Gerechtelijke statistieken van het Gerecht - 2025

2025 was in veel opzichten een bewogen jaar voor het Gerecht.

Het was in de eerste plaats een jaar van vernieuwing. In juni zijn twee nieuwe rechters toegetreden tot het Gerecht op posten die sinds oktober 2024 vacant waren. In september zijn vervolgens drie nieuwe rechters benoemd met een mandaat van zes jaar, terwijl vier rechters het Gerecht hebben verlaten, waardoor naast de vacature die al sinds oktober 2024 openstaat een bijkomende vacature is ontstaan. Het Gerecht bestaat in theorie uit 54 rechters, maar is nooit volledig bezet geweest. Tot juni telde het 51 rechters, van juni tot september 53 en sinds september 52.

Ondanks deze verminderde bezetting heeft het Gerecht op één jaar tijd het grootste aantal zaken in zijn geschiedenis afgehandeld. Hoewel een recordaantal nieuwe zaken werd ingediend, is het aantal hangende zaken gedaald tot het laagste niveau van de afgelopen 18 jaar. Rekening houdend met een statistische correctie waarbij 404 gevoegde zaken worden geteld als slechts één arrest, daalt de gemiddelde duur van de procedure zeer aanzienlijk.

Tot slot heeft het Gerecht in de loop van het jaar zijn eerste arresten gewezen over prejudiciële verzoeken die sinds oktober 2024 tot zijn bevoegdheid behoren, en hebben de advocaten-generaal hun eerste conclusies genomen. Het heeft bovendien een aanzienlijk aantal nieuwe verzoeken ontvangen, wat aanleiding gaf om zijn organisatie op dit gebied aan te passen. Zo zijn twee gespecialiseerde kamers opgericht, die de prejudiciële kamer vervangen die tot september 2025 tijdelijk was ingesteld.

Laten we dit recordjaar samen eens nader bekijken.

 

  1. Aanhangig gemaakte zaken: een sterke stijging

De cijfers voor 2025 tonen aan dat de historische daling van het aantal ingestelde zaken in 2024 (786 nieuwe zaken) inderdaad te wijten was aan conjuncturele factoren.

Met 989 aanhangig gemaakte zaken en een stijging van 26 % ten opzichte van het voorgaande jaar bereikt het Gerecht het hoogste aantal nieuwe zaken in zijn geschiedenis. Zelfs zonder de 65 prejudiciële verzoeken in de naar het Gerecht overgedragen bevoegdheidsdomeinen mee te tellen, ligt het aantal van 924 rechtstreekse beroepen en bijzondere procedures hoger dan in de afgelopen vijf jaar[1].

Het jaar 2025 is het eerste volledige jaar sinds de hervorming van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, waarbij de prejudiciële bevoegdheid van het Hof van Justitie in bepaalde specifieke aangelegenheden is overgedragen aan het Gerecht.

Het Gerecht heeft 65 prejudiciële verzoeken ontvangen over aangelegenheden die onder zijn bevoegdheid vallen: 24 over het gemeenschappelijke btw-stelsel, 18 over de compensatie en bijstand aan passagiers bij instapweigering of bij vertraging of annulering van vervoersdiensten, 8 over het douanewetboek, 7 over accijnzen, 7 over de tariefindeling van goederen in de gecombineerde nomenclatuur en 1 over het systeem voor de handel in broeikasgasemissierechten. Dit aantal ligt lager dan de ramingen die ten tijde van het wetgevingsverzoek werden gemaakt, hoewel uiteindelijk slechts weinig zaken over deze specifieke aangelegenheden door het Hof van Justitie zijn doorgezonden omdat zij ook betrekking hadden op één of meer andere aangelegenheden dan die bedoeld in artikel 50 ter, eerste alinea, van het Statuut, of omdat zij opzichzelfstaande vragen opriepen over de uitlegging van primair recht, internationaal publiekrecht, algemene Unierechtelijke beginselen of het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Opgemerkt zij dat van de 76 zaken die in 2025 volgens het „eenloketmechanisme” werden ingediend, er slechts 9 door het Hof werden aanvaard en 2 niet verder werden behandeld.

De prejudiciële verzoeken zijn afkomstig uit 17 verschillende lidstaten. Duitsland neemt met 21 verwijzingen het grootste aandeel voor zijn rekening, gevolgd door Oostenrijk en Polen met elk 7 verwijzingen en Bulgarije met 6. Opmerkelijk is dat niet minder dan 13 hoogste rechterlijke instanties uit dertien verschillende lidstaten verwijzingen hebben gedaan die onder de bevoegdheid van het Gerecht vallen.

Wat de rechtstreekse beroepen betreft, wordt een lichte daling vastgesteld van het aantal intellectuele-eigendomszaken (257 tegenover 268 in 2024, een daling van 4 %). Opvallend is dat het aantal beroepen bij de kamers van beroep van het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) is gestegen (+4,6 %), maar dat deze stijging in de praktijk werd geneutraliseerd door een daling van het aantal beslissingen van diezelfde kamers (-4,9 %). Het percentage beroepen bij het Gerecht tegen beslissingen van de kamers van beroep van het EUIPO bedraagt ongeveer 10 %. Dit cijfer is stabiel gebleven ten opzichte van de voorgaande jaren. Opvallend is dat deze aangelegenheid, die sinds 22 september 2025 is toevertrouwd aan 7 specifieke kamers van het Gerecht, bijna 26 % van alle in 2025 ingestelde zaken vertegenwoordigt. Van deze zaken hadden er 236 betrekking op merken en 19 op modellen. 2 zaken werden ingesteld op het gebied van kwekersrechten tegen beslissingen van het Communautair Bureau voor plantenrassen (CPVO). Het merendeel van deze zaken (82 %) betreft geschillen tussen partijen die al betrokken waren bij de procedure voor de kamers van beroep (inter-parteszaken).

Het aantal ambtenarenzaken dat in 2025 is ingesteld op grond van artikel 270 VWEU vertoont een aanzienlijke stijging (109 tegenover 76 in 2024, een stijging van 43 %). Deze aangelegenheid, die sinds 22 september 2025 is toevertrouwd aan 3 specifieke kamers van het Gerecht, vertegenwoordigt 11 % van alle in 2025 ingestelde zaken. Aan deze 109 beroepen moeten nog 15 beroepen worden toegevoegd die, voor de toewijzing aan deze 3 kamers, onder de aangelegenheid „Ambtenarenzaken +” vallen op basis van een nieuwe definitie van ambtenarenzaken[2], die niet beperkt is tot beroepen die uitsluitend op artikel 270 VWEU zijn gebaseerd.

Op het gebied van staatssteun steeg het aantal ingestelde zaken in 2025 met 4 ten opzichte van 2024 (27 zaken), terwijl dit nog steeds ruim onder de hoge niveaus ligt die het Gerecht in het verleden kende. Net als in 2023 en 2024 blijven zaken op het gebied van mededinging zeer beperkt, met 12 nieuwe zaken in 2025.

Het aantal rechtszaken over beperkende maatregelen bleef de activiteiten van het Gerecht aanzienlijk beïnvloeden, met 105 nieuwe zaken in 2025 (tegen 63 in 2024). Het aandeel van deze zaken is nog groter als men bedenkt dat verzoekers in sommige gevallen, in plaats van een nieuw beroep in te stellen, nieuwe beperkende maatregelen aanvechten binnen lopende procedures door hun verzoekschrift aan te passen overeenkomstig artikel 86 van het procesreglement van het Gerecht. De nieuwe zaken over deze aangelegenheid (84 van de 105) hebben voornamelijk betrekking op de reeks beperkende maatregelen van de EU ten aanzien van de Russische oorlog tegen Oekraïne, inclusief de betrokkenheid van Wit-Rusland, de situatie in Moldavië, de militaire steun van Iran aan Rusland en destabiliserende activiteiten tegen de EU of haar lidstaten. De overige zaken over deze aangelegenheid betreffen Syrië (12), Tunesië (2), Congo (6) en Libië (1). De meeste beroepen werden ingediend in het Engels (57) of Frans (37).

Het aantal zaken op het gebied van het economisch en monetair beleid, een rechtsgebied dat met name het bankrecht omvat, daalt verder: 12 nieuwe zaken en 1 doorverwezen zaak in 2025, tegen respectievelijk 33 in 2024 en 56 in 2023. 4 zaken hebben betrekking op de hernieuwde vaststelling van het besluit over de vooraf aan het gemeenschappelijk afwikkelingsfonds te betalen bijdragen voor 2021. 3 nieuwe zaken en 1 doorverwezen zaak hebben betrekking op besluiten inzake prudentieel toezicht. 2 zaken richten zich op besluiten van de Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad om een afwikkelingsprocedure te starten, en 1 zaak betreft de vermeende nalatigheid van de Commissie om ervoor te zorgen dat de nationale wetgeving verenigbaar is met het monetaire recht van de Europese Unie. Daarnaast zijn 2 beroepen ingesteld tegen het besluit van de Raad over de invoering van de euro in Bulgarije per 1 januari 2026 en de bijbehorende verordeningen, waaronder die betreffende de wisselkoers tussen de euro en de Bulgaarse lev.

In 2025 zijn er op het gebied van de regulering van de digitale markten en diensten 7 zaken aanhangig gemaakt. 3 zaken gaan over verordening (EU) 2022/2065 inzake digitale diensten (in het Engels: Digital Services Act, DSA) en hebben betrekking op het bedrag van de toezichtsvergoeding. 4 zaken gaan over de digitalemarktenverordening (EU) 2022/1925 (in het Engels: Digital Markets Act, DMA). 2 daarvan strekken tot nietigverklaring van besluiten van de Commissie waarin werd bepaald welke maatregelen een marktdeelnemer als poortwachter moest nemen, terwijl de andere 2 zien op de nietigverklaring van besluiten waarin wordt vastgesteld dat de poortwachters hun verplichtingen niet zijn nagekomen.

Wat tot slot de spoedeisende zaken betreft, blijft het aantal verzoeken in kort geding in 2025 stabiel, rond het gemiddelde niveau van de laatste tien jaar, met 40 ingediende verzoeken.

  1. Activiteit van het gerecht: een recordjaar

Het bruto aantal zaken dat in 2025 is afgedaan, bedraagt 1 527. Wanneer de 404 in wezen identieke zaken die in oktober 2023 zijn ingesteld en in december 2025 zijn afgedaan (T‑620/23 tot T‑1023/23) als één zaak worden geteld, komt het totaal nog steeds uit op 1 124. Dit is een absoluut record in de geschiedenis van het Gerecht, en beduidend hoger dan het vorige record van 1 009 afgedane zaken in 2018. Hiermee bedraagt de stijging ten opzichte van de 922 zaken die in 2024 zijn afgedaan ongeveer 22 %.

Ondanks een ongekend hoge toestroom van nieuwe zaken is het Gerecht erin geslaagd het aantal aanhangige zaken terug te brengen tot 1 167, het laagste niveau sinds 2007. Het afhandelingspercentage (clearance rate), dat het verband tussen afgedane en ingestelde zaken weergeeft, bedraagt in brutocijfers 154, en 114 wanneer de 404 bovengenoemde zaken buiten beschouwing worden gelaten. Met dezelfde statistische correctie bedraagt de theoretische doorlooptijd van aanhangige zaken (disposition time), gebaseerd op de verhouding tussen aanhangige en afgedane zaken, 379 dagen, de kortste doorlooptijd in de geschiedenis van het Gerecht. Gezien de duur van de schriftelijke procedures en, in veel gevallen, de tijd die nodig is om de processtukken te vertalen, betekent dit dat het Gerecht nu in staat is de meeste zaken te behandelen zodra zij gereed zijn voor behandeling, zonder eerst de achterstand te hoeven wegwerken. Dit betekent ook dat het onwaarschijnlijk is dat er in 2026 evenveel zaken zullen worden afgedaan, aangezien zaken nu worden behandeld zodra ze klaar zijn voor een beslissing.

Dankzij de inspanningen van de leden en het personeel van het Gerecht, die werden bijgestaan door het personeel van de instelling, is de duur van de procedures aanzienlijk verkort. Het brutocijfer van 18,9 maanden weerspiegelt deze verbetering niet volledig, vanwege het statistische gewicht van de eerdergenoemde 404 in wezen identieke zaken, die langer dan gemiddeld duurden. Wanneer deze zaken echter als één zaak worden geteld, daalt de gemiddelde procesduur van 18,5 naar 16,0 maanden.

Enkele cijfers op een rij:

  • het percentage zaken dat is afgedaan door een formatie van 5 rechters, met inbegrip van de prejudiciële kamer, bedraagt bruto 35,6 %. Na de statistische correctie voor de 404 identieke zaken daalt dit tot 12,5 % een daling ten opzichte van 2024 (20,2 %) en 2023 (13,6 %);

 

  • 60,8 % van de zaken is afgedaan door formaties van 3 rechters; gecorrigeerd voor de 404 zaken stijgt dit tot 82,7 %, tegenover 75,4 % in 2024;

 

  • 2 zaken zijn afgedaan door de Grote kamer van 15 rechters, en voor het eerst zijn ook 2 zaken afgedaan door de in 2024 ingestelde Middelgrote kamer van 9 rechters;

 

  • in 2025 is geen enkele zaak door een alleensprekende rechter beslist; in 2023 en 2024 waren dat respectievelijk 9 en 4 zaken;

 

  • het aantal in 2025 afgedane kortgedingprocedures bedraagt 39 en is vergelijkbaar met voorgaande jaren (42 in 2024 en 40 in 2023);

 

  • van de in 2025 afgesloten zaken werd 60,4 % afgedaan bij arrest; gecorrigeerd voor de 404 wezenlijk identieke zaken komt dit percentage uit op 46,2 %. Van de zaken die bij arrest werden afgedaan, werd 78,4 % behandeld tijdens een pleitzitting; na correctie daalt dit percentage naar 61,7 %.

In 2025 werden 232 pleitzittingen gehouden (evenveel als in 2024, tegenover 286 in 2023) voor 689 zaken waarin is gepleit (300 in 2024 en 419 in 2023).

In 2025 zijn er 3 zittingen met videoconferentie gehouden (2 in 2024 en geen in 2023).

Zoals gezegd, is het Gerecht sinds 1 oktober 2024 bevoegd om prejudiciële verzoeken te behandelen. Hieronder worden daartoe enkele nuttige gegevens belicht. In 2025 heeft het Gerecht wat dat betreft 16 zaken afgedaan: 11 bij beschikking en 5 bij arrest, terwijl de 2 rechters die als advocaten-generaal waren gekozen, in deze zaken 6 conclusies hebben gepresenteerd. De gemiddelde procesduur bedroeg 6,2 maanden, wat vooral te verklaren is door de korte duur van enkele procedures waarin de verwijzende rechter zijn verzoek snel heeft ingetrokken. Voor zaken die bij arrest werden afgedaan, bedroeg de gemiddelde procesduur 10,9 maanden, een zeer laag cijfer, zelfs als daarbij wordt meegerekend dat de vijf arresten zonder pleitzitting en zonder conclusies zijn gewezen.

De 1 167 zaken die op 31 december 2025 aanhangig waren bij het Gerecht kunnen als volgt worden onderverdeeld: 276 (23,7 %) betreffen intellectuele eigendom, 125 (10,7 %) beperkende maatregelen, 164 (14,1 %) de aangelegenheid „Ambtenarenzaken +” en 88 (7,5 %) het institutionele recht. Naast deze aangelegenheden, die ongeveer de helft van de aanhangige zaken uitmaken, vallen de overige zaken uiteen in tal van andere rechtsgebieden. Dit illustreert opnieuw de grote verscheidenheid aan onderwerpen waarover het Gerecht zich moet uitspreken.

Kortom, in het eerste volledige werkjaar sinds de hervorming die de prejudiciële bevoegdheid voor bepaalde aangelegenheden overdroeg, heeft het Gerecht positieve resultaten geboekt. Dankzij organisatorische en institutionele maatregelen en een hoog werktempo kan het Gerecht snel reageren en de gestage stroom van zaken efficiënt behandelen.

 

[1]    Voor de doeleinden van deze toelichting wordt de reeks van 404 in wezen identieke Spaanstalige zaken (T‑620/23 tot en met T‑1023/23), die in 2023 zijn ingesteld en in 2025 zijn afgesloten, als één enkele zaak beschouwd.

[2]    Sinds 23 september 2023 betreft dit de zaken die hun oorsprong vinden in de arbeidsrelatie tussen de Europese Unie en haar personeel. Sinds 22 september 2025 komen hier ook zaken bij die voortkomen uit de betrekkingen tussen de instellingen, organen en instanties van de Unie en hun (voormalige) leden, evenals personen die een mandaat hebben of hebben gehad binnen deze instellingen, organen en instanties.