Gerechtelijke statistieken van het Hof van Justitie - 2025

Aanhangig gemaakte zaken

Net als de jaren ervoor werd ook 2025 gekenmerkt door een grote toevloed van nieuwe zaken: in totaal werden 889 zaken ter griffie ingeschreven. Dit cijfer lijkt een lichte daling ten opzichte van 2024, toen 920 zaken ter griffie werden ingeschreven. Maar wanneer rekening wordt gehouden met de 65 verzoeken om een prejudiciële beslissing die in 2025 bij het Hof zijn ingediend en na de voorafgaande analyse in de zin van artikel 93 bis van het Reglement voor de procesvoering van het Hof naar het Gerecht zijn doorgezonden, zijn in 2025 in werkelijkheid niet minder dan 954 zaken bij het Hof aanhangig gemaakt, een aantal dat het record van 2019 (966 nieuwe zaken) bijna evenaart.

Bij een nadere blik op de uitsplitsing van de zaken die in 2025 aanhangig zijn gemaakt bij het Hof, blijkt – zoals kon worden verwacht – dat het leeuwendeel van deze nieuwe zaken valt onder de categorie verzoeken om een prejudiciële beslissing. Naast de 65 reeds genoemde verzoeken, die naar het Gerecht zijn doorgezonden omdat zij uitsluitend betrekking hebben op een of meer in artikel 50 ter van het Statuut genoemde specifieke aangelegenheden, zijn er in 2025 580 nieuwe verzoeken om een prejudiciële beslissing ter griffie ingeschreven. Dit is het hoogste aantal van de voorbije vijf jaar.

Net als in 2024 waren de prejudiciële verzoeken ook in 2025 uit vrijwel alle lidstaten afkomstig. Een aanzienlijk deel daarvan is ingediend door de Italiaanse rechterlijke instanties (110 verzoeken, waarvan de helft alleen al in februari 2025) en de Poolse rechterlijke instanties (63 verzoeken, het hoogste aantal sinds de toetreding van dat land tot de Europese Unie in 2004).

Het grote aantal verzoeken van de Italiaanse rechterlijke instanties is grotendeels toe te schrijven aan de door hen voorgelegde vragen over de uitlegging van richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming, en met name de uitlegging van het begrip „veilig land van herkomst”[1]. Die vragen zijn gerezen in het kielzog van een sterke toename van het aantal beroepen dat onderdanen van derde landen hebben ingesteld tegen door de nationale autoriteiten genomen verwijderingsmaatregelen.

De verzoeken van de Poolse rechterlijke instanties hadden dan weer vooral betrekking op consumentenbescherming. Meer dan de helft van de verzoeken om een prejudiciële beslissing die zij in 2025 bij het Hof hebben ingediend, betrof de uitlegging van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten[2] of van richtlijn 2008/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten[3].

Waar het aantal verzoeken om een prejudiciële beslissing van de Italiaanse en de Poolse rechterlijke instanties in 2025 bijzonder hoog was, bleef het aantal verzoeken uit Duitsland en Frankrijk zeer laag, met respectievelijk slechts 61 en 17 verzoeken. Het aantal verzoeken van de Franse rechterlijke instanties behoort daarmee tot een van de laagste van de afgelopen twintig jaar. Bij de verzoeken van de Duitse rechterlijke instanties valt op dat een groot deel juist betrekking heeft op de specifieke aangelegenheden waarvoor de prejudiciële bevoegdheid aan het Gerecht is overgedragen. Het gaat daarbij met name om het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde en de compensatie voor en bijstand aan passagiers bij instapweigering of vertraging of annulering van vervoersdiensten. Bij de 61 verzoeken die het Hof zelf zal behandelen, moeten dus meer dan twintig verzoeken worden geteld die bij het Hof zijn ingediend en om bevoegdheidsredenen naar het Gerecht zijn doorgezonden.

Afgezien van de verzoeken uit de vier bovengenoemde lidstaten, valt het nog steeds hoge aantal verzoeken om een prejudiciële beslissing van de Oostenrijkse en de Bulgaarse rechterlijke instanties op, met respectievelijk 47 en 42 verzoeken in 2025. Eveneens vermeldenswaardig is het allereerste verzoek van een Britse rechter sinds het vertrek van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie en het verstrijken van de overgangsperiode op 31 december 2020. Dit verzoek om een prejudiciële beslissing is gebaseerd op artikel 158, lid 1, van het Akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie[4] en is op 24 oktober 2025 ingediend door de High Court of Justice (King’s Bench Division) (hoogste rechterlijke instantie, afdeling van de King’s Bench, Verenigd Koninkrijk). Het betreft de uitlegging van artikel 17, lid 2, van dit akkoord, dat betrekking heeft op de verblijfsrechten en verblijfsdocumenten voor familieleden die ten laste zijn van burgers van de Unie of onderdanen van het Verenigd Koninkrijk.[5]

Net als in de voorgaande jaren vormden de hogere voorzieningen tegen beslissingen van het Gerecht en de rechtstreekse beroepen naar aantal de tweede en de derde grootste categorie van zaken die in 2025 bij het Hof aanhangig zijn gemaakt. Met 245 zaken lag het aantal hogere voorzieningen, hogere voorzieningen op kort geding en hogere voorzieningen op interventie iets lager dan het jaar ervoor, toen 277 hogere voorzieningen – alle categorieën samen – waren ingeleid. Het aantal rechtstreekse beroepen is daarentegen licht gestegen. Naast enkele beroepen tot nietigverklaring en een beroep tot schadevergoeding zijn in 2025 bij het Hof 50 beroepen wegens niet-nakoming ingesteld. Deze beroepen betreffen een twintigtal lidstaten en hebben betrekking op uiteenlopende onderwerpen, zoals milieubescherming in al haar vormen (luchtkwaliteit, kwaliteit van drinkwater, behandeling van stedelijk afvalwater, afvalbeheer, preventie en vermindering van de schadelijke gevolgen van blootstelling aan lawaai, instandhouding van natuurlijke habitats enz.), sociaal beleid en de bestrijding van misbruik van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, alsook vervoer, belastingen en vrij verkeer van kapitaal. Zo heeft de Europese Commissie in maart 2025 tegen zes verschillende lidstaten beroep ingesteld omdat zij niet de nodige maatregelen hadden genomen ter naleving van richtlijn (EU) 2021/2167 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2021 inzake kredietservicers en kredietkopers en tot wijziging van de richtlijnen 2008/48/EG en 2014/17/EU[6], of deze maatregelen niet hadden meegedeeld.

Ten slotte zou dit overzicht van aanhangige zaken beslist onvolledig zijn zonder vermelding van het verzoek om advies dat de Europese Commissie op 21 november 2025 heeft ingediend en waarin zij heeft gevraagd of het herziene ontwerpakkoord inzake de toetreding van de Europese Unie tot het op 4 november 1950 te Rome ondertekende Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden verenigbaar is met de Verdragen. Dit verzoek, dat is ingediend krachtens artikel 218, lid 11, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, volgt op twee eerdere verzoeken over hetzelfde onderwerp, die respectievelijk in april 1994 en juli 2013 zijn ingediend. Het eerste verzoek werd afgesloten met de vaststelling dat de Gemeenschap niet over de bevoegdheid beschikte om toe te treden tot het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden[7], en het tweede met de vaststelling dat het ontwerpakkoord inzake de toetreding van de Europese Unie tot dat verdrag onverenigbaar was met artikel 6, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie en protocol nr. 8 betreffende die bepaling[8]. Het in 2025 ingediende verzoek om advies (1/25) heeft juist betrekking op de tekst die is voortgekomen uit de onderhandelingen die volgden op deze vaststelling van onverenigbaarheid.

Ter afsluiting van dit beknopte overzicht van aanhangige zaken verdient het vermelding dat bij een niet verwaarloosbaar deel van deze zaken ook om behandeling volgens de versnelde procedure is verzocht. Bij niet minder dan 88 zaken – goed voor 10 % van alle zaken die in 2025 bij het Hof aanhangig zijn gemaakt – is namelijk een verzoek of voorstel voor de toepassing van de versnelde procedure of de spoedprocedure ingediend. De prejudiciële spoedprocedure is het afgelopen jaar in vier zaken daadwerkelijk toegepast[9], terwijl twee verzoeken om toepassing van de versnelde procedure[10] zijn ingewilligd. Daarnaast heeft de president in een gevoelige zaak betreffende de uitlegging van richtlijn 2001/55/EG van de Raad van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen[11], zelf het initiatief genomen om de zaak volgens de versnelde procedure te behandelen.

 

Afgedane zaken

Hoewel in 2025 een groot aantal zaken bij het Hof is binnengekomen, werd het afgelopen jaar ook gekenmerkt door intensieve rechterlijke werkzaamheden. Het Hof heeft in 2025 namelijk 774 zaken afgedaan, een aantal dat vrij dicht bij dat van voorgaande jaren ligt (792 afgedane zaken in 2020, 772 in 2021, 808 in 2022 en 783 in 2023). Dit aantal is weliswaar aanzienlijk lager dan in 2024 (862 afgedane zaken), maar dat is eenvoudig te verklaren door de gedeeltelijke vernieuwing van de samenstelling van het Hof in dat jaar, waardoor een groot aantal zaken moest worden afgedaan vóór het vertrek van de rechters van wie het mandaat afliep.

Voorts was het college van rechters op het moment van schrijven van deze bijdrage nog steeds onvolledig. Zo was er nog geen vervanger voor een rechter die in februari 2024 bij het Hof is vertrokken en liet ook de opvolging van een andere rechter, die in juni 2024 tijdens zijn ambtstermijn is overleden, op zich wachten: deze zetel werd pas een jaar later, in juni 2025, opnieuw ingevuld. Dergelijke factoren liggen buiten de controle van het Hof, maar zijn onvermijdelijk van invloed op de productiviteit van de rechterlijke instantie.

Weinig verrassend beslaan de prejudiciële verzoeken en hogere voorzieningen – geheel in lijn met hun aandeel in de bij het Hof aanhangig gemaakte zaken – het leeuwendeel van de door het Hof afgedane zaken. Het Hof heeft in 2025 namelijk 561 prejudiciële zaken en 156 hogere voorzieningen beslecht, wat overeenkomt met meer dan 92 % van alle zaken die vorig jaar zijn afgedaan.

Zoals in de voorgaande jaren zijn ook in 2025 de meeste zaken afgedaan bij arrest. Zo zijn in het afgelopen jaar 447 arresten gewezen, terwijl beschikkingen waarmee een einde wordt gemaakt aan een geding anders dan door doorhaling, terugverwijzing naar het Gerecht of afdoening zonder beslissing minder dan 20 % van de afgedane zaken vertegenwoordigden. Dergelijke beschikkingen (116) zijn echter verhoudingsgewijs vaker gegeven bij hogere voorzieningen dan bij prejudiciële verzoeken. Terwijl in 2025 slechts 12 % van de prejudiciële zaken bij beschikking op grond van de artikelen 53 en/of 99 van het Reglement voor de procesvoering is afgedaan, vertegenwoordigden de beschikkingen die hetzij op grond van de artikelen 170 bis en 170 ter, hetzij op grond van artikel 181 of 182 van het Reglement voor de procesvoering zijn gegeven, 35 % van alle hogere voorzieningen die vorig jaar zijn afgedaan.

Wat de door het Hof in 2025 afgedane hogere voorzieningen betreft, valt vooral de daling van het percentage vernietigingen van beslissingen van het Gerecht op. Terwijl dit percentage in 2022, 2023 en 2024 ongeveer 20 % bedroeg, is dat in 2025 gedaald tot 15 %. Van de 156 hogere voorzieningen die vorig jaar zijn afgedaan, hebben er slechts 24 geleid tot vernietiging van het arrest of de beschikking waartegen bij het Hof was opgekomen. In de meeste gevallen (19) heeft het Hof de zaak naar het Gerecht terugverwezen.

Wat meer in het bijzonder de werkzaamheden van de Kamer voor toelating van hogere voorzieningen betreft, moet worden opgemerkt dat het afgelopen jaar twee hogere voorzieningen zijn toegelaten. Een daarvan is de eerste zaak die na de hervorming van het juridische kader in 2024 binnen de nieuwe werkingssfeer van artikel 58 bis van het Statuut valt. Het betreft meer bepaald een hogere voorziening tegen een beslissing van het Gerecht betreffende de uitvoering van een overeenkomst waarin een arbitragebeding is opgenomen in de zin van artikel 272 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. Die hogere voorziening, die in december 2024 is ingesteld, is op 29 april 2025 gedeeltelijk toegelaten en is thans aanhangig bij het Hof.[12]

Uit de gegevens over de wijze waarop zaken worden afgedaan, blijkt dat vorig jaar minder zaken met een conclusie zijn berecht, zowel naar aantal als procentueel. In 2025 hebben de advocaten-generaal conclusie genomen in 239 afgedane zaken – goed voor 31 % van het totale aantal in 2025 afgedane zaken – terwijl in 2024 336 zaken en in 2023 283 zaken met een conclusie zijn berecht, wat overeenkomt met respectievelijk 39 % en 36 % van het totale aantal afgedane zaken in die beide jaren. Een gedeeltelijke verklaring voor deze daling kan worden gevonden in de overdracht van de prejudiciële bevoegdheid aan het Gerecht, dat voor de door het Hof doorgezonden zaken nu eveneens gebruik moet maken van conclusies van advocaten-generaal. De voornaamste verklaring is echter het ontbreken van werkelijk nieuwe rechtsvragen in de overige aangelegenheden, waardoor het Hof vaker gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid in artikel 20, vijfde alinea, van het Statuut om een zaak zonder conclusie van de advocaat-generaal te berechten. Zoals uit de onderstaande tabellen blijkt, was er in 2025 alleen op het gebied van energie en het vrije verkeer van personen sprake van een werkelijke toename van het aantal zaken die met een conclusie zijn berecht ten opzichte van het voorgaande jaar.

Wat de uitsplitsing van de afgedane zaken per rechtsprekende formatie betreft, blijkt dat de kamers van drie rechters het grootste aantal beslissingen hebben gegeven: in 2025 hebben zij niet minder dan 352 zaken afgedaan. De kamers van vijf rechters hebben in hetzelfde jaar 255 zaken afgedaan, terwijl de Grote kamer 35 zaken heeft afgedaan. Dit is een vrij sterke daling ten opzichte van het voorgaande jaar, waarin deze laatste rechtsprekende formatie 75 zaken had afgehandeld. Zoals reeds opgemerkt, valt dit verschil te verklaren door het grote aantal beslissingen dat vóór de gedeeltelijke vernieuwing van de samenstelling van het Hof in oktober 2024 is gegeven, waaronder met name een arrest waarin uitspraak is gedaan op vijftien beroepen betreffende de communautaire regeling inzake vervoer.

Tot slot bedroeg de gemiddelde duur van de procedures voor alle soorten zaken samen beschouwd 16,7 maanden, tegenover 17,7 maanden het jaar voordien. Bij alle soorten zaken nam de duur van de procedures af: bij prejudiciële zaken van 17,2 maanden tot 16,9 maanden, bij rechtstreekse beroepen van 21,5 maanden tot 20 maanden en bij hogere voorzieningen van 18,4 maanden tot 15,1 maanden.

 

Aanhangige zaken

Als logisch gevolg van het onevenwicht tussen het aantal zaken dat het afgelopen jaar aanhangig is gemaakt, en het aantal afgedane zaken, was het aantal aanhangige zaken per 31 december 2025 hoger dan het voorgaande jaar. Concreet ging het om 1 322 zaken, tegenover 1 207 zaken het jaar voordien. Met respectievelijk 772 en 443 zaken zijn de prejudiciële verzoeken en de hogere voorzieningen nog steeds goed voor het merendeel van de bij het Hof aanhangige zaken.

 

 

 

[1] PB L 180 van 29 juni 2013, blz. 60.

[2] PB L 95 van 21 april 1993, blz. 29.

[3] PB L 133 van 22 mei 2008, blz. 66.

[4] PB L 29 van 31 januari 2020, blz. 7.

[5] Zaak C‑682/25, Crossryn.

[6] PB L 438 van 8 december 2021, blz. 1. Deze beroepen zijn ingeschreven onder de nummers C‑207/25, C‑208/25, C‑210/25, C‑212/25, C‑213/25 en C‑215/25 en zijn gericht tegen respectievelijk Finland, Bulgarije, Spanje, Hongarije, Nederland en Portugal.

[7] Advies 2/94 (Toetreding van de Gemeenschap tot het EVRM) van 28 maart 1996 (EU:C:1996:140).

[8] Advies 2/13 (Toetreding van de Unie tot het EVRM) van 18 december 2014 (EU:C:2014:2454).

[9] Het gaat om de zaak C‑135/25 PPU, Kachev (die heeft geleid tot het arrest van 20 mei 2025, EU:C:2025:366), de zaak C‑219/25 PPU, Kamekris (die heeft geleid tot het arrest van 19 juni 2025, EU:C:2025:456), de zaak C‑313/25 PP, Adrar (die heeft geleid tot het arrest van 4 september 2025, EU:C:2025:647) en de zaak C‑712/25 PPU, Rastochev (die heeft geleid tot het arrest van 12 februari 2026, EU:C:2026:101).

[10] Zie de zaken C‑280/25, Lin II, en C‑440/25, Ebilum.

[11] Zaak C‑195/25, Framholm (die heeft geleid tot het arrest van 20 november 2025, EU:C:2025:904).

[12] Zaak C‑881/24 P, SC/Eulex Kosovo (beschikking van 29 april 2025, EU:C:2025:313).