National retspraksis

Denne side indeholder en samling af vigtige nationale domstolsafgørelser vedrørende EU-retten, som Den Europæiske Unions Domstolsnetværk (JNEU) har gjort det muligt at dele.

Dokumenterne er tilgængelige på de sprog, som er anvendt af de nationale domstole.

Adgang til national retspraksis

Nedenfor finder du en fuldstændig liste over afgørelser, som er udvalgt af EU-medlemsstaternes forfatningsdomstole og øverste domstole. 

Andre ressourcer

»Dec.Nat«-databasen (database over national retspraksis) indeholder endvidere et udvalg af nationale afgørelser, der er relevant for EU-retten, og som navnlig udspringer af praksis fra de øverste forvaltningsdomstole.

Denne database er oprettet af Association of the Councils of State and Supreme Administrative Jurisdictions of the European Union (ACA-Europe), som er et partnernetværk til Den Europæiske Unions Domstolsnetværk (JNEU). Den indeholder henvisninger til national retspraksis, der er fastlagt efter præjudicielle afgørelser fra EU-Domstolen. Den findes på engelsk og fransk.

Domstol, der er ophavsmand

Emne

  • Diverses questions préjudicielles sont posées à la CJUE par le Conseil d'Etat à propos du TFUE: 1. Dient artikel 49, 56, 45, 34, 35, 101 of 102 van het VWEU, al dan niet gelezen in samenhang met artikel 106, lid 1, van het VWEU, in die zin te worden uitgelegd dat het zich verzet tegen de regeling vervat in artikel 1 van het koninklijk besluit van 5 juli 2004 ‘betreffende de erkenning van havenarbeiders in de havengebieden die onder het toepassingsgebied vallen van de wet van 8 juni 1972 betreffende de havenarbeid’, samen gelezen met artikel 2, van voormeld besluit van 5 juli 2004, namelijk de regeling dat de havenarbeiders zoals bedoeld in artikel 1, § 1, eerste lid, van voormeld koninklijk besluit van 5 juli 2004, bij hun erkenning door de administratieve commissie, paritair samengesteld eensdeels uit leden aangewezen door de werkgeversorganisaties vertegenwoordigd in het betrokken paritair subcomité en anderdeels uit leden aangewezen door de werknemersorganisaties vertegenwoordigd in het paritair subcomité, ofwel worden opgenomen in de pool van havenarbeiders ofwel niet, waarbij bij de erkenning tot opname rekening wordt gehouden met de behoefte aan arbeidskrachten, ermee rekening houdende tevens dat voor die administratieve commissie niet in een uiterlijke beslissingstermijn is voorzien en tegen haar erkenningsbeslissingen enkel is voorzien in een jurisdictioneel beroep? 2. Dient artikel 49, 56, 45, 34, 35, 101 of 102 van het VWEU, al dan niet in samenhang met artikel 106, lid 1, van het VWEU, in die zin te worden geïnterpreteerd dat het zich verzet tegen de regeling ingevoerd bij artikel 4, § 1, 2°, 3°, 6° en 8° van het koninklijk besluit van 5 juli 2004 zoals vervangen respectievelijk ingevoegd door artikel 4, 2°, 3°, 4° en 6°, van het bestreden koninklijk besluit van 10 juli 2016, namelijk de regeling die als voorwaarde voor de erkenning als havenarbeider oplegt dat de werknemer a) medisch geschikt wordt verklaard door de externe dienst voor preventie en bescherming op het werk, waarbij de organisatie van werkgevers die overeenkomstig artikel 3bis van de wet van 8 juni 1972 ‘betreffende de havenarbeid’ aangeduid werd als lasthebber aangesloten is en b) geslaagd is in de psychotechnische proeven afgenomen door het orgaan dat hiertoe door de erkende organisatie van werkgevers aangeduid als lasthebber overeenkomstig datzelfde artikel 3bis van de wet van 8 juni 1972, c) gedurende drie weken de voorbereidingslessen tot veilig werken en tot het verwerven van de vakbekwaamheid hebben gevolgd en geslaagd zijn voor de eindproef en d) reeds moet beschikken over een arbeidsovereenkomst wanneer het een havenarbeider betreft die niet opgenomen wordt in de pool, daarin begrepen, samen gelezen met artikel 4, § 3, van het koninklijk besluit van 5 juli 2004, dat de buitenlandse havenarbeiders moeten kunnen aantonen dat zij in een andere lidstaat aan vergelijkbare voorwaarden voldoen opdat zij voor de toepassing van de bestreden regeling niet meer aan die voorwaarden worden onderworpen? 3. Dient artikel 49, 56, 45, 34, 35, 101 of 102 van het VWEU, al dan niet in samenhang met artikel 106, lid 1, van het VWEU, in die zin te worden geïnterpreteerd dat het zich verzet tegen de regeling ingevoerd bij artikel 2, § 3 van het koninklijk besluit van 5 juli 2004, zoals vervangen door artikel 2 van het bestreden koninklijk besluit van 10 juli 2016, namelijk de regeling waarbij de havenarbeiders die niet worden opgenomen in de pool en die derhalve direct door een werkgever worden aangeworven met een arbeidsovereenkomst conform de wet van 3 juli 1978 ‘betreffende de arbeidsovereenkomsten’ en de duurtijd van hun erkenning wordt beperkt tot de duurtijd van deze arbeidsovereenkomst zodat telkens een nieuwe erkenningsprocedure moet worden aangevat? 4. Dient artikel 49, 56, 45, 34, 35, 101 of 102 van het VWEU, al dan niet in samenhang met artikel 106, lid 1, van het VWEU, in die zin te worden geïnterpreteerd dat het zich verzet tegen de regeling ingevoerd bij artikel 13/1 van het koninklijk besluit van 5 juli 2004, zoals ingevoegd door artikel 17 van het koninklijk besluit van 10 juli 2016, namelijk de overgangsmaatregel waarbij de arbeidsovereenkomst waarvan sprake in de derde prejudiciële vraag in eerste instantie moet zijn gesloten voor onbepaalde duur; vanaf 1 juli 2017 voor minstens twee jaar; vanaf 1 juli 2018 voor minstens één jaar; vanaf 1 juli 2019 voor minstens zes maanden; vanaf 1 juli 2020 met vrij te bepalen duurtijd? 5. Dient artikel 49, 56, 45, 34, 35, 101 of 102 van het VWEU, al dan niet in samenhang met artikel 106, lid 1, van het VWEU, in die zin te worden geïnterpreteerd dat het zich verzet tegen de regeling vervat in artikel 15/1 van het koninklijk besluit van 5 juli 2004, zoals ingevoegd door artikel 18 van het koninklijk besluit van 10 juli 2016, namelijk de (overgangs)maatregel waarbij de onder de oude regeling erkende havenarbeiders van rechtswege worden erkend als havenarbeiders in de pool waardoor de mogelijkheid van directe tewerkstelling (met een vast contract) van die havenarbeiders door een werkgever wordt belemmerd en de werkgevers verhindert om goede arbeidskrachten aan zich te binden door met hen rechtstreeks een vast contract te sluiten en deze laatsten werkzekerheid te bieden volgens de regels van het gemene arbeidsrecht? 6. Dient artikel 49, 56, 45, 34, 35, 101 of 102 van het VWEU, al dan niet in samenhang met artikel 106, lid 1, van het VWEU, in die zin te worden geïnterpreteerd dat het zich verzet tegen de regeling ingevoerd bij artikel 4, § 2 van het koninklijk besluit van 5 juli 2004, zoals vervangen door artikel 4, 7°, van het koninklijk besluit van 10 juli 2016, namelijk de regeling waarbij een cao de voorwaarden en modaliteiten bepaalt waaronder een havenarbeider kan worden tewerkgesteld in een ander havengebied dan datgene waar hij werd erkend waardoor mobiliteit van werknemers tussen de havengebieden wordt beperkt zonder dat de regelgever zelf duidelijkheid verschaft welke die voorwaarden of modaliteiten kunnen zijn? 7. Dient artikel 49, 56, 45, 34, 35, 101 of 102 van het VWEU, al dan niet in samenhang met artikel 106, lid 1, van het VWEU, in die zin te worden geïnterpreteerd dat het zich verzet tegen de regeling ingevoerd bij artikel 1, § 3 van het koninklijk besluit van 5 juli 2004, zoals vervangen door artikel 1, 2°, van het koninklijk besluit van 10 juli 2016, namelijk de regeling waarbij (logistieke) werknemers die arbeid verrichten in de zin van artikel 1 van het koninklijk besluit van 12 januari 1973 ‘tot oprichting en vaststelling van de benaming en van de bevoegdheid van het Paritair Comité voor het Havenbedrijf’ op locaties waar goederen ter voorbereiding van hun verdere distributie of verzending transformatie ondergaan die indirect leidt tot een aanwijsbare toegevoegde waarde over een veiligheidscertificaat moeten beschikken waarbij dat veiligheidscertificaat geldt als een erkenning in de zin van de wet van 8 juni 1972 ‘betreffende de havenarbeid’, ermee rekening houdende dat dit certificaat wordt aangevraagd door de werkgever die een arbeidsovereenkomst heeft getekend met een werknemer om activiteiten in die zin te verrichten en de uitgifte ervan gebeurt op vertoon van de arbeidsovereenkomst en de identiteitskaart waarbij de modaliteiten van de te volgen procedure worden vastgelegd via collectieve arbeidsovereenkomst, zonder dat de regelgever op dat punt duidelijkheid verschaft?

    • ligebehandling
    • adgang til beskæftigelse
    • delegation af beføjelser
    • politi
    Fulde tekst
    • NL (pdf-dokument, åbnes i et nye faneblad)
  • Application de l'arrêt de la CJUE du 20 décembre 2017 dans l'affaire C-102/16, à propos de la 561/2006

    • lovovertrædelse
    • ugentlig hvileperiode
    • vejtransport
    Fulde tekst
    • NL (pdf-dokument, åbnes i et nye faneblad)
  • Directive 2010/13/EU - Un moyen manque en droit lorsqu'il invoque la violation d'une directive, transposée dans le droit interne, sans alléguer que cette transposition serait incorrecte, incomplète ou tardive.

    • intensivt opdræt
    • egnsplanlægning
    • miljøindvirkning
    • byplanbestemmelser
    Fulde tekst
    • NL (pdf-dokument, åbnes i et nye faneblad)
  • Les deux questions préjudicielles suivantes sont posées à la Cour de Justice de l’Union européenne : "Les §§ 2.22, 2.23, 2.27, 2.28 et 20.33 du règlement 549/2013 du Parlement européen et du Conseil du 21 mai 2013 relatif au système européen des comptes nationaux et régionaux doivent-ils être interprétés en ce sens qu’une entité institutionnelle distincte, placée sous le contrôle d’une administration publique, doit être considérée comme non marchande et relève dès lors du secteur des administrations publiques si elle présente les caractéristiques d’une institution financière captive, sans qu’il soit nécessaire d’examiner le critère de son exposition au risque ?". "Une entité fonctionnant sous le contrôle d’une administration publique peut-elle être qualifiée d’institution financière captive, au sens des paragraphes 2.21 à 2.23, 2.27 et 2.28 du règlement 549/2013 du Parlement européen et du Conseil du 21 mai 2013 relatif au système européen des comptes nationaux et régionaux : a) au motif que la réglementation de son activité par cette administration publique lui enlève la maîtrise sur ses actifs, alors qu’elle lui laisse la capacité de décider de l’octroi des prêts hypothécaires qu’elle accorde, de leur durée, de leur montant et de certaines de leurs conditions, tout en déterminant d’autres éléments et notamment le taux d’intérêt dont ils sont assortis; b) au motif que, notamment, la garantie qui est accordée par cette administration publique aux emprunts qu’elle contracte lui enlève la maîtrise sur ses passifs, sans examiner la finalité et les effets d’une telle garantie en fonction de ses caractéristiques en l’espèce et de la réalité économique sous-jacente ?".

    • realkredit
    • finansielt institut
    • offentlig forvaltning
    Fulde tekst
    • FR (pdf-dokument, åbnes i et nye faneblad)
  • Projet de parc éolien soumis à études d'incidences - Intérêt au recours en annulation fondé notamment sur la Convention sur l'accès à l'information, la participation du public au processus décisionnel et à l'accès à la justice en matière d'environnement, faite à Aarhus le 25 juin 1998

    • Miljø
    • ret til retfærdig rettergang
    • vedvarende ressourcer
    • miljønorm
    • forvaltning af arealer
    • miljøbeskyttelse
    Fulde tekst
    • FR (pdf-dokument, åbnes i et nye faneblad)
  • Selon la Cour de justice de l'Union européenne, le "pollueur" est une personne qui, "par son activité […] a contribué au risque de survenance de la pollution" (C.J.C.E., 24 juin 2008, C-188/07, commune de Mesquer). Dans cette acception large retenue par la Cour de justice de l'Union européenne, l'"auteur" de la pollution au sens de l'article 22, § 1er, 2o, du décret précité ne peut se réduire au seul auteur matériel de la pollution mais peut inclure aussi celui pour le compte de qui les travaux ayant entraîné la pollution du sol ont été exécutés dans le cadre d'un contrat d'entreprise, comme en l'espèce. La partie requérante, ayant contribué à la survenance de la pollution résultant du remblayage réalisé pour son compte et nécessaire à son activité, pouvait dès lors être désignée comme auteur présumé de la pollution, sans préjudice de la possibilité pour celle-ci d'introduire une action en responsabilité contre l'entrepreneur ayant réalisé le remblayage au moyen de terres contaminées.

    • ansvar
    • jordforurening
    • placering af industri
    • jordbundsanalyse
    Fulde tekst
    • FR (pdf-dokument, åbnes i et nye faneblad)
  • 5.1. Verzoeker voert in zijn verzoekschrift op voldoende duidelijke wijze een schending van de richtlijn 92/43/EEG van 21 mei 1992 ‘inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna’ (hierna : de habitatrichtlijn) aan; de verwerende partij heeft daartegen ook verweer gevoerd. De door deze partij desbetreffend aangevoerde ontvankelijkheidsexceptie is ongegrond. 5.2. Artikel 2, tweede lid, van de habitatrichtlijn omschrijft het doel van de richtlijn en maakt duidelijk dat de lidstaten er op grond van de richtlijn toe verplicht zijn om maatregelen te nemen die de natuurlijke habitats en de wilde dier- en plantensoorten die van communautair belang zijn in een gunstige staat van instandhouding te behouden of te herstellen. Artikel 6, eerste lid, van de habitatrichtlijn voegt daar nog aan toe dat de lidstaten “voor de speciale beschermingszones de nodige instandhoudingsmaatregelen [treffen]; deze behelzen zo nodig passende specifieke of van ruimtelijke-ordeningsplannen deel uitmakende beheersplannen en passende wettelijke, bestuursrechtelijke of op een overeenkomst berustende maatregelen, die beantwoorden aan de ecologische vereisten van de typen natuurlijke habitats van bijlage I en de soorten van bijlage II die in die gebieden voorkomen”. De omzetting van deze richtlijnbepaling is terug te vinden in artikel 36ter, § 1, van het decreet van 21 oktober 1997 ‘betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu’ (hierna: het natuurdecreet): “§ 1. De administratieve overheid neemt, binnen haar bevoegdheden, in de speciale beschermingszones, ongeacht de bestemming van het betrokken gebied, de nodige instandhoudingsmaatregelen die steeds dienen te beantwoorden aan de ecologische vereisten van de typen habitats vermeld in bijlage I van dit decreet en de soorten vermeld in de bijlagen II, III en IV van dit decreet evenals de niet in bijlage IV van dit decreet genoemde en op het grondgebied van het Vlaamse Gewest geregeld voorkomende soorten trekvogels. De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen met betrekking tot de nodige instandhoudingmaatregelen en de ecologische vereisten, evenals een procedure voor vaststelling van de instandhoudingsdoelstellingen.” Artikel 6, tweede tot en met vierde lid, van de habitatrichtlijn maakt de in artikel 2, tweede lid, omschreven doelstelling concreet en legt de lidstaten een aantal verplichtingen en specifieke procedures op met het oog op de instandhouding van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in de speciale beschermingszones. Artikel 6, tweede tot en met vierde lid, van de habitatrichtlijn luidt meer bepaald: “2. De Lid-Staten treffen passende maatregelen om ervoor te zorgen dat de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in de speciale beschermingszones niet verslechtert en er geen storende factoren optreden voor de soorten waarvoor de zones zijn aangewezen voor zover die factoren, gelet op de doelstellingen van deze richtlijn een significant effect zouden kunnen hebben. 3. Voor elk plan of project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van het gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor zo’n gebied, wordt een passende beoordeling gemaakt van de gevolgen voor het gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen van dat gebied. Gelet op de conclusies van de beoordeling van de gevolgen voor het gebied en onder voorbehoud van het bepaalde in lid 4, geven de bevoegde nationale instanties slechts toestemming voor dat plan of project nadat zij de zekerheid hebben verkregen dat het de natuurlijke kenmerken van het betrokken gebied niet zal aantasten en nadat zij in voorkomend geval inspraakmogelijkheden hebben geboden. 4. Indien een plan of project, ondanks negatieve conclusies van de beoordeling van de gevolgen voor het gebied, bij ontstentenis van alternatieve oplossingen, om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, toch moet worden gerealiseerd, neemt de Lid-Staat alle nodige compenserende maatregelen om te waarborgen dat de algehele samenhang van Natura 2000 bewaard blijft. De Lid-Staat stelt de Commissie op de hoogte van de genomen compenserende maatregelen. Wanneer het betrokken gebied een gebied met een prioritair type natuurlijke habitat en/of een prioritaire soort is, kunnen alleen argumenten die verband houden met de menselijke gezondheid, de openbare veiligheid of met voor het milieu wezenlijke gunstige effecten dan wel, na advies van de Commissie, andere dwingende redenen van groot openbaar belang worden aangevoerd.” Artikel 6, derde en vierde lid, van de habitatrichtlijn is omgezet in het intern recht door artikel 36ter, §§ 3, 4 en 5, van het natuurdecreet. Deze bepalingen luiden: “§ 3. Een vergunningsplichtige activiteit die, of een plan of programma dat, afzonderlijk of in combinatie met één of meerdere bestaande of voorgestelde activiteiten, plannen of programma’s, een betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone kan veroorzaken, dient onderworpen te worden aan een passende beoordeling wat betreft de betekenisvolle effecten voor de speciale beschermingszone. […] De initiatiefnemer is verantwoordelijk voor het opstellen van de passende beoordeling. […] § 4. De overheid die over een vergunningsaanvraag, een plan of programma moet beslissen, mag de vergunning slechts toestaan of het plan of programma slechts goedkeuren indien het plan of programma of de uitvoering van de activiteit geen betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van de betrokken speciale beschermingszone kan veroorzaken. De bevoegde overheid draagt er steeds zorg voor dat door het opleggen van voorwaarden er geen betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone kan ontstaan. § 5. In afwijking op de bepalingen van § 4, kan een vergunningsplichtige activiteit die of een plan of programma dat afzonderlijk of in combinatie met één of meer bestaande of voorgestelde activiteiten, plannen of programma’s, een betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone kan veroorzaken, slechts toegestaan of goedgekeurd worden a) nadat is gebleken dat er voor de natuurlijke kenmerken van de speciale beschermingszone geen minder schadelijke alternatieve oplossingen zijn en b) omwille van dwingende redenen van groot openbaar belang met inbegrip van redenen van sociale of economische aard. Wanneer de betrokken speciale beschermingszone of een deelgebied ervan, een gebied met een prioritair type natuurlijke habitat of een prioritaire soort is, komen alleen argumenten die verband houden met de menselijke gezondheid, de openbare veiligheid of met voor het milieu wezenlijk gunstige effecten dan wel, na advies van de Europese Commissie, andere dwingende redenen van groot openbaar belang, in aanmerking. De afwijking bedoeld in het voorgaande lid kan bovendien slechts toegestaan worden nadat voldaan is aan de volgende voorwaarden: 1° de nodige compenserende maatregelen genomen zijn en de nodige actieve instandhoudingsmaatregelen genomen zijn of worden die waarborgen dat de algehele samenhang van de speciale beschermingszone en -zones bewaard blijft; 2° de compenserende maatregelen zijn van die aard dat een evenwaardige habitat of het natuurlijk milieu ervan, van minstens een gelijkaardige oppervlakte in principe actief is ontwikkeld. De Vlaamse regering kan nadere regels vaststellen voor het opstellen van een passende beoordeling van de effecten van de activiteit op de habitats, de habitats van een soort en op de soort of soorten waarvoor de speciale beschermingszone is aangewezen, voor het onderzoeken van minder schadelijke alternatieven en inzake de compenserende maatregelen. De Vlaamse regering oordeelt over het bestaan van een dwingende reden van groot openbaar belang met inbegrip van redenen van sociale of economische aard. Elke beslissing in uitvoering van de afwijkingsprocedure van deze paragraaf, wordt met redenen omkleed.” Artikel 2, 30°, van het decreet Natuurbehoud definieert “betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone” als volgt: “een aantasting die meetbare en aantoonbare gevolgen heeft voor de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone, in de mate er meetbare en aantoonbare gevolgen zijn voor de staat van instandhouding van de soort(en) of de habitat(s) waarvoor de betreffende speciale beschermingszone is aangewezen of voor de staat van instandhouding van de soort(en) vermeld in bijlage III van dit decreet voor zover voorkomend in de betreffende speciale beschermingszone.” Artikel 2, 38°, van het natuurdecreet omschrijft de “natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone” als volgt: “het geheel van biotische en abiotische elementen, samen met hun ruimtelijke en ecologische kenmerken en processen, die nodig zijn voor de instandhouding van a) de natuurlijke habitats en de leefgebieden van de soorten waarvoor de betreffende speciale beschermingszone is aangewezen en b) de soorten vermeld in de bijlage III.” 5.3. Een ruimtelijk uitvoeringsplan is, zoals elke bestuurshandeling, onderworpen aan de materiëlemotiveringsverplichting, hetgeen inhoudt dat het moet worden gedragen door rechtens verantwoorde motieven die blijken, hetzij uit het ruimtelijk uitvoeringsplan zelf, hetzij uit de stukken van het dossier. 5.4. Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt onder meer in dat de overheid haar besluiten op een zorgvuldige wijze moet voorbereiden door de relevante gegevens en de op het spel staande belangen te inventariseren en deze gegevens en belangen tegen elkaar af te wegen in het licht van het doel van het besluit. 5.5. Verzoeker voert aan, en de verwerende partij weerlegt niet, dat de kwestieuze parkeerzone zich binnen de SBZ bevindt in een voorlopig afgebakende “zoekzone”, die is aangeduid in het kader van “de habitattypes 9120 en 9190 (Atlantische zuurminnende beukenbossen en zuurminnende Eiken- en Berkenbossen)”. 5.6. Het bestreden PRUP houdt niet direct verband met – of is nodig voor – het beheer van de SBZ, maar voorziet wel in de aanleg van een parkeerzone van maximaal 2750 m² verharde oppervlakte voor 60 voertuigen in de SBZ. 5.7. Verzoeker betoogt, zoals ook aangevoerd in zijn bezwaarschrift (zie randnummer 3.11), dat de aanleg van een parking voor 60 voertuigen de toekomstige invulling van het habitatrichtlijngebied hypothekeert. 5.8. Terecht stelt verzoeker dat het argument van de Procoro dat zich op de kwestieuze locatie momenteel geen habitat zou bevinden, zijn voormelde kritiek niet weerlegt, nu de instandhoudingsdoelstellingen een “stijging” van de natuurwaarden beogen. Het argument van de Procoro dat volgens het advies van de afdeling Natuur en Bos geen onvermijdbare en onherstelbare schade aan de natuur “in het VEN” zal worden veroorzaakt, toont voorts evenmin aan dat de aanleg van de kwestieuze parking de toekomstige invulling van het “habitatrichtlijngebied” niet vermag te hypothekeren. Dat de aanleg van de kwestieuze parking in habitatgebied toelaat om elders bestaande parkings te “supprimeren” en het vervangen van die parkings door één grote groene parking ten voordele komt van het gehele habitatrichtlijngebied, komt de Raad van State dan weer voor als een “compenserende maatregel” in de zin van artikel 6, vierde lid, van de habitatrichtlijn, waarvoor de bij deze bepaling gestelde voorwaarden niet blijken te zijn vervuld. 5.9. De door de verwerende partij aangevoerde omstandigheid dat de instandhoudingsdoelstellingen gerealiseerd zullen worden “in het natuurgebied” van het PRUP, dat zij het initiatief zal nemen om dit zoveel als mogelijk op haar gronden te realiseren, en dat in de “creatie van ca. 170 ha extra natuurgebied” wordt voorzien, overtuigen er voorts evenmin van dat de toekomstige invulling van het habitatrichtlijngebied door de kwestieuze parkeerlocatie niet kan gehypothekeerd worden. 5.10. Gelet op het voormelde, vermocht de dienst Mer, daarin bijgetreden door de plannende overheid, er niet met goed gevolg van uitgaan dat er geen risico op een betekenisvolle aantasting van de actuele “en potentieel te realiseren” habitats bestaat en dat “een passende beoordeling [dus] niet nodig is”. 5.11. Dat het Grondwettelijk Hof met zijn arrest nr. 57/2016 van 28 april 2016 de artikelen 40 tot 43, 45 tot 48 en 78 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 9 mei 2014 ‘tot wijziging van de regelgeving inzake natuur en bos’ heeft vernietigd, in zoverre die bepalingen niet voorzien in de inspraak voor het publiek in bepaalde gevallen of de Vlaamse regering niet machtigen daarin te voorzien, vermag aan de voormelde vaststelling geen afbreuk te doen. 5.12. Het bestreden PRUP blijkt zodoende met schending van de habitatrichtlijn, het materiëlemotiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel te zijn vastgesteld. 5.13. Het middel is in de aangegeven mate gegrond.

    • egnsplanlægning
    • fredet område
    • parkeringsområde
    Fulde tekst
    • NL (pdf-dokument, åbnes i et nye faneblad)
  • Artikel 23.2 van richtlijn 2011/95 voorziet enkel de waarborg “dat gezinsleden van de persoon die internationale bescherming geniet die zelf niet in aanmerking komen voor dergelijke bescherming aanspraak kunnen maken op de in de artikelen 24 tot en met 35 genoemde voordelen, overeenkomstig de nationale procedures en voor zover verenigbaar met de persoonlijke juridische status van het gezinslid”. Wat de verblijfstitels betreft, voorziet artikel 24.1, tweede lid, van richtlijn 2011/95 dat “onverminderd het bepaalde in artikel 23, lid 1, […] de aan de gezinsleden van de personen met de vluchtelingenstatus af te geven verblijfstitel minder dan drie jaar geldig […] en verlengbaar [kan] zijn”. De voornoemde bepalingen voorzien dus net de mogelijkheid dat gezinsleden van de persoon die internationale bescherming geniet zelf deze beschermingsstatus niet krijgen doch dat hen overeenkomstig de nationale procedures een verblijfstitel wordt gegeven die minder dan drie jaar geldig kan zijn. Uit de door verzoekster zelf verstrekte gegevens blijkt, hetgeen niet wordt betwist, dat verzoekster een aanvraag om machtiging tot verblijf heeft ingediend met toepassing van artikel 9bis van de vreemdelingenwet en dat haar een A-kaart is verleend die telkens werd verlengd voor de duur van één jaar of van zes maanden. Vermits de Belgische wet voorziet in een procedure om verzoekster een verblijfsrecht toe te kennen dat tijdelijk en verlengbaar is, kon de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op wettige wijze oordelen dat verzoekster geen recht heeft op de vluchtelingenstatus of de subsidiaire beschermingsstatus, enkel als gezinslid van haar twee minderjarige kinderen met de vluchtelingenstatus, dat verzoekster overeenkomstig de nationale procedures een verblijfstitel kan bekomen en dat zij “aldus gebruik dient te maken van de geëigende procedures die zouden kunnen leiden tot een verblijfsrecht in België op basis van de gezins¬situatie”. Aan het voorgaande wordt geen afbreuk gedaan doordat te dezen geen gezinshereniging mogelijk zou zijn met toepassing van artikel 10, § 1, eerste lid, 7°, van de vreemdelingenwet omdat verzoeksters kinderen in België zijn geboren en er steeds hebben verbleven.

    • international beskyttelse
    • udvisning
    • familiesammenføring
    Fulde tekst
    • NL (pdf-dokument, åbnes i et nye faneblad)
  • Daargelaten de vraag, gelet op de niet betwiste onvolledigheid van de screeningsnota gevoegd bij de aanvraag, welke informatie nog in de aanvraag vervat zat om de milieueffecten van de inrichting te kunnen beoordelen, lijkt in elk geval te moeten worden vastgesteld dat blijkens voornoemde motivering de bestreden beslissing is voorbijgegaan aan de eigenheid van de voorafgaande screening. Deze houdt in dat in een eerste beoordeling wordt nagegaan of het project aanzienlijke milieueffecten kan hebben. Wanneer dit niet a priori kan worden uitgesloten, moet een milieueffectenrapport (hierna: MER) worden opgemaakt dat een grondiger onderzoek inhoudt en bijgevolg grotere waarborgen biedt. “Hetgeen wordt besproken onder de milieuhygiënische aspecten” waarvan sprake in voornoemde motivering kadert binnen het onderzoek dat de bevoegde overheid overeenkomstig het milieuvergunningsdecreet en haar uitvoeringsbesluiten dient te voeren om na te gaan of de aan de vergunningsplicht onderworpen activiteiten, die in principe verboden zijn, kunnen plaatsvinden in omstandigheden die vanuit oogpunt van de bescherming van de mens en het leefmilieu aanvaardbaar of toelaatbaar zijn. De voorafgaande screening om te beoordelen of het project al dan niet aanzienlijke milieueffecten kan hebben, kadert binnen de Vlaamse MER-regelgeving die het gevolg is van de omzetting van richtlijn 2011/92/EU, en gebiedt dienvolgens een eigen beoordeling en uitdrukkelijke concrete motivering, die in dit geval lijken te ontbreken.

    • malkekvægsbedrift
    • egnsplanlægning
    • naturreservat
    • byplanbestemmelser
    Fulde tekst
    • NL (pdf-dokument, åbnes i et nye faneblad)
  • Verzoeker kan niet dienstig verwijzen naar de zaak C-550/16 bij het Hof van Justitie van de Europese Unie omdat die zaak betrekking heeft op rechten die voortvloeien uit de erkenning als vluchteling, die inderdaad declaratoire werking heeft. Te dezen werd verzoeker echter niet erkend als vluchteling, heeft hij de weigering van de vluchtelingenstatus niet betwist en betreft het enkel de vraag naar de beoordeling van het redelijk karakter van het intern vestigingsalternatief. Bovendien volgt uit artikel 8, lid 2, iuncto artikel 4, lid 3, a), van richtlijn 2011/95, waarnaar verzoeker verwijst, dat de lidstaten op het ogenblik van hun beslissing over binnenlandse bescherming rekening houden met de algemene omstandigheden in dat deel van het land van herkomst en de persoonlijke omstandigheden van een verzoeker. Het gaat derhalve ook wat verzoeker zelf betreft over de actuele toestand en niet over de toestand op het ogenblik van het indienen van de aanvraag.

    • international beskyttelse
    • returmigration
    • Den Europæiske Menneskerettighedskonvention
    Fulde tekst
    • NL (pdf-dokument, åbnes i et nye faneblad)
  • Egalité et non-discrimination – Taille requise pour être recruté comme policier Uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ, 18 oktober 2017, C-409/16) blijkt dat de wens om de inzetbaarheid en de goede werking van de politiediensten te verzekeren, een legitieme doelstelling is die het bezit van bijzondere lichamelijke eigenschappen kan verantwoorden. De lichamelijke vereiste van een minimale lichaamslengte mag evenwel niet tot gevolg hebben dat hierdoor een veel groter aantal vrouwen dan mannen wordt benadeeld of wanneer blijkt dat het gehanteerde criterium niet geschikt noch noodzakelijk is om het ermee nagestreefde doel te bereiken. Uit de beoordeling van het tweede middel is gebleken dat verzoekster zich kandidaat heeft gesteld om te worden toegelaten tot de basisopleiding van het basiskader (aspirant-inspecteur van politie). Het betreft een politiefunctie binnen het operationeel kader waarbij het personeelslid moet kunnen worden ingezet volgens de operationele noodwendigheden van de dienst en alle taken moet kunnen vervullen die het wellicht zal moeten vervullen daarin begrepen het (legitiem) gebruik van geweld waarbij veiligheid en gezondheid van henzelf, collega’s en derden essentieel zijn. De te dezen vastgelegde minimale lichaamslengte van 152 cm is een vast en dus objectief criterium. Uit de door de verwerende partij bijgebrachte gegevens blijkt dat de gemiddelde lichaamslengte van vrouwen in België 168 cm bedraagt wat ruim boven de te dezen vereiste minimumlengte ligt voor de werving bij het leger en de geïntegreerde politie. Het gehanteerde uitsluitingscriterium leidt er niet toe dat hierdoor een groter aantal vrouwen dan mannen wordt benadeeld (cfr. supra). Verzoekster toont voorts niet aan dat die minimumgrens onredelijk of disproportioneel zou zijn. Waar verzoekster kan worden bijgetreden dat zij in het kader van de fysiek-medische geschiktheidsproef weliswaar is geslaagd voor het functioneel parcours waaruit blijkt dat zij de basiscondities en -fitheid heeft die nodig is om de basisopleiding te kunnen aanvatten, slaagt zij er daarmee nog niet in aan te tonen dat de te dezen vereiste minimale lichaamslengte van 152 cm niet geschikt of noodzakelijk zou zijn om het nagestreefde doel te bereiken: garanderen dat de functies en taken die in het operationeel kader moeten kunnen worden vervuld, ook kunnen worden vervuld. Het is niet onredelijk zoals de verwerende partij aangeeft deze -lage- minimumdrempel - noodzakelijk te achten met het oog op de dracht en, het besturen van allerlei politioneel (veiligheids)materieel, de belasting ervan op het lichaam, de vereiste minimumgestalte met het oog op het houden van overzicht bij het uitvoeren van interventies, enzovoort. Het volstaat niet louter te stellen zoals verzoekster doet dat er, wat het dragen van beschermingskledij en wapens betreft, “geen wezenlijk verschil tussen 152 en 151 cm lichaamslengte” is. Een schending van het gelijkheidsbeginsel en van het beginsel van non-discriminatie ligt in die omstandigheden niet voor. Het gegeven dat zij reeds voor die proef is geslaagd, doet er voorts niet aan af dat de vereiste minimumgrens is bepaald op 152 cm en dat artikel 12, eerste lid, 6°, van de wet van 26 april 2002 vereist, eensdeels, dat “de kandidaat voldoet aan de vereiste fysieke vaardigheden” en, anderdeels, dat wil zeggen cumulatief, “vrij is van alle gebreken die onverenigbaar zijn met de eisen van het ambt op de datum waarop hij of zij aan de selectieproeven deelneemt”. Weliswaar bepaalt artikel IV.1.16 RPPol dat de proeven “in principe” derwijze plaatsvinden dat het niet mogelijk is aan een proef deel te nemen zonder de voor de voorafgaande selectieproef bepaalde minimumdrempel te hebben behaald, doch dit doet er finaal niet aan af dat het in artikel 12, eerste lid, 6°, genoemde vereiste vervuld moet zijn “bij de toelating tot de basisopleiding” (cfr. artikel 14 van de wet van 26 april 2002). Uit artikel IV.30, van het UBPol vloeit tot slot voort dat slechts de minimumdrempel voor de proef (dit is de fysiek-medische geschiktheidsproef) wordt bereikt door de kandidaat (i) waarover de directeur van de directie van de rekrutering en van de selectie van de federale politie de in artikel IV.8ter, eerste lid, 1°, UBPol bedoelde beoordeling (dit is “geschikt” op basis van het functioneel parcours om de basisopleiding aan te vatten) uitbrengt én, cumulatief, (ii) waarvoor de onderzoekende arts de in artikel IV.9, eerste lid, 1°, UBPol bedoelde beslissing “geschikt” neemt.

    • ligebehandling
    • adgang til beskæftigelse
    • delegation af beføjelser
    • politi
    Fulde tekst
    • NL (pdf-dokument, åbnes i et nye faneblad)
    • tjenesteydelse
    • butikscenter
    • regional planlægning
    • egnsplanlægning
    Fulde tekst
    • NL (pdf-dokument, åbnes i et nye faneblad)
  • De omstandigheid dat in bijlage I van MER-richtlijn 2011/92/EU enkel installaties voor intensieve “pluimvee- of varkenshouderij” worden vermeld, impliceert niet dat de “intensieve veeteeltbedrijven (voor zover niet in bijlage I opgenomen)” van bijlage II enkel pluimvee of varkens kunnen betreffen. De Vlaamse regering noemt in bijlage II van haar project-MER-besluit ook “ander gevogelte dan legkippen”, “mestkalveren” en “struisvogels en struisvogelachtigen” en heeft derhalve uit de verdere specificatie naar aantallen mesthoenders, hennen, mestvarkens en zeugen in bijlage I van de MER-richtlijn 2011/92/EU, niet afgeleid dat bijlage II enkel diezelfde dieren in kleinere aantallen kon viseren. Uit de tekst van het project-MER-besluit, alsook uit de opzet van de MER-richtlijn 2011/92/EU en de in bijlage III van deze richtlijn opgenomen selectiecriteria die de lidstaten dienen te hanteren bij het bepalen van de eventuele MER-plicht voor de projecten van bijlage II van deze richtlijn, kan niet worden afgeleid dat intensieve veeteeltbedrijven waar enkel andere runderen dan mestkalveren worden gehouden in alle omstandigheden en ongeacht de aantallen zouden zijn vrijgesteld van een project-MER of een project-MER-screeningsnota.

    • intensivt opdræt
    • egnsplanlægning
    • miljøindvirkning
    • byplanbestemmelser
    Fulde tekst
    • NL (pdf-dokument, åbnes i et nye faneblad)
  • Wartezeitkündigung - Hinweisgeber - Weiterbeschäftigung

    • Beskæftigelse
    • Socialpolitik
    • arbejdsorganisation og -betingelser
    Fulde tekst
    • DE (pdf-dokument, åbnes i et nye faneblad)
  • In a ruling dated March 19, 2026, the Supreme Administrative Court confirmed that the absence of the European Single Procurement Document (ESPD) from subcontractors—on whom the bidder relies to meet minimum technical capacity requirements—constitutes a remediable irregularity, rather than grounds for automatic exclusion of the bid. The issue arose in a restricted tender based on prior qualification organized by the IPO in Lisbon, in which the jury requested that this deficiency be remedied; the successful bidder rectified the situation and was ultimately awarded the contract, with the runner-up challenging the decision. The court relied on European law to uphold the remediability. It invoked Article 59 of Directive 2014/24/EU, which defines the ESPD as merely preliminary evidence and a formal declaration—and not as a contractually binding document—and Article 63 of the same Directive, which even permits the substitution of third parties when they prove unsuitable, without automatic exclusion of the candidate. Three CJEU judgments were also cited: the order of January 10, 2023 (C-469/22, Ambisig), which declared it incompatible with the Directive to require documents from third parties only after the award; the judgment of June 3, 2021 (C-210/20), which prohibited the automatic exclusion of a candidate when an auxiliary company provided inaccurate statements, requiring that the candidate be given the opportunity to replace it; and the judgment of January 22, 2026 (C-812/24), the most recente and decisive ruling, in which the CJEU held that the omission of the DEUCP for an entity linked to the candidate does not result in its exclusion, provided that the irregularity can be rectified in accordance with the principles of equal treatment and transparency. At the domestic level, the STA emphasized that Article 72(3)(a) of the Public Procurement Code expressly mentions the DEUCP as a document subject to the supplementation regime, without distinguishing between the candidate’s DEUCP and that of third parties. Any restrictive interpretation in this regard would lack a legal basis and would run counter to the spirit of the European legislator, who intended to subject all declaratory documents submitted as part of a tender to the same formal regime. Translated with DeepL.com (free version)

    • tilnærmelse af lovgivning
    Fulde tekst
    • PT (nyt faneblad)
  • Un plan d'exécution provincial en matière d'urbanisme ne peut pas être qualifié comme une mesure qui détermine l'usage de petites zones au niveau local.

    • Miljø
    • egnsplanlægning
    • forvaltning af arealer
    • provinsen Vestflandern
    • region
    Fulde tekst
    • NL (pdf-dokument, åbnes i et nye faneblad)
    • Chartret om grundlæggende rettigheder
    • opholdstilladelse
    • ret til retfærdig rettergang
    • EU's migrationspolitik
    • offentlig sikkerhed
    Fulde tekst
    • FR (pdf-dokument, åbnes i et nye faneblad)
  • Par son arrêt n° 95/2012 du 19 juillet 2012, la Cour constitutionnelle a annulé les articles 58 et 59 du CoBAT " en ce qu'ils exemptent toute abrogation d'un plan particulier d'affectation du sol d'une évaluation environnementale au sens de la directive 2001/42/CE du Parlement européen et du Conseil du 27 juin 2001 relative à l'évaluation des incidences de certains plans et programmes sur l'environnement ". L'annulation de l'article 58 du CoBAT par la Cour constitutionnelle ne vaut néanmoins qu'en ce qu'elle exempte " toute " abrogation d'un plan particulier d'affectation du sol d'une évaluation environnementale. La Cour n'a pas exclu que certaines abrogations puissent être exemptées de l'évaluation environnementale. L'abrogation partielle d'un P.P.A.S. ayant pour effet que les demandes de permis d'urbanisme introduites en vue d'y effectuer des actes et travaux soumis à permis devront être appréciées en fonction du PRAS et des règlements d'urbanisme correspond à la situation envisagée par la C.J.U.E. dans l'arrêt du 22 mars 2012 (C 567/10), où " l'acte abrogé s'insère dans une hiérarchie d'actes d'aménagement du territoire, dès lors que ces actes prévoient des règles d'occupation du sol suffisamment précises, qu'ils ont eux-mêmes fait l'objet d'une évaluation de leurs incidences sur l'environnement et qu'il peut être raisonnablement considéré que les intérêts que la directive 2001/42 vise à protéger ont été suffisamment pris en compte dans ce cadre. Même si la commune et le Gouvernement ne se sont pas estimés liés par la directive 2001/42/CE du 27 juin 2001 relative à l'évaluation de certains plans et programmes sur l'environnement et s'ils n'ont pas examiné le dossier sous cet angle, la décision qu'ils ont prise d'abroger le P.P.A.S. litigieux sans procéder à une évaluation environnementale s'inscrit dans l'exemption d'en organiser une, telle qu'elle résulte de la directive et de l'interprétation qu'en a donnée la C.J.U.E.*, ainsi que de la réserve faite par la Cour constitutionnelle** qui, en reprochant au CoBAT d'exempter "toute" abrogation de l'évaluation environnementale, a admis que certaines abrogations le soient. En effet, l'abrogation réalisée par la décision litigieuse, par son ampleur limitée, et par l'application qu'elle laisse subsister d'autres dispositions qui encadrent les actes et travaux affectant les parcelles incluses dans le P.P.A.S. abrogé, ne devait pas être soumise à l'évaluation environnementale prescrite par la directive 2001/42/CE.

    • Miljø
    • privat ejendom
    • beboelsesområde
    • byggetilladelse
    • byplan
    • byggegrund
    Fulde tekst
    • FR (pdf-dokument, åbnes i et nye faneblad)
  • La compétence de l'État belge pour adopter un ordre de quitter le territoire dans le cadre de la directive procédure 2008/115/CE n'est pas une compétence entièrement liée. Le considérant (6) de l'exposé des motifs de la directive 2008/115/CE du Parlement européen et du Conseil du 16 décembre 2008 précitée indique ainsi, notamment, que "conformément aux principes généraux du droit de l'Union européenne, les décisions prises en vertu de la présente directive devraient l'être au cas par cas et tenir compte de critères objectifs, ce qui implique que l'on prenne en considération d'autres facteurs que le simple fait du séjour irrégulier " et le considérant (22), quant à lui, expose que " la présente directive respecte les droits fondamentaux et observe les principes reconnus, en particulier, par la charte des droits fondamentaux de l'Union européenne ". En privilégiant la garantie des droits de la défense de l'étranger, l'arrêt du Conseil du contentieux des étrangers ne contrevient pas à l'effet utile de la directive précitée mais il est au contraire conforme aux recommandations susvisées que le Parlement européen et le Conseil ont exprimées dans l'exposé des motifs.

    • Arbejdskraftens frie bevægelighed
    • opholdstilladelse
    • udvisning
    • ret til retfærdig rettergang
    • migration inden for Fællesskabet
    Fulde tekst
    • FR (pdf-dokument, åbnes i et nye faneblad)
    • ret til uddannelse
    • skolelovgivning
    • kunstundervisning
    • højere skoleundervisning
    • Den Europæiske Menneskerettighedskonvention
    Fulde tekst
    • NL (pdf-dokument, åbnes i et nye faneblad)
  • Art. 7, § 2, van de handelsvestigingenwet werd door art. 18 van de wet van 22 december 2009 gewijzigd - waarbij het criterium "weerslag op de bestaande handel" het criterium "bescherming van het stedelijk milieu" is geworden - om tegemoet te komen aan art. 14.5 van de dienstenrichtlijn (2006/123/EG).

    • Indre marked - principper
    • ret til retfærdig rettergang
    • erhvervsareal
    • industriel erhvervstilladelse
    Fulde tekst
    • NL (pdf-dokument, åbnes i et nye faneblad)
  • Marchés publics - Directive 2004/18 - Application après l'arrêt de la CJUE du 14 juillet 2016, C-6/15 In zijn arrest C-6/15 van 14 juli 2016 oordeelt het HvJ inzake art. 53, lid 2, van Richtlijn 2004/18/EG, dat de beoordelingsmethode in beginsel niet na de opening van de offertes door de aanbestedende dienst mag worden vastgesteld, dit om elk risico van favoritisme uit te sluiten. Het HvJ voorziet slechts in één uitzondering, meer bepaald wanneer de methode om "aantoonbare redenen" niet vóór deze opening kan worden vastgesteld. Het is bijgevolg in beginsel ongeoorloofd om na de opening van de offertes de beoordelingsmethode nog vast te stellen zonder dat moet worden aangetoond dat die vaststelling na de opening van de offertes een discriminatoir effect heeft gehad op één van de inschrijvers. Te dezen erkent de verw. p. zelf dat zij voor de beoordelingsmethode pas koos na de opening van de offertes. De argumentatie die zij daarvoor aanbrengt, namelijk "om een correcte en representatieve beoordeling en vergelijking van de offertes toe te laten", overtuigt niet als "aantoonbare reden". De vaststelling dat er sprake is van grote gelijkenissen tussen de offertes met betrekking tot de kwaliteit had eerder aanleiding moeten geven om te kiezen voor een meer "verfijnde" methode teneinde te voorkomen dat de kwalitatieve verschillen tussen de offertes worden uitgevlakt en het prijscriterium de facto doorslaggevend wordt. De toepassing van de gebruikte beoordelingsmethode "hoog-voldoende-laag" laat minder toe om de offertes naar hun inhoudelijke eigenschappen te rangschikken dan de toepassing van "een cijfermatige beoordeling uitgedrukt in punten of percentages" of het gebruik van "een meer gedetailleerde schaal "zeer laag - middenlaag - matig - hoog - zeer hoog - excellent". Het feit dat de verw. p. deze ARGUS-methode reeds vroeger heeft toegepast, bevestigt eerder dat de toepassing van deze methode vóór de opening van de offertes kon worden vastgesteld. De verw. p. maakt niet aannemelijk dat de beoordelingsmethode om aantoonbare redenen niet vóór de opening van de offertes kon worden vastgesteld, zodat het ingeroepen transparantiebeginsel geschonden is. Het HvJ heeft in zijn arrest C-6/15 van 14 juli 2016 inzake art. 53, lid 2, van Richtlijn 2004/18/EG overwogen dat het feit dat de aanbestedende dienst de beoordelingsmethode na de bekendmaking van de aankondiging van de opdracht of het bestek vaststelt niet tot gevolg mag hebben dat de gunningscriteria of het relatieve gewicht ervan worden gewijzigd. Te dezen stelt zich de vraag of de keuze van de verw. p. voor de beoordelingsmethode "hoog-voldoende-laag" bij de beoordeling van het gunningscriterium "kwaliteit van de offerte" het relatieve gewicht van de gunningscriteria heeft gewijzigd zoals aangekondigd in het bestek in de zin dat elk van beide criteria ("kwaliteit van de offerte" en "prijs") als evenwaardig worden beschouwd en dus elk voor de helft bepalend zullen zijn voor de rangschikking. De RvS stelt vast dat, aangezien drie van de vier offertes, waaronder de offerte van de verz. p., voor het criterium "kwaliteit" de score "hoog" hebben verkregen, en er geen scores zijn gegeven om de offertes nader van elkaar te onderscheiden en naar hun inhoudelijke eigenschappen te rangschikken, het criterium "prijs" bij de gunning van de opdracht beslissend is geweest. Hierdoor werd de draagwijdte van het criterium "kwaliteit" afgevlakt ten aanzien van het criterium "prijs", zodat dit laatste criterium bij de keuze van degene aan wie de opdracht werd gegund een relatief hoger gewicht heeft gehad dan de in het bestek vermelde weging van 50 % redelijkerwijs kon doen vermoeden. De door de verw. p. achteraf gekozen beoordelingsmethode blijkt dus de weging van de gunningscriteria te hebben gewijzigd. Bijgevolg is het onrechtmatig dat deze methode voor de beoordeling van de offertes door de verw. p. achteraf werd vastgesteld en had deze methode vooraf in de aankondiging van de opdracht of het bestek bekend moeten worden gemaakt.

    • Den Europæiske Unions offentlige kontrakter
    • indkaldelse af tilbud
    • afgivelse af tilbud
    • offentligt udbud
    Fulde tekst
    • NL (pdf-dokument, åbnes i et nye faneblad)
  • Directive 2008/115/CE - Pas de droit de séjour pour des motifs charitables ou humanitaires Il est manifeste que l’article 6.4 de la directive 2008/115/CE n’a pas pour objet d’imposer aux États membres de prévoir dans leur droit interne la possibilité d’accorder un droit de séjour pour des motifs charitables, humanitaires ou autres. Cette disposition ne prescrit pas d’obligation aux États membres mais leur offre seulement à la faculté de déroger à l’obligation que leur impose l’article 6.1 de la directive précitée. En effet, l’article 6.4 de la directive 2008/115/CE aménage une exception à l’obligation qui est prescrite par le paragraphe 1er du même article et qui impose aux États membres d’adopter une décision de retour à l’encontre de tout ressortissant d’un pays tiers en séjour irrégulier sur leur territoire. L’article 6.1 de la directive 2008/115/CE prévoit effectivement que les « État[s] membres prennent une décision de retour à l’encontre de tout ressortissant d’un pays tiers en séjour irrégulier sur leur territoire, sans préjudice des exceptions visées aux paragraphes 2 à 5 ». L’exception, organisée par le paragraphe 4 de l’article 6, permet aux États membres de ne pas prendre de décision de retour ainsi que de suspendre ou d’annuler une telle décision déjà adoptée lorsqu’ils décident d’octroyer un droit de séjour pour des motifs charitables, humanitaires ou autres à un ressortissant d’un pays tiers en séjour irrégulier sur le territoire. Dès lors que l’article 6.4 de la directive 2008/115/CE n’impose pas aux États membres d’organiser dans leur droit interne la possibilité d’accorder un droit de séjour pour des motifs charitables, humanitaires ou autres, cette disposition ne les oblige pas davantage à prévoir, lorsqu’une telle possibilité existe, que le ressortissant d’un pays tiers puisse former sa demande d’autorisation de séjour sur leur territoire.

    • Ret til indrejse og ophold
    • fremmedret
    • opholdstilladelse
    • beskyttelse af privatlivet
    Fulde tekst
    • FR (pdf-dokument, åbnes i et nye faneblad)
  • Charte des droits fondamentaux - Interdiction d'entrée sur le territoire - Mise en oeuvre du droit de l'Union (art. 51, §1er) - Droit à un recours effectif (art. 47) Aux termes de l’article 51, paragraphe 1er, de la Charte, les dispositions de celle-ci s’adressent aux États membres uniquement lorsqu’ils mettent en œuvre le droit de l’Union. Lorsque l’autorité prend une interdiction d’entrée, elle met en œuvre le droit de l’Union. Ce constat suffit à établir l’applicabilité de l’article 47 de la Charte. Le « droit d’accéder à un tribunal » consacré par l'article 47 de la Charte des droits fondamentaux de l’Union européenne est un aspect particulier du droit à un tribunal également garanti par l’article 6, § 1er de la Convention de sauvegarde des droits de l’homme et des libertés fondamentales. Selon la jurisprudence de la Cour européenne de droits de l’homme, à laquelle il est permis de se référer pour l’interprétation de l’article 47 de la Charte des droits fondamentaux de l’Union européenne dès lors que celui-ci s’inspire des article 6 et 13 de la Convention de sauvegarde des droits de l'homme et des libertés fondamentales, le droit d’accès à un tribunal se prête à des limitations implicitement admises, notamment quant aux conditions de recevabilité d’un recours, car il appelle de par sa nature même une réglementation par l’État, lequel jouit à cet égard d’une certaine marge d’appréciation. Toutefois, ces limitations ne sauraient restreindre l’accès ouvert à un justiciable d’une manière ou à un point tel que son droit à un tribunal s’en trouve atteint dans sa substance même (Cour eur. D.H., arrêt Miessen c. Belgique, 18 octobre 2016).

    • opholdstilladelse
    • ret til uddannelse
    • uddannelse af udlændinge
    • migrationskontrol
    Fulde tekst
    • FR (pdf-dokument, åbnes i et nye faneblad)
  • Orde de quitter le territoire - Interprétation de la directive 2008/115/CE au regard de la jurisprudence de la Cour de Justice Afin de donner à l’article 74/11 de la loi du 15 décembre 1980 précitée une lecture compatible avec l’enseignement de la Cour de justice de l’Union européenne relatif à l’article 11 de la directive 2008/115/CE dont il assure partiellement la transposition, il y a nécessairement lieu d’interpréter le paragraphe 3 de cet article, en ce sens que l’interdiction d’entrée qui « complète » une décision de retour existe et a force obligatoire dès le jour de la notification de la décision d’interdiction d’entrée mais que le délai pour lequel l’interdiction d’entrée a été fixée ne commence à courir qu’après que l’intéressé a effectivement quitté le territoire.

    • Ret til indrejse og ophold
    • fremmedret
    • indrejsetilladelse for udlændinge
    Fulde tekst
    • FR (pdf-dokument, åbnes i et nye faneblad)
  • Le moyen est irrecevable en ce qu'il est pris de la violation de dispositions de la directive 2011/92/UE concernant l'évaluation des incidences de certains projets publics ou privés sur l'environnement. Cette directive a été transposée en droit interne de sorte qu'elle ne peut plus être invoquée directement, sauf à soutenir que la transposition est incorrecte. Tout au plus doit-on avoir égard à la directive pour l'interprétation des dispositions de droit interne dont la violation est aussi invoquée.

    • Miljø
    • miljøindvirkning
    • bygning
    • socialpolitik
    Fulde tekst
    • FR (pdf-dokument, åbnes i et nye faneblad)
  • Le texte très succinct du règlement 1306/2013 du 17 décembre 2013 relatif au financement, à la gestion et au suivi de la politique agricole commune laisse aux autorités nationales compétentes une marge d'appréciation pour déterminer la période de reproduction et de nidification évoquée par la norme relative aux bonnes conditions agricoles et environnementales des terres n° 7 de l'annexe II (BCAE7). S'il est vraisemblable que les dates retenues ne couvrent pas entièrement la période de nidification et de reproduction de tous les oiseaux, on peut raisonnablement considérer qu'une majorité d'oiseaux nidifient et se reproduisent à cette époque. La documentation produite par l'ASBL requérante concerne un débat d'ordre ornithologique qu'il ne revient pas au Conseil d'État de trancher.

    • landbrugsstøtte
    • beskyttelse af dyr
    Fulde tekst
    • FR (pdf-dokument, åbnes i et nye faneblad)
  • L'I.B.G.E. est l'autorité compétente en Région de Bruxelles-Capitale pour mettre en oeuvre le Règlement (CE) n° 1013/2006 du 14 juin 2006 concernant les transferts de déchets, et donc pour infliger des sanctions en cas d'infraction à ce Règlement. Pour fonder la compétence territoriale de l'I.B.G.E., un ou plusieurs faits infractionnels doivent s'être produits en tout ou en partie sur le territoire de la Région de Bruxelles-Capitale.

    • Affald
    • bøde
    • toldbestemmelser
    • bortskaffelse af affald
    • transport af farligt gods
    Fulde tekst
    • FR (pdf-dokument, åbnes i et nye faneblad)
  • La directive 2004/114 du 13 décembre 2004 relative aux conditions d'admission des ressortissants de pays tiers à des fins d'études, d'échange d'élèves, de formation non rémunérée ou de volontariat, comme les articles 58 et 59 de la loi du 15 décembre 1980 qui en assurent la transposition, pose notamment comme condition particulière que doit remplir l'étudiant ressortissant de pays tiers, le fait d'avoir été admis dans un établissement d'enseignement supérieur pour y suivre un cycle d'études, ledit établissement étant, aux termes de l'article 2, e), de la directive, défini comme un établissement, public ou privé, reconnu par l'État membre d'accueil et/ou dont les programmes d'études sont reconnus conformément à sa législation nationale ou à la pratique administrative de cet État membre, aux fins visées par la présente directive. Or, tel n'est pas le cas lorsqu'un étudiant étranger ne conteste pas, voire admet, que l'École Supérieure à laquelle il s'est inscrit, est un établissement privé qui n'est ni organisé, ni reconnu, ni subsidié par les pouvoirs publics.

    • opholdstilladelse
    • udvisning
    • udenlandsk studerende
    • migration
    Fulde tekst
    • FR (pdf-dokument, åbnes i et nye faneblad)
  • mesures Covid1- Les requérants invoquent une violation de l’article 10 de la Charte des droits fondamentaux de l’Union européenne. En vertu de l’article 51, paragraphe 1er, de cette Charte, les dispositions de celle-ci « s’adressent aux institutions, organes et organisations de l’Union européenne […] ainsi qu’aux États membres uniquement lorsqu’ils mettent en oeuvre le droit de l’Union ». Outre que les requérants n’apportent aucune précision à cet égard, il y a lieu de constater que l’acte attaqué est une règle de droit interne qui n’a pas été adoptée en application du droit européen de sorte que le moyen manque en droit sur ce point.

    • Chartret om grundlæggende rettigheder
    • religionsfrihed
    • epidemi
    • nødstilstand
    Fulde tekst
    • FR (pdf-dokument, åbnes i et nye faneblad)
  • Feiten De feiten in deze zaak zijn gelijkaardig als die van het arrest nr. 249.112: het gaat om een annulatieberoep tegen dezelfde beslissing van de Vlaamse Regulator voor Media (verwerende partij). Middelen die betrekking hebben op het Europees recht In deze zaak werd één middel aangevoerd, namelijk de schending van artikel 7.1.3 van de machtigingsrichtlijn en artikel 9 van de Kaderrichtlijn. De verzoekende partij stelt dat er een schending is van deze bepalingen, omdat de door de verweerder gehanteerde criteria niet transparant en doorzichtig zijn. Bovendien moet, volgens de verzoeker althans, voorafgaand aan de marktbevraging alle relevante eisen en criteria aan de kandidaten worden bekendgemaakt. De verzoeker verwijst hiervoor naar de rechtspraak van het Hof van Justitie. Oordeel Raad van State Het enig middel faalt voor een gedeelte naar recht: er bestaat immers niet zoiets als een transparantiebeginsel volgens de Raad van State. Maar dit wilt niet zeggen dat er geen transparantieverplichtingen bestaan in hoofde van de overheid. De overheid heeft deze verplichting echter niet geschonden volgens de Raad van State: men moet niet zo’n strikte beoordelingsmethode hanteren als de verzoeker voorstelt.

    • indkaldelse af tilbud
    • radiospredning
    • offentlighed i forvaltningen
    Fulde tekst
    • NL (pdf-dokument, åbnes i et nye faneblad)
  • Feiten De verzoekende partij stelt een beroep in tot nietigverklaring van de beslissing van de Vlaamse Regulator voor Media (de verwerende partij). Middelen die betrekking hebben op het Europees recht Het eerste middel van de verzoeker heeft onder andere betrekking op de vermeende schending van het Europees recht. De verzoeker voert de machtigingsrichtlijn (richtlijn 2002/20/EG) en de interpretatieve mededeling van de Commissie over concessieovereenkomsten in het communautaire recht aan in verband met het transparantiebeginsel. Het vierde middel heeft eveneens betrekking op het Europees recht. In dit middel voert de verzoekende partij een schending aan van artikel 7.3 van de machtigingsrichtlijn en van artikel 8 van de Kaderrichtlijn. Oordeel Raad van State Met betrekking tot de Europese wetgeving aangevoerd in het eerste middel werd deze door de verzoeker pas aangehaald in haar memorie van wederantwoord. De verzoeker had echter deze bepalingen reeds in haar inleidend verzoekschrift kunnen aanvoeren. Door deze pas in de memorie van wederantwoord aan te voeren, geeft zij een nieuwe wending aan haar eerste middel. Dit maakt het eerste middel onontvankelijk, los van de rechtstreekse werking van de door de verzoeker aangevoerde bepalingen. Het vierde middel faalt naar recht. Voor wat de kritiek van de verzoeker op de berekening van de score betreft, mag worden verwezen naar de motivering van de Raad van State onder het eerste middel. Voor het overige zegt de Raad van State niets over de Europese wetgeving die door de verzoeker werd aangehaald.

    • indkaldelse af tilbud
    • radiospredning
    • konkurrence
    • offentlighed i forvaltningen
    Fulde tekst
    • NL (pdf-dokument, åbnes i et nye faneblad)
  • La partie requérante pose sa candidature pour le poste de Procureur européen mais celle-ci n’est pas retenue par la Belgique qui propose trois autres candidats. Elle saisit le Conseil d’Etat d’une demande de référé pour obtenir la suspension de l’exécution de cette décision d’éviction, invoquant une atteinte à sa réputation et le risque d'être irrémédiablement privée de la possibilité d'exercer la fonction litigieuse parce que le pouvoir de désignation du Procureur européen ne relève pas des autorités belges mais des instances européennes, de sorte qu’il n’y a pas de possibilité de réfection de la décision proposant les trois autres candidats. Le Conseil d’Etat s’estime, prima facie compétent pour statuer sur la légalité des actes administratifs adoptés par l’Etat belge avant que la décision de désignation soit prise par les instances européennes. Il estime ensuite qu’aucune atteinte à la réputation n’est établie dans la mesure où toute compétition en vue de l'attribution d'un emploi public comporte en soi un risque d'échec. Par ailleurs, il constate que les Procureurs européens sont des agents temporaires du Parquet européen auxquels s’appliquent les voies de recours prévues aux articles 90 à 90bis du Statut, et que selon la Cour de Justice, le champ d’application de ces dispositions s’étend également aux candidats participants aux concours généraux, qu’ils soient ou non agents de l’Union européenne, et aux personnes qui revendiquent la qualité de fonctionnaire européen. Il en conclut qu’il n'est nullement allégué, ni a fortiori établi, qu'une fois le procureur européen désigné par le Conseil, la partie requérante serait privée du droit de saisir les instances et juridictions européennes visées par les dispositions précitées, d’un recours contre la désignation du Procureur européen décidée sur la base des candidatures proposées par l’Etat belge, de sorte que l’affirmation selon laquelle il n’existerait pas de possibilité de réfection de la désignation à cette fonction ne peut, prima facie, être retenue. La requête est donc rejetée pour défaut d’urgence.

    • Tættere samarbejde
    • anklagemyndighed
    • EU-udvælgelsesprøve
    • Den Europæiske Anklagemyndighed
    Fulde tekst
    • FR (pdf-dokument, åbnes i et nye faneblad)
  • Application de la jurisprudence de la CJUE quant à la directive 2011/92/UE du 13 décembre 2011

    • Miljø
    • annullationssøgsmål
    • miljøindvirkning
    • byggetilladelse
    • vejvæsen
    • regionalforvaltning
    Fulde tekst
    • FR (pdf-dokument, åbnes i et nye faneblad)
  • Application de la directive 2011/92/UE en Région wallonne au regard de la jurisprudence de la CJUE - voirie - notion de "décision principale" au sens de la jurisprudence Wells

    • Miljø
    • annullationssøgsmål
    • butikscenter
    • miljøindvirkning
    • byggetilladelse
    • vejvæsen
    Fulde tekst
    • FR (pdf-dokument, åbnes i et nye faneblad)
  • Application de 'larrêt CJUE 461/17 concernant la directive 92/43/CEE du 21 mai 1992

    • Miljø
    • annullationssøgsmål
    • kostskole
    • miljøindvirkning
    • byggetilladelse
    Fulde tekst
    • FR (pdf-dokument, åbnes i et nye faneblad)
  • Zur Ortsbestimmung beim Bezug sonstiger Leistungen im Verhältnis von Stammhaus und Betriebsstätte

    • Merværdiafgift
    • bedrift
    • moms
    • tredjeland
    • EU-ret
    Fulde tekst
    • DE (pdf-dokument, åbnes i et nye faneblad)
    • EN (pdf-dokument, åbnes i et nye faneblad)
  • Interdiction des discriminations fondées sur la grossesse ou la maternité (directive du 5 juillet 2006 transposée par la loi du 27 mai 2008) – Prime de service des personnels de certains établissements hospitaliers (arrêté du 24 mars 1967) – Abattement en cas d’absence – Exception pour le congé de maternité, mais non pour celui de maladie, même lié à la grossesse – Discrimination directe ou indirecte – Absence (1).

    • Vedtægten for tjenestemænd og ansættelsesvilkårene for øvrige ansatte
    • ligestilling mellem kønnene
    • ligeløn
    • social sikring
    • moderskabsydelse
    • hospital
    Fulde tekst
    • FR (pdf-dokument, åbnes i et nye faneblad)
  • Hovrätten avgjorde mot svarandens vilja ett tvistemål utan huvudförhandling; Med beaktande av målets karaktär, att svaranden saknade ombud och att någon förhandling inte hölls i tingsrätten har det inte ansetts obehövligt med huvudförhandling i hovrätten. "Gårdsstödet" NJA 2023 s. 576

    • retsforhandling
    • tilbagebetaling
    Fulde tekst
    • SV (pdf-dokument, åbnes i et nye faneblad)
    Pressemeddelelsens fulde ordlyd
    • SV (pdf-dokument, åbnes i et nye faneblad)
  • No specific rule is provided in the Regulation as to how a party’s application for the transfer of a case should be dealt with. Since the party may decide, on his/her own, which court (s)he would like to bring the case before – hence, the plaintiff was also entitled to lodge her application with the German court –, once such application is submitted to the competent Hungarian court, it must be dealt with by the latter. The plaintiff was wrong to argue that, based on her application, the Hungarian court had been obliged to request the transfer of the case, because the Regulation had not provided for such an obligation. Article 15, paragraph (2) of the Regulation refers back to paragraph (1) of the aforementioned Article, and the latter paragraph expressly uses the term “may” in that regard (“may invite the parties to introduce a request before the court of that other Member State” and “may request a court of another Member State to assume jurisdiction”). It follows from the foregoing that the mere submission of an application for the transfer of a case to a court not having jurisdiction does not automatically oblige the latter to initiate the transfer of the case. Nevertheless, the court not having jurisdiction is required to rule on such an application: if the application is granted, then the court may request the transfer of the case based on Article 15, paragraph (2), point c) of the Regulation, while if the application is rejected, the court has to give reasons for the rejecting decision.

    • Retligt samarbejde i civile sager
    • juridisk person
    • jordejendom
    • ret til ejendom
    Fulde tekst
    • HU (nyt faneblad)
    Pressemeddelelsens fulde ordlyd
    • EN (nyt faneblad)
  • Asylum seeker - Article 28(1) Directive 2013/32/EU (Procedures Directive) - Failure to appear at 'further interview' - Rejection of application as unfounded or manifestly unfounded – Provision of the directive not implemented in national law

    • Asylpolitik
    • flygtningehjælp
    • asylansøger
    Fulde tekst
    • EN (pdf-dokument, åbnes i et nye faneblad)
    • NL (pdf-dokument, åbnes i et nye faneblad)
    Pressemeddelelsens fulde ordlyd
    • NL (pdf-dokument, åbnes i et nye faneblad)
  • La pénalité de retard prévue à l'article L. 441-6, I, alinéa 8, du code de commerce, devenu L. 441-10, II, du même code, constitue un intérêt moratoire. Ayant la même nature, elle ne se cumule pas avec les intérêts légaux de retard au sens de l'article 1153, alinéas 1 et 2, et de l'article 1231-6 du code civil

    • Handelspolitik
    • skade
    • kommerciel kontrakt
    Fulde tekst
    • FR (pdf-dokument, åbnes i et nye faneblad)
  • Il résulte de l'article 25 du règlement (UE) n° 1215/2012 du Parlement européen et du Conseil du 12 décembre 2012 concernant la compétence judiciaire, la reconnaissance et l'exécution des décisions en matière civile et commerciale, qu'une clause attributive de juridiction convenue entre un transporteur et un chargeur et insérée dans une lettre de transport maritime, produit ses effets à l'égard du tiers porteur de la lettre de transport maritime pour autant que, en l'acquérant, il ait succédé aux droits et obligations du chargeur en vertu du droit national applicable. Dans le cas contraire, il convient de vérifier son consentement à la clause, au regard des exigences de ce texte. Dès lors, viole ce texte la cour d'appel qui fait produire ses effets à une clause attributive de juridiction envers le destinataire réel de la marchandise, alors que celui-ci ou son mandataire, qui ne figure en aucune qualité sur une lettre de transport maritime, ne peut être considéré comme un tiers porteur de ce document, de sorte que la clause attributive de juridiction y figurant ne lui est pas opposable.

    • Frie varebevægelser
    • Transport
    • kompetencestrid mellem domstole
    • søtransport
    Fulde tekst
    • FR (pdf-dokument, åbnes i et nye faneblad)
  • Il résulte de l'article 8 du règlement (CE) n° 2201/2003 du Conseil du 27 novembre 2003 relatif à la compétence, la reconnaissance et l'exécution des décisions en matière matrimoniale et en matière de responsabilité parentale, dit Bruxelles II bis, et de l'article 3 du règlement (CE) n° 4/2009 du Conseil du 18 décembre 2008 relatif à la compétence, la loi applicable, la reconnaissance et l'exécution des décisions et la coopération en matière d'obligations alimentaires que la compétence internationale en matière de responsabilité parentale dépend d'éléments de fait et de droit distincts de ceux qui commandent la compétence en matière de désunion. Il s'en déduit la compétence à l'égard de la demande d'obligation alimentaire, lorsqu'elle est accessoire à l'action relative à la responsabilité parentale.

    • kompetencestrid mellem domstole
    • forældreansvar
    Fulde tekst
    • FR (pdf-dokument, åbnes i et nye faneblad)
  • Le droit national en vigueur à la date de transposition de la directive 2014/104/UE du Parlement européen et du Conseil du 26 novembre 2014 relative à certaines règles régissant les actions en dommages et intérêts en droit national pour les infractions aux dispositions du droit de la concurrence des États membres et de l'Union européenne, selon lequel la preuve de l'existence du préjudice causé par une pratique anticoncurrentielle incombe au demandeur à la réparation qui doit, eu égard aux pratiques habituelles en matière commerciale, établir qu'il n'a pas répercuté le surcoût né d'une entente sur ses propres clients, est incompatible avec les dispositions de l'article 13 de cette directive , en ce qu'elles font peser la charge de la preuve de la répercussion du surcoût sur le défendeur à l'action. Dès lors, lorsque que les faits générateurs d'une action en responsabilité engagée par une victime d'une entente sont antérieurs à l'entrée en vigueur de l'article L. 481-4 du code de commerce, issu de la transposition de la directive , les règles de preuve applicables à l'action ne peuvent être interprétées à la lumière de cet article 13, serait-il invocable, et il appartient en conséquence à la victime de l'entente de prouver qu'elle n'avait pas répercuté sur les consommateurs le surcoût occasionné par les pratiques illicites de leurs fournisseurs

    • Konkurrence
    • Forbrugerbeskyttelse
    • erstatning
    • civilretligt ansvar
    • bevis
    • konkurrence
    Fulde tekst
    • FR (pdf-dokument, åbnes i et nye faneblad)
  • Il se déduit des articles L. 2311-1 et suivants du code du travail, dans leur version issue de l'ordonnance n° 2007-329 du 12 mars 2007 relative au code du travail, applicable à la date des faits, que toute personne juridique ayant son siège à l'étranger, qui, pour exercer son activité, emploie des salariés sur le territoire français, exerce la responsabilité de l'employeur selon la loi française et doit appliquer les lois relatives à la représentation des salariés dans l'entreprise. Les lois relatives à la représentation des salariés et à la défense de leurs droits et intérêts sont des lois de police s'imposant à toutes les entreprises et organismes assimilés qui exercent leur activité en France et qui sont dès lors tenus de mettre en place les institutions qu'elles prévoient à tous les niveaux des secteurs de production situés sur le territoire national, ces institutions remplissant l'ensemble des attributions définies par la loi, à la seule exception de celles qui seraient incompatibles avec la présence à l'étranger du siège social (Soc., 3 mars 1988, pourvoi n° 86-60.507, Bull. 1988, V, n° 164). Justifie sa décision la cour d'appel qui, pour déclarer la société de transport aérien prévenue, domiciliée en Irlande, coupable du chef d'entrave aux institutions représentatives du personnel, énonce notamment que les conditions étaient réunies pour la mise en place de telles institutions au sein de la base d'exploitation située en France, les salariés travaillant et étant domiciliés dans cet Etat, et que cette société a refusé d'appliquer la législation française en la matière ainsi qu'à donner suite aux demandes qu'elle a reçues de la part des syndicats de salariés, en invoquant la possibilité pour ses employés d'adhérer aux institutions représentatives du personnel dans l'Etat dont elle a la nationalité. En effet, d'une part, les salariés d'une société ayant son siège dans un autre État membre de l'Union européenne qui sont employés en permanence en France au sein d'un établissement, au sens des articles L. 1262-3 du code du travail et R. 330-2-1 du code de l'aviation civile, dans leur version applicable à la date des faits, disposent du droit d'être représentés au niveau le plus approprié, soit, en l'espèce, l'Etat dans lequel les salariés sont effectivement employés, d'autre part, le délit d'entrave aux institutions représentatives du personnel est caractérisé tant par l'absence de mise en place de ces institutions que par les agissements ou abstentions délibérés et réitérés de la société tendant à empêcher les salariés employés sur sa base d'activité en France de disposer de leurs représentants sur le territoire français.

    • Social provisions
    • international privatret
    • strafansvar
    • ret til arbejde
    • luft- og søfartspersonale
    Fulde tekst
    • FR (pdf-dokument, åbnes i et nye faneblad)
  • Suomen kansalainen A oli matkustanut saman vuorokauden aikana huviveneellä Suomesta Viroon ja takaisin. A:lla oli ollut voimassa oleva passi, jota hänellä ei kuitenkaan ollut matkalla mukanaan. Korkein oikeus katsoi ratkaisustaan ilmenevillä perusteilla A:n syyllistyneen lievään valtionrajarikokseen hänen matkustaessaan maasta ilman matkustamisoikeuden osoittavaa asiakirjaa. Sen sijaan maahan saapuminen ilman matkustusasiakirjaa ei ollut Suomen kansalaiselle rangaistavaa. Kysymys myös unionin oikeuden suhteellisuusperiaatteen soveltamisesta ja rangaistuksen määräämisestä. (Vahvennettu jaosto, ään.)

    • Free movement of persons
    • strafferetlig sanktion
    • bevægelsesfrihed
    Fulde tekst
    • FI (pdf-dokument, åbnes i et nye faneblad)
    Pressemeddelelsens fulde ordlyd
    • EN (pdf-dokument, åbnes i et nye faneblad)
  • Le principe de reconnaissance mutuelle sur lequel est fondé le système du mandat d'arrêt européen repose lui-même sur la confiance réciproque entre les Etats membres quant au fait que leurs ordres juridiques nationaux respectifs sont en mesure de fournir une protection équivalente et effective des droits fondamentaux reconnus au niveau de l'Union européenne, et il n'appartient par conséquent pas à l'Etat d'exécution, hors du cas d'une défaillance systémique ou généralisée dans l'Etat d'émission, d'assurer un contrôle du respect des droits fondamentaux par ce dernier. Justifie sa décision la chambre de l'instruction qui, pour écarter le moyen tiré de la méconnaissance du droit à un double degré de juridiction par la condamnation dont l'exécution est poursuivie par le mandat d'arrêt européen émis par les autorités judiciaires belges, énonce que la procédure en cause a été validée par la jurisprudence interne de l'Etat d'émission

    • Grundlæggende rettigheder
    • Område med frihed, sikkerhed og retfærdighed
    • retsligt samarbejde
    • princippet om gensidig anerkendelse
    Fulde tekst
    • FR (pdf-dokument, åbnes i et nye faneblad)
  • For the purposes of Section 12 of the International Copyright Regulation, a television broadcast via satellite is found to be made in the country where the communication of the programme-carrying signals was initiated. "The Satellite Broadcast" NJA 2023 s. 416

    • fjernsyn
    • satellitkommunikation
    • forfatterret
    Fulde tekst
    • EN (pdf-dokument, åbnes i et nye faneblad)
    • SV (pdf-dokument, åbnes i et nye faneblad)
    Pressemeddelelsens fulde ordlyd
    • EN (pdf-dokument, åbnes i et nye faneblad)
    • SV (pdf-dokument, åbnes i et nye faneblad)
    • Landbrug og fiskeri
    • Miljø
    • Transeuropæiske net
    • Transport
    • MILJØ
    • TRANSPORT
    • EU-lovgivning
    Fulde tekst
    • DE (pdf-dokument, åbnes i et nye faneblad)
    Pressemeddelelsens fulde ordlyd
    • DE (pdf-dokument, åbnes i et nye faneblad)