A | Het Hof van Justitie in 2025
Het merendeel van de zaken die bij het Hof van Justitie aanhangig kunnen worden gemaakt, betreft verzoeken om een prejudiciële beslissing. Wanneer een nationale rechter twijfel koestert over de uitlegging of de geldigheid van een bepaling van Unierecht, schorst hij de bij hem aanhangige procedure en legt hij de zaak voor aan het Hof van Justitie. Wanneer hij is voorgelicht door de beslissing van het Hof, kan hij het aan hem voorgelegde geschil beslechten. In zaken die een antwoord binnen een zeer korte termijn vergen (bijvoorbeeld zaken op het gebied van asiel, grenscontroles, kinderontvoering enz.) kan een prejudiciële spoedprocedure worden gevolgd.
Bij het Hof kunnen ook rechtstreekse beroepen worden ingesteld, die strekken tot nietigverklaring van een handeling van de Unie („beroep tot nietigverklaring”) of tot vaststelling dat een lidstaat het recht van de Unie niet naleeft („beroep wegens niet-nakoming”). Wanneer de lidstaat niet voldoet aan het arrest waarbij de niet-nakoming is vastgesteld, kan het Hof van Justitie hem een financiële sanctie opleggen in het kader van een tweede beroep, het zogeheten beroep wegens „dubbele niet-nakoming”.
Verder kunnen hogere voorzieningen worden ingesteld tegen beslissingen van het Gerecht. Het Hof van Justitie kan die beslissingen van het Gerecht vernietigen.
Tot slot kan het Hof van Justitie (door een lidstaat of een Europese instelling) worden verzocht advies uit te brengen over de vraag of een overeenkomst die de Unie voornemens is te sluiten met een derde land of een internationale organisatie, verenigbaar is met de Verdragen.
Werkzaamheden en ontwikkeling van het Hof van Justitie
Koen Lenaerts
President van het Hof van Justitie van de Europese Unie
Het jaar 2025 was in meerdere opzichten een scharnierjaar.
Om te beginnen was dit het eerste volledige jaar waarin het laatste onderdeel van de hervorming van het gerechtelijk bestel van de Europese Unie, zoals die werd vastgesteld in verordening 2024/2019, werd uitgevoerd. Deze hervorming beoogt de werklast van de twee rechterlijke instanties van de Unie opnieuw in evenwicht te brengen met als uiteindelijk doel binnen zo kort mogelijke termijnen hoogwaardige rechterlijke beslissingen te nemen.
Dit laatste onderdeel van de hervorming bestond met name uit een gedeeltelijke overdracht van de prejudiciële bevoegdheid van het Hof van Justitie aan het Gerecht. Deze overdracht is in werking getreden op 1 oktober 2024 en heeft betrekking op zes specifieke aangelegenheden (btw, accijnzen, douanewetboek, tariefindeling, passagiersrechten en emissiehandelssysteem). De hervorming is gebaseerd op een „éénloketsysteem”, waarbij alle verzoeken om een prejudiciële beslissing bij het Hof van Justitie worden ingediend. Indien een verzoek om een prejudiciële beslissing betrekking heeft op een van deze zes aangelegenheden, bepaalt de president — na raadpleging van de vicepresident en de eerste advocaat-generaal — of het Hof van Justitie in algemene vergadering of dit verzoek moet worden doorgezonden naar het Gerecht of bij het Hof moet blijven. In 2025 zijn 65 van de 74 in het kader van het éénloketsysteem geanalyseerde prejudiciële verzoeken doorgezonden naar het Gerecht. De beslissingen tot doorzending konden snel worden genomen dankzij de voortdurende inzet van de kabinetten en de diensten, met name de griffie van het Hof en de directie Onderzoek en Documentatie.
Sinds 1 september 2024 is het mechanisme van voorafgaande toelating van hogere voorzieningen uitgebreid tot arresten en beschikkingen van het Gerecht over beslissingen van zes nieuwe onafhankelijke kamers van beroep en tot geschillen over de uitvoering van overeenkomsten die een arbitragebeding bevatten. Deze uitbreiding is uitgevoerd in lijn met de praktijk die zich sinds de invoering van dit mechanisme heeft ontwikkeld. Van de 36 verzoeken die door de kamer voor voorafgaande toelating van hogere voorzieningen zijn behandeld, zijn er twee toegelaten omdat in deze verzoeken vragen aan de orde werden gesteld die belangrijk zijn voor de eenheid, de samenhang of de ontwikkeling van het Unierecht. Een van deze twee zaken had betrekking op een geschil inzake een overeenkomst (beschikking in de zaak SC/Eulex Kosovo C‑881/24 P) dat thans onder de bevoegdheid van deze kamer valt.
Wat de samenstelling van het Hof betreft, trad in 2025 de nieuwe Sloveense rechter, de heer Bošnjak, aan. Hij nam de functie op die op 20 juni 2024 vacant was geworden na het overlijden van onze betreurde collega Marko Ilešič. Voorts is de eerste Bulgaarse rechter van het Hof van Justitie, de heer Arabadjiev, vertrokken. Hij werd vervangen door de heer Kornezov, die voorheen rechter was bij het Gerecht.
Ten slotte vormt 2025 een belangrijk keerpunt in het communicatie- en transparantiebeleid van het Hof. Zo zijn er duidelijke stappen gezet om de Europese rechtspraak dichter bij de burger te brengen en beter in te spelen op de behoeften van rechtsbeoefenaren.
Op communicatievlak zijn er filmpjes gelanceerd waarin de leden van het Hof van Justitie enkele van zijn belangrijkste arresten kort toelichten. Daarnaast zijn verschillende grote projecten met een geplande uitrol begin 2026 flink opgeschoten: de vernieuwing van de Curia-website en de ontwikkeling van een grondig gemoderniseerde zoekmachine voor externe gebruikers en van een versie van Curia Web TV die toegankelijk is voor alle internetgebruikers. Deze ontwikkelingen zullen de toegang tot gerechtelijke informatie voor iedereen aanzienlijk verbeteren.
Wat de versterking van de transparantie van de procedures voor het Hof betreft, moet ook worden gewezen op de publicatie van de memories en schriftelijke opmerkingen die worden ingediend in het kader van prejudiciële verwijzingen, waartoe bij de laatste herziening van het gerechtelijk stelsel is besloten. Daarnaast is op 1 april 2025 het besluit vastgesteld betreffende de regels en modaliteiten die van toepassing zijn op de uitzending van terechtzittingen. Deze uitzendingen zorgen voor een beter begrip van de rol en de werkzaamheden van het Hof en bieden een ruimere toegang tot de middelen, argumenten en opmerkingen van de partijen, de conclusies van de advocaten-generaal en de arresten van het Hof.
Naast zijn eigenlijke gerechtelijke werkzaamheden heeft het Hof zijn inspanningen op het gebied van opleiding, communicatie en uitwisselingen met de rechterlijke instanties van de lidstaten voortgezet. Zo heeft van 3 tot 5 september 2025 in Sofia (Bulgarije) de derde editie van de conferentie „EUnited in diversity” plaatsgevonden. In het kader daarvan zijn het Hof van Justitie en de constitutionele hoven en gelijkwaardige instellingen die bevoegd zijn voor de grondwettelijke rechtspraak binnen de lidstaten bijeengekomen om de rechterlijke dialoog te stimuleren en de wisselwerking te versterken in de gemeenschappelijke rechtsorde die wordt gevormd door de Unie en de rechtsstelsels van de lidstaten. Op 1 en 2 december 2025 heeft het Hof ongeveer 150 rechters van de lidstaten ontvangen ter gelegenheid van zijn jaarlijkse Symposium van magistraten. Dit symposium, dat voor het eerst werd georganiseerd in 1968, biedt nationale rechters de gelegenheid om vertrouwd te raken met de werking van het Hof en binnen de instelling zelf rechtstreeks met de leden van het Hof van gedachten te wisselen over onderwerpen van gemeenschappelijk belang. Daarmee wordt de nauwe samenwerking tussen het Hof en de nationale rechterlijke instanties verder versterkt. Voorts was er een toename van het aantal ontmoetingen en opleidingen die in het kader van het Justitieel Netwerk van de Europese Unie (JNEU) en in samenwerking met het Europees netwerk voor justitiële opleiding (ENJO) worden georganiseerd, met name in verband met de prejudiciële procedure. Ten slotte trad het Hof in december 2025 voor het eerst op als gastheer voor de grote finale van de door het ENJO georganiseerde Themis-wedstrijd. Deze prestigieuze wedstrijd biedt toekomstige rechters en openbare aanklagers uit alle hoeken van Europa een unieke gelegenheid om hun praktische kennis van het Unierecht te verbeteren, en draagt zo bij tot de consolidering van een gemeenschappelijke justitiële cultuur binnen de Unie.
Uit de statistieken met betrekking tot het afgelopen jaar blijkt dat zowel het aantal bij het Hof van Justitie aanhangig gemaakte zaken (889) als het aantal door het Hof afgeronde zaken (774) nog steeds hoog ligt. Het tweede cijfer kan grotendeels worden verklaard door de gedeeltelijke vernieuwing van het Hof in 2024. Op 31 december 2025 waren er 1 322 zaken aanhangig. De gemiddelde procesduur (voor alle soorten zaken samen) bedroeg in 2025 16,7 maanden.
De leden van het Hof van Justitie
Het Hof van Justitie bestaat uit 27 rechters en 11 advocaten-generaal.
De rechters en advocaten-generaal worden in onderlinge overeenstemming door de regeringen van de lidstaten benoemd na raadpleging van een comité dat een advies moet geven over de geschiktheid van de voorgestelde kandidaten voor de uitoefening van de betrokken ambten. Zij worden benoemd voor zes jaar en kunnen worden herbenoemd.
Zij worden gekozen uit personen die alle waarborgen voor onafhankelijkheid bieden en aan alle gestelde eisen voldoen om in hun onderscheiden landen de hoogste rechterlijke ambten te bekleden, of die bekendstaan als kundige rechtsgeleerden.
De rechters oefenen hun ambt in volstrekte onpartijdigheid en onafhankelijkheid uit.
De rechters van het Hof van Justitie kiezen uit hun midden de president en de vicepresident. De rechters en de advocaten-generaal benoemen de griffier voor een ambtstermijn van zes jaar.
De advocaten-generaal hebben tot taak om in volkomen onpartijdigheid en onafhankelijkheid rechtsgeleerde adviezen, „conclusies” genaamd, te formuleren in de zaken die hun zijn toegewezen. Deze adviezen zijn niet bindend, maar verschaffen een extra visie op het voorwerp van het geschil.
In 2025 zijn de volgende rechters in functie getreden bij het Hof van Justitie: in juni Marko Bošnjak (Slovenië), ter vervanging van Marko Ilešič, en in september Alexander Kornezov (Bulgarije), ter vervanging van Alexander Arabadjiev.
K. Lenaerts
T. von Danwitz
F. Biltgen
K. Jürimäe
C. Lycourgos
I. Jarukaitis
M. L. Arastey Sahún
M. Szpunar
I. Ziemele
J. Passer
O. Spineanu-Matei
M. Condinanzi
F. Schalin
J. Kokott
S. Rodin
M. Campos Sánchez-Bordona
E. Regan
N. J. Cardoso da Silva Piçarra
A. Kumin
N. Jääskinen
J. Richard de la Tour
A. Rantos
D. Gratsias
M. Gavalec
N. Emiliou
Z. Csehi
T. Ćapeta
L. Medina
B. Smulders
D. Spielmann
A. Biondi
S. Gervasoni
N. Fenger
R. Frendo
R. Norkus
M. Bošnjak
A. Kornezov
A. Calot Escobar
Protocollaire rangorde per 7 oktober 2025
B | Het Gerecht in 2025
Het Gerecht is in hoofdzaak bevoegd om in eerste aanleg kennis te nemen van rechtstreekse beroepen tegen handelingen van de instellingen, organen en instanties van de Europese Unie die worden ingesteld door natuurlijke of rechtspersonen (individuen, ondernemingen, verenigingen enz.), mits zij door die handelingen rechtstreeks en individueel worden geraakt, en door lidstaten. Het Gerecht neemt ook kennis van rechtstreekse beroepen tot vergoeding van schade die door de instellingen of hun personeelsleden is veroorzaakt.
Tegen de beslissingen van het Gerecht kan een tot rechtsvragen beperkte hogere voorziening worden ingesteld bij het Hof van Justitie. In zaken die reeds tweemaal zijn onderzocht (door een onafhankelijke kamer van beroep en vervolgens door het Gerecht), laat het Hof van Justitie de hogere voorziening uitsluitend toe wanneer daarmee een vraag aan de orde wordt gesteld die belangrijk is voor de eenheid, de samenhang of de ontwikkeling van het Unierecht.
Sinds 1 oktober 2024 is het Gerecht ook bevoegd om kennis te nemen van verzoeken om een prejudiciële beslissing die door het Hof van Justitie worden doorgezonden en die uitsluitend betrekking hebben op een of meer van de volgende specifieke aangelegenheden: het gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde, accijnzen, het douanewetboek, de tariefindeling van goederen in de gecombineerde nomenclatuur, compensatie en bijstand aan passagiers bij instapweigering of bij vertraging of annulering van vervoersdiensten, en het systeem voor de handel in broeikasgasemissierechten.
Een groot deel van de geschillen die door het Gerecht worden behandeld, is van economische aard: intellectuele eigendom (merken, tekeningen en modellen van de Europese Unie), mededinging, staatssteun, bankentoezicht en toezicht op de financiële sector. Het Gerecht is ook bevoegd om in ambtenarenzaken uitspraak te doen over geschillen tussen de Europese Unie en haar personeelsleden.
Werkzaamheden en ontwikkeling van het Gerecht
Marc van der Woude
President van het Gerecht van de Europese Unie
In 2025 vonden met name in september twee opmerkelijke gebeurtenissen plaats bij het Gerecht: ten eerste de gedeeltelijke vernieuwing van haar samenstelling, en ten tweede het einde van de overgangsperiode voor de behandeling van verzoeken om een prejudiciële beslissing.
Op 15 september 2025 hebben in het kader van de gedeeltelijke vernieuwing drie leden het Gerecht verlaten: rechter Tomljenović, kamerpresident Mastroianni en kamerpresident Porchia. Daarnaast is de heer Kornezov benoemd tot rechter bij het Hof van Justitie. Het Gerecht dankt hen voor de belangrijke bijdrage die zij hebben geleverd aan zijn rechtspraak. Eveneens op 15 september 2025 hebben rechters Bestagno, Pezzuto en Pavelin de eed afgelegd als nieuwe leden van het Gerecht. Het nieuwgevormde college heeft vervolgens zijn president en vicepresident herkozen voor een mandaat van drie jaar, en tien kamerpresidenten gekozen.
Deze gebeurtenissen vielen samen met het einde van de overgangsperiode die het Gerecht had ingesteld na de gedeeltelijke overdracht van de prejudiciële bevoegdheid van het Hof van Justitie aan het Gerecht bij verordening 2024/2019. Deze hervorming is op 1 oktober 2024 in werking getreden en heeft intern geleid tot de instelling van twee gespecialiseerde kamers voor de behandeling van verzoeken om een prejudiciële beslissing, die elk bestaan uit zes rechters, waarvan er één optreedt als advocaat-generaal. Anders dan rechtstreekse beroepen worden verzoeken om een prejudiciële beslissing namelijk, onverminderd een eventuele latere doorverwijzing van een zaak naar een andere formatie, in eerste instantie toegewezen aan een formatie van vijf rechters. Om de verzoeken om een prejudiciële beslissing optimaal te kunnen behandelen, heeft het Gerecht eveneens twee rechters gekozen die de genoemde advocaten-generaal kunnen vervangen wanneer zij verhinderd zijn.
Deze reorganisatie en de komst van nieuwe leden hebben een gunstige invloed gehad op de gerechtelijke werkzaamheden van het Gerecht, dat in de loop van 2025 niet minder dan 1 527 zaken heeft kunnen afsluiten (waarvan 404 gevoegde zaken die door voormalige leden van het Europees Parlement waren aangespannen tegen het Europees Parlement en die betrekking hadden op de aanvullende pensioenregeling), wat een absoluut historisch record is. Het aantal aanhangige zaken werd, rekening houdend met de 989 nieuwe zaken, tegen het einde van het jaar teruggebracht tot 1 167. Wat meer bepaald de verzoeken om een prejudiciële beslissing betreft, zijn er in 2025 in totaal 65 verzoeken doorgezonden naar het Gerecht. 16 van die zaken zijn afgesloten.
De gemiddelde procesduur bedraagt, voor alle aangelegenheden en beslissingen samen, 18,9 maanden. Door die 404 inhoudelijk identieke zaken in één zaak samen te voegen, is de gemiddelde procesduur teruggebracht tot 16 maanden. De behandeling van verzoeken om een prejudiciële beslissing duurt minder lang: 6,2 maanden.
In 2025 is 34,7 % van de afgesloten zaken behandeld door een formatie van vijf rechters (waaronder die 404 gevoegde zaken). Van de belangrijkste zaken (zie het hoofdstuk „Terugblik op de belangrijkste arresten van het jaar”) zijn er twee behandeld door de Grote kamer, die uit vijftien rechters bestaat, en twee door de Middelgrote kamer van negen rechters, die het Gerecht bij de meest recente hervorming van 2024 heeft ingesteld. Het betreft de zaken Stevi en The New York Times/Commissie en Oostenrijk/Commissie (Grote kamer), alsook de gevoegde zaken YL/Raad en YL/Raad en EUIPO (Middelgrote kamer).
Gedurende dit eerste volledige jaar sinds de gedeeltelijke overdracht van de prejudiciële bevoegdheid op 1 oktober 2024 heeft het Gerecht zich zijn nieuwe taak volledig eigen gemaakt en is het erin geslaagd de behandeling van deze verzoeken perfect in zijn interne werking te integreren, terwijl het in totaal een uitzonderlijk groot aantal zaken heeft afgedaan. Dankzij de efficiënte en proactieve aanpak die het Gerecht inmiddels hanteert, is het meer dan ooit klaar om nieuwe uitdagingen aan te gaan.
Belangrijke ontwikkelingen in de rechtspraak
Savvas Papasavvas
Vicepresident van het Gerecht van de Europese Unie
Het jaar 2025 werd voornamelijk gekenmerkt door de gevolgen van de hervorming die werd doorgevoerd bij verordening 2024/2019. Deze hervorming is goedgekeurd in een context waarin zowel het aantal aanhangige prejudiciële zaken als de gemiddelde duur van de behandeling van deze zaken bij het Hof van Justitie toenam, en brengt twee belangrijke veranderingen teweeg bij het Gerecht: de oprichting van een nieuwe rechtsprekende formatie en de overdracht van een deel van de prejudiciële bevoegdheid aan het Gerecht.
Zo heeft de Middelgrote kamer, die uit negen rechters bestaat, haar eerste arrest uitgesproken en heeft zij verschillende zaken toegewezen gekregen. De oprichting van deze kamer werd ingegeven door de wens om met name de samenhang van de prejudiciële beslissingen van het Gerecht te waarborgen en een goede rechtsbedeling te verzekeren.
Ook de prejudiciële kamer van het Gerecht heeft haar eerste beslissingen gegeven. Deze hadden betrekking op twee van de zes specifieke materies die aan het Gerecht zijn overgedragen: accijnzen en het gemeenschappelijke btw-stelsel.
Zo had de eerste prejudiciële zaak die door het Gerecht werd beoordeeld en die heeft geleid tot het arrest van 9 juli 2025, Gotek (T‑534/24), betrekking op de uitlegging van de artikelen 7 en 8 van richtlijn 2008/118/EG van de Raad. Het verzoek om een prejudiciële beslissing was ingediend in het kader van een geschil tussen een natuurlijke persoon en het Kroatische ministerie van Financiën over de inning van accijnzen die deze persoon verschuldigd was in het kader van een fictieve levering van accijnsgoederen die op valse facturen waren vermeld.
Met betrekking tot het gemeenschappelijke btw-stelsel heeft het Gerecht zich in zijn arrest van 26 november 2025, Versãofast (T‑657/24) uitgesproken over een verzoek om een prejudiciële beslissing dat betrekking had op de uitlegging van artikel 135, lid 1, onder b), van richtlijn 2006/112/EG van de Raad en dat werd ingediend in het kader van een geschil tussen Versãofast en de belastingdienst over door deze vennootschap uitgeoefende kredietbemiddelingsactiviteiten die door de belastingdienst waren gekwalificeerd als kredietbemiddeling die vrijgesteld is van btw.
De advocaten-generaal die het Gerecht bijstaan bij de behandeling van verzoeken om een prejudiciële beslissing, hebben ook hun eerste conclusies genomen.
Zo heeft advocaat-generaal Maja Brkan in haar conclusie van 29 oktober 2025 in de zaak Accorinvest (T‑653/24) een verzoek om een prejudiciële beslissing onderzocht dat betrekking had op de uitlegging van artikel 1, lid 2, van richtlijn 2008/118/EG van de Raad. Naar aanleiding van dat verzoek moest het Gerecht bepalen of een tarifaire bijdrage over het vervoer van elektriciteit kon worden aangemerkt als een „andere indirecte belasting” in de zin van artikel 1, lid 2, van richtlijn 2008/118 en dus binnen de werkingssfeer van deze bepaling viel.
In zijn conclusie van 26 november 2025 in de zaak European Air Charter (T‑656/24) heeft advocaat-generaal Martín y Pérez de Nanclares het verzoek om een prejudiciële beslissing van het Landgericht Düsseldorf (rechter in tweede aanleg Düsseldorf, Duitsland) onderzocht, waarin het Gerecht werd verzocht om verduidelijking van het begrip „rechtstreeks causaal verband” tussen een buitengewone omstandigheid in de zin van artikel 5, lid 3, van verordening (EG) nr. 261/2004 die gevolgen had voor een vlucht, en de vertraging van een latere vlucht.
De overdracht van een deel van de prejudiciële bevoegdheid aan het Gerecht vormt een belangrijke nieuwe etappe voor het Gerecht, dat aanvankelijk tot taak had te oordelen over geschillen die een grondig onderzoek van complexe feiten vereisen, en nu eveneens wordt gevraagd in dialoog te treden met de nationale rechters. Het afgelopen jaar toont aan dat het Gerecht deze uitdaging aankan, zowel wat betreft de kwaliteit van de eerste uitspraken als wat betreft de gemiddelde duur van de procedure.
De leden van het Gerecht
Het Gerecht bestaat uit twee rechters per lidstaat.
De rechters worden gekozen uit personen die alle waarborgen voor onafhankelijkheid bieden en over de nodige bekwaamheid beschikken om een hoog rechterlijk ambt te bekleden. Zij worden in onderlinge overeenstemming door de regeringen van de lidstaten benoemd na raadpleging van een comité dat een advies moet geven over de geschiktheid van de kandidaten. Zij worden benoemd voor zes jaar en kunnen worden herbenoemd. Zij kiezen uit hun midden voor drie jaar de president en de vicepresident. Zij benoemen de griffier voor een mandaat van zes jaar.
De rechters oefenen hun ambt in volstrekte onpartijdigheid en onafhankelijkheid uit.
M. van der Woude
S. Papasavvas
E. Buttigieg
N. Półtorak
K. Kowalik-Bańczyk
G. De Baere
M. Sampol Pucurull
P. Škvařilová-Pelzl
K. Kecsmár
I. Gâlea
S. Kingston
S. L. Kalėda
M. Jaeger
H. Kanninen
J. Schwarcz
M. Kancheva
L. Madise
A. Marcoulli
I. Reine
R. da Silva Passos
P. Nihoul
J. Svenningsen
U. Öberg
M. J. Costeira
C. Mac Eochaidh
T. Pynnä
L. Truchot
J. Laitenberger
J. Martín y Pérez de Nanclares
G. Hesse
M. Stancu
I. Nõmm
G. Steinfatt
T. Perišin
D. Petrlík
M. Brkan
P. Zilgalvis
I. Dimitrakopoulos
D. Kukovec
T. Tóth
B. Ricziová
E. Tichy-Fisslberger
W. Valasidis
S. Verschuur
L. Spangsberg Grønfeldt
H. Cassagnabère
R. Meyer
J. Hettne
D. Jočienė
F. Bestagno
R. Pezzuto
T. Pavelin
V. Di Bucci
Protocollaire rangorde per 16 september 2025
C | De rechtspraak in 2025
- Focus Burgerschap van de Unie en de „gouden paspoorten”
- Focus Het Hof van Justitie buigt zich over de richtlijn betreffende minimumlonen
- Focus Toegang tot tekstberichten die zijn uitgewisseld tussen de voorzitter van de Commissie en de CEO van Pfizer
- Focus Informatiemaatschappij: de digitaledienstenverordening en zeer grote onlineplatforms
- Terugblik op de belangrijkste arresten van het jaar
Focus
Burgerschap van de Unie en de „gouden paspoorten”
Arrest Commissie/Malta (Staatsburgerschap door investeringen) (C‑181/23)
In 2014 heeft Malta mechanismen ingevoerd die onderdanen van derde landen in staat stelden de Maltese nationaliteit te verkrijgen in ruil voor financiële bijdragen en investeringen. In 2020 werd deze regeling vervangen door een nieuw programma: „staatsburgerschap door naturalisatie wegens uitzonderlijke diensten in de vorm van directe investeringen”. Deze regeling maakte het voor een buitenlandse investeerder en bepaalde leden van zijn gezin mogelijk om de Maltese nationaliteit te verkrijgen door hoge sommen aan de staat te betalen, een onroerend goed in Malta te kopen of te huren, een donatie te doen aan een erkende organisatie en te voldoen aan een zogenaamd wettelijk verblijfsvereiste, waarvan de duur tegen betaling van een extra bedrag kon worden ingekort.
De Europese Commissie was van mening dat dit programma problemen opleverde vanuit het oogpunt van het Unierecht, aangezien een persoon die de nationaliteit van een lidstaat verkrijgt, automatisch het burgerschap van de Unie verwerft. Volgens de Commissie was het nieuwe Maltese programma dat in 2020 werd ingevoerd, gebaseerd op een hoofdzakelijk transactionele logica. De financiële voorwaarden vormden het centrale element van het programma, terwijl het verblijfsvereiste geen daadwerkelijke en duurzame aanwezigheid op het grondgebied inhield. Uit de mogelijkheid om in ruil voor een hogere betaling de duur van het verblijf aanzienlijk in te korten bleek dat de band tussen de aanvrager en de lidstaat geen doorslaggevend criterium was voor de toekenning van de nationaliteit. De Commissie was dan ook van mening dat de regeling leidde tot een vorm van vermarkting van het burgerschap van de Unie, die onverenigbaar is met de aard van dit burgerschap.
De Commissie heeft de zaak voorgelegd aan het Hof van Justitie, dat eraan heeft herinnerd dat het burgerschap van de Unie de primaire hoedanigheid van de onderdanen van de lidstaten vormt. Het verleent rechten en plichten en is gebaseerd op een bijzondere band van solidariteit en loyaliteit tussen een staat en zijn onderdanen. Deze band vormt eveneens de basis van het wederzijds vertrouwen tussen de lidstaten dat heeft geleid tot de invoering van het Europees burgerschap bij het Verdrag van Maastricht, waarbij elke lidstaat de gevolgen van de beslissingen van de andere lidstaten op het gebied van nationaliteit aanvaardt.
Het Hof heeft opgemerkt dat de toekenning van de Maltese nationaliteit in het kader van voornoemd programma voornamelijk afhankelijk was van de naleving van vooraf bepaalde financiële voorwaarden en dat het vereiste in verband met de verblijfsduur niet leidde tot daadwerkelijke integratie in de Maltese maatschappij, aangezien geen daadwerkelijk verblijf van een bepaalde duur in Malta moest worden aangetoond. Volgens het Hof doen de door Malta aangevoerde veiligheids- en reputatiecontroles geen afbreuk aan deze bevindingen, aangezien deze controles in wezen enkel beoogden bepaalde risico’s voor het algemeen belang te voorkomen.
Het Hof heeft geoordeeld dat een naturalisatieprogramma dat is gebaseerd op een dergelijke transactionele procedure, voorbijgaat aan de aard zelf van het burgerschap van de Unie. Een lidstaat die voornamelijk in ruil voor vooraf bepaalde betalingen of investeringen zijn nationaliteit, en dus het Europees burgerschap, toekent zonder te vereisen dat er een authentieke band van solidariteit en loyaliteit bestaat tussen de lidstaat en de kandidaat voor naturalisatie, tast het wederzijds vertrouwen aan waarop de Unie is gegrondvest.
Door dit programma voor de verwerving van burgerschap in ruil voor investeringen vast te stellen en uit te voeren, is Malta dus zijn verplichtingen als lidstaat niet nagekomen en heeft het ook het beginsel van loyale samenwerking geschonden.
Wat is het burgerschap van de Europese Unie?
Het burgerschap van de Europese Unie is een van de essentiële aspecten van het Europees project. Het is ingevoerd bij het Verdrag van Maastricht en is thans vastgelegd in artikel 20 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU). Het verleent aan iedereen die de nationaliteit van een lidstaat heeft een gemeenschappelijke status, die een aanvulling vormt op het nationale burgerschap, en dit niet vervangt. Deze status verleent belangrijke rechten, zoals het recht om zich vrij in de lidstaten te verplaatsen en er vrij te verblijven, het recht om in de lidstaat van verblijf te stemmen en zich kandidaat te stellen bij de gemeenteraadsverkiezingen en de verkiezingen voor het Europees Parlement, en het recht op diplomatieke en consulaire bescherming door andere lidstaten in derde landen.
Het burgerschap van de Unie is gebaseerd op solidariteit en wederzijds vertrouwen tussen de lidstaten en hun onderdanen. De toekenning van het burgerschap van de Unie vloeit automatisch voort uit de hoedanigheid van onderdaan van een lidstaat, die is gebaseerd op het bestaan van een bijzondere band van solidariteit en loyaliteit tussen die staat en zijn onderdanen. Het is deze bijzondere band die de toekenning rechtvaardigt van rechten die verbonden zijn aan het burgerschap van de Unie en die in de hele Unie kunnen worden uitgeoefend.
Het burgerschap van de Unie in de rechtspraak van het Hof
Sinds de invoering van het burgerschap van de Unie bij het Verdrag van Maastricht (in 1993) is de precieze reikwijdte ervan geleidelijk aan verduidelijkt door de rechtspraak van het Hof van Justitie. Reeds in het arrest Martínez Sala (C‑85/96) heeft het Hof erkend dat de status van Unieburger in bepaalde situaties de mogelijkheid biedt om zich rechtstreeks te beroepen op het beginsel van non-discriminatie op grond van nationaliteit. Deze ontwikkeling is bevestigd in het arrest Grzelczyk (C‑184/99), waarin het Hof heeft bevestigd dat het burgerschap van de Unie de „primaire hoedanigheid” van de onderdanen van de lidstaten dient te zijn, wat een symbolisch en juridisch keerpunt was in de Europese integratie.
Het Hof heeft vervolgens de reikwijdte en de grenzen van deze hoedanigheid gepreciseerd. In het arrest Rottmann (C‑135/08) heeft het geoordeeld dat nationale beslissingen in verband met het verlies van de nationaliteit in overeenstemming moeten zijn met het evenredigheidsbeginsel indien deze beslissingen leiden tot het verlies van het burgerschap van de Unie. Kort daarna heeft het Hof in het arrest Zambrano (C‑34/09) bevestigd dat een kind van jonge leeftijd dat de nationaliteit van een lidstaat heeft en dus burger van de Unie is, daadwerkelijk de belangrijkste aan deze status ontleende rechten moet kunnen genieten. Bijgevolg kan niet worden geweigerd om aan zijn ouders, die onderdanen van een derde land zijn, een verblijfsvergunning af te geven. Zonder een dergelijke vergunning zou het kind gedwongen worden het grondgebied van de Unie te verlaten om zijn ouders te vergezellen, waardoor hem het effectieve genot zou worden ontzegd van de belangrijkste aan de status van burger van de Unie ontleende rechten.
In dezelfde geest heeft het Hof in het arrest Stolichna obshtina, rayon „Pancharevo” (C‑490/20), geoordeeld dat een lidstaat krachtens het Unierecht verplicht is om de in een andere lidstaat op wettige wijze vastgestelde afstamming van een kind van twee personen van hetzelfde geslacht te erkennen teneinde voor het kind het effectieve genot van de aan de status van burger van de Unie ontleende rechten, met name de vrijheid van verkeer, te waarborgen. Daarmee bevestigt het Hof een opvatting van het burgerschap van de Unie waarbij dit burgerschap concreet tot uiting komt in het recht op een normaal gezinsleven.
Ten slotte heeft het Hof meer recent in het arrest Udlændinge- og Integrationsministeriet (C‑689/21) bevestigd dat de lidstaten weliswaar hun bevoegdheid op het gebied van nationaliteit behouden, maar dat zij deze bevoegdheid op zodanige wijze moeten uitoefenen dat de kern van de aan het burgerschap van de Unie ontleende rechten niet in onevenredige mate wordt aangetast, waardoor nogmaals het centrale en beschermende karakter van deze status in de rechtsorde van de Unie wordt beklemtoond.
Een burger van de Unie heeft het recht:
- zich vrij te bewegen, te wonen, te werken of te studeren in een andere lidstaat;
- in zijn staat van verblijf te stemmen en zich kandidaat te stellen bij de gemeenteraadsverkiezingen en de verkiezingen voor het Europees Parlement;
- een verzoekschrift in te dienen bij het Europees Parlement of een burgerinitiatief in te dienen bij de Europese Commissie;
- een klacht in te dienen bij de Europese Ombudsman in geval van wanbeheer door een instelling van de Unie;
- consulaire bescherming te genieten van een andere lidstaat indien zijn eigen lidstaat niet vertegenwoordigd is in een derde land;
- toegang te vragen tot documenten van de instellingen van de Unie;
- zich in een van de 24 officiële talen tot de instellingen van de Unie te wenden.
Focus
Het Hof van Justitie buigt zich over de richtlijn betreffende minimumlonen
Arrest Denemarken/Parlement en Raad (toereikende minimumlonen) (C‑19/23)
Richtlijn (EU) 2022/2041 betreffende minimumlonen, die in oktober 2022 door het Europees Parlement en de Raad werd vastgesteld, heeft tot doel de levensomstandigheden en de arbeidsvoorwaarden van werknemers in de Unie te verbeteren. Bij deze richtlijn wordt een gemeenschappelijk kader vastgesteld om de toereikendheid van wettelijke minimumlonen, voor zover die bestaan, te bevorderen en de rol van collectieve onderhandelingen bij de vaststelling van lonen te versterken. De richtlijn, die is vastgesteld op basis van artikel 153, lid 1, onder b), VWEU betreffende de arbeidsvoorwaarden, preciseert dat zij geen afbreuk doet aan de bevoegdheid van de lidstaten om de beloningen vast te stellen, en dat zij de autonomie van de sociale partners respecteert.
Denemarken heeft de bevoegdheid van de Unie om op dit gebied op te treden betwist. Het werd hierin gesteund door Zweden. Het was van mening dat de richtlijn, ondanks haar ogenschijnlijk procedurele karakter, in werkelijkheid aanleiding zou geven tot rechtstreekse inmenging van de Unie in de vaststelling van de lonen. Dit terrein zou krachtens artikel 153, lid 5, VWEU echter uitdrukkelijk zijn uitgesloten van de bevoegdheden van de Unie. Denemarken voerde eveneens aan dat bepaalde aan de lidstaten opgelegde verplichtingen een schending vormden van het recht van vereniging en afbreuk deden aan het Deense stelsel van arbeidsverhoudingen, dat berust op een ruime autonomie van de sociale partners.
Het Hof heeft eraan herinnerd dat de Unie slechts kan handelen binnen de grenzen van de bevoegdheden die haar in de Verdragen zijn toegedeeld. De uitsluiting van „beloningen” heeft tot doel elke directe harmonisatie van de lonen op het niveau van de Unie te voorkomen. Deze uitsluiting mag echter niet zo ruim worden uitgelegd dat zij de bevoegdheden van de Unie op het gebied van sociaal beleid, met name de bevoegdheid om de arbeidsvoorwaarden te verbeteren, zou uithollen.
Het Hof heeft geoordeeld dat door de richtlijn betreffende toereikende minimumlonen geen Europees minimumloon, noch een geharmoniseerd beloningsniveau in de Unie wordt ingevoerd. In wezen worden in deze richtlijn uitsluitend procedurele minimumeisen vastgesteld en beschikken de lidstaten over een ruime beoordelingsmarge om hun minimumlonen vast te stellen en aan te passen.
Wat de bevordering van collectieve onderhandelingen betreft, heeft het Hof opgemerkt dat de richtlijn geen resultaatsverplichting oplegt. De lidstaten waar minder dan 80 % van de werknemers onder een collectieve overeenkomst valt, moeten alleen een kader vaststellen dat gunstige voorwaarden biedt voor dergelijke onderhandelingen, en moeten bijgevolg een actieplan opstellen om dergelijke onderhandelingen te bevorderen. Het gaat om inspanningsverplichtingen, waarbij de uiteenlopende nationale tradities en de autonomie van de sociale partners worden geëerbiedigd, aangezien de richtlijn met name geen verplichting oplegt aan de lidstaten om ten minste een dekkingsgraad van 80 % te verwezenlijken.
Het Hof heeft echter geoordeeld dat sommige bepalingen van de richtlijn betreffende toereikende minimumlonen dit procedurele kader overschrijden. Het was van oordeel dat de verplichting voor de lidstaten om bij de vaststelling en aanpassing van de wettelijke minimumlonen rekening te houden met specifieke criteria, zoals de kosten voor levensonderhoud, het algemene niveau van de lonen of de productiviteit, neerkwam op een harmonisatie van een deel van de bestanddelen van de wettelijke minimumlonen. Het Hof kwam tot een soortgelijke conclusie ten aanzien van de bepaling van deze richtlijn die een verlaging van de wettelijke minimumlonen verbiedt indien deze minimumlonen onderworpen zijn aan een automatisch indexeringsmechanisme. Deze bepalingen vormen dus een rechtstreekse inmenging in de vaststelling van de beloning. Bijgevolg heeft het Hof de bepalingen van de richtlijn die een rechtstreekse inmenging van de Unie in de vaststelling van de beloning vormen en dus de door de Verdragen aan de Unie toegekende bevoegdheden overschrijden, nietig verklaard. Voor het overige heeft het Hof het beroep van Denemarken verworpen.
Het Hof heeft aldus het evenwicht tussen de bevoegdheid van de Unie op het gebied van sociaal beleid en de uitsluiting van beloningen verduidelijkt en heeft bevestigd dat de Unie procedurele kaders kan vaststellen en collectieve onderhandelingen kan bevorderen zonder rechtstreeks in te grijpen in de vaststelling van de lonen.
Wat bepaalt artikel 153 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU)?
Artikel 153 VWEU geeft aan op welke gebieden de Europese Unie het optreden van de lidstaten op het gebied van sociaal beleid kan ondersteunen en aanvullen. Het biedt de Unie met name de mogelijkheid om richtlijnen vast te stellen met minimumvoorschriften op onder meer het gebied van arbeidsvoorwaarden, de bescherming van werknemers, de gelijkheid van mannen en vrouwen en de informatie en de raadpleging van werknemers.
In dit artikel worden echter duidelijke grenzen gesteld aan het optreden van de Unie. In lid 5 worden bepaalde aangelegenheden, met name de beloning, het recht van vereniging, het stakingsrecht en het recht tot uitsluiting, uitdrukkelijk uitgesloten van de bevoegdheid van de Unie, teneinde de autonomie van de lidstaten en de sociale partners te beschermen op gebieden die worden beschouwd als essentieel voor hun sociale en grondwettelijke tradities. Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie blijkt dat de Unie weliswaar voorschriften kan vaststellen die indirect van invloed zijn op de lonen, maar dat zij niet rechtstreeks in de vaststelling van de lonen mag ingrijpen.
Richtlijn (EU) 2022/2041 betreffende toereikende minimumlonen
Richtlijn (EU) 2022/2041 heeft tot doel de levensomstandigheden en arbeidsvoorwaarden in de Unie te verbeteren door de bescherming die toereikende minimumlonen bieden te versterken. De richtlijn voorziet niet in een Europees minimumloon en stelt evenmin een uniform beloningsniveau vast. Het doel van de richtlijn is een gemeenschappelijk kader te scheppen om te waarborgen dat de minimumlonen, voor zover die bestaan, een behoorlijke levensstandaard mogelijk maken, met inachtneming van de nationale tradities en de autonomie van de sociale partners.
De richtlijn streeft deze doelstellingen voornamelijk na door middel van procedurele bepalingen. Zo verplicht zij de lidstaten die in hun wetgeving een wettelijk minimumloon hebben vastgesteld, te voorzien in duidelijke en transparante procedures voor de vaststelling en aanpassing van dit minimumloon.
De richtlijn bevordert ook collectieve onderhandelingen, die cruciaal worden geacht om toereikende lonen te waarborgen. Met name worden lidstaten waar slechts een klein deel van de werknemers onder een collectieve arbeidsovereenkomst valt, aangemoedigd maatregelen te nemen om de sociale dialoog te bevorderen. Aldus beoogt de richtlijn de sociale convergentie binnen de Unie te versterken, zonder afbreuk te doen aan de bevoegdheid van de lidstaten om beloningen vast te stellen.
Het minimumloon in de rechtspraak van het Hof
Reeds vóór de inwerkingtreding van de richtlijn betreffende toereikende minimumlonen had het Hof een omvangrijke rechtspraak over minimumlonen ontwikkeld. In verschillende arresten heeft het de grenzen van de nationale bevoegdheden en de vereisten van het Unierecht afgebakend.
Zaken met betrekking tot de detachering van werknemers hebben daarbij een centrale rol gespeeld. In het arrest Laval (C‑341/05) heeft het Hof de strekking verduidelijkt van de „minimumlonen” die kunnen worden opgelegd aan buitenlandse ondernemingen die werknemers detacheren. Het heeft gewezen op de noodzaak van een duidelijke rechtsgrondslag en voldoende transparantie voor marktdeelnemers.
Een tweede belangrijk onderwerp in de rechtspraak betreft de koppeling tussen het minimumloon en de regelgeving inzake overheidsopdrachten. Zo heeft het Hof in de zaak Bundesdruckerei (C‑549/13) onderzocht of een verplichting om bij een overheidsopdracht die gedeeltelijk in het buitenland wordt uitgevoerd, een minimumloon na te leven dat is vastgesteld in de wetgeving van het land van ontvangst, verenigbaar is met het Unierecht. Het heeft beklemtoond dat dergelijke maatregelen evenredig moeten zijn in het licht van de vrijheid van dienstverrichting. In het arrest RegioPost (C‑115/14) heeft het Hof echter erkend dat aanbestedende diensten de uitvoering van een overheidsopdracht afhankelijk kunnen stellen van de naleving van een door de wet of een wettelijke regeling opgelegd minimumloon, mits met dit vereiste een legitiem sociaal doel wordt nagestreefd en het vereiste op niet-discriminerende wijze wordt toegepast.
Ten slotte heeft het Hof ook het begrip „minimumloon” in het kader van de detacheringsrichtlijn verduidelijkt, meer bepaald in het arrest Sähköalojen ammattiliitto (C‑396/13), door aan te geven welke bestanddelen van de beloning onder dit begrip vallen.
Deze rechtspraak vormt het kader waarbinnen het huidige geschil over de richtlijn betreffende toereikende minimumlonen in de Unie zich afspeelt. Zij bakent de beoordelingsmarge van de lidstaten af en waarborgt de doeltreffendheid van de door het VWEU gegarandeerde fundamentele vrijheden.
Focus
Toegang tot tekstberichten die zijn uitgewisseld tussen de voorzitter van de Commissie en de CEO van Pfizer
Arrest Stevi en The New York Times/Commissie (T‑36/23)
Transparantie van het openbare leven is een essentieel beginsel van de Europese Unie. Daarom kan elke burger of rechtspersoon van de EU toegang krijgen tot de documenten van het Parlement, de Commissie en de Raad. Deze toegang wordt geregeld door verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie.
Deze verordening vormt de rechtsgrondslag van het recht van het publiek op toegang tot de documenten van deze instellingen van de Europese Unie. Zij beoogt allereerst de transparantie, die een essentiële voorwaarde vormt voor de Europese democratie en de legitimiteit van het optreden van de Unie, te vergroten. Het transparantiebeginsel is ten volle van toepassing op de activiteiten van deze instellingen, ook wanneer deze de vorm aannemen van moderne communicatie, zoals tekstberichten.
In mei 2022 heeft mevrouw Stevi, een journaliste van de New York Times, verzocht om inzage in de sms-berichten die in het kader van de onderhandelingen over contracten voor COVID-19-vaccins waren uitgewisseld tussen de voorzitter van de Europese Commissie, Ursula von der Leyen, en de CEO van het farmaceutisch bedrijf Pfizer.
De Europese Commissie heeft dit verzoek afgewezen en verklaard dat zij niet in bezit was van de opgevraagde berichten. Volgens de Commissie waren de sms-berichten geen documenten die door de instelling werden bewaard en konden zij dus niet worden verstrekt.
Mevrouw Stevi heeft de zaak aanhangig gemaakt bij het Gerecht. Het Gerecht heeft om te beginnen herinnerd aan een essentieel beginsel: het recht op toegang tot documenten heeft tot doel het optreden van de Europese instellingen zo transparant mogelijk te maken. Wanneer een instelling verklaart dat zij niet in het bezit is van een document, wordt deze verklaring in beginsel als juist beschouwd. Deze veronderstelling kan echter worden betwist indien de aanvrager ernstige aanwijzingen verstrekt dat de documenten hebben bestaan.
In deze zaak heeft het Gerecht geoordeeld dat dit het geval was. Het heeft opgemerkt dat in meerdere openbare bronnen, met name persartikelen, verklaringen van de voorzitter van de Commissie en een verslag van de Europese Rekenkamer, werd vermeld dat de twee verantwoordelijken ten tijde van de onderhandelingen rechtstreeks contact met elkaar hadden gehad, onder meer via sms. Deze elementen volstonden om aan te tonen dat de berichten op zijn minst op een bepaald moment hadden bestaan.
Gezien deze aanwijzingen had de Commissie op duidelijke en gedetailleerde wijze moeten uitleggen waarom de berichten niet konden worden teruggevonden. Volgens het Gerecht heeft de Commissie deze uitleg niet verschaft. Zij heeft louter gesteld dat er was gezocht, zonder te preciseren waar, hoe en op welke dragers, en zonder aan te geven of de berichten bij de vervanging van de gebruikte telefoons waren gewist, gearchiveerd of overgezet.
Het Gerecht heeft beklemtoond dat de instellingen het recht op transparantie niet kunnen uithollen door documenten niet te bewaren. Zij zijn verplicht hun documenten op een ernstige en voorspelbare manier te beheren, zodat het publiek hun optreden kan begrijpen en controleren. Uitwisselingen over belangrijke beslissingen, zoals de aankoop van vaccins voor de hele Unie, kunnen niet zomaar buiten beschouwing worden gelaten louter omdat de communicatie in de vorm van korte berichten heeft plaatsgevonden.
Volgens het Gerecht heeft de Commissie onvoldoende uitleg verstrekt over het lot van de opgevraagde berichten. Het heeft derhalve geoordeeld dat de weigering van toegang onrechtmatig was, en het bestreden besluit nietig verklaard.
Duidelijke procedure
Verordening (EG) nr. 1049/2001 stelt een duidelijke procedure vast: de instelling moet een met redenen omkleed besluit nemen en voorzien in de mogelijkheid van een interne herziening, gevolgd door een rechterlijke toetsing. Dankzij de verordening beschikken burgers over een hefboom om het optreden van de instellingen te begrijpen, te volgen en, in voorkomend geval, te betwisten.
De verordening voorziet in uitzonderingen om gevoelige openbare of particuliere belangen te beschermen, maar de toepassing ervan wordt strikt begrensd: zij moeten restrictief worden uitgelegd, weigeringen moeten concreet worden gemotiveerd en er moet stelselmatig worden onderzocht of gedeeltelijke toegang kan worden verleend.
De rechtspraak van de Unie heeft deze logica versterkt door te bevestigen dat transparantie voorop moet staan, met name in wetgevingsprocessen, om democratische controle te waarborgen.
Reeds in het arrest Zweden en Turco/Raad (C‑39/05 P), dat werd gewezen in hogere voorziening, heeft het Hof van Justitie de basis gelegd voor deze aanpak door te eisen dat verzoeken om toegang tot juridische adviezen van de Raad concreet en individueel worden beoordeeld, en door elke vorm van automatische geheimhouding van wetgevingsdocumenten te verwerpen. Daarmee heeft het Hof het beginsel bekrachtigd dat transparantie de regel is en geheimhouding de uitzondering. Deze lijn is verder uitgewerkt in het arrest De Capitani/Parlement (T‑540/15), waarin het Gerecht de systematische vertrouwelijkheid van trialoogdocumenten (met betrekking tot tripartiete vergaderingen en uitwisselingen tussen de drie instellingen die deelnemen aan het wetgevingsproces) heeft uitgesloten en heeft verduidelijkt dat de uitzondering betreffende de bescherming van het besluitvormingsproces niet mag worden gebruikt om het normale verloop van het wetgevingsproces binnen de Unie aan het zicht te onttrekken. Meer recent heeft het Gerecht in het arrest Kaili/Parlement (T‑1031/23), waartegen bij het Hof van Justitie hogere voorziening is ingesteld (C‑632/25 P), het besluit van het Parlement om zijn voormalige vicevoorzitter geen toegang te verlenen tot bepaalde documenten, nietig verklaard. Het Gerecht heeft daarmee het vereiste om weigeringen van toegang aan een strenge en individuele toetsing te onderwerpen, en de concrete reikwijdte van het recht op transparantie, ook in een gevoelige institutionele context, bevestigd.
Focus
Informatiemaatschappij: de digitaledienstenverordening en zeer grote onlineplatforms
De Europese Unie speelt een sleutelrol in de ontwikkeling van de informatiemaatschappij. Zij streeft ernaar een gunstig klimaat voor innovatie en concurrentiekracht te creëren, en tegelijkertijd de rechten van de consument te beschermen en rechtszekerheid te bieden. Deze beginselen zijn opgenomen in de digitalemarktenverordening (verordening (EU) 2022/1925) en de digitaledienstenverordening (verordening (EU) 2022/2065). Zij vormen een belangrijk wetgevingspakket dat bedoeld is om de Europese digitale ruimte rond twee doelstellingen te structureren: ten eerste moet een doeltreffende bescherming van de grondrechten van gebruikers en consumenten in de digitale omgeving worden gewaarborgd, en ten tweede moeten eerlijke mededingingsvoorwaarden tussen economische actoren worden gecreëerd, met name in het licht van de toenemende macht van bepaalde grote digitale platforms. Samen vormen deze twee verordeningen een belangrijke stap in de totstandbrenging van een Europees regelgevingskader voor de digitale ruimte.
In 2025 heeft het Gerecht voor het eerst arresten gewezen in het kader van beroepen die waren ingesteld tegen besluiten van de Commissie op grond van de digitaledienstenverordening.
De eerste arresten met betrekking tot de digitaledienstenverordening
Arrest Zalando/Commissie (T‑348/23)
In april 2023 heeft de Europese Commissie de onlinewinkel Zalando aangemerkt als een „zeer groot onlineplatform” in de zin van de digitaledienstenverordening. Maandelijks maken namelijk meer dan 83 miljoen mensen gebruik van de website, waardoor Zalando ruimschoots de in de verordening vastgestelde drempel van 45 miljoen gebruikers overschrijdt. Zalando heeft deze kwalificatie echter betwist met als argument dat de Commissie rekenfouten heeft gemaakt.
Het Gerecht heeft het beroep verworpen. Het heeft bevestigd dat Zalando weliswaar op basis van de eigen rechtstreekse verkoopactiviteiten („Zalando Retail”) niet als een onlineplatform kan worden aangemerkt, maar dat het wel degelijk tot deze categorie behoort aangezien het via zijn „Partner Programm” derde verkopers host. De Commissie kon ervan uitgaan dat alle gebruikers werden blootgesteld aan de informatie van derde verkopers. Het Gerecht heeft ook het betoog verworpen dat de beginselen van rechtszekerheid, gelijke behandeling en evenredigheid waren geschonden, en heeft eraan herinnerd dat voor dergelijke platforms strengere verplichtingen moeten gelden om het risico te beperken dat gevaarlijke of illegale producten worden verspreid.
Arresten Meta Platforms Ireland/Commissie en Tiktok Technology/Commissie (T‑55/24 en T‑58/24)
Het Gerecht heeft de besluiten nietig verklaard waarbij de Europese Commissie voor het jaar 2023 het bedrag had vastgesteld van de toezichtsvergoeding die Facebook, Instagram en TikTok als „zeer grote onlineplatforms” in de zin van de digitaledienstenverordening verschuldigd zijn. Het heeft geoordeeld dat de methode voor de berekening van de vergoeding, die is gebaseerd op het gemiddelde aantal maandelijkse gebruikers, had moeten worden vastgelegd in een gedelegeerde handeling, en niet louter in uitvoeringsbesluiten, aangezien zij een wezenlijk element van de berekening is. Aangezien er echter geen fouten zijn gemaakt die afdoen aan de verplichting van de platforms om de vergoeding te betalen, heeft het Gerecht de gevolgen van de nietig verklaarde besluiten voorlopig gehandhaafd, totdat de Commissie een conforme methodologie en nieuwe besluiten vaststelt. Deze overgangsperiode mag echter niet langer duren dan twaalf maanden nadat de arresten onherroepelijk zijn geworden.
Arrest Amazon EU/Commissie (T‑367/23)
Het Gerecht heeft het beroep van Amazon verworpen dat strekte tot nietigverklaring van het besluit van de Europese Commissie waarbij het platform Amazon Store wordt aangemerkt als een „zeer groot onlineplatform” in de zin van de digitaledienstenverordening, die strengere verplichtingen oplegt voor diensten met meer dan 45 miljoen gebruikers in de Unie. Amazon had aangevoerd dat meerdere grondrechten die worden gewaarborgd door het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie waren geschonden, waaronder de vrijheid van ondernemerschap, het recht op eigendom, de gelijkheid voor de wet, de vrije meningsuiting en het recht op privéleven en op bescherming van vertrouwelijke informatie. Het Gerecht was daarentegen van oordeel dat de door de digitaledienstenverordening opgelegde verplichtingen weliswaar kosten met zich mee kunnen brengen en een impact kunnen hebben op de organisatie van het platform, maar dat deze verplichtingen bij wet zijn ingesteld, evenredig zijn en gerechtvaardigd zijn door de doelstelling van algemeen belang om de systeemrisico’s in verband met zeer grote platforms, met name de verspreiding van illegale inhoud, te voorkomen en om consumenten te beschermen. Het Gerecht kwam tot de slotsom dat de bestreden maatregelen, zoals de verplichting om voor elk van de aanbevelingssystemen een optie aan te bieden die niet gebaseerd is op profilering, een openbaar reclameregister op te stellen en onderzoekers toegang tot de informatie te verlenen, geen afbreuk doen aan de wezenlijke inhoud van de ingeroepen rechten en gepaard gaan met strenge waarborgen op het gebied van vertrouwelijkheid en veiligheid.
De digitaledienstenverordening
De digitaledienstenverordening, die van toepassing is sinds 17 februari 2024, is de tegenhanger van de digitalemarktenverordening op het gebied van de regulering van digitale inhoud en diensten. De verordening heeft tot doel een veiligere, transparantere en meer voorspelbare onlineomgeving voor Europese gebruikers tot stand te brengen. Zij moderniseert de regeling voor de aansprakelijkheid van aanbieders van tussenhandeldiensten en legt strengere verplichtingen op aan zeer grote onlineplatforms en zeer grote onlinezoekmachines. Deze verplichtingen hebben met name betrekking op de invoering van doeltreffende mechanismen voor de behandeling van illegale inhoud, op de beoordeling en beperking van systeemrisico’s — zoals desinformatie, schendingen van de grondrechten of risico’s op het gebied van de bescherming van minderjarigen — en op de verhoging van de transparantie van algoritmische systemen en aanbevelingssystemen.
De digitalemarktenverordening en de digitaledienstenverordening zijn dus niet precies op dezelfde categorieën actoren gericht. De digitalemarktenverordening is gericht op platforms die een structurele invloed uitoefenen op de interne markt en die voor ondernemingen die er gebruik van maken een essentiële toegangspoort tot de eindgebruikers vormen. De digitaledienstenverordening bestrijkt daarentegen een breder scala aan ondernemingen die tussenhandeldiensten aan Europese gebruikers aanbieden. Zij legt bijzonder strenge verplichtingen op aan zeer grote platforms en zoekmachines, vanwege de systemische impact van deze actoren op de informatieruimte en het marktlandschap.
Wat de digitaledienstenverordening betreft, heeft de Commissie in een in december 2025 geactualiseerd besluit een aantal zeer grote onlineplatforms en zeer grote zoekmachines aangewezen die onderworpen zijn aan de strengere verplichtingen van deze verordening, waaronder Amazon, Apple, Booking.com, Google, LinkedIn, Meta, Microsoft, Pinterest, Snap, TikTok, X (het voormalige Twitter), Wikimedia Foundation en Zalando, alsmede andere aanbieders die actief zijn op de Europese markt.
De uitvoering van deze verordeningen heeft al tot aanzienlijke sancties geleid. De eerste geldboete op grond van de digitaledienstenverordening, voor een bedrag van 120 miljoen EUR, is op 5 december 2025 opgelegd aan het platform X, vanwege niet-naleving van meerdere verplichtingen uit hoofde van de verordening.
Belangrijkste begrippen in het kader van de digitaledienstenverordening
De digitaledienstenverordening is een Europese verordening die tot doel heeft digitale diensten te reguleren om een veiligere, transparantere en eerlijkere onlineomgeving te waarborgen. Hieronder volgen enkele belangrijke begrippen, eenvoudig uitgelegd:
- onlineplatform: digitale dienst die gebruikers de mogelijkheid biedt inhoud te publiceren, te delen of te raadplegen (sociale netwerken, marktplaatsen, videoplatforms enz.);
- zeer groot onlineplatform (very large online platform, VLOP): platform met meer dan 45 miljoen actieve gebruikers in de Europese Unie; gelet op de grote maatschappelijke impact van deze platforms, worden zij onderworpen aan strengere verplichtingen;
- illegale inhoud: alle inhoud die in strijd is met het Unierecht of het toepasselijke nationale recht (bv. haatzaaiende uitlatingen, illegale producten, inbreuken op auteursrechten);
- inhoudsmoderatie: alle maatregelen die platforms nemen met het oog op het opsporen, beoordelen en, in voorkomend geval, verwijderen van problematische inhoud of het beperken van de toegang tot deze inhoud;
- transparantie van algoritmes: verplichting voor bepaalde platforms om op een begrijpelijke wijze uit te leggen hoe hun systemen voor het aanbevelen van inhoud werken.
Via deze instrumenten wil de digitaledienstenverordening gebruikers beter beschermen, de grote platforms meer verantwoordelijkheid laten dragen en het vertrouwen in de Europese digitale ruimte versterken.
Terugblik op de belangrijkste arresten van het jaar
Vrij verkeer
De Europese Unie waarborgt het recht van haar burgers om zich vrij op het grondgebied van de lidstaten te verplaatsen en er vrij te verblijven. Opdat deze vrijheid daadwerkelijk kan worden uitgeoefend, moeten de lidstaten de in een andere lidstaat wettig tot stand gekomen persoonlijke en familiale situaties erkennen en deze beoordelen in het licht van de door het Unierecht beschermde grondrechten, met name het recht op eerbiediging van het privé-, familie- en gezinsleven en het non-discriminatiebeginsel.
Gelijke behandeling en non-discriminatie
De Europese Unie heeft een gemeenschappelijk rechtskader vastgesteld om gelijke behandeling te waarborgen en discriminatie tegen te gaan. De richtlijnen 2000/43/EG en 2000/78/EG vormen daarvan de hoekstenen: de eerste richtlijn verbiedt discriminatie op grond van ras of etnische afkomst en de tweede richtlijn is gericht op gelijke behandeling in arbeid en beroep. Deze richtlijnen verbieden elke vorm van directe of indirecte discriminatie, behoudens bepaalde rechtvaardigingsgronden, en verplichten de lidstaten dus om binnen de Unie een doeltreffende en homogene bescherming te waarborgen.
Rechtsstaat
Het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie verwijst, net als het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU), uitdrukkelijk naar de rechtsstaat, een van de waarden die de lidstaten krachtens artikel 2 VEU gemeen hebben. Een wezenlijk aspect van de rechtsstaat is dat de rechter onafhankelijk en onpartijdig is.
Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid
Beperkende maatregelen of „sancties” zijn een essentieel instrument van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB) van de Europese Unie. Zij worden opgelegd als onderdeel van een geïntegreerd en alomvattend beleid dat onder meer een politieke dialoog omvat. De Unie maakt met name gebruik van dit instrument om de waarden, de kernbelangen en de veiligheid van de Unie te beschermen, geschillen te voorkomen en de internationale veiligheid te versterken. Sancties hebben namelijk tot doel om een verandering in het beleid of de handelwijze van de betrokken personen of entiteiten tot stand te brengen en zodoende bij te dragen tot de verwezenlijking van de GBVB-doelstellingen.
Migratie en asiel
De Europese Unie heeft een pakket regels ingevoerd om tot een effectief, humanitair en veilig Europees migratiebeleid te komen. Het gemeenschappelijke Europese asielstelsel stelt minimumnormen vast die in de hele Unie gelden voor de behandeling van alle asielzoekers en hun asielaanvragen.
Consumenten
Het Europese consumentenbeleid is erop gericht de gezondheid, de veiligheid en de economische en juridische belangen van consumenten te beschermen, ongeacht de plaats waar zij wonen, reizen of aankopen doen binnen de Unie.
Intellectuele eigendom
De regels die door de Europese Unie zijn vastgesteld ter bescherming van intellectuele eigendom (auteursrecht) en industriële eigendom (merkenrecht, tekeningen en modellen) verbeteren het concurrentievermogen van ondernemingen door een klimaat te scheppen dat bevorderlijk is voor creativiteit en innovatie.
Mededinging
De Europese Unie zorgt ervoor dat regels ter bescherming van de vrije mededinging worden nageleefd. Praktijken die tot doel of tot gevolg hebben dat de mededinging binnen de interne markt wordt belemmerd, beperkt of vervalst, zijn verboden en kunnen worden bestraft met geldboeten. Het recht van eenieder om vergoeding te vorderen van schade die is veroorzaakt door een mededingingsverstorende gedraging, versterkt de praktische werking van de mededingingsregels van de Unie en maakt gedragingen die inbreuk maken op de vrije mededinging minder aantrekkelijk.
Justitiële samenwerking
De ruimte van vrijheid, veiligheid en recht omvat maatregelen om de justitiële samenwerking tussen de lidstaten te bevorderen. Die samenwerking berust op de wederzijdse erkenning van rechterlijke uitspraken en beslissingen en beoogt de nationale wetgevingen te harmoniseren teneinde grensoverschrijdende criminaliteit te bestrijden en tegelijkertijd de rechten van slachtoffers, verdachten en gedetineerden binnen de Unie te waarborgen.
Privacy
De Europese Unie beschikt over een uitvoerige regeling op het gebied van de bescherming van persoonsgegevens. Bij het verwerken en bewaren van dergelijke gegevens moet worden voldaan aan de in die regeling vastgestelde voorwaarden. Zo mogen persoonsgegevens slechts worden verwerkt of bewaard voor zover dat strikt noodzakelijk is en mag daarbij geen onevenredige inbreuk op het recht op privéleven worden gemaakt.
Milieu
De Europese Unie zet zich in voor de bescherming en de verbetering van de kwaliteit van het milieu en voor de bescherming van de volksgezondheid. Indien het Hof van Justitie een schending van het Unierecht vaststelt, moet de betrokken lidstaat zo spoedig mogelijk aan het arrest voldoen. Indien de Commissie van mening is dat de lidstaat niet aan het arrest heeft voldaan, kan zij een nieuw beroep instellen en financiële sancties eisen.
Informatiemaatschappij
De Europese Unie speelt een sleutelrol in de ontwikkeling van de informatiemaatschappij, waarbij zij ernaar streeft een gunstig klimaat voor innovatie en concurrentiekracht te creëren, en tegelijkertijd de rechten van de consument te beschermen en rechtszekerheid te bieden. Zij garandeert eerlijke en open digitale markten en neemt belemmeringen voor grensoverschrijdende onlinediensten binnen de interne markt weg teneinde het vrije verkeer van die diensten te waarborgen.
Toegang tot documenten
Transparantie van het openbare leven is een essentieel beginsel van de Europese Unie. Daarom kan iedere burger of rechtspersoon van de Unie in principe toegang krijgen tot documenten van de Europese instellingen.
De directie Onderzoek en Documentatie biedt rechtsbeoefenaren als onderdeel van haar Verzameling samenvattingen een „Selectie van belangrijke arresten” en een „Maandelijks bulletin van de rechtspraak” van het Hof van Justitie en het Gerecht aan.