers, et l'article 52, § 4 de l'arrêté royal du 8 octobre 1981 concernant l'accès au territoire, l'établissement, le séjour et l'éloignement des étrangers, qui conduisent à ce qu'un arrêt d'annulation d'une décision refusant le séjour sur base de ces dispositions, rendu par le Conseil du contentieux des étrangers, a un effet interruptif et non suspensif du délai impératif de six mois prescrit par l'article 10 de la directive 2004/38/CE, par l'article 42 de la loi du 15 décembre 1980 et par l'article 52 de l'arrêté royal du 8 octobre 1981 ? » 5) « La directive 2004/38/CE du Parlement européen et du Conseil du 29 avril 2004 relative au droit des citoyens de l'Union et des membres de leurs familles de circuler et de séjourner librement sur le territoire des États membres requiert-elle qu’une conséquence soit attachée au dépassement du délai de six mois prévu par son article 10.1. et, dans l’affirmative, quelle conséquence doit y être attachée ? La même directive 2004/38/CE requiert-elle ou permet-elle que la conséquence du dépassement de ce délai soit l’octroi automatique de la carte de séjour sollicitée sans qu’il ait été constaté que le demandeur répond effectivement aux conditions requises pour bénéficier du droit au séjour qu’il revendique ? ».
- позволение за пребиваване
- събиране на семейството
- административна мярка
Пълен текст
- EN PDF документ, отваря се в нов прозорец
-
Il n'est pas contesté que l'abattage d'animaux sans étourdissement préalable est interdit s'il n'est pratiqué dans un abattoir agréé à cet effet et que les abattages pratiqués à domicile dans de telles conditions sont par conséquent illégaux. La décision litigieuse, apportant un soutien aux communes pour le placement de conteneurs destinés à évacuer les déchets de viande provenant, selon toute vraisemblance, de tels abattages, n'a pas pour but direct d'encourager des comportements interdits, mais de minimiser leur incidence sur l'hygiène publique. Toutefois, l'octroi de ces subventions, décidé pour deux années et ouvert à toutes les communes qui le demandent, anticipe la réalité de ces abattages interdits, facilite cette pratique en l'encadrant et concourt à lui donner une apparence de légitimité. Il en va d'autant plus ainsi que, comme elle l'indique, la mesure s'aligne sur celle qui est accordée dans des situations légales telles que la gestion des carcasses d'animaux trouvés morts en exploitation agricole. L'autorité ne pouvait pas, sans violer l'article 4 du Règlement (CE) du 24 septembre 2009 sur la protection des animaux au moment de leur mise à mort, les articles 1er et 16 de la loi du 14 août 1986 concernant la protection et le bien-être des animaux et l'article 8 de l'arrêté royal du 16 janvier 1998 relatif à la protection des animaux pendant l'abattage ou la mise à mort, financer le placement de conteneurs et ainsi encadrer et encourager indirectement les pratiques que ces dispositions interdisent.
- клане на животни
- защита на животните
- религия
- обществена хигиена
Пълен текст
- FR PDF документ, отваря се в нов прозорец
-
Pour être effectif au sens de l'article 27 du Règlement (UE) n° 604/2013 du Parlement européen et du Conseil du 26 juin 2013 établissant les critères et mécanismes de détermination de l'État membre responsable de l'examen d'une demande de protection internationale introduite dans l'un des États membres par un ressortissant de pays tiers ou un apatride (Règlement Dublin III) et de l'article 47 de la Charte des droits fondamentaux de l'Union européenne, le recours ouvert à une personne qui soutient que les éléments postérieurs à la décision administrative qu'il produit sont potentiellement décisifs pour une analyse équitable de sa demande d'asile et doivent faire obstacle à l'exécution d'un " transfert Dublin " doit permettre un contrôle complet et rigoureux de sa situation par la juridiction administrative ce que confirment les considérants 9, 19, 32 et 39 du Règlement Dublin III. En application de l’article 267, alinéa 3, du Traité sur le fonctionnement de l’Union européenne, la question préjudicielle suivante est posée à la Cour de justice de l’Union européenne : « L’article 27 du Règlement (UE) n° 604/2013 du Parlement européen et du Conseil du 26 juin 2013 établissant les critères et mécanismes de détermination de l’État membre responsable de l’examen d’une demande de protection internationale introduite dans l’un des États membres par un ressortissant de pays tiers ou un apatride (refonte), pris seul et conjointement avec l’article 47 de la Charte des droits fondamentaux de l’Union européenne, doit-il être interprété comme imposant, pour garantir un droit de recours effectif, que le juge national prenne en compte, le cas échéant, des éléments postérieurs à la décision de "transfert Dublin" ? ».
- международна закрила
- извеждане
- право на ефективни правни средства за защита
Пълен текст
- FR PDF документ, отваря се в нов прозорец
-
Le droit de demander l'asile est un droit fondamental reconnu à chaque personne fuyant son pays par crainte de persécutions au sens de l'article 1er, A, 2, de la Convention relative au statut des réfugiés, signée à Genève le 28 juillet 1951. En vertu de l'article 50, § 1er, alinéa 1er, de la loi du 15 décembre 1980, l'étranger qui entre irrégulièrement en Belgique et souhaite obtenir le statut de réfugié ou le statut de protection subsidiaire, doit en principe présenter sa demande de protection internationale " au moment où il entre ou au moins dans les huit jours ouvrables après être entré dans le Royaume ". En vertu de l'article 7 de la directive 2013/32/UE du Parlement européen et du Conseil du 26 juin 2013 relative à des procédures communes pour l'octroi et le retrait de la protection internationale, les États membres doivent faire en sorte que toute personne majeure ou mineure d'âge " ait le droit de présenter une demande de protection internationale en son nom ".
- международна закрила
- миграционна политика
Пълен текст
- FR PDF документ, отваря се в нов прозорец
-
La considération selon laquelle le commerce projeté contribuerait à la disparition de petits commerces de proximité relève des répercussions sur le commerce existant, ce qui procède d'un test économique interdit par la directive 2006/123/CE du 12 décembre 2006 relative aux services dans le marché intérieur.
- пространствено планиране
- градоустройствени норми
- лошо администриране
Пълен текст
- FR PDF документ, отваря се в нов прозорец
-
L’obligation, imposée aux États membres par l’article 17 de la directive 2003/86/CE, est claire, précise, et inconditionnelle. À défaut pour le législateur belge d’avoir transposé cette disposition, dans le cas visé à l’article 16.2.a), la requérante peut s’en prévaloir directement devant le juge national. Dès lors que les articles 16.2.a) et 17 de la directive 2003/86/CE imposent aux États membres de prendre en considération les éléments, visés à l’article 17 précité, même en cas de fraude, le premier juge ne pouvait refuser, sans priver la requérante du bénéfice de ces dispositions, de contrôler le grief, reprochant à la partie adverse de ne pas avoir tenu compte de ces éléments, pour le motif qu’une fraude avait été commise. À supposer que le principe général de droit Fraus omnia corrumpit eût été applicable dans le cas de la requérante, son application était exclue en vertu des articles 16.2.a) et 17 de la directive 2003/86/CE qui prévalent sur le principe général de droit Fraus omnia corrumpit, conformément au principe de primauté du droit de l’Union européenne.
- извеждане
- измама
- неприкосновеност на частен живот
- Европейска конвенция за правата на човека
Пълен текст
- FR PDF документ, отваря се в нов прозорец
-
Diverses questions préjudicielles sont posées à la CJUE par le Conseil d'Etat à propos du TFUE: 1. Dient artikel 49, 56, 45, 34, 35, 101 of 102 van het VWEU, al dan niet gelezen in samenhang met artikel 106, lid 1, van het VWEU, in die zin te worden uitgelegd dat het zich verzet tegen de regeling vervat in artikel 1 van het koninklijk besluit van 5 juli 2004 ‘betreffende de erkenning van havenarbeiders in de havengebieden die onder het toepassingsgebied vallen van de wet van 8 juni 1972 betreffende de havenarbeid’, samen gelezen met artikel 2, van voormeld besluit van 5 juli 2004, namelijk de regeling dat de havenarbeiders zoals bedoeld in artikel 1, § 1, eerste lid, van voormeld koninklijk besluit van 5 juli 2004, bij hun erkenning door de administratieve commissie, paritair samengesteld eensdeels uit leden aangewezen door de werkgeversorganisaties vertegenwoordigd in het betrokken paritair subcomité en anderdeels uit leden aangewezen door de werknemersorganisaties vertegenwoordigd in het paritair subcomité, ofwel worden opgenomen in de pool van havenarbeiders ofwel niet, waarbij bij de erkenning tot opname rekening wordt gehouden met de behoefte aan arbeidskrachten, ermee rekening houdende tevens dat voor die administratieve commissie niet in een uiterlijke beslissingstermijn is voorzien en tegen haar erkenningsbeslissingen enkel is voorzien in een jurisdictioneel beroep? 2. Dient artikel 49, 56, 45, 34, 35, 101 of 102 van het VWEU, al dan niet in samenhang met artikel 106, lid 1, van het VWEU, in die zin te worden geïnterpreteerd dat het zich verzet tegen de regeling ingevoerd bij artikel 4, § 1, 2°, 3°, 6° en 8° van het koninklijk besluit van 5 juli 2004 zoals vervangen respectievelijk ingevoegd door artikel 4, 2°, 3°, 4° en 6°, van het bestreden koninklijk besluit van 10 juli 2016, namelijk de regeling die als voorwaarde voor de erkenning als havenarbeider oplegt dat de werknemer a) medisch geschikt wordt verklaard door de externe dienst voor preventie en bescherming op het werk, waarbij de organisatie van werkgevers die overeenkomstig artikel 3bis van de wet van 8 juni 1972 ‘betreffende de havenarbeid’ aangeduid werd als lasthebber aangesloten is en b) geslaagd is in de psychotechnische proeven afgenomen door het orgaan dat hiertoe door de erkende organisatie van werkgevers aangeduid als lasthebber overeenkomstig datzelfde artikel 3bis van de wet van 8 juni 1972, c) gedurende drie weken de voorbereidingslessen tot veilig werken en tot het verwerven van de vakbekwaamheid hebben gevolgd en geslaagd zijn voor de eindproef en d) reeds moet beschikken over een arbeidsovereenkomst wanneer het een havenarbeider betreft die niet opgenomen wordt in de pool, daarin begrepen, samen gelezen met artikel 4, § 3, van het koninklijk besluit van 5 juli 2004, dat de buitenlandse havenarbeiders moeten kunnen aantonen dat zij in een andere lidstaat aan vergelijkbare voorwaarden voldoen opdat zij voor de toepassing van de bestreden regeling niet meer aan die voorwaarden worden onderworpen? 3. Dient artikel 49, 56, 45, 34, 35, 101 of 102 van het VWEU, al dan niet in samenhang met artikel 106, lid 1, van het VWEU, in die zin te worden geïnterpreteerd dat het zich verzet tegen de regeling ingevoerd bij artikel 2, § 3 van het koninklijk besluit van 5 juli 2004, zoals vervangen door artikel 2 van het bestreden koninklijk besluit van 10 juli 2016, namelijk de regeling waarbij de havenarbeiders die niet worden opgenomen in de pool en die derhalve direct door een werkgever worden aangeworven met een arbeidsovereenkomst conform de wet van 3 juli 1978 ‘betreffende de arbeidsovereenkomsten’ en de duurtijd van hun erkenning wordt beperkt tot de duurtijd van deze arbeidsovereenkomst zodat telkens een nieuwe erkenningsprocedure moet worden aangevat? 4. Dient artikel 49, 56, 45, 34, 35, 101 of 102 van het VWEU, al dan niet in samenhang met artikel 106, lid 1, van het VWEU, in die zin te worden geïnterpreteerd dat het zich verzet tegen de regeling ingevoerd bij artikel 13/1 van het koninklijk besluit van 5 juli 2004, zoals ingevoegd door artikel 17 van het koninklijk besluit van 10 juli 2016, namelijk de overgangsmaatregel waarbij de arbeidsovereenkomst waarvan sprake in de derde prejudiciële vraag in eerste instantie moet zijn gesloten voor onbepaalde duur; vanaf 1 juli 2017 voor minstens twee jaar; vanaf 1 juli 2018 voor minstens één jaar; vanaf 1 juli 2019 voor minstens zes maanden; vanaf 1 juli 2020 met vrij te bepalen duurtijd? 5. Dient artikel 49, 56, 45, 34, 35, 101 of 102 van het VWEU, al dan niet in samenhang met artikel 106, lid 1, van het VWEU, in die zin te worden geïnterpreteerd dat het zich verzet tegen de regeling vervat in artikel 15/1 van het koninklijk besluit van 5 juli 2004, zoals ingevoegd door artikel 18 van het koninklijk besluit van 10 juli 2016, namelijk de (overgangs)maatregel waarbij de onder de oude regeling erkende havenarbeiders van rechtswege worden erkend als havenarbeiders in de pool waardoor de mogelijkheid van directe tewerkstelling (met een vast contract) van die havenarbeiders door een werkgever wordt belemmerd en de werkgevers verhindert om goede arbeidskrachten aan zich te binden door met hen rechtstreeks een vast contract te sluiten en deze laatsten werkzekerheid te bieden volgens de regels van het gemene arbeidsrecht? 6. Dient artikel 49, 56, 45, 34, 35, 101 of 102 van het VWEU, al dan niet in samenhang met artikel 106, lid 1, van het VWEU, in die zin te worden geïnterpreteerd dat het zich verzet tegen de regeling ingevoerd bij artikel 4, § 2 van het koninklijk besluit van 5 juli 2004, zoals vervangen door artikel 4, 7°, van het koninklijk besluit van 10 juli 2016, namelijk de regeling waarbij een cao de voorwaarden en modaliteiten bepaalt waaronder een havenarbeider kan worden tewerkgesteld in een ander havengebied dan datgene waar hij werd erkend waardoor mobiliteit van werknemers tussen de havengebieden wordt beperkt zonder dat de regelgever zelf duidelijkheid verschaft welke die voorwaarden of modaliteiten kunnen zijn? 7. Dient artikel 49, 56, 45, 34, 35, 101 of 102 van het VWEU, al dan niet in samenhang met artikel 106, lid 1, van het VWEU, in die zin te worden geïnterpreteerd dat het zich verzet tegen de regeling ingevoerd bij artikel 1, § 3 van het koninklijk besluit van 5 juli 2004, zoals vervangen door artikel 1, 2°, van het koninklijk besluit van 10 juli 2016, namelijk de regeling waarbij (logistieke) werknemers die arbeid verrichten in de zin van artikel 1 van het koninklijk besluit van 12 januari 1973 ‘tot oprichting en vaststelling van de benaming en van de bevoegdheid van het Paritair Comité voor het Havenbedrijf’ op locaties waar goederen ter voorbereiding van hun verdere distributie of verzending transformatie ondergaan die indirect leidt tot een aanwijsbare toegevoegde waarde over een veiligheidscertificaat moeten beschikken waarbij dat veiligheidscertificaat geldt als een erkenning in de zin van de wet van 8 juni 1972 ‘betreffende de havenarbeid’, ermee rekening houdende dat dit certificaat wordt aangevraagd door de werkgever die een arbeidsovereenkomst heeft getekend met een werknemer om activiteiten in die zin te verrichten en de uitgifte ervan gebeurt op vertoon van de arbeidsovereenkomst en de identiteitskaart waarbij de modaliteiten van de te volgen procedure worden vastgelegd via collectieve arbeidsovereenkomst, zonder dat de regelgever op dat punt duidelijkheid verschaft?
- равно третиране
- достъп до работа
- делегиране на власт
- полиция
Пълен текст
- NL PDF документ, отваря се в нов прозорец
-
Application de l'arrêt de la CJUE du 20 décembre 2017 dans l'affaire C-102/16, à propos de la 561/2006
- нарушение
- ежеседмичен отдих
- пътен транспорт
Пълен текст
- NL PDF документ, отваря се в нов прозорец
-
Directive 2010/13/EU - Un moyen manque en droit lorsqu'il invoque la violation d'une directive, transposée dans le droit interne, sans alléguer que cette transposition serait incorrecte, incomplète ou tardive.
- интензивно животновъдно земеделие
- пространствено планиране
- въздействие на околната среда
- градоустройствени норми
Пълен текст
- NL PDF документ, отваря се в нов прозорец
-
Les deux questions préjudicielles suivantes sont posées à la Cour de Justice de l’Union européenne : "Les §§ 2.22, 2.23, 2.27, 2.28 et 20.33 du règlement 549/2013 du Parlement européen et du Conseil du 21 mai 2013 relatif au système européen des comptes nationaux et régionaux doivent-ils être interprétés en ce sens qu’une entité institutionnelle distincte, placée sous le contrôle d’une administration publique, doit être considérée comme non marchande et relève dès lors du secteur des administrations publiques si elle présente les caractéristiques d’une institution financière captive, sans qu’il soit nécessaire d’examiner le critère de son exposition au risque ?". "Une entité fonctionnant sous le contrôle d’une administration publique peut-elle être qualifiée d’institution financière captive, au sens des paragraphes 2.21 à 2.23, 2.27 et 2.28 du règlement 549/2013 du Parlement européen et du Conseil du 21 mai 2013 relatif au système européen des comptes nationaux et régionaux : a) au motif que la réglementation de son activité par cette administration publique lui enlève la maîtrise sur ses actifs, alors qu’elle lui laisse la capacité de décider de l’octroi des prêts hypothécaires qu’elle accorde, de leur durée, de leur montant et de certaines de leurs conditions, tout en déterminant d’autres éléments et notamment le taux d’intérêt dont ils sont assortis; b) au motif que, notamment, la garantie qui est accordée par cette administration publique aux emprunts qu’elle contracte lui enlève la maîtrise sur ses passifs, sans examiner la finalité et les effets d’une telle garantie en fonction de ses caractéristiques en l’espèce et de la réalité économique sous-jacente ?".
- кредит за недвижимо имущество
- финансова институция
- държавна администрация
Пълен текст
- FR PDF документ, отваря се в нов прозорец
-
Projet de parc éolien soumis à études d'incidences - Intérêt au recours en annulation fondé notamment sur la Convention sur l'accès à l'information, la participation du public au processus décisionnel et à l'accès à la justice en matière d'environnement, faite à Aarhus le 25 juin 1998
- Околна среда
- право на справедливост
- възстановими ресурси
- екологичен стандарт
- управление на област
- опазване на околната среда
Пълен текст
- FR PDF документ, отваря се в нов прозорец
-
Selon la Cour de justice de l'Union européenne, le "pollueur" est une personne qui, "par son activité […] a contribué au risque de survenance de la pollution" (C.J.C.E., 24 juin 2008, C-188/07, commune de Mesquer). Dans cette acception large retenue par la Cour de justice de l'Union européenne, l'"auteur" de la pollution au sens de l'article 22, § 1er, 2o, du décret précité ne peut se réduire au seul auteur matériel de la pollution mais peut inclure aussi celui pour le compte de qui les travaux ayant entraîné la pollution du sol ont été exécutés dans le cadre d'un contrat d'entreprise, comme en l'espèce. La partie requérante, ayant contribué à la survenance de la pollution résultant du remblayage réalisé pour son compte et nécessaire à son activité, pouvait dès lors être désignée comme auteur présumé de la pollution, sans préjudice de la possibilité pour celle-ci d'introduire une action en responsabilité contre l'entrepreneur ayant réalisé le remblayage au moyen de terres contaminées.
- отговорност
- замърсяване на почвата
- установяване на промишлено предприятие
- анализ на почвата
Пълен текст
- FR PDF документ, отваря се в нов прозорец
-
5.1. Verzoeker voert in zijn verzoekschrift op voldoende duidelijke wijze een schending van de richtlijn 92/43/EEG van 21 mei 1992 ‘inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna’ (hierna : de habitatrichtlijn) aan; de verwerende partij heeft daartegen ook verweer gevoerd. De door deze partij desbetreffend aangevoerde ontvankelijkheidsexceptie is ongegrond. 5.2. Artikel 2, tweede lid, van de habitatrichtlijn omschrijft het doel van de richtlijn en maakt duidelijk dat de lidstaten er op grond van de richtlijn toe verplicht zijn om maatregelen te nemen die de natuurlijke habitats en de wilde dier- en plantensoorten die van communautair belang zijn in een gunstige staat van instandhouding te behouden of te herstellen. Artikel 6, eerste lid, van de habitatrichtlijn voegt daar nog aan toe dat de lidstaten “voor de speciale beschermingszones de nodige instandhoudingsmaatregelen [treffen]; deze behelzen zo nodig passende specifieke of van ruimtelijke-ordeningsplannen deel uitmakende beheersplannen en passende wettelijke, bestuursrechtelijke of op een overeenkomst berustende maatregelen, die beantwoorden aan de ecologische vereisten van de typen natuurlijke habitats van bijlage I en de soorten van bijlage II die in die gebieden voorkomen”. De omzetting van deze richtlijnbepaling is terug te vinden in artikel 36ter, § 1, van het decreet van 21 oktober 1997 ‘betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu’ (hierna: het natuurdecreet): “§ 1. De administratieve overheid neemt, binnen haar bevoegdheden, in de speciale beschermingszones, ongeacht de bestemming van het betrokken gebied, de nodige instandhoudingsmaatregelen die steeds dienen te beantwoorden aan de ecologische vereisten van de typen habitats vermeld in bijlage I van dit decreet en de soorten vermeld in de bijlagen II, III en IV van dit decreet evenals de niet in bijlage IV van dit decreet genoemde en op het grondgebied van het Vlaamse Gewest geregeld voorkomende soorten trekvogels. De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen met betrekking tot de nodige instandhoudingmaatregelen en de ecologische vereisten, evenals een procedure voor vaststelling van de instandhoudingsdoelstellingen.” Artikel 6, tweede tot en met vierde lid, van de habitatrichtlijn maakt de in artikel 2, tweede lid, omschreven doelstelling concreet en legt de lidstaten een aantal verplichtingen en specifieke procedures op met het oog op de instandhouding van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in de speciale beschermingszones. Artikel 6, tweede tot en met vierde lid, van de habitatrichtlijn luidt meer bepaald: “2. De Lid-Staten treffen passende maatregelen om ervoor te zorgen dat de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in de speciale beschermingszones niet verslechtert en er geen storende factoren optreden voor de soorten waarvoor de zones zijn aangewezen voor zover die factoren, gelet op de doelstellingen van deze richtlijn een significant effect zouden kunnen hebben. 3. Voor elk plan of project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van het gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor zo’n gebied, wordt een passende beoordeling gemaakt van de gevolgen voor het gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen van dat gebied. Gelet op de conclusies van de beoordeling van de gevolgen voor het gebied en onder voorbehoud van het bepaalde in lid 4, geven de bevoegde nationale instanties slechts toestemming voor dat plan of project nadat zij de zekerheid hebben verkregen dat het de natuurlijke kenmerken van het betrokken gebied niet zal aantasten en nadat zij in voorkomend geval inspraakmogelijkheden hebben geboden. 4. Indien een plan of project, ondanks negatieve conclusies van de beoordeling van de gevolgen voor het gebied, bij ontstentenis van alternatieve oplossingen, om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, toch moet worden gerealiseerd, neemt de Lid-Staat alle nodige compenserende maatregelen om te waarborgen dat de algehele samenhang van Natura 2000 bewaard blijft. De Lid-Staat stelt de Commissie op de hoogte van de genomen compenserende maatregelen. Wanneer het betrokken gebied een gebied met een prioritair type natuurlijke habitat en/of een prioritaire soort is, kunnen alleen argumenten die verband houden met de menselijke gezondheid, de openbare veiligheid of met voor het milieu wezenlijke gunstige effecten dan wel, na advies van de Commissie, andere dwingende redenen van groot openbaar belang worden aangevoerd.” Artikel 6, derde en vierde lid, van de habitatrichtlijn is omgezet in het intern recht door artikel 36ter, §§ 3, 4 en 5, van het natuurdecreet. Deze bepalingen luiden: “§ 3. Een vergunningsplichtige activiteit die, of een plan of programma dat, afzonderlijk of in combinatie met één of meerdere bestaande of voorgestelde activiteiten, plannen of programma’s, een betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone kan veroorzaken, dient onderworpen te worden aan een passende beoordeling wat betreft de betekenisvolle effecten voor de speciale beschermingszone. […] De initiatiefnemer is verantwoordelijk voor het opstellen van de passende beoordeling. […] § 4. De overheid die over een vergunningsaanvraag, een plan of programma moet beslissen, mag de vergunning slechts toestaan of het plan of programma slechts goedkeuren indien het plan of programma of de uitvoering van de activiteit geen betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van de betrokken speciale beschermingszone kan veroorzaken. De bevoegde overheid draagt er steeds zorg voor dat door het opleggen van voorwaarden er geen betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone kan ontstaan. § 5. In afwijking op de bepalingen van § 4, kan een vergunningsplichtige activiteit die of een plan of programma dat afzonderlijk of in combinatie met één of meer bestaande of voorgestelde activiteiten, plannen of programma’s, een betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone kan veroorzaken, slechts toegestaan of goedgekeurd worden a) nadat is gebleken dat er voor de natuurlijke kenmerken van de speciale beschermingszone geen minder schadelijke alternatieve oplossingen zijn en b) omwille van dwingende redenen van groot openbaar belang met inbegrip van redenen van sociale of economische aard. Wanneer de betrokken speciale beschermingszone of een deelgebied ervan, een gebied met een prioritair type natuurlijke habitat of een prioritaire soort is, komen alleen argumenten die verband houden met de menselijke gezondheid, de openbare veiligheid of met voor het milieu wezenlijk gunstige effecten dan wel, na advies van de Europese Commissie, andere dwingende redenen van groot openbaar belang, in aanmerking. De afwijking bedoeld in het voorgaande lid kan bovendien slechts toegestaan worden nadat voldaan is aan de volgende voorwaarden: 1° de nodige compenserende maatregelen genomen zijn en de nodige actieve instandhoudingsmaatregelen genomen zijn of worden die waarborgen dat de algehele samenhang van de speciale beschermingszone en -zones bewaard blijft; 2° de compenserende maatregelen zijn van die aard dat een evenwaardige habitat of het natuurlijk milieu ervan, van minstens een gelijkaardige oppervlakte in principe actief is ontwikkeld. De Vlaamse regering kan nadere regels vaststellen voor het opstellen van een passende beoordeling van de effecten van de activiteit op de habitats, de habitats van een soort en op de soort of soorten waarvoor de speciale beschermingszone is aangewezen, voor het onderzoeken van minder schadelijke alternatieven en inzake de compenserende maatregelen. De Vlaamse regering oordeelt over het bestaan van een dwingende reden van groot openbaar belang met inbegrip van redenen van sociale of economische aard. Elke beslissing in uitvoering van de afwijkingsprocedure van deze paragraaf, wordt met redenen omkleed.” Artikel 2, 30°, van het decreet Natuurbehoud definieert “betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone” als volgt: “een aantasting die meetbare en aantoonbare gevolgen heeft voor de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone, in de mate er meetbare en aantoonbare gevolgen zijn voor de staat van instandhouding van de soort(en) of de habitat(s) waarvoor de betreffende speciale beschermingszone is aangewezen of voor de staat van instandhouding van de soort(en) vermeld in bijlage III van dit decreet voor zover voorkomend in de betreffende speciale beschermingszone.” Artikel 2, 38°, van het natuurdecreet omschrijft de “natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone” als volgt: “het geheel van biotische en abiotische elementen, samen met hun ruimtelijke en ecologische kenmerken en processen, die nodig zijn voor de instandhouding van a) de natuurlijke habitats en de leefgebieden van de soorten waarvoor de betreffende speciale beschermingszone is aangewezen en b) de soorten vermeld in de bijlage III.” 5.3. Een ruimtelijk uitvoeringsplan is, zoals elke bestuurshandeling, onderworpen aan de materiëlemotiveringsverplichting, hetgeen inhoudt dat het moet worden gedragen door rechtens verantwoorde motieven die blijken, hetzij uit het ruimtelijk uitvoeringsplan zelf, hetzij uit de stukken van het dossier. 5.4. Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt onder meer in dat de overheid haar besluiten op een zorgvuldige wijze moet voorbereiden door de relevante gegevens en de op het spel staande belangen te inventariseren en deze gegevens en belangen tegen elkaar af te wegen in het licht van het doel van het besluit. 5.5. Verzoeker voert aan, en de verwerende partij weerlegt niet, dat de kwestieuze parkeerzone zich binnen de SBZ bevindt in een voorlopig afgebakende “zoekzone”, die is aangeduid in het kader van “de habitattypes 9120 en 9190 (Atlantische zuurminnende beukenbossen en zuurminnende Eiken- en Berkenbossen)”. 5.6. Het bestreden PRUP houdt niet direct verband met – of is nodig voor – het beheer van de SBZ, maar voorziet wel in de aanleg van een parkeerzone van maximaal 2750 m² verharde oppervlakte voor 60 voertuigen in de SBZ. 5.7. Verzoeker betoogt, zoals ook aangevoerd in zijn bezwaarschrift (zie randnummer 3.11), dat de aanleg van een parking voor 60 voertuigen de toekomstige invulling van het habitatrichtlijngebied hypothekeert. 5.8. Terecht stelt verzoeker dat het argument van de Procoro dat zich op de kwestieuze locatie momenteel geen habitat zou bevinden, zijn voormelde kritiek niet weerlegt, nu de instandhoudingsdoelstellingen een “stijging” van de natuurwaarden beogen. Het argument van de Procoro dat volgens het advies van de afdeling Natuur en Bos geen onvermijdbare en onherstelbare schade aan de natuur “in het VEN” zal worden veroorzaakt, toont voorts evenmin aan dat de aanleg van de kwestieuze parking de toekomstige invulling van het “habitatrichtlijngebied” niet vermag te hypothekeren. Dat de aanleg van de kwestieuze parking in habitatgebied toelaat om elders bestaande parkings te “supprimeren” en het vervangen van die parkings door één grote groene parking ten voordele komt van het gehele habitatrichtlijngebied, komt de Raad van State dan weer voor als een “compenserende maatregel” in de zin van artikel 6, vierde lid, van de habitatrichtlijn, waarvoor de bij deze bepaling gestelde voorwaarden niet blijken te zijn vervuld. 5.9. De door de verwerende partij aangevoerde omstandigheid dat de instandhoudingsdoelstellingen gerealiseerd zullen worden “in het natuurgebied” van het PRUP, dat zij het initiatief zal nemen om dit zoveel als mogelijk op haar gronden te realiseren, en dat in de “creatie van ca. 170 ha extra natuurgebied” wordt voorzien, overtuigen er voorts evenmin van dat de toekomstige invulling van het habitatrichtlijngebied door de kwestieuze parkeerlocatie niet kan gehypothekeerd worden. 5.10. Gelet op het voormelde, vermocht de dienst Mer, daarin bijgetreden door de plannende overheid, er niet met goed gevolg van uitgaan dat er geen risico op een betekenisvolle aantasting van de actuele “en potentieel te realiseren” habitats bestaat en dat “een passende beoordeling [dus] niet nodig is”. 5.11. Dat het Grondwettelijk Hof met zijn arrest nr. 57/2016 van 28 april 2016 de artikelen 40 tot 43, 45 tot 48 en 78 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 9 mei 2014 ‘tot wijziging van de regelgeving inzake natuur en bos’ heeft vernietigd, in zoverre die bepalingen niet voorzien in de inspraak voor het publiek in bepaalde gevallen of de Vlaamse regering niet machtigen daarin te voorzien, vermag aan de voormelde vaststelling geen afbreuk te doen. 5.12. Het bestreden PRUP blijkt zodoende met schending van de habitatrichtlijn, het materiëlemotiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel te zijn vastgesteld. 5.13. Het middel is in de aangegeven mate gegrond.
- пространствено планиране
- защитена зона
- паркинг
Пълен текст
- NL PDF документ, отваря се в нов прозорец
-
Artikel 23.2 van richtlijn 2011/95 voorziet enkel de waarborg “dat gezinsleden van de persoon die internationale bescherming geniet die zelf niet in aanmerking komen voor dergelijke bescherming aanspraak kunnen maken op de in de artikelen 24 tot en met 35 genoemde voordelen, overeenkomstig de nationale procedures en voor zover verenigbaar met de persoonlijke juridische status van het gezinslid”. Wat de verblijfstitels betreft, voorziet artikel 24.1, tweede lid, van richtlijn 2011/95 dat “onverminderd het bepaalde in artikel 23, lid 1, […] de aan de gezinsleden van de personen met de vluchtelingenstatus af te geven verblijfstitel minder dan drie jaar geldig […] en verlengbaar [kan] zijn”. De voornoemde bepalingen voorzien dus net de mogelijkheid dat gezinsleden van de persoon die internationale bescherming geniet zelf deze beschermingsstatus niet krijgen doch dat hen overeenkomstig de nationale procedures een verblijfstitel wordt gegeven die minder dan drie jaar geldig kan zijn. Uit de door verzoekster zelf verstrekte gegevens blijkt, hetgeen niet wordt betwist, dat verzoekster een aanvraag om machtiging tot verblijf heeft ingediend met toepassing van artikel 9bis van de vreemdelingenwet en dat haar een A-kaart is verleend die telkens werd verlengd voor de duur van één jaar of van zes maanden. Vermits de Belgische wet voorziet in een procedure om verzoekster een verblijfsrecht toe te kennen dat tijdelijk en verlengbaar is, kon de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op wettige wijze oordelen dat verzoekster geen recht heeft op de vluchtelingenstatus of de subsidiaire beschermingsstatus, enkel als gezinslid van haar twee minderjarige kinderen met de vluchtelingenstatus, dat verzoekster overeenkomstig de nationale procedures een verblijfstitel kan bekomen en dat zij “aldus gebruik dient te maken van de geëigende procedures die zouden kunnen leiden tot een verblijfsrecht in België op basis van de gezins¬situatie”. Aan het voorgaande wordt geen afbreuk gedaan doordat te dezen geen gezinshereniging mogelijk zou zijn met toepassing van artikel 10, § 1, eerste lid, 7°, van de vreemdelingenwet omdat verzoeksters kinderen in België zijn geboren en er steeds hebben verbleven.
- международна закрила
- извеждане
- събиране на семейството
Пълен текст
- NL PDF документ, отваря се в нов прозорец
-
Daargelaten de vraag, gelet op de niet betwiste onvolledigheid van de screeningsnota gevoegd bij de aanvraag, welke informatie nog in de aanvraag vervat zat om de milieueffecten van de inrichting te kunnen beoordelen, lijkt in elk geval te moeten worden vastgesteld dat blijkens voornoemde motivering de bestreden beslissing is voorbijgegaan aan de eigenheid van de voorafgaande screening. Deze houdt in dat in een eerste beoordeling wordt nagegaan of het project aanzienlijke milieueffecten kan hebben. Wanneer dit niet a priori kan worden uitgesloten, moet een milieueffectenrapport (hierna: MER) worden opgemaakt dat een grondiger onderzoek inhoudt en bijgevolg grotere waarborgen biedt. “Hetgeen wordt besproken onder de milieuhygiënische aspecten” waarvan sprake in voornoemde motivering kadert binnen het onderzoek dat de bevoegde overheid overeenkomstig het milieuvergunningsdecreet en haar uitvoeringsbesluiten dient te voeren om na te gaan of de aan de vergunningsplicht onderworpen activiteiten, die in principe verboden zijn, kunnen plaatsvinden in omstandigheden die vanuit oogpunt van de bescherming van de mens en het leefmilieu aanvaardbaar of toelaatbaar zijn. De voorafgaande screening om te beoordelen of het project al dan niet aanzienlijke milieueffecten kan hebben, kadert binnen de Vlaamse MER-regelgeving die het gevolg is van de omzetting van richtlijn 2011/92/EU, en gebiedt dienvolgens een eigen beoordeling en uitdrukkelijke concrete motivering, die in dit geval lijken te ontbreken.
- мандра
- пространствено планиране
- природен резерват
- градоустройствени норми
Пълен текст
- NL PDF документ, отваря се в нов прозорец
-
Verzoeker kan niet dienstig verwijzen naar de zaak C-550/16 bij het Hof van Justitie van de Europese Unie omdat die zaak betrekking heeft op rechten die voortvloeien uit de erkenning als vluchteling, die inderdaad declaratoire werking heeft. Te dezen werd verzoeker echter niet erkend als vluchteling, heeft hij de weigering van de vluchtelingenstatus niet betwist en betreft het enkel de vraag naar de beoordeling van het redelijk karakter van het intern vestigingsalternatief. Bovendien volgt uit artikel 8, lid 2, iuncto artikel 4, lid 3, a), van richtlijn 2011/95, waarnaar verzoeker verwijst, dat de lidstaten op het ogenblik van hun beslissing over binnenlandse bescherming rekening houden met de algemene omstandigheden in dat deel van het land van herkomst en de persoonlijke omstandigheden van een verzoeker. Het gaat derhalve ook wat verzoeker zelf betreft over de actuele toestand en niet over de toestand op het ogenblik van het indienen van de aanvraag.
- международна закрила
- миграция при завръщане
- Европейска конвенция за правата на човека
Пълен текст
- NL PDF документ, отваря се в нов прозорец
-
Egalité et non-discrimination – Taille requise pour être recruté comme policier Uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ, 18 oktober 2017, C-409/16) blijkt dat de wens om de inzetbaarheid en de goede werking van de politiediensten te verzekeren, een legitieme doelstelling is die het bezit van bijzondere lichamelijke eigenschappen kan verantwoorden. De lichamelijke vereiste van een minimale lichaamslengte mag evenwel niet tot gevolg hebben dat hierdoor een veel groter aantal vrouwen dan mannen wordt benadeeld of wanneer blijkt dat het gehanteerde criterium niet geschikt noch noodzakelijk is om het ermee nagestreefde doel te bereiken. Uit de beoordeling van het tweede middel is gebleken dat verzoekster zich kandidaat heeft gesteld om te worden toegelaten tot de basisopleiding van het basiskader (aspirant-inspecteur van politie). Het betreft een politiefunctie binnen het operationeel kader waarbij het personeelslid moet kunnen worden ingezet volgens de operationele noodwendigheden van de dienst en alle taken moet kunnen vervullen die het wellicht zal moeten vervullen daarin begrepen het (legitiem) gebruik van geweld waarbij veiligheid en gezondheid van henzelf, collega’s en derden essentieel zijn. De te dezen vastgelegde minimale lichaamslengte van 152 cm is een vast en dus objectief criterium. Uit de door de verwerende partij bijgebrachte gegevens blijkt dat de gemiddelde lichaamslengte van vrouwen in België 168 cm bedraagt wat ruim boven de te dezen vereiste minimumlengte ligt voor de werving bij het leger en de geïntegreerde politie. Het gehanteerde uitsluitingscriterium leidt er niet toe dat hierdoor een groter aantal vrouwen dan mannen wordt benadeeld (cfr. supra). Verzoekster toont voorts niet aan dat die minimumgrens onredelijk of disproportioneel zou zijn. Waar verzoekster kan worden bijgetreden dat zij in het kader van de fysiek-medische geschiktheidsproef weliswaar is geslaagd voor het functioneel parcours waaruit blijkt dat zij de basiscondities en -fitheid heeft die nodig is om de basisopleiding te kunnen aanvatten, slaagt zij er daarmee nog niet in aan te tonen dat de te dezen vereiste minimale lichaamslengte van 152 cm niet geschikt of noodzakelijk zou zijn om het nagestreefde doel te bereiken: garanderen dat de functies en taken die in het operationeel kader moeten kunnen worden vervuld, ook kunnen worden vervuld. Het is niet onredelijk zoals de verwerende partij aangeeft deze -lage- minimumdrempel - noodzakelijk te achten met het oog op de dracht en, het besturen van allerlei politioneel (veiligheids)materieel, de belasting ervan op het lichaam, de vereiste minimumgestalte met het oog op het houden van overzicht bij het uitvoeren van interventies, enzovoort. Het volstaat niet louter te stellen zoals verzoekster doet dat er, wat het dragen van beschermingskledij en wapens betreft, “geen wezenlijk verschil tussen 152 en 151 cm lichaamslengte” is. Een schending van het gelijkheidsbeginsel en van het beginsel van non-discriminatie ligt in die omstandigheden niet voor. Het gegeven dat zij reeds voor die proef is geslaagd, doet er voorts niet aan af dat de vereiste minimumgrens is bepaald op 152 cm en dat artikel 12, eerste lid, 6°, van de wet van 26 april 2002 vereist, eensdeels, dat “de kandidaat voldoet aan de vereiste fysieke vaardigheden” en, anderdeels, dat wil zeggen cumulatief, “vrij is van alle gebreken die onverenigbaar zijn met de eisen van het ambt op de datum waarop hij of zij aan de selectieproeven deelneemt”. Weliswaar bepaalt artikel IV.1.16 RPPol dat de proeven “in principe” derwijze plaatsvinden dat het niet mogelijk is aan een proef deel te nemen zonder de voor de voorafgaande selectieproef bepaalde minimumdrempel te hebben behaald, doch dit doet er finaal niet aan af dat het in artikel 12, eerste lid, 6°, genoemde vereiste vervuld moet zijn “bij de toelating tot de basisopleiding” (cfr. artikel 14 van de wet van 26 april 2002). Uit artikel IV.30, van het UBPol vloeit tot slot voort dat slechts de minimumdrempel voor de proef (dit is de fysiek-medische geschiktheidsproef) wordt bereikt door de kandidaat (i) waarover de directeur van de directie van de rekrutering en van de selectie van de federale politie de in artikel IV.8ter, eerste lid, 1°, UBPol bedoelde beoordeling (dit is “geschikt” op basis van het functioneel parcours om de basisopleiding aan te vatten) uitbrengt én, cumulatief, (ii) waarvoor de onderzoekende arts de in artikel IV.9, eerste lid, 1°, UBPol bedoelde beslissing “geschikt” neemt.
- равно третиране
- достъп до работа
- делегиране на власт
- полиция
Пълен текст
- NL PDF документ, отваря се в нов прозорец
-
- услуга
- търговски център
- регионално планиране
- пространствено планиране
Пълен текст
- NL PDF документ, отваря се в нов прозорец
-
De omstandigheid dat in bijlage I van MER-richtlijn 2011/92/EU enkel installaties voor intensieve “pluimvee- of varkenshouderij” worden vermeld, impliceert niet dat de “intensieve veeteeltbedrijven (voor zover niet in bijlage I opgenomen)” van bijlage II enkel pluimvee of varkens kunnen betreffen. De Vlaamse regering noemt in bijlage II van haar project-MER-besluit ook “ander gevogelte dan legkippen”, “mestkalveren” en “struisvogels en struisvogelachtigen” en heeft derhalve uit de verdere specificatie naar aantallen mesthoenders, hennen, mestvarkens en zeugen in bijlage I van de MER-richtlijn 2011/92/EU, niet afgeleid dat bijlage II enkel diezelfde dieren in kleinere aantallen kon viseren. Uit de tekst van het project-MER-besluit, alsook uit de opzet van de MER-richtlijn 2011/92/EU en de in bijlage III van deze richtlijn opgenomen selectiecriteria die de lidstaten dienen te hanteren bij het bepalen van de eventuele MER-plicht voor de projecten van bijlage II van deze richtlijn, kan niet worden afgeleid dat intensieve veeteeltbedrijven waar enkel andere runderen dan mestkalveren worden gehouden in alle omstandigheden en ongeacht de aantallen zouden zijn vrijgesteld van een project-MER of een project-MER-screeningsnota.
- интензивно животновъдно земеделие
- пространствено планиране
- въздействие на околната среда
- градоустройствени норми
Пълен текст
- NL PDF документ, отваря се в нов прозорец
-
Wartezeitkündigung - Hinweisgeber - Weiterbeschäftigung
- Заетост
- Социална политика
- организация на работата и условия на труда
Пълен текст
- DE PDF документ, отваря се в нов прозорец
-
In a ruling dated March 19, 2026, the Supreme Administrative Court confirmed that the absence of the European Single Procurement Document (ESPD) from subcontractors—on whom the bidder relies to meet minimum technical capacity requirements—constitutes a remediable irregularity, rather than grounds for automatic exclusion of the bid. The issue arose in a restricted tender based on prior qualification organized by the IPO in Lisbon, in which the jury requested that this deficiency be remedied; the successful bidder rectified the situation and was ultimately awarded the contract, with the runner-up challenging the decision. The court relied on European law to uphold the remediability. It invoked Article 59 of Directive 2014/24/EU, which defines the ESPD as merely preliminary evidence and a formal declaration—and not as a contractually binding document—and Article 63 of the same Directive, which even permits the substitution of third parties when they prove unsuitable, without automatic exclusion of the candidate. Three CJEU judgments were also cited: the order of January 10, 2023 (C-469/22, Ambisig), which declared it incompatible with the Directive to require documents from third parties only after the award; the judgment of June 3, 2021 (C-210/20), which prohibited the automatic exclusion of a candidate when an auxiliary company provided inaccurate statements, requiring that the candidate be given the opportunity to replace it; and the judgment of January 22, 2026 (C-812/24), the most recente and decisive ruling, in which the CJEU held that the omission of the DEUCP for an entity linked to the candidate does not result in its exclusion, provided that the irregularity can be rectified in accordance with the principles of equal treatment and transparency. At the domestic level, the STA emphasized that Article 72(3)(a) of the Public Procurement Code expressly mentions the DEUCP as a document subject to the supplementation regime, without distinguishing between the candidate’s DEUCP and that of third parties. Any restrictive interpretation in this regard would lack a legal basis and would run counter to the spirit of the European legislator, who intended to subject all declaratory documents submitted as part of a tender to the same formal regime. Translated with DeepL.com (free version)
- сближаване на законодателството
Пълен текст
- PT нов прозорец
-
Un plan d'exécution provincial en matière d'urbanisme ne peut pas être qualifié comme une mesure qui détermine l'usage de petites zones au niveau local.
- Околна среда
- пространствено планиране
- управление на област
- Провинция на Западна Фландрия
- регион
Пълен текст
- NL PDF документ, отваря се в нов прозорец
-
- Харта на основните права
- позволение за пребиваване
- право на справедливост
- миграционна политика на ЕС
- обществена безопасност
Пълен текст
- FR PDF документ, отваря се в нов прозорец
-
Par son arrêt n° 95/2012 du 19 juillet 2012, la Cour constitutionnelle a annulé les articles 58 et 59 du CoBAT " en ce qu'ils exemptent toute abrogation d'un plan particulier d'affectation du sol d'une évaluation environnementale au sens de la directive 2001/42/CE du Parlement européen et du Conseil du 27 juin 2001 relative à l'évaluation des incidences de certains plans et programmes sur l'environnement ". L'annulation de l'article 58 du CoBAT par la Cour constitutionnelle ne vaut néanmoins qu'en ce qu'elle exempte " toute " abrogation d'un plan particulier d'affectation du sol d'une évaluation environnementale. La Cour n'a pas exclu que certaines abrogations puissent être exemptées de l'évaluation environnementale. L'abrogation partielle d'un P.P.A.S. ayant pour effet que les demandes de permis d'urbanisme introduites en vue d'y effectuer des actes et travaux soumis à permis devront être appréciées en fonction du PRAS et des règlements d'urbanisme correspond à la situation envisagée par la C.J.U.E. dans l'arrêt du 22 mars 2012 (C 567/10), où " l'acte abrogé s'insère dans une hiérarchie d'actes d'aménagement du territoire, dès lors que ces actes prévoient des règles d'occupation du sol suffisamment précises, qu'ils ont eux-mêmes fait l'objet d'une évaluation de leurs incidences sur l'environnement et qu'il peut être raisonnablement considéré que les intérêts que la directive 2001/42 vise à protéger ont été suffisamment pris en compte dans ce cadre. Même si la commune et le Gouvernement ne se sont pas estimés liés par la directive 2001/42/CE du 27 juin 2001 relative à l'évaluation de certains plans et programmes sur l'environnement et s'ils n'ont pas examiné le dossier sous cet angle, la décision qu'ils ont prise d'abroger le P.P.A.S. litigieux sans procéder à une évaluation environnementale s'inscrit dans l'exemption d'en organiser une, telle qu'elle résulte de la directive et de l'interprétation qu'en a donnée la C.J.U.E.*, ainsi que de la réserve faite par la Cour constitutionnelle** qui, en reprochant au CoBAT d'exempter "toute" abrogation de l'évaluation environnementale, a admis que certaines abrogations le soient. En effet, l'abrogation réalisée par la décision litigieuse, par son ampleur limitée, et par l'application qu'elle laisse subsister d'autres dispositions qui encadrent les actes et travaux affectant les parcelles incluses dans le P.P.A.S. abrogé, ne devait pas être soumise à l'évaluation environnementale prescrite par la directive 2001/42/CE.
- Околна среда
- частна собственост
- жилищен район
- разрешение за строителство
- градоустройствен план
- строителен терен
Пълен текст
- FR PDF документ, отваря се в нов прозорец
-
La compétence de l'État belge pour adopter un ordre de quitter le territoire dans le cadre de la directive procédure 2008/115/CE n'est pas une compétence entièrement liée. Le considérant (6) de l'exposé des motifs de la directive 2008/115/CE du Parlement européen et du Conseil du 16 décembre 2008 précitée indique ainsi, notamment, que "conformément aux principes généraux du droit de l'Union européenne, les décisions prises en vertu de la présente directive devraient l'être au cas par cas et tenir compte de critères objectifs, ce qui implique que l'on prenne en considération d'autres facteurs que le simple fait du séjour irrégulier " et le considérant (22), quant à lui, expose que " la présente directive respecte les droits fondamentaux et observe les principes reconnus, en particulier, par la charte des droits fondamentaux de l'Union européenne ". En privilégiant la garantie des droits de la défense de l'étranger, l'arrêt du Conseil du contentieux des étrangers ne contrevient pas à l'effet utile de la directive précitée mais il est au contraire conforme aux recommandations susvisées que le Parlement européen et le Conseil ont exprimées dans l'exposé des motifs.
- Свободно движение на работници
- позволение за пребиваване
- извеждане
- право на справедливост
- миграция в Общността
Пълен текст
- FR PDF документ, отваря се в нов прозорец
-
- право на образование
- училищно законодателство
- художествено образование
- средно образование
- Европейска конвенция за правата на човека
Пълен текст
- NL PDF документ, отваря се в нов прозорец
-
Art. 7, § 2, van de handelsvestigingenwet werd door art. 18 van de wet van 22 december 2009 gewijzigd - waarbij het criterium "weerslag op de bestaande handel" het criterium "bescherming van het stedelijk milieu" is geworden - om tegemoet te komen aan art. 14.5 van de dienstenrichtlijn (2006/123/EG).
- Вътрешен пазар — Принципи
- право на справедливост
- търговска площ
- лиценз за стопанска дейност
Пълен текст
- NL PDF документ, отваря се в нов прозорец
-
Marchés publics - Directive 2004/18 - Application après l'arrêt de la CJUE du 14 juillet 2016, C-6/15 In zijn arrest C-6/15 van 14 juli 2016 oordeelt het HvJ inzake art. 53, lid 2, van Richtlijn 2004/18/EG, dat de beoordelingsmethode in beginsel niet na de opening van de offertes door de aanbestedende dienst mag worden vastgesteld, dit om elk risico van favoritisme uit te sluiten. Het HvJ voorziet slechts in één uitzondering, meer bepaald wanneer de methode om "aantoonbare redenen" niet vóór deze opening kan worden vastgesteld. Het is bijgevolg in beginsel ongeoorloofd om na de opening van de offertes de beoordelingsmethode nog vast te stellen zonder dat moet worden aangetoond dat die vaststelling na de opening van de offertes een discriminatoir effect heeft gehad op één van de inschrijvers. Te dezen erkent de verw. p. zelf dat zij voor de beoordelingsmethode pas koos na de opening van de offertes. De argumentatie die zij daarvoor aanbrengt, namelijk "om een correcte en representatieve beoordeling en vergelijking van de offertes toe te laten", overtuigt niet als "aantoonbare reden". De vaststelling dat er sprake is van grote gelijkenissen tussen de offertes met betrekking tot de kwaliteit had eerder aanleiding moeten geven om te kiezen voor een meer "verfijnde" methode teneinde te voorkomen dat de kwalitatieve verschillen tussen de offertes worden uitgevlakt en het prijscriterium de facto doorslaggevend wordt. De toepassing van de gebruikte beoordelingsmethode "hoog-voldoende-laag" laat minder toe om de offertes naar hun inhoudelijke eigenschappen te rangschikken dan de toepassing van "een cijfermatige beoordeling uitgedrukt in punten of percentages" of het gebruik van "een meer gedetailleerde schaal "zeer laag - middenlaag - matig - hoog - zeer hoog - excellent". Het feit dat de verw. p. deze ARGUS-methode reeds vroeger heeft toegepast, bevestigt eerder dat de toepassing van deze methode vóór de opening van de offertes kon worden vastgesteld. De verw. p. maakt niet aannemelijk dat de beoordelingsmethode om aantoonbare redenen niet vóór de opening van de offertes kon worden vastgesteld, zodat het ingeroepen transparantiebeginsel geschonden is. Het HvJ heeft in zijn arrest C-6/15 van 14 juli 2016 inzake art. 53, lid 2, van Richtlijn 2004/18/EG overwogen dat het feit dat de aanbestedende dienst de beoordelingsmethode na de bekendmaking van de aankondiging van de opdracht of het bestek vaststelt niet tot gevolg mag hebben dat de gunningscriteria of het relatieve gewicht ervan worden gewijzigd. Te dezen stelt zich de vraag of de keuze van de verw. p. voor de beoordelingsmethode "hoog-voldoende-laag" bij de beoordeling van het gunningscriterium "kwaliteit van de offerte" het relatieve gewicht van de gunningscriteria heeft gewijzigd zoals aangekondigd in het bestek in de zin dat elk van beide criteria ("kwaliteit van de offerte" en "prijs") als evenwaardig worden beschouwd en dus elk voor de helft bepalend zullen zijn voor de rangschikking. De RvS stelt vast dat, aangezien drie van de vier offertes, waaronder de offerte van de verz. p., voor het criterium "kwaliteit" de score "hoog" hebben verkregen, en er geen scores zijn gegeven om de offertes nader van elkaar te onderscheiden en naar hun inhoudelijke eigenschappen te rangschikken, het criterium "prijs" bij de gunning van de opdracht beslissend is geweest. Hierdoor werd de draagwijdte van het criterium "kwaliteit" afgevlakt ten aanzien van het criterium "prijs", zodat dit laatste criterium bij de keuze van degene aan wie de opdracht werd gegund een relatief hoger gewicht heeft gehad dan de in het bestek vermelde weging van 50 % redelijkerwijs kon doen vermoeden. De door de verw. p. achteraf gekozen beoordelingsmethode blijkt dus de weging van de gunningscriteria te hebben gewijzigd. Bijgevolg is het onrechtmatig dat deze methode voor de beoordeling van de offertes door de verw. p. achteraf werd vastgesteld en had deze methode vooraf in de aankondiging van de opdracht of het bestek bekend moeten worden gemaakt.
- Обществени поръчки на Европейския съюз
- обявяване на търг за обществена поръчка
- представяне на оферта
- обществени поръчки
Пълен текст
- NL PDF документ, отваря се в нов прозорец
