Conseil d'Etat de Belgique, arrêt n° 261.839 du 20 décembre 2024
| Koko teksti |
261839
- 70,8K
|
|---|---|
| Lehdistötiedotteen / tiivistelmän otsikko | - |
| Lehdistötiedotteen / tiivistelmän numero | - |
| Lehdistötiedotteen koko teksti | - |
| ECLI-tunnus | - |
| ELI-tunnus | - |
| Ratkaisun alkuperäkieli | néerlandais |
| Asiakirjan piävämäärä | 20/12/2024 |
| Ratkaisun antanut tuomioistuin | Conseil d'État (BE) |
| Aihe |
|
| EUROVOC-aihe |
|
| Kansallisen oikeuden säännös | - |
| Mainittu unionin oikeuden säännös | |
| Kansainvälisen oikeuden määräys | - |
| Kuvaus |
De artt. 3, zevende lid, 36 en 59, van richtlijn 2010/63/EU zijn omgezet in het interne recht bij wijzigingen van de dierenwelzijnswet (inzonderheid de wet van 7 februari 2014) en het koninklijk besluit van 29 mei 2013 ‘betreffende de bescherming van proefdieren’. Een richtlijnbepaling behoeft omzetting in internrechtelijke regelgeving. De schending ervan kan in beginsel dan ook niet rechtstreeks worden aangevoerd als vernietigingsgrond. In alle gevallen waarin de bepalingen van een richtlijn inhoudelijk gezien onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig zijn, mogen particulieren zich niettemin voor de nationale rechter op deze bepalingen beroepen tegenover de Staat, hetzij wanneer deze heeft verzuimd deze richtlijn binnen de gestelde termijn om te zetten in intern recht, hetzij wanneer de omzetting niet in overeenstemming is met deze richtlijn. Verzoekster zet niet uiteen dat die omzetting verkeerd is, of laattijdig, zodat het middel al minstens om die reden onontvankelijk is in de mate waarin de schending is aangevoerd van de bedoelde richtlijnbepalingen. |
