Arrêt du Conseil d'Etat de Belgique du 23 novembre 2017, n.v. TNS Dimarso/Vlaamse Gewest, n° 239.937
| Cały tekst |
239937 pdf
- 120,29K
|
|---|---|
| Tytuł komunikatu prasowego / streszczenia | - |
| Numer komunikatu prasowego / streszczenia | - |
| Cały tekst komunikatu prasowego | - |
| Sygnatura ECLI | - |
| Sygnatura ELI | - |
| Język, w którym zredagowane zostało orzeczenie | néerlandais |
| Data dokumentu | 23/11/2017 |
| Sąd lub trybunał będący autorem dokumentu | Conseil d'État (BE) |
| Dziedzina |
|
| Dziedzina EUROVOC |
|
| Przepis prawa krajowego | - |
| Przywołany przepis prawa Unii | - |
| Przepis prawa międzynarodowego |
- Directive 2004/18/CE, art. 53, §2 - CJUE, 14 juillet 2016, C-6/15 |
| Opis |
Marchés publics - Directive 2004/18 - Application après l'arrêt de la CJUE du 14 juillet 2016, C-6/15 In zijn arrest C-6/15 van 14 juli 2016 oordeelt het HvJ inzake art. 53, lid 2, van Richtlijn 2004/18/EG, dat de beoordelingsmethode in beginsel niet na de opening van de offertes door de aanbestedende dienst mag worden vastgesteld, dit om elk risico van favoritisme uit te sluiten. Het HvJ voorziet slechts in één uitzondering, meer bepaald wanneer de methode om "aantoonbare redenen" niet vóór deze opening kan worden vastgesteld. Het is bijgevolg in beginsel ongeoorloofd om na de opening van de offertes de beoordelingsmethode nog vast te stellen zonder dat moet worden aangetoond dat die vaststelling na de opening van de offertes een discriminatoir effect heeft gehad op één van de inschrijvers. Te dezen erkent de verw. p. zelf dat zij voor de beoordelingsmethode pas koos na de opening van de offertes. De argumentatie die zij daarvoor aanbrengt, namelijk "om een correcte en representatieve beoordeling en vergelijking van de offertes toe te laten", overtuigt niet als "aantoonbare reden". De vaststelling dat er sprake is van grote gelijkenissen tussen de offertes met betrekking tot de kwaliteit had eerder aanleiding moeten geven om te kiezen voor een meer "verfijnde" methode teneinde te voorkomen dat de kwalitatieve verschillen tussen de offertes worden uitgevlakt en het prijscriterium de facto doorslaggevend wordt. De toepassing van de gebruikte beoordelingsmethode "hoog-voldoende-laag" laat minder toe om de offertes naar hun inhoudelijke eigenschappen te rangschikken dan de toepassing van "een cijfermatige beoordeling uitgedrukt in punten of percentages" of het gebruik van "een meer gedetailleerde schaal "zeer laag - middenlaag - matig - hoog - zeer hoog - excellent". Het feit dat de verw. p. deze ARGUS-methode reeds vroeger heeft toegepast, bevestigt eerder dat de toepassing van deze methode vóór de opening van de offertes kon worden vastgesteld. De verw. p. maakt niet aannemelijk dat de beoordelingsmethode om aantoonbare redenen niet vóór de opening van de offertes kon worden vastgesteld, zodat het ingeroepen transparantiebeginsel geschonden is. Het HvJ heeft in zijn arrest C-6/15 van 14 juli 2016 inzake art. 53, lid 2, van Richtlijn 2004/18/EG overwogen dat het feit dat de aanbestedende dienst de beoordelingsmethode na de bekendmaking van de aankondiging van de opdracht of het bestek vaststelt niet tot gevolg mag hebben dat de gunningscriteria of het relatieve gewicht ervan worden gewijzigd. Te dezen stelt zich de vraag of de keuze van de verw. p. voor de beoordelingsmethode "hoog-voldoende-laag" bij de beoordeling van het gunningscriterium "kwaliteit van de offerte" het relatieve gewicht van de gunningscriteria heeft gewijzigd zoals aangekondigd in het bestek in de zin dat elk van beide criteria ("kwaliteit van de offerte" en "prijs") als evenwaardig worden beschouwd en dus elk voor de helft bepalend zullen zijn voor de rangschikking. De RvS stelt vast dat, aangezien drie van de vier offertes, waaronder de offerte van de verz. p., voor het criterium "kwaliteit" de score "hoog" hebben verkregen, en er geen scores zijn gegeven om de offertes nader van elkaar te onderscheiden en naar hun inhoudelijke eigenschappen te rangschikken, het criterium "prijs" bij de gunning van de opdracht beslissend is geweest. Hierdoor werd de draagwijdte van het criterium "kwaliteit" afgevlakt ten aanzien van het criterium "prijs", zodat dit laatste criterium bij de keuze van degene aan wie de opdracht werd gegund een relatief hoger gewicht heeft gehad dan de in het bestek vermelde weging van 50 % redelijkerwijs kon doen vermoeden. De door de verw. p. achteraf gekozen beoordelingsmethode blijkt dus de weging van de gunningscriteria te hebben gewijzigd. Bijgevolg is het onrechtmatig dat deze methode voor de beoordeling van de offertes door de verw. p. achteraf werd vastgesteld en had deze methode vooraf in de aankondiging van de opdracht of het bestek bekend moeten worden gemaakt. |
